uitzien naar morgen
ik zie uit
naar morgen
waar het licht
nog onbevlekt is
alsof ik
in de toekomst
word geborgen
een verwachting
zonder gemis
uitzien naar morgenik zie uit
naar morgen
waar het licht
nog onbevlekt is
alsof ik
in de toekomst
word geborgen
een verwachting
zonder gemis
kom maarmijn handen steek ik uit
gedragen door vragende armen
kom maar, fluistert mijn stem
ik til je naar mijn rozenbed
zal je tere huid verwarmen
ik strijk langs je kwetsbaar lijf
mijn ogen op je gericht
verlegen zie je naar binnen
dat verraadt je glimlachend gezicht
kom maar, fluistert mijn stem
voel de stilte in ons dalen
kijk ook naar mijn rimpels
ze tonen de zachtheid
geboren uit sprakeloze verhalen
het sterven beminnenals het jaar zijn einde nadert
verblijf ik wat dieper vanbinnen
de hemel duikt dan
ongevraagd in mijn ziel
alsof ik het sterven,
haast gedwongen
moet leren beminnen
het hangend grijs
dringt zich door mijn huid
om de maakbaarheid te vertragen
en de winterslaap te verkiezen
tot mijn allerlaatste bruid
als hoop verder reikt dan het zicht
en bergen zich uitstrekken tot de kim
in de laatste smeulende dagen
kan ik slechts wachten op wat licht
en mij, aan de natuur ootmoedig,
in overgave te gedragen
golvendmag ik
van jou zijn
dromend langs
de lijnen van jouw
gedachten
die ik doe spannen
of laat vieren
naargelang
een verlangende zucht
is te verwachten
dan wel
een oogstrelende aanraking
de afstand kan verzachten
al golvend
in de beweging
van zachte tinten
mag ik
van jou zijn
in het spel
van liefdevolle
omhullende
lichte linten
een zoete windik keerde jou
de rug toe
en ging met loze
woorden henen
je zag niet
dat mijn tranen
in een zoete zuchtende
wind verdwenen
het verleden hedenik kijk mijn moeder
in de ogen
zij spreekt van verre,
dwalend in het bos
ze wordt in het heden
door haar verleden bedrogen
de waarheid
laat steeds meer los
nog even
nog even
dan lengen
de dagen
ik zie nu al licht,
bij vlagen
draag nog wel
het vlies van
ledigheid
klevend aan mijn,
onvoorwaardelijke,
mensheid

Bevreesde overgave
bij tanend licht
gisteren
Plaza della Pietàik tracht met mijn scherven,
op de Plaza della Pietà,
sprakeloos,
weer heelheid te verwerven
wanneer ik oog in oog sta
met de fontein
waarvan de stralen
huilend de leegte erven,
van de val verhalen
en druppels uiteenspatten
op reeds uitgesleten groeven
van de marmeren Moeder,
zodat ze verpletterend
een verlies vertalen
ik zoek de scherven
opnieuw te verwerven
in het voortdurend geruis
dat de stem verbeeldt
van een scheppende hoeder
als de dag van morgenvertel mij van dromen,
nog verborgen,
maar waarin zeker
het verleden
wordt ontnomen
ik ga nog één keer langs
bij de velden van weleer
die verhalen van droogte
en diepe verlatenheid
die nog steeds de huid
bekrassen, keer op keer
en waar mijn levensvocht
verdampt in gelatenheid
herinner mij
aan de dag van morgen
die vertelt van het
ontluikende groene gras
waarin ik mij dan,
zozeer weet geborgen
alsof nu al het heden,
gisteren was
glazen zerkals het hemels dak,
vochtig grijs en
alles omhullend,
het ademen beperkt
vraag ik me af
of zich nu reeds
de contouren vormen
van mijn zielverlaten
glazen zerk,
al doende
het ongewisse
met eeuwigheid
vullend
het uitzicht draagt
niet verder dan heden
morgen,
wat dat ook zij,
lijkt een beeld
uit een verleden
een woord
in hoofden geteeld
en zo lang in mijn
wiegend geloof beleden
De verlaten akker
Haiku
een gevallen blad
teken van een stervende
en maagd in wording
.
een verbeeldinghet is luisteren naar wat men niet kan horen
zelfs niet met wijd openstaande oren
ik kijk met mijn ogen en zie niet wat ik ervaar
het is de herkenning die ik vanbinnen bewaar
hoe schilder ik intiem ontwaken
het dansen van nevel over een meer
of het knisperen van gevallen bladeren
als ik ze met mijn voeten bezeer
waar ook nog het herfstfruit in eikels gegoten
in groten getale mede de grond bedekken
het duiden zou toch de aardse weelde beknotten
en mij uit een droom van vertedering wekken
ik kijk met mijn ogen en zie niet wat ik ervaar
het is de herkenning die ik vanbinnen bewaar
versterven
wat is het toch
dat in mij zo
dreigt weg te vloeien
ligt er misschien
een voortschrijdende
onthechting te broeien
of verlies ik de wereld uit het oog
alwaar in de gejaagde mallemolen
het steigerend paard mij afwerpt
om mij, in wat nog rest aan adem,
even rond te laten dolen
schuurt de tijd soms aan het stof
dat over mijn beleving is gestrooid
en dat wat zich nu nog openbaart
het naakte bestaan is,
van illusies berooid
De liefde bedrijvenliefde bedrijven
is pogen
blijvend te verblijven
tegen warme lijven
die gewillig
aan elkander
willen beklijven
om op herhalende
vluchtige dromen
te drijven
en als zacht
schurende schijven
de passie nog
nog meer opdrijven
vluchtigvoel ik nu
een druppel zakken
over mijn
ongeschoren wang
een traan
die afscheid vertaalt
in vluchtige vochtigheid
van innerlijk treurgezang
ik kijk nog omhoog
alsof ik de waarheid
verwacht vanboven;
het gevallen leed van een blad
met uitzicht op herfstig sterven
ik hou me van de dove
oude stenenals ik drijf op de schaduw van heden
en het mij voelbaar ontbreekt aan gerief
maakt het ademen diepe sneden
roept de rust en komt de nacht als een dief
niet dat ik door het sterven ben aangeraakt
of vast de wakken tel voor morgen,
door deze of gene word gelaakt
neen, de ziel is gedwongen verborgen
toch bouw ik op oude stenen
zij vormen het beeld met geduld
om weer iets van de toekomst te lenen
dat nu nog met nevel is omhuld