ik
dat
wat je niet ziet
ben ik ook
voel je iets
wanneer mijn woorden
anders duiden
ook dan zijn het
betekenisvolle geluiden
van deze mens
jawel,
met wisselende
akkoorden
(nieuwe versie)
ikdat
wat je niet ziet
ben ik ook
voel je iets
wanneer mijn woorden
anders duiden
ook dan zijn het
betekenisvolle geluiden
van deze mens
jawel,
met wisselende
akkoorden
(nieuwe versie)
vergankelijkheidvandaag verliest
het kind in mij
vandaag verliest
het kind in mij
opnieuw de hoop
die blijkt,
al kon hij het weten,
verborgen
in een
onlosmakelijke knoop
van liefde en
zorgen
alhoewel gedragen
door een prille ochtend
ligt het duister op de loer
waar allengs
onder de onbereikbare zon,
de verwachting sterft
wat dan het leven
altijd ongevraagd nalaat
is de eenzaamheid
die men erft
vandaag verliest weer
het kind in mij
ik schrijf je ditik schrijf je dit
als het zwart
nog de ramen
bedekt
en rust nog
naast stilte zit
alsof de nacht,
met gemak,
nog even
de eeuwigheid
oprekt
ik schrijf je dit,
zomaar,
zonder heden
en verleden,
en droom dat het licht
nog niet
door jachtige gedachten
wordt bereden
de ijzeren trapik zie het licht worden
zonder zonnestralen
in het grijs van de ochtend
terwijl de slaap nog vecht
tegen de nieuwe orde
onder de indruk
van gedichten
die over de ziel verhalen
de ijzeren trap
leidt mij omhoog
naar de zolder,
van de avond ervoor,
met licht in glas
met geluid zo zacht als was
waar het gezochte woord
in beelden schiet
en de verwachting
van lettergeliefden
een gedragen stilte
in de harten biedt
sterven bij levenademen zonder morgen
is omgaan met het nu,
het heden,
waar geborgenheid
in vandaag
moet zijn verborgen
het is niet meer verlaten
op een verwachtende hoop
een droom met in wezen
onbekende baten
of zo men wil,
fantasieloze gaten
je bent op
jezelf teruggeworpen
niet om enkel de eenzaamheid
te verheerlijken
of je eigen zijn te stellen
boven de ander
het is een moment
om het leven te herijken
de toekomst anders
te willen leren zien
zoals die je tot nu toe
had aangewend
de overkantsoms denk ik wel
of vaker nog
in momenten
die vragen om lange adem
en er geen sprake meer is
van een ontluikende lente
of ik niet ten onder ga
aan gestapelde lasten
waar gevoelens lijken versteend
of gespletenheid zich uit
in onoverbrugbare barsten
en de resterende tijd alleen
aan de duivel is uitgeleend
als het mij dan toch lukt
een ander echt in de ogen te kijken
ga ik niet alleen
onder de aardse ballast gebukt
om al zwoegend
de overkant te bereiken
hoor mijhoor mij
als ik fluister
over het pad
naar het meer
met roepende vlinders
en broze libelles
leg je oor te luister
hoe zachte klanken
waaien langs mijn tong
en ranke lippen
van het harpspel
uit mijn ademende ziel
het zijn witte engelen
die ook uit mijn zuchten
nog geurende roosjes knippen
omzien naar jouvoor jou
die dit leest in stilte
en het licht van morgen
nu al ervaart in kilte
weet
dat ik
je omarm,
zomaar,
in gedachten
en heel even
mijn lach is warm
het is om jou,
weliswaar
van verre,
enige nabijheid
te geven
geriefelijke troostach lieve, laat mij de glans zien in je twinkelende ogen
nacht in dag
een stillevengebogen
leun ik
op de steunen
van mijn
statigheid
een rustpunt
terzijde van de schouw
een monument
van waardigheid
een hoge zetel met leder
en uit donker eikenhout
opgebouwd
de jaren zijn
ons aan te zien
als het sierlijk schrijnwerk
verschoten rouwt
de haard uitsterft
gelijk mijn toekomst
die stilaan verflauwt
uitzien naar morgenik zie uit
naar morgen
waar het licht
nog onbevlekt is
alsof ik
in de toekomst
word geborgen
een verwachting
zonder gemis
kom maarmijn handen steek ik uit
gedragen door vragende armen
kom maar, fluistert mijn stem
ik til je naar mijn rozenbed
zal je tere huid verwarmen
ik strijk langs je kwetsbaar lijf
mijn ogen op je gericht
verlegen zie je naar binnen
dat verraadt je glimlachend gezicht
kom maar, fluistert mijn stem
voel de stilte in ons dalen
kijk ook naar mijn rimpels
ze tonen de zachtheid
geboren uit sprakeloze verhalen
het sterven beminnenals het jaar zijn einde nadert
verblijf ik wat dieper vanbinnen
de hemel duikt dan
ongevraagd in mijn ziel
alsof ik het sterven,
haast gedwongen
moet leren beminnen
het hangend grijs
dringt zich door mijn huid
om de maakbaarheid te vertragen
en de winterslaap te verkiezen
tot mijn allerlaatste bruid
als hoop verder reikt dan het zicht
en bergen zich uitstrekken tot de kim
in de laatste smeulende dagen
kan ik slechts wachten op wat licht
en mij, aan de natuur ootmoedig,
in overgave te gedragen
golvendmag ik
van jou zijn
dromend langs
de lijnen van jouw
gedachten
die ik doe spannen
of laat vieren
naargelang
een verlangende zucht
is te verwachten
dan wel
een oogstrelende aanraking
de afstand kan verzachten
al golvend
in de beweging
van zachte tinten
mag ik
van jou zijn
in het spel
van liefdevolle
omhullende
lichte linten
een zoete windik keerde jou
de rug toe
en ging met loze
woorden henen
je zag niet
dat mijn tranen
in een zoete zuchtende
wind verdwenen
het verleden hedenik kijk mijn moeder
in de ogen
zij spreekt van verre,
dwalend in het bos
ze wordt in het heden
door haar verleden bedrogen
de waarheid
laat steeds meer los
nog even
nog even
dan lengen
de dagen
ik zie nu al licht,
bij vlagen
draag nog wel
het vlies van
ledigheid
klevend aan mijn,
onvoorwaardelijke,
mensheid

Bevreesde overgave
bij tanend licht