NIEUW: Blog reclamevrij maken?
Fruit 2
Inhoud blog
  • Loquat
  • Teek verwijderen met vloeibare zeep en prop watten
  • Zaainoten
  • Krulziekte op Perzik
  • KIWIBESSEN (Actinidia arguta)

    Zoeken in blog


    Beoordeel dit blog
      Zeer goed
      Goed
      Voldoende
      Nog wat bijwerken
      Nog veel werk aan
     

    Mijn meer dan 50 jaar ervaring met tuinieren en het telen van vele soorten (klein)fruit zonder scheikundige bemesting en - spuiten wil ik meedelen en zelf nog bijleren. Doch de wereld is groter dan de tuin. Daar is eveneens veel te zien en te beleven.





    28-01-2015
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Naar Krakau

    Naar Krakau (9-8)

    (Na de beginblogs over de reis in Polen, 26 en 30/8 en 10 en 19/9, neem ik de draad weer op)

    Het lukte om met ons gezelschap van 12 man toch om 7u te vertrekken!

    Stop in de stad Torun voor een ontbijt op de markt. We hebben zopas het standbeeld van Copernicus gezien, de wetenschapper die definitief de planeten rond de zon liet draaien, hier geboren op 19-02-1473. Toen heette de stad Thom.

    Nog voor 18u bereiken we Krakau en vinden voor de wagens een private parking enkele 10 tallen m. verder.

    We logeren net buiten de stadsgordel, de groene band rond de binnenstad, de Planty. Het park werd in de jaren 1822-1830 aangelegd op de verwijderde stadsmuren en wallen en is 4 km lang en beslaat 21 Ha.

    De binnenstad is niet groot, maar prachtig in zijn oude gedaante bewaard, gespaard van oorlogsverwoesting en door de Unesco tot werelderfgoed uitgeroepen.

    Naast de stad stroomt de brede Weichsel (Wisla), monding in de Oostzee, een tak bij Gdansk, de andere een eind verder.

    Aan de stadskant in het zuiden, naast de stroom bevindt zich de Wawel, een heuvel (25m boven de Wisla). Hierop werden de burcht en de kathedraal gebouwd. Imposant. In dat kasteel resideerden gedurende 5 eeuwen de Poolse koningen. Een van hen was Casimir de Grote, die in 1364 de universiteit van Krakau stichtte, na deze van Praag de oudste van Midden-Europa.

    Na het uitpakken trekken we de stad in en worden al direct getrakteerd op een volksdansfestival. We stappen verder naar de grote, Grote Markt ( Rynek Glowny, 200 op 200m: 4Ha) met in het midden de oude Lakenhal. Op het terras van een Georgisch restaurant vinden we voor allemaal een plaats met zicht op de Mariakerk waar elk uur trompetgeschal weerklinkt dat plotseling afgebroken wordt. Dit is de Hejnal, het signaal dat ’s morgens en ’s avonds gespeeld werd om de poorten te openen en te sluiten. Tijdens de Middeleeuwen zag een torenwachter de Tartaren komen en blies op zijn trompet om de poorten te sluiten. Een vijandelijke pijl trof hem hierbij zodat het blazen abrupt stopte. Desondanks konden dankzij zijn oplettendheid de stadspoorten net op tijd worden gesloten en de Tartaarse aanval worden afgewend. Sinds de 19e eeuw wordt deze afgebroken hejnal als herinnering aan deze gebeurtenis elk uur gespeeld op de hoogste toren van de Mariakerk. Sinds 1927 speelt de Poolse radio deze melodie dagelijks om 12 uur 's middags.

    De kelner is een Georgische student muziek, die er aan denkt beiaardier te worden en overweegt later naar de Beiaardschool van Mechelen te komen. Lekker gegeten, besproeid met Georgische wijn. Wel eens wakker geworden van zat nachtlawaai in de straat.

     

    ’s Anderendaags (zo.10/8) bezoeken Aminou, Leen en Co Auschwitz-Birkenau (Oswiecim in het Pools). Ik ben er geweest tijdens mijn eerste bezoek aan Krakau in 2005 op terugweg van het wereldcongres van de Esperantisten te Vilnius, hoofdstad van Litouwen. Ik herinner mij de druilerige motregen in het beklemmend, grote rangeerstation van Birkenau waar de vele duizenden slachtoffers toekwamen voor vergassing.

    Wij lieten ons rondrijden in een paar van de elektrische toeristenwagentjes, bediend door Jobstudenten. Enkele keren wordt er uitgestapt voor bezoeken. We laten ons naar Kazimierz brengen, de joodse wijk. Een gedeelte van de film van Steven Spielberg Schindler’s List werd hier opgenomen. In deze film is ook Birkenau te zien.

    Langs de brede Weichsel wandelen we tot de Wawel. Die verkend met Peter. We wandelen de stad in over de schilderachtige en voorname Kanonicza straat met oude patriciërshuizen van o.a. de Kanunniken van de kathedraal (vandaar de naam). Aan een pleintje steken we over naar de parallel lopende Grodzka, een slagader van de stad die naar de Grote Markt voert. We komen uit tegenover de barokke Jezuïetenkerk met ernaast de Romaanse kerk van de Clarissen.

    Voor het avondeten vinden we nog een van de Milkbars, vroeger meer bekende basiseethuizen. Het smaakte.

    Zeer goed geslapen; geen nachtlawaai meer.

    FOTO’S

    Folkloristische groep

    Ons gezelschap

    Mariakerk

    De anderen op het elektrisch toeristenwagentje

    De raadhuistoren op een hoek van de Grote Markt. Het Middeleeuws raadhuis zelf is reeds lang afgebroken. De toren liet men staan. Erachter zie je een deel van de Lakenhal.

    Mariakerk, nu bij dag

    Kerkinterieur met veel kerkgangers (Het is zondag)

    Terugwandelen langs de Wisla

    Wawel



















    28-01-2015, 23:56 geschreven door Daan

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (8 Stemmen)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.VERVOLG

    VERVOLG

    Wawel

       “

       “

    Jezuïetenkerk

    Op de Grote Markt voor de Lakenhal

    Milkbar

    Dagmenu in de Milkbar

    Tom en Lucia

    Nog nagenieten met een pint op de Grote Markt



















    28-01-2015, 23:36 geschreven door Daan

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (5 Stemmen)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.BOTANICAL GARDEN

    BOTANICAL GARDEN

    Vandaag (11/8) trek ik er alleen op uit. De rest bezoekt de zoutmijn van Wieliczka. Ik bezocht die ook in 2005, doch kon er maar matig van genieten met in mijn hoofd de belevenissen van het geweldige roetsjen op de lange glijbanen van de zoutmijn in het Oostenrijkse Hallein. Onze jongste dochter Tinneke was toen vier en net groot genoeg om mee te mogen met de rest van het gezin.

    In de milkbar verorber ik een grote Spaanse omelet (4 eieren + olijven). Daarna wandel ik naar de grote Botanical Garden van de universiteit. Slechts 4 Zloty = €1. Veel gezien; kerspruimen en verschillende rijpe = afgevallen kornellebessen (Cornus mas) geproefd. Best te genieten.

    In bloem- en kruidenperken zijn wellicht vrijwilligers onkruid aan het wieden dat vooral bestaat uit een massa hanepoot. Ik heb compassie met die mensen. In mijn tuin heb ik het erg gemunt op dit onkruidgras om uitzaaien te voorkomen. Een al iets grotere plant kan je niet meer uittrekken. Je moet die uitgraven. Verder zie ik nog eeuwenoude, uit moerassen en rivieren bovengehaalde, versteende boomstammen. Ik heb bij dit bezoek echt genoten van al die vormen en kleuren, kennis opgefrist en vooral veel bijgeleerd.

    Tegen 14u terug in de stad voor een lunch met een lekkere, Argentijnse Malbec.

    s ’Avonds wandelt het ganse gezelschap naar Kazemierz voor een heerlijk joods diner met dito Israëlische wijn. Onderweg wordt de nodige wodka aangekocht.

    FOTO’S

    Bloemen in de Botanical Garden van de universiteit

    Idem

    Idem

    Idem

    Versteende eik

    Uitleg over de versteend eik

    Wilde appel

    Idem

    Vleesetende plant



















    28-01-2015, 23:28 geschreven door Daan

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (7 Stemmen)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.NAAR WLEN IN SILEZI╦

    NAAR WLEN IN SILEZIË

    Vanmiddag (12/8) vertrekken we naar het Pension Lenno van Luc Vanhauwaert op het berggehucht Lenno te Wlen in het vroegere Duitse Silezië. (+/- 500km rijden).

    Ik raad aan op Google bij zoeken in te vullen: Luc Vanhauwaert Lenno en een massa foto’s en info komt tevoorschijn.

    In de voormiddag bezoeken we nog een tentoonstelling van Poolse symbolisten en doen wat inkopen.

    Het is wat aanschuiven in Krakow voor we op de snelweg geraken. Voor het avondeten stoppen we bij een grill restaurant: kip met een stevige sla.

    Ik herkende het niet meer bij Luc, alhoewel we ter plaatse stonden. Na een seintje kwam hij ons verwelkomen en de kamers toewijzen.

    Nog gezellig op het terras gezeten en de wodka’s geproefd.

     

    13/8. Was vroeg wakker. De omgeving gaan verkennen tot aan de middeleeuwse burcht die voornamelijk bestaat uit een ronde toren die men nu aan het restaureren is met geld van Europa. De arbeiders waren al aan het werk.

    Om 9u wandelen we een eerste keer naar het zeer rijkelijke ontbijt in het kasteel. Elke morgen zal Bernadette ons daarenboven verwennen met telkens een ander gebak.

    Daarna geeft Luc een rondleiding. We zien nog het andere, half gerestaureerde gedeelte van het kasteel.

    Luc Vanhauwaert kocht in 2000 dit domein. De Duitse eigenaars waren kort na de oorlog van de ene dag op de andere verdreven met achterlating van zo goed als alles. Dit was het geval met meerdere miljoenen Duitsers.

    Hij had Aleide en mij in 2002 uitgenodigd om de rassen in zijn grote boomgaard te determineren. Toen reden we tot Dresden waar we overnachten in de Cityherberge. Onze eerste kennismaking met het heropgebouwde, rijkelijke, oude stadsgedeelte. Ik kocht het boek Alte Obstsorten, maar bij Luc kon ik nauwelijks een of twee rassen determineren. Daarna is het Duitse Pomologen Verein bij hem geweest. Over een ras waren ze bepaald enthousiast en namen veel enten. Nu zijn enkel de Oogstappelen, Transparente Blanche of in het Duits de Klarapfel, rijp. Ik tel een vijftal bomen van dit ras. Er zijn kleine, individuele verschillen.

    Het kasteel is een sober gebouw in neo-classistische stijl. In U-vorm aan de voorkant tegen de straat en tegenover het kasteel staan reusachtige hoevegebouwen. Een tussengelegen woongedeelte tegenover het kasteel is prachtig gerestaureerd. In het midden ligt een groot rechthoekig plein. Het gebouw waarin we logeren staat er apart van en was ooit een tuin-landbouwschool.

    Luc heeft de vroegere, grote moestuin heraangelegd en er ook een serre neergepoot. Aldus heeft hij zijn eigen groenten. Een gedeelte wordt ook verkocht.

    We zouden daarna naar het lager gelegen Wlen wandelen. Ik ging alvast voorop op het weggetje naast de boomgaard. Ik zie de imposante rij van een twintigtal bijenkasten staan. In het struikgewas aan de andere kant groeien in het wild meerdere pruimen, kwetsen; doch die zijn nog niet rijp. Het is een heel eind dalen naar het dorp. De anderen zie ik niet terug, want die hebben de andere kant genomen. Door het dorp gewandeld en een wat andere terugweg gezocht. Aan een overweg van de spoorlijn bemerk ik de groene en gele tekens van de uitgestippelde wandelingen. Op mijn ochtendverkenning had ik die ook opgemerkt bij de burcht. Dus een makkie om de terugweg te vinden. De groene merktekens leiden pal naar omhoog. Het werd klimmen. Een gepaste stok hielp mij daarbij, want het was soms wel vrij steil. Tenslotte kom je uit bij de burcht. Als ik op het paadje kom dat naar de straat loopt kom ik een jonge Pool per fiets tegen. We hadden elkaar in het dorp gezien. Hij was verwonderd mij daar plots terug te zien. We hielden een lange babbel in het Engels. Per fiets verkende hij historische plaatsen.

    ’s Avonds rijden we voor het avondeten een 20 tal km naar de mooie stad Jelenia Gora. In de straten rond de marktplaats loop je onder barokke arcaden. Alles is kleurig geschilderd, vooral in oker en geel, maar er zijn ook roodachtige en blauwachtige tinten.

    FOTO’S

    Middagmaal

    Wodka

    In de tuin van Lenno

    Idem

    Woongedeelte

    Ons logementsgebouw

    Bijenstand in de boomgaard

    Wlen

    Kerk Wlen



















    28-01-2015, 23:21 geschreven door Daan

    Reageer (1)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (4 Stemmen)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De Grote Dagwandeling

    De Grote Dagwandeling

    Vandaag (14/8) staat een grote dagwandeling op het programma. We klimmen eerst naar de nieuwe woning die Luc – naar eigen ontwerp- aan het bouwen is bovenop de heuvel met wijds uitzicht op het verder gelegen Reuzengebergte ( Karkanosze Nationaal Park) op de grens met Tsjechië. Ik voel pijn in de borststreek van de te grote inspanning om de jeugd te volgen. Een sein om het wat kalmer te doen. Een gevoel dat ik tot nog toe niet kende. Dan over zijn 20 ha groot weidegebied afgedaald. Hier wordt er ’s winters geschied op de flink dalende hellingen. We lopen door bos en open stroken en over landwegen (We zien o.a. weer de blauwe korenbloemen uit mijn jeugd) tot we weer in meer bewoonde gebieden komen. Bij een boerderij staat een kwetspruim met wat gevallen, rijpe vruchten. Uitrusten aan een winkeltje. De oudere mevrouw ernaast trakteert ons met haar radijsjes. Gelukkig dat Tom al een mondje Pools kent. Tenslotte eindigen we aan de supermarkt van Wlen voor inkopen voor de stoofpot van straks. We vergeten de Bulgaarse wijn niet. Het is al laat in de namiddag en iedereen is wat moe. Peter en Aminou offeren zich op om boven op de berg de wagens te gaan halen.

    Luc heeft een plek laten maaien waar we vuurke-stook kunnen doen. De ketel die we niet meer gebruikt hebben sinds ons eerste verblijf te Seleczyno in Noord-Polen wordt weer gevuld met allerlei groenten en boven het vuur gehangen. Al bij al hebben we geluk, want de regen wacht tot de pot klaar is. In de schuur vinden we een uitwijkplaats.

    FOTO’S

    Gedeeltelijk zicht op de gebouwen van het domein (behalve de kapel rechts). Vooraan het woongedeelte, erachter links het kasteel

    Ons gezelschap voor de nieuwe woning in aanbouw van Luc

    Uitkijk richting Reuzengebergte

    De grote weide

    Op wandel

    Idem

    Aan een kerk

    Tabak

    Met de mevrouw van de radijsjes



















    28-01-2015, 23:00 geschreven door Daan

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (4 Stemmen)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.VERVOLG LENNO

    VERVOLG  LENNO

    De volgende morgen (15/8) hebben luc en ik een afspraak met zijn buur. Deze heeft nogal wat bessen staan: zwarte en rode. Hij heeft vooral een zwak voor zomerframbozen, omwille van de betere smaak. Als druiven kweekt hij Rondo en Regent. Als we in een prieel zitten brengt hij een drank aan van framboos en appelbes (Aronia); best lekker. Hij herinnerde zich de Taybes niet, die hij bij het vorige bezoek net geplant had. Ik dacht toen dat die soort daar niet kon overleven. Op het weggetje naar de burcht, palend aan het domein van Luc staat een kapel. Toen we hier de vorige keer waren was er op zondag nog een dienst. Vandaag halfoogst, toch een belangrijke katholieke hoogdag, gebeurt er niets meer.

    Voor ’s namiddags is de 2 uren durende afvaart van de snel stromende, tamelijk brede, maar ondiepe rivier gepland. Wij zitten met zijn zeven in een rubberboot. Leen en Aminou gebruiken hun eigen kano. Onderweg krijgen we af en toe wat druilregen en schuilen onder de afhangende takken van bomen. Leen en Aminou willen dit ook doen, grijpen ook een tak, maar varen te snel, en hun kano slaat om. Aan het eindpunt worden we weer opgehaald.

     FOTO’S

    Vakwerkhuis

    Korenbloemen

    We koken ons avondeten

    Afvaart

    Idem

    Luc bij zijn proefopstelling

    Vergassingstoestel















    28-01-2015, 21:50 geschreven door Daan

    Reageer (1)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (4 Stemmen)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.WROCLAW

    WROCLAW

    Vandaag, 16-8 met Leen, Aminou, Keda en Isis naar Wroclaw, eveneens een grote, mooie stad, +/- 150km rijden, maar meestal autoweg. We parkeren net buiten het stadscentrum en moeten niet ver stappen naar de universiteit waar we o.a. de 18de eeuwse, barokke aula met beschilderd plafond bezoeken en verder tot het uitzichtplatform klimmen. Naast het gebouw staat de naakte schermer, waarmee de studenten al veel fratsen hebben uitgehaald. We bezoeken verschillende kerken en klimmen in de hoge toren van de kathedraal voor een panoramisch zicht op de stad. Wellicht zijn er in het verleden wel enkelen naar beneden gesprongen, want nu is alles volledig afgesloten. We gaan verpozen in de Botanische Tuin. Daarna staat het Nationaal Museum op het programma. We zien o.a. een mooie Cranach en een Winterlandschap van Breughel. Oude, religieuze beelden zijn zeer de moeite waard. Na het avondeten wandelen we terug over de Grote Markt met prachtige gebouwen. Om 22u15 zijn we terug in Lenno.             Luc, nog steeds een zoeker en uitvinder – Hij heeft het in zijn professioneel leven in de fotografiewereld o.a. met twee eigen patenten figuurlijk en letterlijk ver gebracht! - is bezig met zijn proefopstelling om uit hakselhout van verschillende grootte en van verschillend hout en verschillende hoeveelheid gas te winnen. Hoe mooi en hoelang brandt de gasvlam? Het wordt nachtwerk. Tijdens de tweede wereldoorlog reden de vrachtwagens met een gelijkaardige installatie. Eenmaal zag ik een gemitrailleerde camion waarbij de hoge, houtgestookte cilinder doorzeefd was van de ontplofte dumdumkogels en zeggen dat in de laadbak personen hadden gezeten.

    FOTO’S

    Universiteit Wroclaw

    Aula universiteit

    Op het uitkijkplatform

    Schermer

    Panorama vanaf de kathedraaltoren

    Op de Grote Markt

    Idem

    Idem

    Wodka



















    28-01-2015, 21:42 geschreven door Daan

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (2 Stemmen)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.NAAR DRESDEN

    NAAR DRESDEN

    Zo. 17-8. De reis in Polen is afgelopen en op terugweg bezoeken we Dresden. ’s Morgens vroeg met Peter nog een wandeling naar de Burcht. Alhoewel het zondag is, wordt er toch gewerkt.

    Na nog een formidabel ontbijt reizen we af: Tom en Lucia en co rechtstreeks naar huis, wij met ons zeven naar Dresden. We maken een kleine omweg om het natuurwonder van Bastei te bezoeken, uitgesleten rotsen naast de Elbe, het Saksische Zwitserland. Er is een centrale parkingplaats. Van daar kan je 3km te voet of met de bus naar de plaats. Om de Basteirots te bereiken heeft men in 1851 een brug met 7 zandstenen bogen gebouwd. Ernaast kan je via loopbruggen tussen de rotsen de resten van een middeleeuwse burcht bezoeken.                    

    De rotsen verheffen zich tot 194 m boven de Elbe. Machtig panorama.

    Ik heb voor ons opnieuw gereserveerd in de Cityherberge te Dresden. Er is een eigen parking voor de wagen en het is niet ver stappen naar de Altstadt. We eten in een Vietnamees restaurant. In het centrum is het letterlijk over de koppen lopen. We wurmen ons erdoor voor een eerste verkenning. Voor mij is het niet moeilijk, ik weet de weg want het is de vijfde keer dat ik er kom. We gaan een rustige wandeling maken langs de Elbe. Het grote vuurwerk – de verklaring voor de massa volk- is immers maar om 22u.                           

    Bij het terugkomen besluiten we de boven esplanade te nemen, maar alle ruimte is al ingenomen. Doch we hebben geluk. We vinden toch nog een paar vrije tafels met stoelen. Genietend van een grote Hefe Weizen wachten we op het vuurwerk-spektakel.

    18 aug. Nu hebben we alle ruimte voor het stadsbezoek en het blijkt nog interessant om inkopen te doen. Om 22u thuis.

    FOTO’S

    Dresden Zwinger

    Een beeld uit de 100 m lange afbeeldingen van de te Dresden residerende vorsten Ook wij sloegen soms de handen in elkaar

    Panorama vanop de toren van de nog niet zolang heropgebouwde Liebfrauwenkirche (200

    Op de Esplanade

    Huismussen











    28-01-2015, 21:36 geschreven door Daan

    Reageer (140)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (3 Stemmen)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Jules Willaeys Frontsoldaat tijdens 1914-1918

    Jules Willaeys Frontsoldaat tijdens 1914-1918

    Onlangs heb ik deze door mij opgeschreven nota’s -systematisch genoteerd tijdens avondlijke vertellingen- teruggevonden (Ik moet toen ongeveer 15-16 jaar zijn geweest). Ook vond ik een gedeelte van een schriftje terug met lang geleden door mijn vader zelf neergeschreven herinneringen. Dit bevat slechts enkele belevenissen. Wat mij vooral trof was de accuraatheid van mijn vaders geheugen. Tussen beide teksten lag er zeker 30 jaar en meer en toch kloppen praktisch alle gegevens!

    Mijn vader, geboren te Ichtegem op 30 augustus 1889 behoorde tot de klas van 1909, het laatste jaar dat er geloot werd. Wie een laag nummer trok was vrijgesteld. Mijn vader trok een hoog nummer en werd milicien. Hij was voornamelijk gekazerneerd te Oostende en dit gedurende 2 jaar. Meermalen vertelde hij over een oefening waarbij de rekruten over een brede sloot ( in ’t Vlaams een koe-vaartje) moesten springen.

    Hij sprong er middenin. Men zag dat het geen onwil was en voortaan was hij daar van vrijgesteld. ‘k Geloof dat hij meestal in of voor de keuken werkte.

    Wat de schietopleiding betreft was hij bij de besten. Hij werd tot eerste soldaat, dit wil zeggen scherpschutter, gepromoveerd. Blijkbaar betekende dit dat men een streep op zijn mouw mocht naaien.

    Als ik bij Google ga kijken bij: Belgisch leger ‘eerste soldaat’ komt er niets!

    De algemene mobilisatie in België werd afgekondigd op 31 juli 1914. De aanleiding voor deze zeer onrustige tijd was de moord op de kroonprins Frans Ferdinand van Oostenrijk en zijn gemalin Sophie op 28 juni te Serajevo in Servië. Duitsland vroeg vrije doortocht door België om Frankrijk te bestrijden.

    Aanleiding voor de Eerste Wereldoorlog (Em. Prof. Dr. Luc De Vos).

    In het begin van de 20ste eeuw ontstond er een heel wankel machtsevenwicht in Europa. Frankrijk had een bondgenootschap gesloten met Rusland, en Duitsland met Oostenrijk-Hongarije. Het rommelde tussen de grote mogendheden, onder andere over handelsverdragen, territorium en kolonies, maar de situatie was enigszins onder controle.

    In de Balkan kwamen intussen sterke nationalistische bewegingen op. 'De Zwarte Hand' bijvoorbeeld, een geheim genootschap dat Bosnië-Herzegovina wou afscheuren van Oostenrijk-Hongarije en aansluiten bij Servië. Het is die Zwarte Hand die voor de rechtstreekse aanleiding voor de Eerste Wereldoorlog gezorgd heeft. Op 28 juni 1914 schoot Gavrilo Princip, een van de leden van de Zwarte Hand, aartshertog Frans-Ferdinand van Oostenrijk-Hongarije dood. Die aanslag bracht een sneeuwbaleffect teweeg: Oostenrijk-Hongarije verklaarde Servië de oorlog. Rusland steunde Servië, waarna Duitsland de oorlog aan Rusland verklaarde. Frankrijk stond ook aan de kant van Rusland en zo nam de oorlog steeds grotere proporties aan. Toen Duitsland via België een kortere weg naar Frankrijk zocht, werd ook ons land erbij betrokken.

    Nog Luc De Vos: Je had het beleg van Luik, de gevechten aan de Gete bij Tienen, het beleg van Namen en Antwerpen… Maar vooral ook de dagdagelijkse oorlogssituatie in het land.

    De voedselbevoorrading was het grootste probleem. De strijd om elke dag te overleven was veel groter in de Eerste Wereldoorlog dan in de Tweede. België was afgesneden als het om voedsel ging en kon alleen overleven door hulp vanuit andere landen. De smokkel tierde welig en om dat tegen te gaan werd er een elektrische draad gespannen van 5.000 volt langs de Belgisch-Nederlandse grens."

    De Eerste Wereldoorlog was vier jaar lang een echte stellingenoorlog.

    Luc De Vos: "Het fundamentele probleem was: hoe doorbreek je het front? Je hebt een massa legers, een continu front van 700 kilometer, 40.000 kilometer loopgraven, overal mitrailleurs en kanonnen… Wie aanvalt moet een bijzonder moeilijk landschap trotseren, ook nog eens vol prikkeldraad.

    Er is echt met alles geprobeerd om de vijand te breken: mijnen ingraven onder de stellingen, vlammenwerpers, gifgas en in 1916-1917 met de eerste tanks in te zetten. Maar uiteindelijk is het toch de komst van 1.800.000 Amerikaanse soldaten (*) die het verschil zal maken. Bovendien was Duitsland economisch erg verzwakt. Het wilde een wapenstilstand sluiten om een goed vredesverdrag in de wacht te slepen."

    *Noot Mijn nonkel Camiel, de één jaar jongere broer van mijn vader was een van hen. In 1913 was hij uitgeweken naar Amerika. Hij werd groentekweker in Detroit, de stad waar zoveel West-Vlamingen naartoe trokken. Hij is eenmaal, in 1935, het jaar van mijn geboorte, naar Vlaanderen teruggekomen. In Amerika was hij gehuwd met … Maertens, in Amerika geboren, dochter van uitgeweken West-Vlamingen .

    In Detroit hadden zij hun eigen dagblad “Gazette van Detroit”. Toen ik in augustus 1979 met vader, moeder, boer Raphael en mijn vrouw Aleide op bezoek ging naar mijn tante, nicht Evelyn en haar man Achille Vyncke, mijn kozijn Evarist en zijn vrouw kwam de “Gazette”’ nog steeds over de vloer, zij het voor driekwart in het Engels. Toen we het graf van zijn broer – overleden in 1958, maar begraven op een plaats voorbehouden voor oud-militairen, allemaal met een vierkante steen op de grond - bezochten, heb ik mijn vader zeldzaam ontroerd gezien.

     

    Ik deed toen seizoenarbeid in de oogst in de omgeving van Parijs te Choisy.

    (Hij was dus ‘Fransman’. Deze seizoenarbeiders met hun balluchon over de schouders hebben een museum in de oude brouwerij te Koekelare. Ik schreef een verslag over een bezoek op mijn blog http://blog.seniorennet.be/fruit zie op 7/10/2013.)

    Direct de trein op naar België. ’k Ging te biechten en te communie vooraleer te vertrekken naar het depot in Sint-Niklaas.

    Oorlogsverklaring van Duitsland aan België.

    Op 4 augustus ’s morgens trok Von Bülow, aanvoerder van het 2de leger over de Belgische grens en begon de aanval op de Belgische forten rond Luik. Op 16 augustus werden de laatste twee forten tot overgave gedwongen. Enkele dagen later vielen ook de forten van Namen.

    Mijn vader lag toen in de omgeving Tienen.

    Hij behoorde tot 3de linieregiment.

    Bij het Davidsfonds is ‘De Grote Oorlog op Kleine Schaal. De gevechten aan de Getelinie in Oost-Brabant (1914) van Ruben Donvil in 2012 verschenen. Hij schrijft uitvoerig over de eerste gevechten: op 10 augustus het eerste treffen te Orsmaal – Gussenhoven. Op 12 aug de herhaalde, doch vergeefse stormlopen van de Duitse cavalerie te Halen. Wat men later “De slag van de zilveren helmen” is gaan noemen. En ten slotte op 18 augustus de gevechten in de omgeving van Tienen. Hij beschrijft voornamelijk de strijd van het 22ste Linieregiment te Sint-Margriete-Houtem, doch vermeldt ook het 3de Linieregiment, waartoe mijn vader behoorde.

    ‘Ongeveer gelijktijdig met Houtem werd Grimde,(een gehucht van Tienen, rond de Suikerfabriek) in het oosten van Tienen, in staat van paraatheid gebracht door het 3de linieregiment. De vier compagnieën van het 3de bataljon van majoor Burget bemanden daar de voorposten aan de belangrijke spoorweg, ongeveer parallel met de loop van de Gete….Toch dacht men dat er in Grimde niet veel zou gebeuren. De vijand werd voornamelijk uit het noord-oosten verwacht.’                                                                      

    Burgers hielpen loopgraven graven. Op een dag waren we op verkenning en liepen aan weerskanten van een haag. De man aan de andere kant bemerkte als eerste Duitse Hulanen, met pinhelmen, soldaten te paard op een 300 m en begon te schieten. Wij sprongen ook door de haag maar de mannen verdwenen in de verte. Als we daarna gingen kijken troffen we alleen een hinkend paard aan. Het werd meegenomen en afgemaakt door de kommandant en direct daarop verder geslacht door de burgerij.

    Onze compagnie trok de wacht op rond een kasteeltje dat fungeerde als hoofdkwartier. Op zeker ogenblik bemerkten schildwachten op een laag gelegen weg een zittende man met een blad papier. Ze namen de man mee naar het hoofdkwartier. Het papier was een plan met de Belgische loopgraven. ’s Anderendaags werd deze lange, magere, Duitse spion, een onderwijzer, terechtgesteld. Ik was bij de 12 man om het bevel uit te voeren. 3 Man moesten mikken naar het hoofd, 9 naar de borst. De man wou niet geblinddoekt worden, maar hij vroeg wel met zijn gezicht naar Duitsland te staan.’

    In het boek van Ruben Donvil staat het volgende: ‘Op 14 augustus 1914 arresteerden soldaten van het 3de Linieregiment, dat zich ten zuiden van Tienen bevond, tijdens een patrouille in Oorbeek (Dorp dat in 1970, samen met Bost fusioneerde met Tienen) een persoon die er op zijn minst verdacht uitzag. Hij werd geïdentificeerd als Martin Matonnet, een Duitse soldaat. Omdat hij burgerkleding droeg, kon hij beschuldigd worden van spionage en in oorlogstijd zou hem dat de doodstraf opleveren. Bovendien was hij in het bezit van een pistool en een fiets. Dat maakte hem uiteraard nog meer verdacht. Na verhoor bleek dat hij moest rapporteren over de Britse opmars (nergens is hierover echter in het boek iets te vinden) in de streek en daarvoor werd hij inderdaad ter dood veroordeeld. De uitvoering gebeurde echter niet al te correct. Hoewel hij volgens het ‘Voorlopig Reglement’, dat op dat moment door de krijgsraad werd gebruikt, de strop moest krijgen, werd hij de dag nadien, op 15 augustus of Onze-Lieve-Vrouw-Hemelvaart, gefusilleerd. Naast de wijze was ook de datum een procedurefout. Een executie mocht eigenlijk niet uitgevoerd worden op een zondag of feestdag. Voor de krijgsraad moest het blijkbaar vlug afgehandeld zijn. Bron J. Maes ‘ Het Belgisch Militair Gerecht tijdens de Eerste Wereldoorlog. Een portret van de geëxecuteerden.’ Bijdragen tot de Eigentijdse Geschiedenis, nr 16 (2005), 205-207.

    Onze compagnie lag te Bost, een dorp voor Tienen om de weg Tienen – Hoei en de spoorlijn te bewaken.

    Op 18 augustus ’s morgens zagen we 2 Duitsers te paard. Ik en mijn maat schoten erop en een tuimelde van zijn paard.

    Een Duitse vlieger kwam boven ons en gooide sterretjes uit om aan te tonen waar de loopgraven lagen.

    Het was een schone loopgracht.

    Achter ons in een putje zat commandant Syders en de luitenant met de revolver in de hand.

    De makker naast mij zei dat hij een voorgevoel had dat hij zou geschoten worden. Ik zei: “Dat is niets. Wij zijn verborgen en ze moeten ons eerst komen zoeken.” “De oorlog is wreed”, antwoordde hij. Hij schreef een brief aan zijn ouders dat hij niet door de oorlog zou geraken. Ikzelf heb nooit een dergelijk gevoel gehad.

    Ik hoorde de commandant zeggen dat er 60.000 Duitsers voor ons lagen.

    Daarna bemerkten we Duitsers die op een 500 m voor ons door een heg van elzenstronken kropen en naderden. Ik legde kalm mijn geweer op de rand van de loopgracht . Wij Vuurden en er vielen veel Duitsers. Ze kwamen niet meer vooruit. Ik dacht al dat het voor hen onmogelijk was om ons te verjagen. Toen we nog niet lang aan ’t schieten waren werd mijn kameraad getroffen. Hij maakte nog een kruisteken en stierf. Ikzelf bleef met vaste hand schieten. De Duitsers trokken achteruit.

    Een tijdje later kwamen er weer Duitsers af, meer opzij van de loopgracht en we moesten ons draaien. Ze kwamen van achter de suikerfabriek die maar op 200 tal m van onze loopgracht lag. Wij zaten met zijn tweeën aan het uiteinde van de loopgracht. Ik zag de Duitse officieren met hun armen zwaaien om de soldaten vooruit te krijgen.

    De makker links van mij zat het eerst. Hij zei: “Ik zal geen stap lopen”. “Ik ook niet”, antwoordde ik. De Duitsers kwamen langzaam nader en ik zag er veel vallen. Toen ze nog een 60 m verwijderd waren keek ik voor de eerste maal achter mij in de loopgracht, en zag niemand meer, behalve hier en daar een dode.

    Ik zei: “We moeten vluchten, de anderen zijn al weg”. De commandant had gezegd in welke richting we moesten lopen als we achterruit moesten trekken. Ik liep gebukt in de loopgracht, hier en daar over doden springend, naar de kant tegen de spoorweg. De Duitsers schoten zo geweldig dat zij de telefoondraden afschoten. Vlug sprong ik over de spoorlijn, terwijl de kogels rond mijn oren floten. Ik liep door een laag gelegen weide naar Tienen toe. Ik wierp mijn ransel af om vlugger te kunnen lopen. Bij de stad kwam ik bij een 30 tal soldaten van mijn compagnie.

    Ook commandant Syders kwam er bij, revolver in de hand. Hij riep “Suivez moi on va gagner Louvain”. Zijn gelaat was gans wit. Waarschijnlijk had hij gedronken. Iedereen liep hem achterna. Ik vreesde dat ze de vijand tegemoet liepen daar ik wist dat de Duitsers dicht bij de spoorlijn waren. Tenslotte ben ik maar gevolgd als laatste.

    Toen we de brug van Tienen voorbij waren, liepen we de velden in. Ik liep nog altijd als laatste. De Duitsers schoten van aan de spoorweg. Ik zag al mijn makkers vallen terwijl tientallen kogels langs mijn oren floten. Ik liet mij ook vallen. In een flits kwam de idee om mijn geweer een eind voor mij te werpen, net alsof ik getroffen was onder het lopen. Ook mijn muts deed ik van mijn hoofd vallen.

    Toen er niemand meer liep stopte het schieten.

    Ik lag ongeveer op een 50 tal m van de spoorlijn waarachter de Duitsers zaten. Ik hoorde een gekwetste roepen om hulp. Al liggende zag ik hem zitten, zijn gezicht vol bloed en een bebloede zakdoek met nog een wit uithoekje. Aan zijn stem herkende ik hem als een zekere Charles, een sergeant van de kazerne te Oostende.

    Als ik daar een tijd lag zag ik 300 m voor mij 2 man opspringen en het op een lopen zetten. Ze werden echter direct neergeschoten. De ene man draaide rond en viel op zijn rug.

    Even daarna hoorde ik voor ’t eerst in mijn leven Duits. De Duitsers liepen 2 aan 2 met telkens een spreiding van een 5 tal m. Achteraan volgde de officier.

    Mijn hart bonsde erg. Ik lag in een bietenveld met mijn aangezicht op de grond. Ze namen mijn geweer en sloegen er de kolf af voor mij. Ik dacht als ze mij doorboren met de bajonet zal ik het niet zien en ik zal vlug dood zij. Wat verder hadden ze het geweer uit de handen van een soldaat, op 30m afstand van mij, getrokken. Ze gaven hem ermee een zware slag op zijn hoofd.

    Als ze even voorbij waren hoorde ik Belgische soldaten schieten. De Duitsers knielden en schoten terug. Vlug hield het schieten op.

    Toen ik daar ongeveer een uur lag hoorde ik in de verte weer schieten.

    Ik richtte voorzichtig mijn hoofd op en zag nergens nog Duitsers. Er kwamen enkele burgers en nonnen die zochten naar gekwetsten. Een riep naar mij of ik gekwetst was? Ik vroeg direct of er nog Duitsers in de stad waren? “Neen, ze achtervolgen de Belgische soldaten.”

    Langs kleine straatjes liep ik Tienen binnen. Ik kwam aan een klein water waar hier en daar een ransel lag. Er kwam een burger en een non met een soldaat tussen hen in. Zijn hoofd was op zijn schouder gezakt. Zijn hoofd lag open door de slag met de kolf van een geweer. Ik kookte van woede. Moesten er Duitsers in de buurt zijn geweest ik zou op hen ingevlogen zijn, nochtans wetende dat men mij vlug zou geschoten hebben. Vrouwen die hem zagen begonnen te wenen. Men waste zijn wonde uit en bond een witte doek rond zijn hoofd. De burgerij was bang om mij onderdak te verschaffen. Gelukkig ontmoette ik een jong meisje van ongeveer 18 die mij zei dat ze een plaats wist om mij te verbergen. “Meneer, ga met mij mee.” We gingen door een klein poortje een kleuterschool binnen met bedden voor gekwetsten. Er lagen een drietal soldaten. Een zuster gaf mij een lekker kopje koffie want ik verging van de dorst. Ik waste mij, want ik had net 2 opeenvolgend dagen in een loopgracht gezeten in de hitte en was zwart van het stof. Ik sliep goed die nacht. Het was weken geleden dat ik nog in een bed geslapen had. ’s Morgens kreeg ik wit brood met boter. Ik at een klein broodje bijna geheel op. Te begrijpen want de voorbije drie dagen hadden wij bijna niet gegeten. Dan kwam er een burger zeggen dat de Duitsers in de stad op zoek waren naar verborgen soldaten.

    Uit het boek van Ruben Donvil. ‘Grimde Gedurende de namiddag was men ook in Grimde ten oosten van Tienen in gevechten verwikkeld geraakt. Bron: Les opérations de l’Armée belge pendant la Campagne: 1914-1918 67-71.                                                                           Vrijwel gelijksoortig en gelijktijdig met de gevechten tegen het 22ste Linieregiment zetten de Duitsers hun aanval in tegen het 3de bataljon van het 3de Linie. (III/3). Ze lieten de artillerie het voorbereidende werk doen en stuurden dan de infanterie om de resterende verzetshaarden uit de weg te ruimen. Iets voor 14u schoten de Duitse kanonnen een aantal granaten af in de richting van de Belgische stellingen aan het station van Grimde. Slachtoffers vielen er bij deze lichte beschieting niet. Kort daarna kon majoor Burguet van het III/3 de Duitse infanteristen al zien naderen. Het waren er nog meer dan hij gevreesd had en zijn bataljon zou het zeer moeilijk krijgen. Daar was de man zeker van.

    Vooral de peletons die het noordelijkst (ik zou denken het zuidelijkst, richting Bost, waar mijn vader zat) lagen, werden uiteindelijk hevig belaagd. De Duitsers leken zich te concentreren op het omsingelen van de Belgen. Daarbij verloor de majoor veel manschappen en enkele officieren. Generaal Baix gaf hem om 16u het bevel de strijd te staken en samen met de rest van de 1ste Divisie de terugtocht in te zetten via Kumtich naar Leuven. Tijdens het terugtrekken kwam het nog tot schermutselingen met vijandelijke cavalerie en infanterie, maar zonder veel schade aan te richten. De staf van generaal Baix had toen Kumtich al verlaten en was richting Leuven getrokken. Stilaan ebde de Belgische aanwezigheid weg en de stad Tienen werd aan de Duitsers gelaten.’

    De volgende dag, 19 augustus werd door de Duitsers omgeroepen en aangeplakt dat de mannen die weggestopt zaten zich moesten gevangen geven; dat alle wapens moesten ingeleverd worden.

    De zuster was bang mij daar als gezonde soldaat te houden. Ik zei haar dat ik mij niet wilde gevangen geven. Ze vroeg of ik schrik had van de Duitsers. Ik zei “Neen!”

    Er kwam een burger met een pak burgerkleren voor mij. De broek was veel te wijd. Ik bond hem toe met een koord. Ik kreeg een klein ondervest, een vest en een pet met een lange klep en een paar schoenen die veel te nauw waren aan de tippen. Ik verborg mijn soldatentenue onder de bussels in het houtkot.

    Daarna ging ik een luchtje scheppen.

    Overal vallen officieren met de revolver in de hand winkels en bakkerijen binnen en kopen chocolade, eieren enz. Sommigen betalen, maar de meesten geven een bon om na de oorlog te betalen. In de bakkerijen geven ze opdracht te bakken voor het leger. Op deur - en vensterplinten stond geschreven wanneer men klaar moest zijn.

    Op ieder huis was een wit vlaggetje uitgestoken.

    Hele regimenten Duitsers kwamen al zingend door de straten, de muziek op kop, allen zongen. Inwendig kookte ik van woede.

    Ik was nieuwsgierig om te weten hoeveel Duitsers we wel geschoten hadden. Maar Duitse soldaten trokken de wacht op.

    Ik werd door een Duitser afgesnauwd. Ik kon wel naar de loopgracht waar ik geschoten had. Daar vond ik mijn makker terug die niet had willen lopen. Hij had een kogel in het hoofd gekregen. Woede welde in mij op. Daarna ging ik mijn ransel zoeken en haalde er het pak chocolade uit. Vervolgens bezocht ik de plaats waar ik mij had dood gebaard. Er lagen 29 soldaten. (Ik vond Vandersteen van Anderlecht, iemand die ik goed kende. Verderop lag commandant Syders. Zijn revolver en sabel waren weg. Hij had nog wel de 2 gouden ringen aan zijn vingers. Nog verderop in een laagte lagen 4 soldaten in een elzenkant met hun armen omhoog, doodgestoken met de bajonet. Het waren de mannen die eerst nog hadden geschoten. Weer welde woede in mij op.

    Ik keerde terug en zag in ’t voorbijgaan dat de 2 gouden ringen van commandant Syders reeds gestolen waren door burgers.

    Wat verder zag ik gekwetste Duitse soldaten die met een boerenwagen naar Tienen werden gebracht.

    Ik zag daarna 3 mannen en een burgerwacht. Ze gingen de gesneuvelde Belgische soldaten ophalen.

    Er passeerden afgedekte kanonnen. Ze waren van zwaar kaliber. Bij burgers die wisten dat ik een soldaat was kreeg ik erwtensoep. Ik ging weer op weg en een vrouw die mij ook als soldaat herkende zei dat zij een huis wist met een Belgische commandant. De vrouw van het huis zei dat dit een vals gerucht was. Ik trok verder naar de burgemeester van Bost voor een vrijgeleide. Maar deze zei “Ik mag dat niet geven zonder toelating van de Duitsers.” Ik vroeg hem waar de Belgische soldaten zaten. Hij wist het niet.

    Daarna trok ik weer Tienen binnen.

    Op de grote markt zag ik 12 gevangengenomen soldaten van het tweede, begeleid door Duitsers. Herbergiersters kwamen toegelopen met glazen bier. De soldaten waren content en opgeruimd. Ik dacht bij mezelf “Ik zou niet graag in hun plaats zijn”.

    Het begon donker te worden. Er was afgesproken, als ik niets anders vond, dat ik ’s avonds weer mocht gaan slapen in dat schooltje. Ik moest wachten tot het donker werd. Maar ik mocht niet aankloppen als er Duitsers in de buurt waren.

    Ik klopte volgens afspraak driemaal op het poortje en de zuster liet mij binnen. Ik heb die nacht ook gerust geslapen. ’s Morgens weer goed gegeten voor ik op stap ging.

    Buiten de poorten ontmoet ik een burger die mij zegt dat de Belgen nog in Diest waren. Ik was wantrouwig geworden wat Tienen betrof want de vrouwen zegden “Dat is een soldaat geweest”. Bijgevolg was het niet goed daar nog langer te verblijven. Ik vroeg hem de weg en langs smalle voetwegels trok ik op weg naar Diest er zorg voor dragend de grote banen te mijden. Onderweg zag ik hier en daar ransels en geweren liggen en zelfs een livrei van het 2de Linieregiment. Hier en daar was een huis afgebrand.

    Ik denk dat het wel 6 uren ver was.

    (Tienen- Diest is ongeveer 25 km. In mijn vaders tijd rekende men de afstand nog in uren stappen. Toe nik nog klein was heb ik hem herhaalde keren horen zeggen “ Van ons hier in Ichtegem is het 4u gaan, zowel naar Oostende als naar Brugge.)

    Als ik op een kilometer van Diest gekomen ben, zie ik in de verte ganse kolonnes Duitsers. Ik keerde op mijn stappen terug en kwam verderop aan de baan Diest Aarschot. Daar ontmoet ik een burger. Ik vroeg hem waar de Belgische soldaten waren. Hij antwoordde mij dat allen teruggetrokken waren naar de stad Antwerpen. Ik vroeg hem aanstonds de richting naar Lier en waarlangs ik het best kon gaan. Hij tekende een kaart op een klein briefje en zei mij dat ik naar Betekom moest gaan en daar de Demer oversteken. Hij tekende de wegen die ik moest volgen. Daarmee kon ik goed de weg vinden.

    Ik overnachtte in een schuur. ’s Anderendaags had ik honger, maar was te beschaamd om een boterham te vragen. Op den duur moest ik het wel doen. Ik wilde betalen, maar de burgers wilden niets.

    Ik ging weer verder en kwam in O.L. Vrouw Tielt (nu deelgemeente van de fusiegemeente Tielt-Winge). Ik kwam er weer in contact met burgers en daar ik overal over mijn toestand vertelde, hadden zij medelijden met mij. Ik vroeg om wat te werken om alles wat uit mijn hoofd te zetten. In de namiddag ging ik haver binden.

    Daar ik zolang gestapt had waren mijn voeten gezwollen en vol blaren. Mijn schoenen waren veel te nauw. Ik deed een paar klompen aan. Die mensen gaven mij hun adres en ik overnachtte daar in een schoon bed.

    ’s Anderdaags ging ik weer op weg en kwam in Rillaar. Daar zag ik alleen vrouwen en kinderen. De mannen zaten verborgen. Ik kwam er terecht bij de burgemeester. Het was een reeds bejaarde man.

    Ik kreeg er eten. Ik vertelde hem dat ik een soldaat was van het 3de linieregiment, in de slag had gezeten bij Tienen en mij dood gebaard had. Ik vertelde hem dat ik absoluut terug naar het Belgisch leger wou om verder te vechten.

    De burgemeester zei “Jongen je hebt al je plicht gedaan, ga niet weer op weg. De Duitsers schieten op al de mannen die ze zien. Er zijn al 7 burgers van mijn gemeente doodgeschoten. In Aarschot zijn 91 mannen doodgeschoten, waaronder de burgemeester en zijn zoon. Zijn dochter en zijn vrouw hadden kunnen vluchten.” Hij vertelde me dat hij samen met zijn vrouw en vele dorpsgenoten 24u in de kerk was opgesloten geweest. “’t is afgrijselijk zulke schrikkelijke tijden te beleven. Als ge in hun handen valt zult ge gedood worden. De oorlog zal niet lang duren. Ga tijdelijk werk zoeken bij een boer in Wallonië.”

    Later zal ik vernemen wat er te Aarschot op 19 augustus gebeurd is. De aanvoerder Generaal-Majoor Stenger wordt door eigen huurling- soldaten doodgeschoten. Er volgen represailles waarbij o.m. de burgemeester wordt gefusilleerd en nog een aantal burgers.                                                  Balans voor de stad van de Duitse inval: 480 huizen zijn afgebrand, 180 burgers zijn omgekomen.

    Op 25 augustus 1914 doden de Duitsers in Leuven 218 burgers en branden ze de stad gedeeltelijk plat. Koning Albert I organiseert een uitval naar Haacht en het Duitse garnizoen is even van zijn stuk gebracht. 's Avonds komt het Duitse bevel Leuven te vernietigen. De Duitse troepen zetten vele eeuwenoude gebouwen (o.a. de universiteitsbibliotheek) in brand en gijzelen de inwoners. 173 Leuvenaars worden gefusilleerd.

    Ik wou toch weer op de weg er zorg voor dragend Aarschot te vermijden. Ik kwam in een wijk en de vrouwen zegden mij dat ik zou geschoten worden. Toch wou ik mijn gedacht verder uitwerken. Ik naderde de molen van Gelrode, 300m van de grote baan Aarschot-Leuven. Die baan zou ik een 400tal m moeten volgen tot de weg naar Betekom.

    Toen ik van de molenberg uitkeek naar de baan zag ik de Duitsers die lagen te rusten langs de baan. De officieren zaten op een stoel. Gelukkig had men mij niet gezien. Ik keerde terug en kwam op een gehucht. Vrouwen, kinderen en ouderlingen stonden daar buiten. Al de jongelingen, naar ik vernam, zaten verscholen in bossen en op andere ongenaakbare plaatsen. Ze hoorden mij graag klappen en zegden “Gij zijt uit de Vlaanders”. Ze vroegen mij bij hen te blijven daar ze bang waren. Een weduwe, wier man was doodgeschoten wou mij absoluut houden.

    Plots begonnen Duitsers met een mitrailleur te schieten. De mensen vluchtten de velden in en ik liep achterna. Ik heb die avond bij een boer gegeten en geslapen op de hooizolder.

    ’s Anderendaags, nadat ik wat gegeten had, trok ik opnieuw naar de grote baan. Onderweg ontmoette ik een man van rond de 30. Hij vertelde dat hij opgesloten was geweest in een kerk maar dat ze hem geen tweede keer te pakken zouden krijgen.

    Ik vroeg hem of er nog Duitsers waren op de grote baan. Hij zei dat hij er twee gezien had per fiets. Van twee Duitsers had ik geen schrik. Gelrode lag gans verlaten. De Duitsers hadden er lelijk huis gehouden. Hier en daar lagen nog resten van varkens.

    Ik moest een eind langs de grote baan. Achter mij kwam een Duitser per fiets uit de richting Aarschot. Hij sprong van zijn fiets met de revolver in de hand. Ik nam mijn muts af. Hij sprak goed Nederlands en vroeg mij vanwaar ik kwam. Ik zei hem dat ik van de koolmijnen van Charleroi kwam en naar huis toog.

    Dan vroeg hij mij waar ik woonde. “Ik antwoordde hem: “ Ik ga naar huis, naar Mechelen.” Hij vroeg mij nog of ik Duitse soldaten gezien had. “Twee” zei ik.

    Hij taste mijn kleren af en haalde er twee briefjes uit van mensen die mij onderdak hadden verschaft. Na wat uitleg gaf hij ze mij terug. Ik had ook nog een portemonnee met wat geld. Hij liet die zitten, stak zijn revolver weg en zei “Ik ga terug naar mijn soldaten in Aarschot.”

    Ik zette mijn pet op en vervolgde de grote baan richting Leuven.

    Aan het kruispunt met de weg naar Betekom was de wegwijzer met teer uitgeveegd en aan iedere vleugel hadden de Duitsers tot spot een ransel gehangen.

    De 6 huizen daar waren afgebrand.

    Op weg naar Betekom hoorde ik een geweldige knal. Ik dacht een kanonschot. Ik ging door. Even verder werden er vanuit het bos door Duitsers 3 schoten op mij gelost. Ik hoorde de kogels fluiten. Onverstoorbaar ging ik verder. Ik liep geen stap. Een onnozelaar moeten zij gedacht hebben en schoten niet meer.

    Dichter bij de Demer zag ik opeens 12 Duitsers lopen die gingen schuilen achter de muur van het kasteel.

    Een man stond voor zijn deur. Hij zei mij dat de Duitsers al 3x geprobeerd hadden de brug over de Demer te laten springen, maar dat hun pogingen mislukten.

    Plots weer een harde knal. Ik ging mee naar binnen en at er een bord soep en aardappelen.

    De Duitsers kwamen met twee stootkarren voorbij. Toen ze weg waren trokken wij naar het kasteel.

    Er waren schietgaten in de muren gekapt en het stonk naar de paarden die er gestaan hadden. Het lag er vol lege flessen, chocoladepapier en resten van geplunderde waren.

    De brug was nu wel degelijk vernield. Met de man ging ik terug naar het kasteel en we vonden er een lange ladder en wat planken.

    We lieten de ladder over de Demer zakken. De man ging erover en ik kroop hem achterna. De ladder zwiepte geweldig in het water. Ik werd nat aan armen en knieën en was echt bang. Ik vreesde te verdrinken.

    Meerdere bewoners kwamen naar de vernielde brug kijken.

    Ik was nu in de provincie Antwerpen, nog onbezet gebied. Ondertussen kwam ik in het gezelschap van 3 mannen die naar vrouw en kinderen te Antwerpen gingen. Ik sloot mij bij hen aan. Wat verder was er militaire controle. De mannen toonden hun papieren; ik had er geen maar ze lieten mij ongemoeid.

    In de provincie Antwerpen reden nog treinen en trams.

    Ik kwam in contact met een Frans Van Heester van Hamme. Hij was van het 6de linie. Hij had geen cent meer op zak. We gingen naar het station en vroegen een ticket voor Dendermonde. Daar we geen papieren konden tonen werden we eerst afgewezen, maar na veel palaveren kregen we toch een ticket. Ik betaalde voor elk 4,40 BF. Bij de aankomst in Lier was er weer paspoortcontrole. Beiden zonder papieren. Een Waalse korporaal commandeerde “Bajonet au canon!” Ze hielden ons in bedwang op de wagon. Er kwam een man bij van de Garde Civil. Hij ondervroeg ons. Frans kon goed liegen. Hij vertelde dat wij in de oogst hadden gewerkt in de streek van Tienen en waren gaan lopen voor de Duitsers en alles achtergelaten hadden. Hij haalde het adresje dat ik hem van te voren had gegeven en toonde dit aan de man. Het werkte overtuigend en wij konden onze reis verder zetten. Te Hemiksem stapten we over op de trein naar Dendermonde.

    ’t Was zondag en we hadden verschrikkelijke dorst. Frans wist waar ze in grote kannen met 2 oren bier verkochten. We pakten elk 2 ferme pinten en gingen op weg naar zijn thuis te Hamme. In een café onderweg waar er nog licht brandde, dronken we nog een pint en kwamen rond middernacht bij Frans thuis aan.

    Frans klopte op de deur. Zijn moeder riep “Wie is daar” ? “Ik ben het, Frans.” Iedereen , broers en zusters schoten wakker en kwamen naar beneden in ondergoed. Bij de mannen waren dit hemden met lange slippen. Iedereen weende wel 10 minuten lang..                                                                                        Frans vertelde zijn lotgevallen, hoe hij zich verstopt had onder braamstruiken bij Aarschot. Duitsers hadden naast hem gelopen, doch hadden hem niet opgemerkt. Ik troostte de wenende Frans; “Dat is al lang voorbij.”

    Vooraleer te gaan slapen werd er nog stevig gegeten. Men gaf mij 5BF voor wat ik had voorgeschoten. Die nacht heb ik voor de eerste maal op een verenmatras geslapen.

    Ik schreef een brief naar huis en dat ik zo gevaren had omdat ik eerst niet wilde lopen.

    Frans trok naar het depot van de 6de linie en ik naar dit van de 3de linie te Sint-Niklaas. Ze waren juist verplaatst naar Hemiksem. Een oude commandant gaf mij een briefje om gratis met de trein te reizen.

    Te Hemiksem ging ik naar het depot voor soldatenkleren en een geweer. Daar werd ik door de 2 officieren en 2 onderofficieren uitgescholden dat ik een landverrader was, gaan lopen was en de dood met de kogel verdiende. Ze beweerden dat ik mijn makkers in de steek had gelaten en naar huis was gelopen. Ik moest zwijgen. Toch kreeg ik geweer en tenue.

    Ik moest mijn regiment vervoegen te Lier; maar onderweg vernam ik dat ze in de streek van Mechelen lagen. Mijn oude compagnie bestond niet meer. Ik kwam nu bij compagnie 1-2 (voordien bij compagnie 1-4) onder commandant William. Langs de Zenne rukten we op naar Zemst. Met 4 man werd ik op verkenning gestuurd. Een korporaal liep als eerste. Ik volgde als tweede.

    We liepen aan de kant van een straat langs de Zenne. Opeens werden we beschoten. We doken achter de populieren naast de weg. Men schoot door een klein vensterke vanuit een huis op een 300 m. Het schieten hield op. Ik kroop tot bij de korporaal.

    Opeens kwam er een man met een emmer tevoorschijn van terzijde van het huis. Hij keek in onze richting en verdween terug. Ondertussen kwam een derde man tot bij ons gekropen. De korporaal gaf hem de opdracht de commandant te gaan zeggen dat er een burger uit een huis kwam van waaruit men geschoten had. Hij kwam terug met de boodschap dat we moesten schieten op die man als hij zich terug vertoonde. Wat later kwam de man weer kijken met zijn emmer. De korporaal lag links van de boom; ik rechts. De korporaal zei ”Ik tel tot 3 en dan schieten wij. De man sloeg omver en wij hoorden zijn emmer tegen de kasseien kletsen. Daarop sprongen 12 Duitsers uit het huis. Wij schoten, echter zonder te raken. Ze verdwenen in een lager gelegen gebied. Wij liepen naar het huis en kropen door dat vensterke. We troffen er een kuip karnemelk, een zak met sardineblikjes en een 10tal graafschoppen. We gingen naar de man kijken die we geschoten hadden. Hij had soldatenlaarzen aan, een pet op en over zijn uniform had hij een vest aangetrokken. Het was al een oudere man. We gingen verder naar de laagte, waar we de Duitsers hadden zien verdwijnen.

    De mannen van onze compagnie waren intussen aangekomen. Tussen de bonenstaken werd een loopgracht gegraven. We kregen het bevel “Bajonet au canon!”

    Achter het huis werd een batterij in stelling gebracht, bestaande uit vier lichte stukken, een 50 tal m achter ons.

    Opeens bemerkte ik op een 100 tal m voor ons 3 mannen in Belgisch uniform met het geweer op de schouder. Hoogst waarschijnlijk Duitsers, maar we mochten niet schieten. Als wij op verkenning gingen hadden wij altijd het geweer in de hand. Nog verder werden door de Duitsers huizen in brand gestoken.

    Kort daarop volgde een geweldig kanonvuur. Stukken boonstaken vlogen om ons heen. Obussen kwamen huilend neer. Onze kanonnen antwoordden niet. De kruinen van de populieren werden afgeschoten. Brokstukken vielen overal neer. Er was een kanon dat voortdurend naar een plaats op de Zennedijk schoot. Er ontstond een bres en onze loopgracht liep onder. We schoven een eind verder om ons opnieuw in te graven. Dan kwam het bevel om ons terug te trekken. De commandant leidde ons naar een bosje; maar ook hier werden we geweldig gebombardeerd. Opnieuw trokken we achteruit tot achter de berm van de spoorlijn naar Mechelen en dan verder tot De Zenne.

    Het begon te stortregenen en we werden allemaal doornat die avond. Er kwam een ruiter te paard. In het donker sukkelde hij echter in de vaart. Wij hoorden geplons en liepen er naartoe. Het paard kwam eruit maar van de man was geen spoor meer te bekennen.

    ’s Anderdaags in de voormiddag kwamen we in Mechelen naar een vroegere school voor officieren. Er werd gekookt op een veldkeuken die men veroverd had op de Duitsers.

    Een paar dagen later trokken we als versterking naar het fort van Walem. Er was daar een redoute, een diepe loopgracht, overdekt met boomstammen. We schuilden daaronder als de Duitsers bombardeerden.

    ’s Avonds werd bevolen terug te gaan naar een gebied tussen het fort en de stad Mechelen.

    We kwamen aan een kasteel. Onze compagnie vatte post achter een kleine waterloop. Ik en Isidoor Neirynck van Kortemark-Elle zaten links van de compagnie aan de zijkant. We vatten post achter een dikke populier. We hielden daar de wacht op een 20tal m van de andere soldaten. Schieten mochten we niet om onze ligging niet te verraden.

    We zagen Duitsers naderen. Het was halfdonker. De tweede volgde op een 5 tal m van de eerste. Ze kropen langs een lage gracht en naderden tot aan de andere kant van de waterloop waarachter wij lagen, een 5 tal m voor ons. Isidoor kroop dit melden, maar werd met een snauw teruggestuurd. Wat later bemerkten we een aantal Duitsers op 30 m afstand op één knie geknield. Ze begonnen te schieten. Wij schoten alsmaar terug, 4 u aan een stuk. We trokken ons niets aan van de sergeant die riep: Cessez le feu!”.

    ’s Anderendaags werd er een huis niet ver voor ons helemaal plat geschoten. Eerst dacht ik dat het door geschut uit het fort kwam maar al vlug beseften we dat een Duits kanon van zwaar kaliber naar het fort van Walem schoot. Een tweede schot was er al dichter bij. ’s Namiddags viel er een obus vlak in een luchtkoker van het fort en drong door tot in het kruitmagazijn. Op de ontploffing volgde een hoge rookzuil.

    Later hoorde ik zeggen dat er 75 man verbrand waren.

    Daarna trokken we achteruit naar de redoute, de loopgracht die ik reeds vermeldde. In een krant las ik dat nog steeds 2 forten van Luik stand hielden.

    Tot mijn verwondering begonnen de Duitsers opnieuw het fort te beschieten. Er viel een obus vlak achter onze schuilplaats. De beschieting hield maar niet op, telkens met 2-3 minuten tussenpoos met zware kalibers.

    We kregen het bevel van 3 per 3 terug te trekken. Hier en daar waren de laagten onder water gelopen. We liepen langs een overstroomde vlakte. Een obus had een bres geslagen in de dijk. De geul vergrootte zienderogen. We moesten erdoor om de andere kant te bereiken. Ik zag 2 soldaten meegesleurd worden. Gelukkig was het water niet te diep en zij konden zich redden. Ik greep een elzentak vast en kon zonder erg passeren.

    Even verder hoorde ik een obus huilend aankomen. Die zou dichtbij inslaan. Ik liet mij vallen en een 20 tal m rechts van mij sloeg de obus in. Ik werd overdekt met slijk. Ik was als het ware aan de grond geplakt met een groot gewicht modder op mij.

    Daarna ging ik verder, moe en gans beslijkt. Ik kwam de kolonel van het 2de regiment tegen. Die vroeg mij naar commandant Turck. Ik zei dat die als laatste bleef in de loopgracht die we net verlaten hadden.

    Daarna trok ik voorbij het dorp Walem de Nete over. Een eindje verder ontmoette ik een gekwetste soldaat die door een aalmoezenier verzorgd werd. Deze laatste had de man achteruit gebracht.

    Aan een fabriek lagen veel doden. We verzamelden terug in een dorp. Men liet een kabelballon op. Die werd beschoten en men haalde die weer naar beneden.

    We waren daar toen de klasse van 14 er aankwam, beladen met schoppen, spaden, zagen en bijlen en allerhande gerief om loopgraven te graven.

    Wij trokken verder richting Antwerpen.

    Dan kwam onze majoor, die dienst deed als kolonel, zeggen dat we ’s anderendaags zouden trachten de forten van Duffel, Sint- Kathelijne –Waver en Walem te heroveren.

    We trokken terug over de Nete en kwamen in een degelijke loopgracht. Voor ons was het afgespannen met prikkeldraad. ’s Avonds bij het donkeren zagen we Duitsers die al schietend naderden. Ik mikte op de vuurmondjes.

    ’s Anderendaags zag ik nu en dan Duitsers uit huizen komen op een 500m voor ons. Ze kwamen naar ons. Mijn geweer lag in goede stelling op de boord van de loopgracht en bij ieder schot zag ik een soldaat vallen. De Duitsers kwamen al maar dichter. Ik ging langs de loopgracht kijken. Bij een licht kanon lagen vier doden, verder zag ik niemand meer. Op het einde van de loopgracht lagen 4 doden. Van alle kanten werd er geschoten. Ik liep terug de andere kant op en liep er Isidoor Neirynck op het lijf, die riep: “Jules we moeten eruit aan de kant vanwaar je komt. De Duitsers zitten al in de loopgracht. Ik heb juist een Duitser geschoten op 10 m van mij.”. Hij neemt zijn aanloop en springt over de 4 doden. Een mitrailleur begint te ratelen en als die stopt is het mijn beurt om over de doden te springen. Ik genaakte haast geen grond en kon wegduiken aan de overkant van de baan. Weer schoot de mitrailleur, doch ik was ook buiten schot. Ik was de laatste die levend uit de loopgracht kwam.

    Ik kwam terug aan de Nete. Daar waren onze soldaten. De brug over de Nete was gesprongen. Met een bootje werden wij overgezet. Sommigen kropen over de doorhangende sporen van de tramlijn naar de overkant.

    We werden weer verzameld en naar een andere loopgracht gebracht achter de Nete. ’s Nachts ontstonden er grote branden in fabrieken.

    Uit de verte schoten de Duitsers en wij vuurden blindelings terug. Tegen middernacht kregen we het bevel ons in stilte terug te trekken richting Antwerpen.

    Te Antwerpen had men over de Schelde een brug gelegd van schepen verbonden met planken. We trokken er ’s nachts (6 op 7 oktober 1914) over en marcheerden tot het krieken van de dag. Dan verstopten we ons in stallen en schuren. Als het donker was gingen we weer op stap richting Sint- Niklaas waar we tegen de morgen aankwamen.

    We werden er op de trein gezet en spoorden over Gent en Brugge tot Oostende. We kwamen er ’s namiddags aan en trokken op stap naar Vlissegem waar we gingen legeren. Na een drietal dagen zakten we af naar Roksem. Luitenant Demets vroeg mannen van goede wil om op verkenning te gaan. Hij maakte ons wijs dat 80 Duitsers zich in het bos van Bekegem schuil hielden. Ze hadden geen wapens naar hij vertelde. Ze waren verslagen aan de Marne en waren gaan lopen, waarbij ze hun wapens achterlieten. We trokken er met z’n vieren op af. We vroegen aan de mensen of ze Duitsers gezien hadden; want de luitenant had er ook bij verteld dat zij uit het bos kwamen op zoek naar voedsel.

    De mensen gaapten ons ongelovig aan. Niemand had iets gezien. Toch trokken we voorzichtig het bos in, maar moesten van lieverlede zonder iemand gezien te hebben naar Roksem terugkeren.

    ’s Anderendaags gingen we in een ruk op stap naar De Ijzer; over Westkerke, naast Gistel, over Zevekote, Zande, Schore tot Schoorbakke, achter De Ijzer.

     









    28-01-2015, 00:00 geschreven door Daan

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (3 Stemmen)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Aan de IJzer

    Aan de IJzer

    We sliepen in boerenschuren. Daar er geen eten was, deed de commandant een boer brood bakken. We lagen achter de Ijzer. ’s Nachts trokken enkele soldaten de wacht op. De anderen zochten slaapgelegenheid in schuren en hooizolders. Ik lag op een zolder boven een koestal. Mijn geweer lag naast mij. Op een nacht werd er plots geroepen “”Aux armes, aux armes, les Boches sont là”. Ik sprong naar buiten en wat ik voor de weg hield was de Karpervaart. Ik viel er hals over kop in en nog voelde ik geen bodem. Toen ik terug boven kwam sloeg ik wild met armen en benen en mijn geweer deed goede dienst. Ik kon niet zwemmen, maar toch geraakte ik aan de kant. Een soldaat die mijn gespartel hoorde kwam toegesneld en stak zijn geweer naar mij uit; Maar het was niet meer nodig. Ik had reeds greep aan de oever. We liepen naar de loopgracht achter De Ijzer. Ik had het ontzettend koud en klappertande tot ’s anderendaags negen uur.

    Op een zondagnacht om 2 u werden we gewekt en stapten naar Schore. Onze compagnie vatte post rechts van Schore.

    Bij het krieken van de dag kwam een afdeling lansiers voorbij. Achterop reden 3 Transvalers met hoge, brede hoeden. Er volgde nog een groep cyclisten. Tegen de middag kwamen enkele lansiers en ook paarden zonder ruiter terug aangestormd. De cyclisten koersten ook voorbij.

    Later op de middag verschenen de Duitsers. Op een 500m voor ons zaten er een 30tal in een weide. Terwijl de ene schoot trachtte de andere een put te graven, een moeilijke karwei in de zware Poldergrond. Ik mikte vast en zeker en er bleven mannen liggen. Na een tijdje trokken zij zich terug wegens te grote verliezen.

    Op een 50 tal m lag er een bietenveld. Plots begon er een Duitser van daaruit te schieten. De aarde van de loopgracht spatte in mijn ogen. De man lag al in een putje en ik kon hem niet zien. Ik schoot terug in zijn richting. De jongen naast mij durfde niet schieten en hij gaf mij zijn 180 patronen.

    Nogmaals kwamen de Duitsers opzetten. Van achter een hofstede kwamen er telkens 12 man gelopen. Ze vormden een brede ketting. Vier uur lang werd er geschoten. Ik had nog 15 kogels over van de 360 (180+180) toen er geroepen werd “à la retraite, à la retraite.” Er liepen er reeds velen voor mij. We moesten op de weg lopen wegens al die grachten in weiden en velden naast de weg. Voor mij werd een soldaat geschoten. Het was de jongen die naast mij had gezeten en niet durfde schieten, een zekere Patrick van Poperinge. Soldaat Ceuninck van Zillebeke bleef bij hem staan. Velen liepen voorbij. Ik kwam er ook aandraven. Ceuninck riep “We zullen hem meedragen”. Hij was geschoten in zijn achterwerk. We zetten hem op zijn geweer en hij sloeg zijn armen rond onze hals. We sukkelden voort met onze last, want het was een grote, felle gast van een goede 80 kg.

    Aan Schoorbakkebrug over De Ijzer ontfermden een Belgische en een Engelse dokter zich over hem. Ik was helemaal nat van het zweet.

    Onze compagnie werd terug verzameld en wij trokken naar het “Oogsthof”, dicht tegen de spoorweg naar Veurne. We lagen in de schuur. In de kap zat een observateur met kijker. Achter de spoorweg stonden 2 kanonnen. Hij riep door de telefoon “La première pièce va tirer sur seize cent mètres.” Een schot kraakte los en we hoorden de obus boven onze hoofden wegsuizen. Opnieuw “La deuxième pièce va tirer sur quinze cent mètres”. Wat was dat lawaai? We gingen buiten kijken. Het kanon had de schouw van de hofstede weggeschoten.

    Kort daarop werd er door de Duitsers teruggeschoten. ’t Donderde, ’t spetterde en ’t vlamde overal rond. De mannen kropen dicht tegen elkaar. Een obus viel op de mestvaalt en de mest werd door de openstaande deur binnen geslingerd.

    Een tijdje later kregen we het bevel op te rukken naar De Ijzer. Majoor Turck liep voorop. Luitenant Demets volgde en ik zag dat hij weende. Ik liep in vierde positie in de rij.

    De Duitse kanonnen vuurden in feu rapide, 4 salvo’s ineens.

    Aan de watering de Grote Renne lagen vier paarden met hun ruiter dood. We kwamen bij De Ijzer. ’t Liep tegen de avond en we losten de grenadiers af die in een zwaar bombardement hadden gezeten.

    We bezetten het bruggenhoofd van Schoorbakke en zaten in een loopgracht. Majoor Turck stond recht door zijn verrekijker te spieden. De Duitsers naderden. “Jongens schieten” riep hij in het Vlaams. Kort daarop werd hij zelf getroffen. Twee mannen droegen hem weg. Wij liepen een eindje mee. Ik hoorde de commandant nog zeggen “’t is niets voor mij; jammer voor mijn vrouw en kinderen”. Wij moesten weer terug. De commandant werd graag gezien door de Vlaamse jongens.

    Ik moest even een wandeling maken in het donker. Ik liet mij naar de bedding van de stroom zakken. Daar zag ik een grenadier liggen. Die slaapt zeker? Ik trok aan zijn mantel maar hij werd niet wakker. Ik voelde met mijn hand aan zijn gezicht. Koud.

    ’s Nachts hoorde ik karretjes op de kasseien van de weg naar Schore.

    ’s Anderendaags zag ik Duitsers aan de andere oever van De Ijzer. Bij tussenpozen loerde ik eens, mikte en schoot.

    De soldaten waren opgewonden. De ene riep ”Ik heb er al 3 geschoten” Een andere “Ik heb er al 4 op hun stro gelegd”. Enz.

    Daar De Ijzer daar kronkelt kon men ook in de zijde geschoten worden; dus opletten. Er waren er die zopas nog 5 hadden geroepen of hun beurt kwam.

    Dan kwam het bevel achteruit te trekken. Verschillenden werden geschoten onder het lopen. Toen ik even achteruit keek zag ik de Duitsers rechtstaande op de oever van De Ijzer naar ons vuren.

    Aan de Beverendijk kwamen we mannen van de 2de divisie tegen die oprukten naar de Duitsers.

    Onze 1 ste divisie trok naar Veurne. Op de baan Pervijze – Ramskapelle zag ik een soldaat van ‘t 3de die een gekwetste grenadier wegbracht. Een lap vlees bengelde aan zijn achterwerk en hij was een arm kwijt. Op die baan ontmoetten we ook koning Albert met een Franse generaal. De mannen riepen “Vive le roi”. Niet ver vandaar sloegen obussen in.

    Er kwam een bevel terug te keren naar de Beverdijk. Er werd geweldig geschoten. Vele hoeven stonden in brand.

    Opnieuw kwam er bevel om ons terug te trekken tot achter de spoorweg. We hielden daar echter stand. De Duitsers kwamen meermalen opzetten maar werden telkens teruggeslagen. We hadden geen officieren meer.

    Uiteindelijk werden we afgelost en trokken naar Koksijde-Bad.

    Bij de verzameling van onze compagnie schoten er nog 21 man over van de 180. Men vormde opnieuw de compagnie met oude soldaten.

    Daar heb ik mijn eerste zeeslag gezien. Ver in zee lagen 12 slagschepen die onophoudelijk schoten naar de Duitsers in Lombardsijde en Middelkerke.

    Na drie dagen rust trokken we weer over Ramskapelle naar de spoorweg. Senegalezen hielden de wacht in Ramskapelle.

    Langs de weg zagen we in ’t licht van de maan lijken van Duitse soldaten.

    We kwamen aan de spoorlijn en gans de vlakte voor De Ijzer stond onder water. Er lagen Duitsers dood in het water. Er dreven ook dode koeien en paarden.

    Veurne naars kwamen de lijken uit het water halen om ze naar massagraven te brengen. Deze burgers werden echter door de Duitsers onder vuur genomen en het bergen werd gestaakt tot het donker werd.

    Naast ons lag een compagnie Franse soldaten, oudere mannen van de vesting van Duinkerke.

    Aan ’t station van Ramskapelle vroegen 2 oudjes aan mij of ze naar hun huis mochten terugkeren en ik vertaalde hun verzoek aan de Franse soldaten en ze kregen de toelating. Ze trokken weg langs een kasseiweg die hoger lag en aldus niet overstroomd was.

    De slag

    Op 18 oktober1914 gaat de Slag om de IJzer van start. Veldmaarschalk sir John French geeft de British Expeditionary Force opdracht naar Menen en Rijsel te vertrekken, maar wordt door de Duitsers in zijn opzet gehinderd. Zuidelijk van Nieuwpoort dringen de Duitsers bij Mannekensvere door en verjagen de Belgen uit hun verdedigingslinie. 's Nachts nemen de Belgische troepen wraak en kunnen enkele posities opnieuw innemen. Hun succes is maar van korte duur, want enkele uren later worden ze weer verdreven.

    Diksmuide komt onder vuur op 18 oktober1914 maar de Belgische troepen wijken niet. Ook Nieuwpoort staat in lichterlaaie. Lombardsijde wordt enkele uren later ingenomen nadat de Duitsers het Kanaal Plassendale-Nieuwpoort zijn overgestoken. Diezelfde dag moeten de Belgen bijna al hun voorposten opgeven. En op 20 oktober1914 staan de Duitsers aan de IJzer.

    De volgende dag vallen de Duitsers Tervate aan en slagen erin een loopbrug over de IJzer te leggen en een bruggenhoofd te vormen op de linkeroever. Ze dreigen door te stoten naar Duinkerke en de situatie wordt kritiek voor de Belgische verdediging. Zeker voor de volgende dagen want ook de 2e verdedigingslinie wordt bedreigd als de Duitsers hun posities op de linkeroever weten te verstevigen.

    Op 25 oktober 1914 wordt de situatie zo kritiek dat Koning Albert, de opperbevelhebber van het Belgische leger, besluit om de polder tussen de IJzer en de spoorweg Nieuwpoort-Diksmuide onder water te zetten. Onderzoeksrechter Feys had Kolonel Wielemans van het Belgisch hoofdkwartier gewezen op een oud plan voor inundatie dat toen aanleiding had gegeven tot het betalen van vergoedingen aan boeren. Overigens waren vrijwel alle inwoners van het poldergebied van de IJzervlakte zich bewust van de mogelijkheden van inundaties als onderdeel van militaire defensieve operaties. Ook het Belgische Leger zelf was vertrouwd met de militaire waarde van onderwaterzettingen. Inundaties waren een onderdeel van de vesting Antwerpen. Op 21 oktober was reeds een deel van de polder Noord van de IJzer onder water gezet door aan het sluizencomplex van Nieuwpoort de verlaten van de Kreek van Nieuwendamme te openen. Het plan zelf wordt opgesteld door de staf van het Belgische leger. Het leger was echter niet vertrouwd met de plaatselijke situatie. Daarom wordt beroep gedaan op Karel Cogge, als raadgever. Hij was toezichter bij de Noord Watering Veurne, het geheel van grachten, sloten en vaarten dat de IJzervlakte Zuid van De IJzer ontwatert, en vertrouwd met elk détail van de watering. In de nacht van 28 op 29 oktober 1914 worden bij vloed de verlaten van Veurne-Ambacht aan de Ganzepoot in Nieuwpoort geopend door een peloton Belgische soldaten. Hendrik Geeraert, een burger die al hielp bij de allereerste inundatie op 21 oktober, is er ook hier bij. Het zeewater stroomt krachtig door de Veurne-Ambacht verlaten in de Noordvaart en verspreidt zich verder door de sloten en grachten over de polder. De sluizen worden weer gesloten wanneer het water in de Noordvaart even hoog staat als het niveau van de zee. Dat maneuver wordt bij de volgende hoge getijden, om de twaalf uur, nog enkele keren herhaald. Ondertussen worden Pervijze, Ramskapelle, Nieuwpoort en Diksmuide onophoudelijk gebombardeerd. Om redenen waarover men enkel kan speculeren hebben de Duitsers het belang van het sluizencomplex en de mogelijkheden tot inundatie niet erkend. Pas wanneer de polder in een ontoegankelijke watervlakte is veranderd en hun troepen Zuid van de IJzer hopeloos vast zitten, geven ze zich rekenschap van het gebeurde.

    Op 29 oktober 1914 valt Diksmuide na hevige gevechten op de spoorweg Nieuwpoort-Diksmuide. De Duitse generaal Erich von Falkenhayn, chef van de Duitse generale staf, heeft ondertussen de sterkte van zijn 4e en 6e leger opgebouwd om na de IJzer de havens van Calais en Boulogne in te kunnen nemen. Op deze manier hebben de Duitsers een voordeel van 6-tegen-1.

    Op 30 oktober1914 wordt de tweede Belgische verdedigingslinie toch gebroken door een aanval tussen Nieuwpoort en Rijsel door de Duitse 5e reservedivisie. Als ze Pervijze en Ramskapelle proberen in te nemen stuiten ze op hevige tegenaanvallen van de Belgen en Fransen. Ze proberen zich terug te trekken achter de IJzer maar ondertussen is het water zo gestegen dat het hele gebied rond de IJzer blank staat.

    Het front aan de IJzer zit muurvast. De Duitse keizer verlaat ontmoedigd het front. Alleen rond Ieper wordt volop gestreden over de paar meters grond tussen de Duitse en Britse linies (zie Eerste Slag om Ieper).

    Op 10 november1914 bezetten de Duitsers Diksmuide. Maar als het twee dagen later begint te sneeuwen, graven alle partijen zich in. Dit luidt het voorlopige einde van de strijd in.

     

    Vanaf november trokken we de wacht op langs de spoorweg Nieuwpoort- Diksmuide; 2 dagen loopgraven , 2 dagen uitrusten te Booitshoeke bij de familie Van De Bussche.

    Onze schoenen waren gans kapot. Men gaf ons een paar hoge klompen. We spraken over pettekloefen.

    De wegen waren vol modder. ’t Was moeilijk gaan. Onze klompen plakten dikwijls in het slijk.

    Iedere soldaat bracht altijd een bundeltje stro mee om op te liggen in de loopgracht. Dat bundeltje droeg men aan ’t uiteinde van het geweer.

    De boeren kregen 21 centiem om ons te strooien. Ze strooiden ons maar weinig. Na een tijdje verbrokkelde het stro en er kwam ook ongedierte in.

    In februari 1915 brak er tyfus uit. ’t Was niet anders dan kakken en een zere buik. Enkele soldaten moesten naar een hospitaal gebracht worden.

    Ook in februari 1915 kregen we voor het eerst een deken. Een geluk dat het maar een lichte winter was.

    Daarna gingen we op rust te Bray-Dune, voorbij De Panne.

    Vooral de 2 Franse divisies zouden de gaswolk (op 22 april 1915) over zich heen krijgen. Velen stikten in de eerste lijn, anderen vluchtten in paniek weg. De chaos was compleet. Beschermd met 'Riechpäkchen' tegen het chloorgas trokken de Duitsers 15 minuten na het loslaten van het gas ten aanval. Ze trokken op tot de hoogte van Pilkem en het bos ten ZW van Sint-Juliaan ('Kitchener's Wood'). Op enkele uren tijd was een kilometerslange bres geslagen in de geallieerde verdediging. Die avond groeven de Duitse troepen zich echter in, wat tactisch gezien een kapitale fout zou betekenen, althans vanuit Duits standpunt: Ieper lag die avond namelijk voor het grijpen…. Na de gasaanval zou hevig gevochten worden in de omgeving van Steenstrate. De Belgische grenadiers, die zich de 22ste april om 17.00u ten N van Steenstratebrug bevonden, waren vreemd genoeg gespaard gebleven van de giftige gaswolk. Deze grenadiers poogden er met mitrailleursvuur, een 'winkelhaak'-opstelling en met de steun van niet-gevluchte Franse troepen, de Duitse aanvallen ter hoogte van Steenstrate tegen te houden. Niettemin slaagden de Duitsers erin het Kanaal Ieper-Ijzer over te steken. De 24ste april slaagden de Duitsers erin het gehucht Lizerne te veroveren en door te stoten richting Zuidschote. De Belgen werden nu in hun flank bedreigd, temeer de Duitsers opnieuw chloorgas inzetten. Uiteindelijk zouden Franse troepen, met de hulp van Belgische artillerie, erin slagen het gehucht Lizerne te heroveren op 27 april. Midden mei werden de Duitsers over het Kanaal teruggedreven. Bij de gevechten rond Steenstratebrug waren naast diverse Franse eenheden (o.m. 87 D.I.T., 45 D.I.T., 153 D.I.) Belgische grenadiers, karabiniers en manschappen van het 3de en 4de linieregiment betrokken.

    (Mijn vader behoorde tot het 3de linieregiment)

    Op 25 april 1915 begon voor ons de slag bij Steenstrate. We werden er dadelijk naartoe gestuurd. We reden met de tram; doch deze werd gebombardeerd en we moesten te voet verder naar ’t slagveld tussen Steenstrate en Boezinge brug.

    We losten de grenadiers en de karabiniers af. Die hadden een ander uniform dan wij.

    Ik ging op een plek in de loopgracht staan waar veel hulzen lagen. De Duitsers waren reeds in het gehucht Lizerne. Ze schoten uit een huis op 200m afstand.

    Het stonk naar gas en lijken. Er lagen lijken voor ons van Belgische en Franse soldaten. We hadden last van het chloorgas.

    De nacht viel en alles werd rustig. ’s Morgens kwam er een legeraalmoezenier bij mij. Hij was nog gekleed in soutane. Hij gaf mij een medaille.

    Een tijdje later zag ik een Duitse soldaat rechtstaan tegen een huis op zo’n 200m. Ik schoot 3 maal naeen, maar de vent bleef staan, zeer waarschijnlijk een dode.

    Wat later kwam er een Franse officier. Hij vroeg mij waar de Duitsers zaten. Ik wees hem de huizen voor ons. Ik verwittigde hem zijn hoofd niet te hoog te steken.

    Hij gaf mij de raad een klein putje naast mij te graven in de wand van de loopgracht en er van tijd mijn hoofd in te steken. De uitwasemingen verdreven het gas zei hij. Het water liep immers uit mijn ogen en mond. Ik deed het en het bracht merkbaar verlichting.

    Doch die officier wou niet geloven dat de Duitsers daar zo dichtbij zaten.

    Hij sprong uit de loopgracht met getrokken revolver. Nauwelijks had hij 5 passen gezet of hij zakte in elkaar. De volgende nacht haalden Fransen zijn lijk weg.

    Er waren er ook van onze soldaten die ’s nachts lijken gingen aftasten.

    Die nacht werd er niet veel geschoten. Er werd wijn in overvloed geschonken en verschillende werden zat. Zelf dronk ik niet.

    In de voormiddag kwamen een Belgische en Franse officier bij mij met hun telefonisten die draden legden.

    Ik zei hen dat al die huizen vol Duitsers zaten. Ikzelf en nog enkelen moesten opzij schuiven. Ze stelden hun toestel op en telefoneerden naar de kanonniers.

    Direct brak een helse kanonnade los: feu rapide.

    Enkele Duitsers vluchtten uit de huizen. We schoten ze allemaal neer. De huizen stortten in en een wolk stof wolkte op. ’t Rookte allemaal voor ons.

    Na ’t bombardement stormden Franse Zouaven en soldaten van ons naar de resten van de huizen, bajonet au canon. Ze liepen al huilend en tierend. Ik zag een wegvluchtende Duitser, achternagezet door een Senegalees.

    We durfden niet schieten omdat ze zo dicht bij elkaar liepen. De Duitser rende naar een boom, zwenkte op ’t laatste ogenblik maar de kleurling botste er vlak op. De Duitser kon ontkomen. De Fransman kwam terug. Nauwelijks had hij enkele stappen gezet of hij werd neer gekogeld.

    Na de slag werd het kalmer. We moesten wat achteruit trekken en een nieuwe loopgracht aanleggen. Iedereen hielp er aan mee. Ik dolf op een plaats waar de grond zacht was en stootte op een begraven grenadier.

    Er kwamen 3 Duitse vliegtuigen boven. Daarop werden we bestookt door Duitse kanonnen. Ik hoorde zeggen dat er doden waren, de legeraalmoezenier (misschien de man van wie ik de medaille kreeg?), brancardiers en soldaten.

    ’s Anderdaags werden we afgelost en gingen weer op rust te Bray-Dune. We wasten en kuisten ons, want we waren beslijkt van kop tot teen.

    Dan moesten we naar ’t strand van De Panne voor een defilé voor koning Albert. De koning en de koningin zaten te paard.

    De koning hield een toespraak, in ’t Frans natuurlijk, al waren het bijna allemaal Vlaamse soldaten. Ik verstond het toch zeer goed.

    Dan was er een Vlaming die riep “Voor de Vlamingen hetzelfde”. Onze luitenant keerde zich vlug om en vroeg wie er geroepen had. Niemand wist het.

    Gans de compagnie werd hard gestraft met zware dril. Maar het is niet uitgekomen.

    Na enkele dagen moesten we de chasseurs, die weigerden over De Ijzer te trekken gaan aflossen.

    Dit was tussen Diksmuide en de Petroltange aan de ’Boyau de la Mort’ (de Dodengang). Wij kwamen daar rond middernacht aan.

    Er lagen 3 vlotbruggen op drijvende balen turf en planken. De luitenant liep als eerste. Ik volgde. Gevaarlijk, want regelmatig schoot een Duitse mitrailleur.

    Er sloeg een Duitse obus in tussen mij en de luitenant. Ik kon niet zo goed zien in het donker. Dat de passerelle voor mij weg was, zag ik niet. Opeens plofte ik in het water. Ik klampte mij vast aan de planken en kroop er uit. Er volgde niemand meer.

    Gelukkig was het zomer en warm. Langs een andere weg kwamen we in de loopgracht op 25m van de Duitse loopgracht.

    Ik smeet mijn natte mantel af. Gelukkig dat het warm was, daardoor bibberde ik ditmaal niet.

    De loopgracht was enkel een 30tal m lang. Ik plaatste mij op de rechter vleugel. Er stond daar een schietplaat uit ijzer van een cm dik. In ’t midden was er een schietgat.

    Achter ons lagen 5 doden onder een deken.

    De ganse nacht door was er geweervuur langs beide kanten. De loopgracht was niet goed gemaakt en wij versterkten hem met zandzakjes.

    De volgende dag was er een Duitser die voortdurend tegen mijn plaat schoot. Iedere maal stond de plaat iets schuiner. Opeens schampte er een kogel af die naast mij in de grond boorde. Ik sprong naar de plaat en zette die weer recht. Af en toe losten wij een schot. De Duitsers staken een plank omhoog en wij schoten ernaar. Ze trokken hun plank in en staken die weer uit en toonden dat we driemaal raak hadden geschoten, net als op de schietstand in ’t kamp van Beverlo. Dan stak men een schop op. We schoten ernaar dat ’t klonk. Hij deed teken.

    Links van de loopgracht was er een hol gegraven om te luisteren of de Duitsers niet groeven om onze loopgracht te ondermijnen. Er zat een man in om te luisteren.

    Er was een van de onzen die een steen smeet. Al met eens plofte er een raar, rokend spul in onze loopgracht. Wij schoven opzij en na een minuut ontplofte dat tuig. De rook trok dat hol binnen en de man kwam er puffend en hoestend uitgekropen.

    ’s Nachts werden we afgelost. 2 Dagen later moesten we er weer naartoe. De luitenant van het tweede peloton had schrik en zat in een put achter ons.

    Gans de nacht door werd er gewerkt om de loopgracht verder te versterken. Er waren soldaten die met stenen wierpen tegen de plaat waar de luitenant onder zat. Hij riep zijn ordonnans en vroeg of ze bombardeerden. De soldaten haatten hem omdat hij altijd hard strafte.

    De volgende dag werden we bestookt door kanonnen van zwaar kaliber. Het viel mee. Die dag hadden we noch doden noch gekwetsten.

    We werden terug afgelost.

    Er werden vrijwilligers gevraagd om gedurende de dag op verkenning te gaan, daar er nu en dan 2 mannen verdwenen op een voorpost. We kropen door het lange gras naast het jaagpad aan de overkant van De Ijzer. We groeven een kleine loopgracht. Ik had een kleine periscoop en zag een Duitser aan de andere kant van het jaagpad op een 30tal m naar mij toe kruipen. Ik maakte mij al klaar om hem met mijn bajonet te steken, doch hij bleef liggen luisteren. Twee man naast mij kregen ruzie en spraken te luid. De Duitser kroop achteruit. Ik mocht niet schieten om onze nieuwe voorpost niet te verraden.

    Een tijdje daarna werd ik korporaal benoemd en mocht nog een streepje op mijn mouw naaien bij dit van 1ste soldaat, een streep die ik bekomen had als eerste klas schutter. Interessant was dat ik voortaan dubbele soldij trok.

    De 4de divisie kwam in onze plaats. Onze 1ste divisie trok naar de kanten van Pervijze.

    De loopgraven van de 4de divisie werden geweldig bestookt De kanonnen van onze 1ste divisie namen op hun beurt de Duitse loopgraven onder vuur.

    Daarna stilde de slag.

    Wij gingen op rust te Oost-Vleteren en trokken vandaar naar Steenstrate.

    Ik kreeg opdracht met 12 man op een vlot de Ieperlee over te steken naar onze voorpost. Dat vlot bestond uit 4 stukken kurk waarop planken lagen. Aan weerskanten was er een koord.

    Er stond een door de gas verdroogde boom voor de loopgracht. De Duitsers zaten op zo’n 300 m afstand.

    Ik schoot naar mussen die in de boom zaten. Bij het eerste schot schoot ik enkel wat pluimpjes weg. Daarna schoot ik 4 maal en telkens raak. Een van de Walen - er waren er maar 3 in onze compagnie – wipte vlug uit de loopgracht, graaide de mussen mee en sprong weer in de loopgracht. Ik als korporaal was verantwoordelijk en gaf hem een ferme uitbrander.

    ’s Nachts werden we weer afgelost door een ander groepje van onze compagnie.

    Rond die tijd kregen we ook ons nieuw kaki-uniform.

    Diezelfde Waal zei mij dat hij de loopgraven niet meer wou doen en zou trachten een postje achteruit te krijgen. Ik zei hem: “Je staat in het grote boek en je zult voort mogen schieten”. Hij deed zijn aanvraag en 4 dagen later mocht hij reeds achteruit. Ik heb nooit een Vlaming gekend die zomaar achteruit mocht.

    In Steenstrate werden we beschoten door mortieren. Die hadden een verschrikkelijke uitwerking en sloegen diepe kraters. Maar algauw waren we ook dat gewend. Ze kwamen al draaiend door de lucht aanzoeven. We zagen ze omhoogschieten en afkomen. Aldus konden we wat uitwijken, maar meestal ook niet bij kruisvuur. Er werd ook geschoten met obussen die nog zwaarder waren; en die men niet of met moeite kon zien. Daardoor waren ze ook gevaarlijker.

    Als we afgelost werden ging het altijd naar Oost-Vleteren waar we steeds sliepen in de schuur van Persoons.

    In die periode kwamen ook de eerste congés. We mochten dan van tijd tot tijd voor 5-6 dagen op verlof gaan naar Frankrijk.

    Ik trok naar Orly, op een 2 tal uur van Parijs. (Mijn vader rekende nog in uren in plaats van in km. 1 uur=5 km stappen. Van bij ons thuis: 4 uur naar Oostende en evenveel naar Brugge.)                                                                            

    Ik was daar goed bekend, want ik had daar meermalen en nog vlak voor de oorlog aan de oogst gewerkt. Ik werkte er een 4 tal dagen en ging dan op café met de mannen die daar werkten en daarna weer naar ’t front.

    In de winter 1916-1917 moesten we naar de sector rechts tussen Diksmuide en De Blankaart. Het was een harde winter. De sneeuw bleef liggen tot in maart.

    Men vertelde dat Duitsers, gehuld in witte lakens meermalen kwamen spieden, doch ik heb die nooit opgemerkt.

    Men maakte vuur in de loopgrachten. Er werd niet veel geschoten. Met het water ertussen zaten we ook ver van elkaar.

    We zaten te Steenstrate.

    Kamiel Maertens van Woesten, mijn goede kameraad zei op zekere nacht “Willaeys, we zullen morgen een Duitser op zijn stro trekken”. Ik maakte een schietgat om er ’s morgens door te schieten. Kamiel stond in een hoek. Daar stond met krijt geschreven ‘Point dangeureux’. Ik zag een Duitser een zak omhoog trekken en wat rook opwalmen. Ik schoot; laadde mijn geweer opnieuw en legde aan. Plots sloeg een kogel in op het vaderlandertje vlak boven mijn hoofd. Twee vingers lager en ik was er niet meer geweest. Ik wrong een zak in het schietgat. Ik riep naar Kamiel dat ik er bijna was geweest. Hij loerde en schoot onvermoeibaar verder.

    Opeens schoot een Duitser het zakje uit mijn schietgat. Ik wrong het er terug in. Had ik er achter gezeten dan was het prijs.

    Even daarna tuimelt Kamiel achterover, geschoten in het hoofd. Geen woord meer. Op slag dood. Ik voelde verdriet en woede. Ik trok hem verder omlaag. Als we afgelost werden ging ik naar zijn begrafenis.

    Wat later zaten we weer in de sector tussen Diksmuide en de Petroltange. De Duitsers hadden geweldig geschoten met loopgrachtmortieren. Er was een bres geslagen in de loopgracht. Van kommandant Strubbe kreeg ik het bevel om met zes man dat gat te dichten. We vulden de vaderlandertjes achter de loopgracht. Men bracht ze aan. We moesten er goed op letten ons niet te laten zien, want in de minoterie (meelfabriek) van Diksmuide zat een scherpschutter die het op ons gemunt had. Ik gaf August Versluys van Ruddervoorde bevel om de zakjes in de bres te werpen. Hij moest op zijn rug liggen en de zakjes over zijn hoofd in de bres werpen. Ik gaf hem de aangebrachte zakken aan. Hij werd moe van op zijn rug te liggen en draait zich op zijn zijde. Een Duitser merkt hem op en schiet juist boven hem. Ik deed hem weer op zijn rug liggen. Na een tijdje draait hij zich weer om en wordt in het hoofd getroffen. Hij sprak nog enkele onverstaanbare woorden. Ik trok hem omlaag. Brancardiers haalden hem weg. Daarna hoorde ik dat hij kort daarop gestorven was in het veldhospitaal tussen Beveren-Ijzer en Stavele. Weer gingen we naar een begrafenis. ’t Was een ferme boerenzoon van een jaar of 19, die wel 80 kg woog. Hij had nog maar 3 maal de loopgrachten gedaan.

    Wat later moest ik met 12 man de compagnie van de genie vervoegen om te helpen bij het spannen van prikkeldraad voor de voorposten ‘Cheveaux frisés’ Friese ruiters). Elke nacht moesten we 5 uur werken. Er werd wel geschoten, maar dan kan men niet mikken. We waren dat gewoon en bleven er onverschillig bij.

    De laatste nacht die ik werkte bij de genie zat onze compagnie op de voorposten. Het was nog nooit zo stil geweest ’s nachts.

    Wanneer we terug op ons logement lagen te slapen barstte plots een geweldig bombardement los. De Duitsers schoten ook naar onze batterij waar we niet zover (400-500m) van verwijderd lagen. Velen vluchtten de hofstede uit. Ik ben er wel gebleven. Geen enkele granaat viel dichtbij.

    Wat later vernam ik dat enkele mannen van onze compagnie gepakt waren, ook doden en gekwetsten o.a. een kameraad van mijn gemeente Ichtegem, Cyriel Devolder toen hij samen met nog een andere een gekwetste wegdroeg. Een obus die vlak bij hen insloeg trof hen. Cyriel was erg geketst aan een been dat later moest worden afgezet.

    Onze compagnie kwam daar gehavend uit.

    We moesten daarop naar Merkem aan de Ashoop, niet ver van De Kippe. Daar ging het soms weg en weer. Versterkingen van de Duitsers werden veroverd en daarna terug verloren.

    Wij betrokken de loopgracht ‘de Kabeek’. Deze loopgracht was in vier posten verdeeld, telkens op een 100m van elkaar.

    We verbleven er 6 dagen en 6 nachten.

    ’t Was begin september 1918. Ik zat op post 2. De loopgracht lag vol Duits spul: bajonetten, geweren, helmen, mitrailleurs.

    Ik had al een mitrailleur bij mij gelegd om mee te nemen als we afgelost werden.

    Voor mij zag ik Duitsers waar post 1 lag. Die mannen waren blijkbaar gepakt. ’t Was nog vroeg op de morgen. We hielden onze granaten gereed als ze zouden afkomen, maar dit gebeurde niet.

    ’t Was ook gevaarlijk op die post want we werden bestookt met Duitse brisantbommen en daarenboven door onze eigen kanonnen, die niet ver genoeg schoten. De Belgen schoten 2 maal; de Duitsers slechts eenmaal.

    Er was maar 1 jongen die ’s nachts eten durfde halen, een jongen van Steenbrugge. Iedere maal dat hij terugkwam vertelde hij dat het in de bossen vol stond met kanonnen en hopen munitie en allerhande voorraad voor het groot offensief.

    De Fransen, Engelsen en Amerikanen waren reeds doorgebroken.

    Tijdens de oorlog vroegen de Geallieerden herhaaldelijk aan de Belgische regering om het Belgische leger te laten deelnemen aan hun offensieven. Dit werd echter verhinderd door de persoonlijke tussenkomst van koning Albert. Een slachtpartij zoals Verdun, de Somme of Passendale zou immers het einde van het Belgische leger betekend hebben. In de zomer van 1918 lagen de zaken echter anders en waren de kansen voor een succesvol eindoffensief voor het eerst reëel. De Belgen zouden voor het eerst sinds 1914 hun defensieve stellingen verlaten en mee in de aanval gaan. Daarvoor namen ze het noordelijke deel van de Ieperboog over van de Britse troepen. Het Belgische leger bemande nu het front van de kust tot aan de weg Ieper- Zonnebeke.
    In de nacht van 28 september 1918 barstte een korte, maar hevige geconcentreerde artilleriebeschieting los. Drie uur later werd deze gevolgd door een grootscheepse infanterieaanval. Dezelfde dag bereikten Belgische Grenadiers en Karabiniers Passendale dat pas de volgende dag zou worden ingenomen. Ook elders boekten de verschillende legers grote vooruitgang. Het Duitse leger moest massaal terugtrekken. Vlak voor Roeselare konden ze nog twee weken stand houden. Wanneer de Belgen Gent bereikten, werd de Wapenstilstand ondertekend.
    Na vier jaar vechten, zwegen de wapens eindelijk op 11 november 1918 om 11 uur.
    De verliezen van het Belgische leger spreken boekdelen. Een derde van de slachtoffers viel tijdens de bewegingsoorlog van 1914. Een ander derde viel tijdens de oorlogsjaren 1915, 1916, 1917 en begin 1918. Het laatste derde tenslotte, kwam om tijdens het eindoffensief. De grote Belgische begraafplaats in Houthulst is van dit eindoffensief een stille getuige.

    Op 27 september 1918 werd onze compagnie samen getrommeld en de luitenant, een Limburger stak een redevoering af. Het ogenblik was gekomen voor het groot offensief. De Amerikanen waren doorgebroken in Verdun, de Fransen aan de Somme en de Engelsen aan La Basré. Nu kwam de eer aan ons leger om door te breken.

    We kregen eten en munitie in overvloed. Ik kreeg een poignard (dolk) van 25 cm om aan de pols te bevestigen. Hij zei dat we van de eerste dag Handzame zouden veroveren. Onze zware kanonnen zouden de kruispunten, stations en Duitse artillerie beschieten vanaf 1 uur ’s nachts. De lichte kanonnen zouden schieten van 4 tot 4u30.

    Op dat moment was het ongeveer middernacht. We gingen liggen aan de voorposten.

    We waren er pas of voor ons begon een nooit gezien of gehoord bombardement, al vuur en vlam.

    De pinnekensdraad werd weggeschoten voor de Duitse posten.

    Om 4u30 pijlde de witte fusé de hoogte in, het afgesproken teken om op te rukken.

    De Duitsers gaven zich gemakkelijk over. Ze kwamen met de handen in de hoogte naar ons gelopen. We wezen hen de weg naar achter ons.

    We waren met ons vieren. We stapten vooruit, een 20tal m van elkaar, het geweer in aanslag.

    Op zeker ogenblik bemerkten we een eindje voor ons een 10tal Duitsers die met de handen omhoog stonden, doch plots begon een mitrailleur te schieten. We lieten ons vallen en schoten 2 van de Duitsers. Daarop trokken we 2 aan 2, de ene links en ik met nog iemand rechts. De mannen van links waren het eerst bij het bunkertje. Binnen zaten 2 mannen: de mitrailleur en een officier. Ik nam zijn revolver in beslag. Op een bakje stonden flessen jenever. We hadden er wel zin in, maar durfden er niet van drinken, kwestie van vergif.

    We stuurden de 2 mannen achteruit en trokken verder. Links van het bos van Houthulst kwam een tram uit de richting van Terrest. We deden de tram stoppen. De 3 soldaten die uitstapten zonden we achteruit.

    Die tramlijn liep van Houthulst tot het Wijnendale bos, vlak tegen de Reiger te Ichtegem waar ik woonde.

    Een man die met mij later ook naar de frontstreek ging werken, vertelde mij dat Duitsers ooit tegen hem zegden “Wir sollen nach den Tommies fahren, gehe du mit?”

    Aan de andere kant van de baan ging adjudant Pillaert met drie andere mannen naar een hofstede en pakten er 3 Duitsers.

    Onze kanonnen begonnen heel dicht bij ons te schieten. Ze schoten veel te kort. Ik sprong in een schuur. Ik was juist binnen of een obus viel op een hoek van de barak en wij zagen bijna niet meer door het stof. Wij waren met twee in die barak. Ik keek naar buiten en er was niemand meer te zien. Ik zeg tegen die jongen “Ze zijn waarschijnlijk vooruit”. Nog op een 30 m van de hofstede begon van links een mitrailleur op mij te schieten. Ik liet mij direct vallen in een laagte. De andere jongen, die nog maar pas op het front was gekomen, sprong door de haag. Hij werd getroffen Ik hoorde hem nog even kermen. Ik rechtte mij om te vluchten. Er werd weer geschoten. Ze schoten dat de aarde op mij vloog. Ik kroop naar een diepere plaats in de gracht. Ze schoten naar de plaats waar ik lag. Ik dacht ik moet sterven. Ze schoten een groot gat in ’t gras aan de boord van de gracht.

    Ik lag daar 5 minuten en zag 15 Duitsers op mij afkomen. De eerste had een lange revolver in de hand. Hij riep. Ik stond recht met mijn armen in de hoogte. Van achter de man met de revolver kwamen 2 man die mijn eetzakje en de poignard afnamen. Ze toonden verbazing over die dolk, doch hun Duits verstond ik niet. Ik moest de 2 granaten en de revolver uit mijn zakken halen en aan de kant leggen. Ze zegden daar niets over. Ze namen mij mee naar de hoogte van Klerken waar een bunker stond. Ik werd voor een officier geleid. Eerst begon hij in ’t Duits, doch ik begreep er niets van. Daarop schakelde hij over op Frans en kon ik antwoorden. Hij vroeg mij hoe ik daar geraakt was. Dan vroeg hij of we veel doden hadden? Ik antwoordde 1 gekwetste. Hij vroeg of er Fransen achter ons zaten? “Ik weet het niet. Ik zat 6 dagen en 6 nachten op de voorpost.” Dan vroeg hij ook nog of er Engelsen en Amerikanen achter ons zaten? “Van waar zijt gij” vroeg hij. Ik antwoordde “van Ichtegem”.

    Ik was gepakt omstreeks 15u. ’s Avonds moest ik tussen 2 Duitse soldaten opstappen naar Handzame. Onderweg lag hier en daar een Duits paard te stinken. Te Handzame werd ik naar een Duits bureel geleid, maar ze ondervroegen mij niet. Ik kreeg een brok roggebrood van wel 10 dagen oud. Ik stak het op zak.

    Vandaar ging het naar Kortemark. De stations van Handzame en Kortemark werden beschoten.

    Verder naar Torhout, voorbij markt en station tot aan een klein kasteeltje.

    ’s Morgens vroeg kwam ik weer voorbij het station en zag dat het platgebombardeerd was. Er was reeds volk op de markt. Ik kreeg verbod te spreken tegen de burgers. Ze vroegen waar ik gepakt was. “Op de Hoogte van Klerken. De anderen zullen in ’t korte hier zijn”. Ik zag een jonge mevrouw die ik herkende.

    Ik zei “Ik ben Jules Willaeys van Ichtegem. Doe de complimenten aan mijn moeder op de Reiger.” (Later heb ik vernomen dat men ‘Claeys’ had verstaan.)

    Onderweg naar Lichtervelde werden we beschoten door 3 vliegers. De Duitsers sprongen achter een populier. Ik bleef staan. We hielden halt aan een school in Zwevezele dorp.

    Er waren daar reeds een 15 tal soldaten. We bleven er een 2tal dagen. Ons aantal steeg tot een 40tal. Er was zelfs een Engelse piloot bij. 3 Duitsers hielden de wacht op de koer.

    Weer werd ik ondervraagd waar ik gevangen genomen was? Ik zei “op de baan van Houthulst” Hij haalde er een kaart bij en zei dat is hier. Hij stampte op de grond toen ik zegde “Ik weet het niet, want onze officieren zeggen ons niets” Hij zei mij nog dat er tanks stonden op de baan naar Veurne.

    Ik piekerde met de gedachte ’s nachts een ruit uit te halen, in de tuin te komen en over de muur te wippen. De weg naar huis kende ik.

    We werden op de tram naar Tielt gezet . Een eind buiten Zwevezele was de tramlijn gebombardeerd. In rijen van 4 stapten we via Pittem naar Tielt.

    Te Tielt werden we opgesloten in een wit huis niet ver van de spoorlijn. Plots kwamen er 3 Duitse officieren binnengestormd, terwijl geallieerde vliegers bommen gooiden op het station, 100m verder.

    Daarna werden we naar Dendermonde getransporteerd, waar we een 14tal dagen bleven. We kregen een klein stukje brood per dag en een kommetje watersoep waarin een koolblad was gekookt. We waren scheel van de honger.

    Dan werden we op de trein gestopt. Over Brussel, Leuven, Tienen ging het naar Aken. Vandaar naar Dülmen in Westfalen.

    Daar bleven we weer een viertal dagen. Daar kregen we 3 inentingen. Er waren 3 dokters: een Duitser, een Fransman en een Engelsman. Men vertelde dat de Duitser diep stak. Ik verkoos de Fransman.

    De kost was daar nog redelijk, maar we kregen maar half genoeg eten.

    De eindbestemming was Göttingen met een bekende universiteit in Nedersaksen

    Ik heb daar veel honger geleden, maar ik had geld en kon soms iets kopen. De Russische krijgsgevangenen naast ons hadden het nog veel slechter. Ik kocht een koolraap en gooide die naar hen toe.

    Pas op 13 januari 1919 mocht ik naar huis. Wie laatst gevangen was moest ook wachten tot het laatst.

    Tien dagen later moest ik al het Bezettingsleger vervoegen. Pas op 17 juli 1919 zou ik volledig gedemobiliseerd worden.

     

    Mijn vader kon dagenlang vertellen over zijn oorlogsverleden. Ik herinner me nog de vele uren tijdens het onkruid wieden in de velden of bij het rapen van aardappelen. In de oorlogsjaren tijdens de tweede wereldoorlog ging alles nog manueel op onze kleine boerderij. Hoe dikwijls heeft hij mij niet gewaarschuwd bij het rooien van de aardappelen met de ‘viertander’, een kaphaak die je nu nog zelden ziet. “ Niet zo dicht bij mij!” Ik wilde ook geen woord missen. Een ander moment dat op mij een sterke indruk maakte: We waren onkruid aan ’t trekken in een aardappelveld terwijl hij almaar vertelde. Plots liet hij zich vallen. En hij had een reuzenhaas beet die te goed genoot van zijn middagdutje! Als jongen van 7-8 jaar sta je dan in bewondering voor je vader.

    Toen mijn vader van de oorlog terugkwam en wou vertellen zei zijn moeder: “Zwijgt jongen ’t waren ook iemands kinderen”.

    De boerderij op De Reiger te Ichtegem bevond zich op 14 km van Diksmuide. Tijdens de oorlog lagen er 2 Duitsers ingekwartierd, al iets oudere boeren, met vrouw en kinderen in Duitsland. Voor mijn grootmoeder waren het als familieleden geworden. Die mannen fungeerden als voermannen naar het front. Ze deden tussendoor het boerenwerk voor mijn grootmoeder.

    Zij was al weduwe sinds 1898. Haar man, de smid van het gehucht, stierf aan longontsteking ,’Fleursel’. Met 3 weken verschil stierf ook diens broer, de wagenmaker, vader van 8 kinderen, 7 dochters en de jongste een zoon. Hun huis stond op de hoek van de Fonteinstraat waarlangs wij woonden en de Diksmuidebaan. De weduwe week uit naar Ontario in Canada. Toen ik met mijn ouders in 1979 op bezoek was in Detroit, waar zijn schoonzuster, de vrouw van zijn broer Camiel, mijn nicht Eveline en haar man Achille Vyncke een tuinbouwbedrijf hadden, vroegen we naar de Canadese familie. Ze wisten er niets van. Mijn dochter Veerle, die nu in Vancouver woont, kreeg enkele jaren geleden een e-mail van een zekere Christine Willaeys uit London in Ontario. Zijn wij familie? Zij bleek een kleindochter van die kozijn van mijn vader. De familie in Detroit, Michigan woont maar 170 km van de Canadese familie in London, Ontario.

    Mijn vader, als oudste van vier, was pas 9 jaar oud toen zijn vader stierf. Zijn broer Camiel, 1 jaar jonger, is een jaar voor de oorlog, in 1913 uitgeweken naar Amerika (Detroit, waar de meeste West-Vlamingen naartoe trokken). Er waren nog 2 zussen van mijn vader.

    Tijdens de oorlog ontving mijn vader twee brieven van zijn moeder. Zij schreef de brieven. Een Duitser stuurde die mee naar zijn vrouw in Duitsland. Vandaar stuurde zijn vrouw de brief door naar zijn broer Camiel in Amerika en die zond de brief naar mijn vader. In 1917, nadat ook de Verenigde Staten de oorlog verklaard hadden aan Duitsland (6 april 1917), kon dit niet meer. Mijn nonkel Camiel, in 1913 uitgeweken naar Detroit, zoals vele West-Vlamingen, werd soldaat in het Amerikaans leger. In augustus 1979 heb ik met mijn ouders en broer Raphael zijn graf bezocht. Hij was toen al enkele jaren overleden, maar werd begraven als een oud-militair. Die keer was wellicht de enige keer dat ik mijn vader diep ontroerd heb gezien.

    Mijn vader was aan ’t front Vlaams gezind geworden en daarna lid van de VOS, de Vlaamse Oud Strijders. Ik heb de Vos-vlag van Ichtegem nog zien hangen in de Ijzertoren.

    Hij vertelde hoe de afspraken in het kader van de frontbeweging stiekem moesten doorgegeven worden. Met briefjes moest men heel voorzichtig omgaan.

    Het strafste verhaal dat hij vertelde: Er was een meeting gepland op een zondag na de mis in een dorp achter het front. De legerleiding had er weet van gekregen. Belgische officieren stuurden de jongens van een batterij weg en begonnen zelf te schieten naar dat dorp!

    Na de oorlog was hij op alle herdenkingen voor de gesneuvelden. Vanaf De Reiger waar hij woonde was het slechts 14 km naar Diksmuide.           Hij vertelde van de gebroeders Van Raemdonck, samen gesneuveld te Steenstrate en een van de eersten die herdacht werden . Al die herdenkingen heeft hij meegemaakt.

    Zijn laatste Ijzerbedevaart te Diksmuide was in 1940. Wegens de Hitlergroet heeft hij toen definitief afgehaakt.

    Dikwijls zong hij uit volle borst op zondag “Mijn Vlaanderen heb ik hertelijk lief, mijn Vlaanderen bovenal…”

    In 1933 was mijn vader al 44. Zijn moeder zei hem dat het hoog tijd was om een vrouw te zoeken. Hij is niet ver geweest. Mijn moeder, 30 jaar, woonde een paar honderd meter verder aan de overkant van de Diksmuide baan.

    Op 4 februari 1935 werd ik hun eerstgeborene. Ik ben hoog geboren, 48 m boven de zeespiegel op de heuvelrug van Koekelare, over Ichtegem, Torhout-Wijnendale tot Aartrijke. (Er zijn 2 punten van 51 m, het eerste niet ver van de wijkschool (is al een tijd verdwenen) op de Reiger waar ik tot het 5de leerjaar Co-educatie had.) Als ik later iemand van Oostende tegenkwam kon ik zeggen dat ik op hen in mijn jeugd had neergekeken!

    Na het verhaal van mijn vader, besef ik nu dat mijn bestaan maar aan een zijden draadje heeft gehangen. Ik ben het leven dankbaar.









    28-01-2015, 00:00 geschreven door Daan

    Reageer (0)
    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (8 Stemmen)
    Archief per week
  • 14/05-20/05 2018
  • 07/05-13/05 2018
  • 30/04-06/05 2018
  • 23/04-29/04 2018
  • 16/04-22/04 2018
  • 09/04-15/04 2018
  • 02/04-08/04 2018
  • 12/03-18/03 2018
  • 12/02-18/02 2018
  • 05/02-11/02 2018
  • 29/01-04/02 2018
  • 22/01-28/01 2018
  • 08/01-14/01 2018
  • 25/12-31/12 2017
  • 11/12-17/12 2017
  • 27/11-03/12 2017
  • 20/11-26/11 2017
  • 13/11-19/11 2017
  • 06/11-12/11 2017
  • 30/10-05/11 2017
  • 23/10-29/10 2017
  • 16/10-22/10 2017
  • 09/10-15/10 2017
  • 02/10-08/10 2017
  • 25/09-01/10 2017
  • 18/09-24/09 2017
  • 04/09-10/09 2017
  • 28/08-03/09 2017
  • 21/08-27/08 2017
  • 14/08-20/08 2017
  • 07/08-13/08 2017
  • 31/07-06/08 2017
  • 24/07-30/07 2017
  • 10/07-16/07 2017
  • 26/06-02/07 2017
  • 19/06-25/06 2017
  • 12/06-18/06 2017
  • 05/06-11/06 2017
  • 22/05-28/05 2017
  • 15/05-21/05 2017
  • 01/05-07/05 2017
  • 24/04-30/04 2017
  • 17/04-23/04 2017
  • 10/04-16/04 2017
  • 03/04-09/04 2017
  • 27/03-02/04 2017
  • 20/03-26/03 2017
  • 13/03-19/03 2017
  • 06/03-12/03 2017
  • 27/02-05/03 2017
  • 13/02-19/02 2017
  • 30/01-05/02 2017
  • 23/01-29/01 2017
  • 16/01-22/01 2017
  • 09/01-15/01 2017
  • 02/01-08/01 2017
  • 26/12-01/01 2017
  • 19/12-25/12 2016
  • 12/12-18/12 2016
  • 05/12-11/12 2016
  • 28/11-04/12 2016
  • 14/11-20/11 2016
  • 07/11-13/11 2016
  • 31/10-06/11 2016
  • 17/10-23/10 2016
  • 10/10-16/10 2016
  • 03/10-09/10 2016
  • 26/09-02/10 2016
  • 19/09-25/09 2016
  • 12/09-18/09 2016
  • 05/09-11/09 2016
  • 29/08-04/09 2016
  • 15/08-21/08 2016
  • 08/08-14/08 2016
  • 01/08-07/08 2016
  • 25/07-31/07 2016
  • 18/07-24/07 2016
  • 04/07-10/07 2016
  • 27/06-03/07 2016
  • 20/06-26/06 2016
  • 13/06-19/06 2016
  • 06/06-12/06 2016
  • 30/05-05/06 2016
  • 23/05-29/05 2016
  • 16/05-22/05 2016
  • 09/05-15/05 2016
  • 02/05-08/05 2016
  • 25/04-01/05 2016
  • 18/04-24/04 2016
  • 11/04-17/04 2016
  • 04/04-10/04 2016
  • 28/03-03/04 2016
  • 21/03-27/03 2016
  • 08/02-14/02 2016
  • 25/01-31/01 2016
  • 18/01-24/01 2016
  • 11/01-17/01 2016
  • 04/01-10/01 2016
  • 21/12-27/12 2015
  • 14/12-20/12 2015
  • 30/11-06/12 2015
  • 16/11-22/11 2015
  • 09/11-15/11 2015
  • 02/11-08/11 2015
  • 26/10-01/11 2015
  • 19/10-25/10 2015
  • 12/10-18/10 2015
  • 05/10-11/10 2015
  • 28/09-04/10 2015
  • 21/09-27/09 2015
  • 14/09-20/09 2015
  • 07/09-13/09 2015
  • 24/08-30/08 2015
  • 17/08-23/08 2015
  • 10/08-16/08 2015
  • 03/08-09/08 2015
  • 27/07-02/08 2015
  • 20/07-26/07 2015
  • 13/07-19/07 2015
  • 06/07-12/07 2015
  • 29/06-05/07 2015
  • 22/06-28/06 2015
  • 15/06-21/06 2015
  • 08/06-14/06 2015
  • 01/06-07/06 2015
  • 25/05-31/05 2015
  • 18/05-24/05 2015
  • 11/05-17/05 2015
  • 04/05-10/05 2015
  • 27/04-03/05 2015
  • 20/04-26/04 2015
  • 06/04-12/04 2015
  • 30/03-05/04 2015
  • 23/03-29/03 2015
  • 16/03-22/03 2015
  • 09/03-15/03 2015
  • 02/03-08/03 2015
  • 23/02-01/03 2015
  • 09/02-15/02 2015
  • 02/02-08/02 2015
  • 26/01-01/02 2015

    E-mail mij

    Druk op onderstaande knop om mij te e-mailen.


    Gastenboek

    Druk op onderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek


    Blog als favoriet !


    Blog tegen de regels? Meld het ons!
    Gratis blog op http://blog.seniorennet.be - SeniorenNet Blogs, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!