Haiku
een gevallen blad
teken van een stervende
en maagd in wording
.
Haiku
een gevallen blad
teken van een stervende
en maagd in wording
.
een verbeeldinghet is luisteren naar wat men niet kan horen
zelfs niet met wijd openstaande oren
ik kijk met mijn ogen en zie niet wat ik ervaar
het is de herkenning die ik vanbinnen bewaar
hoe schilder ik intiem ontwaken
het dansen van nevel over een meer
of het knisperen van gevallen bladeren
als ik ze met mijn voeten bezeer
waar ook nog het herfstfruit in eikels gegoten
in groten getale mede de grond bedekken
het duiden zou toch de aardse weelde beknotten
en mij uit een droom van vertedering wekken
ik kijk met mijn ogen en zie niet wat ik ervaar
het is de herkenning die ik vanbinnen bewaar
versterven
wat is het toch
dat in mij zo
dreigt weg te vloeien
ligt er misschien
een voortschrijdende
onthechting te broeien
of verlies ik de wereld uit het oog
alwaar in de gejaagde mallemolen
het steigerend paard mij afwerpt
om mij, in wat nog rest aan adem,
even rond te laten dolen
schuurt de tijd soms aan het stof
dat over mijn beleving is gestrooid
en dat wat zich nu nog openbaart
het naakte bestaan is,
van illusies berooid
De liefde bedrijvenliefde bedrijven
is pogen
blijvend te verblijven
tegen warme lijven
die gewillig
aan elkander
willen beklijven
om op herhalende
vluchtige dromen
te drijven
en als zacht
schurende schijven
de passie nog
nog meer opdrijven
vluchtigvoel ik nu
een druppel zakken
over mijn
ongeschoren wang
een traan
die afscheid vertaalt
in vluchtige vochtigheid
van innerlijk treurgezang
ik kijk nog omhoog
alsof ik de waarheid
verwacht vanboven;
het gevallen leed van een blad
met uitzicht op herfstig sterven
ik hou me van de dove
oude stenenals ik drijf op de schaduw van heden
en het mij voelbaar ontbreekt aan gerief
maakt het ademen diepe sneden
roept de rust en komt de nacht als een dief
niet dat ik door het sterven ben aangeraakt
of vast de wakken tel voor morgen,
door deze of gene word gelaakt
neen, de ziel is gedwongen verborgen
toch bouw ik op oude stenen
zij vormen het beeld met geduld
om weer iets van de toekomst te lenen
dat nu nog met nevel is omhuld
overbrugginghet is al lang geleden
je zou haast zeggen
in een gedachteloos verleden
dat ik naar jou schreef
ze waren koud, die korte zinnen
gekrast met aangelengde inkt
ik heb het nabij zijn gemeden
kruiste de degens vanbinnen
heb zodoende de eigenliefde verlinkt
leve de republiek schreeuwde ik
tegen het laatste kladblokvelletje
van goor uitziend papier
bekend van de toiletrollen tint
een kleverige band dat resteerde;
een tweehonderd bladzijden oorlelletje
waarvan ik er honderdachtennegentig
heb afgescheurd met ongeschreven gedichten
met de onzalige doch veelzeggende titel;
waarom heb ik mezelf nooit bemind
zo, het laatste vel is nu gevuld
met dwarrelende gedachten
ik stuur ze naar je op
in de hoop dat ze het lange wachten
enigszins kunnen verzachten
de levende doodsoms, als ik
in de dood verblijf
en het schimmenspel
zie om mij heen
gonzen eentonige
geluiden
zij hebben
het sterven gemeen
geen woord of gebaar
kan mij dan raken
ik ben,
zonder iemand te zijn
voel, zonder kreten
te slaken
Luciano Pavarotti (1935-2007)
achter haar vlakke hand
in het woud van morgen
vrijen in den vreemdevredig vrijuit vrijen in den vreemde
met een vrijvrouw zonder enige scrupule
is hangen aan gekleurde ballonnen
of zweven in wilgenbomen van chocolade
het is zuigen aan slagroom met aardbeien
ongeremd, verblind en onbezonnen
alhoewel het naast zo'n schone neervlijen
reeds het ervaren is van genade
eer ik werkelijk ben begonnen
ach, wat kan ik zo fijn fantaseren
over onbekende grenzen heen
het is veilig drijven op de wolken
en de liefde op topniveau vereren
ongeschreven gedichtenverderop in de straat zijn er vestingen
al vroeg in de avond met rolluiken gedicht
ik heb niet de indruk dat er veel is te halen
nooit heeft men daar dieven zich zien verdringen
of dat er binnenshuis kwalijke daden worden verricht
daarentegen zet ik de deuren wijd open
dat wil zeggen aan de achterkant
kan men vrijelijk naar binnenlopen
tenminste als de houten poort
niet met sloten zou zijn bemand
voorgevels zijn voor mij gezichten
met glazige vierkante ogen
ik kijk graag bij iedereen naar binnen
het lijken strofes van ongeschreven gedichten
blinde vlekkeneen sta in de weg, ben ik
ook terwijl ik langdurig zit
op de juiste momenten ja knik
en eindeloos tot de Schepper bid
hoe is dat zo gekomen
daar ik toch goed van zins ben
de werkelijkheid onderscheid van dromen,
verderf en schoonheid door en door ken
het is als kleurloze verf op een palet
op het doek verwerkt tot blinde vlekken
waar ik de gehele oppervlakte heb besmet
niet in staat zijnde daaruit inzicht op te wekken
de laatste strofe|
een laatste strofe |
als ik niet kijkze staart naar mijn ogen
aldoor
als ik niet kijk
glimlacht een heel verhaal
gaat op in de verbeelding
die opnieuw geboren lijkt
wat tekent mijn mond
die blijkbaar
een verleden verraadt
zij aait de hond
die haar achterlaat
met een lege schoot
en keert in haar wereld terug
hij die zij verwacht
is vroegtijdig uitgeloot
de pijn kromt weer haar rug
het draagt de stiltejouw hand glijdt
langs mijn wang
zoals de najaarswind
de bladeren streelt
het ruisen is meer
dan een geluid
iets dat nimmer
verveelt
het duidt op
een geschenk
naar verluidt
het draagt de stilte
als een zoekende bruid
steppevreeszoek geen schoonheid
in bedrogen ogen
zij kijken zonder glans
de kilte heeft ze gewogen
en naar de schaduw geleid
daar spreken dorre takken
met zout getraande bladen
over desolate vlakten
die als verstomd
hun verleden verraden
als het doorzicht kwijntspanen hangen langs de boot
een stroom drijft me voort
ik weet niet naar waar
van het vreemde hier
in het uiteinde van
een afgehakte loot
naar het onbekende daar
ik heb weet van de verlamde passie
de opgesloten sier
alsof een eeuwigdurende zielenstaar
mij voortduwt in het zand van de woestijn,
wellicht een onvermijdelijk levensgebaar
de zon weerkaatst op schaduwen
van gedoofde vuren in een geblakerd bos
momenten met gelijmd kluwen
geen draad te pakken, geen uiteinde los
korstgenotlangzaam schraap ik
de roodbruine korsten
van mijn bezeerde arm;
het is peuteren met pijn
negeer het lijfelijk alarm
niet dat ik zomaar
naar bloed zou dorsten
het geeft een aanhoudende kick
en dat is dwangmatig fijn
voorzichtig gaat mijn nagel
langs de rand van gestold vocht
op zoek naar reeds blootgelegen huid
maar bij de onverwijlde afwezigheid
van een loszittende rand
duw ik tegen de ondoorzichtige ruit
hier ervaar ik de pijn waarnaar
mijn zucht wordt toe geleid