Archief
in het woud van morgen
raap de bladeren, mijn zoon
vrijen in den vreemde
vredig vrijuit vrijen in den vreemde
met een vrijvrouw zonder enige scrupule
is hangen aan gekleurde ballonnen
of zweven in wilgenbomen van chocolade
het is zuigen aan slagroom met aardbeien
ongeremd, verblind en onbezonnen
alhoewel het naast zo'n schone neervlijen
reeds het ervaren is van genade
eer ik werkelijk ben begonnen
ach, wat kan ik zo fijn fantaseren
over onbekende grenzen heen
het is veilig drijven op de wolken
en de liefde op topniveau vereren
ongeschreven gedichten
verderop in de straat zijn er vestingen
al vroeg in de avond met rolluiken gedicht
ik heb niet de indruk dat er veel is te halen
nooit heeft men daar dieven zich zien verdringen
of dat er binnenshuis kwalijke daden worden verricht
daarentegen zet ik de deuren wijd open
dat wil zeggen aan de achterkant
kan men vrijelijk naar binnenlopen
tenminste als de houten poort
niet met sloten zou zijn bemand
voorgevels zijn voor mij gezichten
met glazige vierkante ogen
ik kijk graag bij iedereen naar binnen
het lijken strofes van ongeschreven gedichten
blinde vlekken
een sta in de weg, ben ik
ook terwijl ik langdurig zit
op de juiste momenten ja knik
en eindeloos tot de Schepper bid
hoe is dat zo gekomen
daar ik toch goed van zins ben
de werkelijkheid onderscheid van dromen,
verderf en schoonheid door en door ken
het is als kleurloze verf op een palet
op het doek verwerkt tot blinde vlekken
waar ik de gehele oppervlakte heb besmet
niet in staat zijnde daaruit inzicht op te wekken
de laatste strofe
|
een laatste strofe |
als ik niet kijk
ze staart naar mijn ogen
aldoor
als ik niet kijk
glimlacht een heel verhaal
gaat op in de verbeelding
die opnieuw geboren lijkt
wat tekent mijn mond
die blijkbaar
een verleden verraadt
zij aait de hond
die haar achterlaat
met een lege schoot
en keert in haar wereld terug
hij die zij verwacht
is vroegtijdig uitgeloot
de pijn kromt weer haar rug
het draagt de stilte
jouw hand glijdt
langs mijn wang
zoals de najaarswind
de bladeren streelt
het ruisen is meer
dan een geluid
iets dat nimmer
verveelt
het duidt op
een geschenk
naar verluidt
het draagt de stilte
als een zoekende bruid
steppevrees
zoek geen schoonheid
in bedrogen ogen
zij kijken zonder glans
de kilte heeft ze gewogen
en naar de schaduw geleid
daar spreken dorre takken
met zout getraande bladen
over desolate vlakten
die als verstomd
hun verleden verraden
als het doorzicht kwijnt
spanen hangen langs de boot
een stroom drijft me voort
ik weet niet naar waar
van het vreemde hier
in het uiteinde van
een afgehakte loot
naar het onbekende daar
ik heb weet van de verlamde passie
de opgesloten sier
alsof een eeuwigdurende zielenstaar
mij voortduwt in het zand van de woestijn,
wellicht een onvermijdelijk levensgebaar
de zon weerkaatst op schaduwen
van gedoofde vuren in een geblakerd bos
momenten met gelijmd kluwen
geen draad te pakken, geen uiteinde los

