| Toen mijn oude vriend Paul Belien mij uitnodigde om deze toespraak te houden, was mijn eerste reactie er één van genoegen, omdat een politieke partij in België zich bleek te interesseren in mijn ideeën. Nog nooit vroeg een politieke partij in West-Europa mij haar toe te spreken en lang geleden concludeerde ik dat een stem als de mijne blijkbaar irrelevant is in de Europese politieke praktijk en hoogstens moet gezien worden als een vaag gemompel in de stratosfeer van het denken zonder klare toepassing in het rijk van politieke feiten. Ik had al gehoord van het Vlaams Belang en zijn voorganger, het Vlaams Blok, als een controversiële partij met wijdverspreide steun onder de Vlaamse bevolking van België. Ik wist dat de partij het doelwit was van het liberale establishment, beschuldigd werd van ‘racisme en xenofobie’, en in zijn vorige incarnatie verboden werd door het Belgische gerecht. Maar ieder zijn waarheid en onder de verklaringen voor de beschuldigingen leek het mij aannemelijk dat de bedreiging van de gevestigde belangen van de Europese Unie de werkelijke overtreding van het Vlaams Belang was.
Dit vermoeden werd in zekere mate bevestigd toen ik e-mails begon te ontvangen van verontruste Belgische ‘collega’s’ – mensen die voordien nooit interesse toonden in mijn ideeën, maar die me nu verzochten deze afspraak te annuleren en geen geloofwaardigheid te verschaffen aan een gevaarlijke rechtse partij. Ze waarschuwden voor de schade die mijn reputatie zou oplopen, indien ik geassocieerd zou worden met een partij van extremisten. Het werd meteen duidelijk dat de controverse rond het Vlaams Belang recht naar het hart van de Belgische politiek gaat en dat de tegenstanders van het Vlaams Belang de partij niet enkel wensen te verslaan in eerlijke en vrije verkiezingen, maar ook als politieke kracht willen vernietigen. Omdat ze de partij niet kunnen wegvagen met democratische middelen daar ze de gewoonte heeft de meeste stemmen te krijgen in parlementaire verkiezingen, willen ze hun doel bereiken via rechtbanken en door degenen die de inspanningen van de partij zouden legitimeren het zwijgen op te leggen en te intimideren. Precies de suggestie dat ik mezelf op de één of andere manier met het Vlaams Belang associeer door de partij toe te spreken – al dan niet instemmend of afkeurend – wijst op de intentie van de tegenstanders, namelijk de partij ver weg van alle dialoog houden.
Mijn instinct zegt mij de kant van het slachtoffer te kiezen als het over intimidatie gaat. Als men me vertelt dat ik niet met Jim mag omgaan omdat alle fatsoenlijke mensen hem boycotten, dan zegt mijn instinct om wel met Jim om te gaan. Misschien ontdek ik heel goede redenen om Jim te boycotten maar als ik geen inspanning heb gedaan om hem te kennen en hem terug in de schoot van de humane samenleving te brengen, heb ik gefaald in mijn plicht als christen. En wat geldt voor individuen geldt ook voor politieke partijen. Ik ontken niet dat er partijen zijn die buiten de wet moeten worden geplaatst – zoals de nazi partij buiten de wet werd gesteld, vele miljoenen doden te laat, zoals de communistische partij buiten de wet werd gesteld, en zoals bepaalde islamitische partijen vandaag in Europa onwettig verklaard worden.
Volgens mij zijn partijen zoals mensen: ze moeten zich schikken naar de categorische imperatief . Ze mogen niet moorden of moord goedpraten en ze mogen niet aanzetten tot haat tegenover eender welke minderheid of herkenbare sub-gemeenschap binnen de staat. Als ze die dingen wel doen, heeft de staat het recht en de plicht om hen buiten de wet te stellen. Natuurlijk, en dat is waar ik mee wil beginnen vandaag, ben ik ervan overtuigd dat het niet nodig is dit te zeggen.
Er moet echter op gewezen worden dat socialistische partijen de basisregel tegen ophitsing niet altijd opvolgen. Jarenlang teerde onze eigen Labour Party op een dieet van klassenhaat dat niet veel verschilt van de haat als een hoeksteen van de communistische ideologie tussen de oorlogen. Het meest opvallende kenmerk van de linkse bewegingen uit de jaren zestig – bewegingen waartoe velen uit de hedendaagse politieke elite behoorden – was de hevigheid van de haat die ze uitten tegenover de bourgeoisie, met name naar eenieder die eigendom had. Ophitsing is nooit ver weg in de politiek, en ieder van ons moet voortdurend zijn geweten onderzoeken om zeker te zijn dat deze misdaad, waarvan het zo makkelijk is de tegenstanders te beschuldigen, er geen is waar we zelf ook schuldig aan zijn. Per slot van rekening is het enkel in een conditie van kalm beraad dat we kunnen starten met de dringende taak waarmee Europeanen vandaag de dag mee te maken hebben, namelijk het tot stand brengen van een nieuw onderhandelde regeling die alle burgers, oud en nieuw, van staten die onomkeerbaar veranderd zijn door de immigratie, zal opnemen. Daarom is de tenlastelegging van ‘racisme en xenofobie’ waarvan uw partij beschuldigd werd, zo ernstig. De aanklacht is bedoeld om te suggereren dat het Vlaams Belang geen deel kan uitmaken van een dergelijke onderhandelde overeenkomst en dat de partij niet enkel zondigt tegen de basisregels van de democratische politiek, maar ook tegen het voornaamste doel van het Nieuwe Europa, met name de inlijving van grote populaties immigranten in een vorm van burgerschap dat ras, cultuur, religie en overtuiging overstijgt. Als we deze vorm van burgerschap niet invoeren, kunnen we uitkijken naar een conflictueuze en onwaarachtige toekomst met intergemeenschappelijk strijd als norm. En als ‘racisme en xenofobie’ deze nieuwe vorm van burgerschap in de weg staan, zijn er hele goede redenen om te denken dat ze onaanvaardbare kenmerken zijn van elke partij die ze uit.
Echter, wanneer ik sommige aanvallen op het Vlaams Belang lees, moet ik terugdenken aan die tijd, twintig jaar geleden, toen ook ik beschuldigd werd van ‘racisme en xenofobie’ door de links-liberale media in Groot-Brittannië en schandelijk vernederd werd voor mijn collega’s van de universiteit. Mijn misdrijf was dat ik in de Salisbury Review, dat ik uitgaf, en in mijn wekelijkse column in de London Times betoogde dat het officiële beleid van ‘multiculturalisme’ een vergissing was en dat de toekomst van Brittannië niet afhangt van het aanmoedigen van immigranten om apart in culturele getto’s te leven, maar wel van hen te integreren in een gemeenschappelijke cultuur van de bestaande natie. Uitgerekend ditzelfde establishment dat toen met verontwaardiging reageerde op mijn argumenten, heeft ze sindsdien stilletjes aanvaard en de heersende opvatting vandaag is dat we een cultuur nodig hebben van ‘Brits-zijn’ (Britishness), waarin al onze burgers kunnen delen. Zelf het onderwerp geweest te zijn van deze beschuldiging, waarvan ik weet dat ze in mijn geval fout is, verplicht mij om sceptisch staan tegenover hen die de beschuldigingen maken en dit schijnbaar zo goedkoop en met zulk een zelfingenomen tevredenheid omdat het de Ander is en niet zij Zelf die schuldig zijn. In plaats van uw geval te onderzoeken, stel ik daarom voor om meer algemeen over de betekenis van de beschuldiging te spreken, en over de omstandigheden die geleid hebben tot het uiterste retorische belang ervan, zodat de aanklacht het equivalent geworden is van een beschuldiging van ketterij ten tijde van het middeleeuws Europa, of van hekserij in koloniaal Massachusettes, of van deviationisme in de Stalinistische staat.
Iemand die in een fase van ontkenning zit ten opzichte van zijn terminale ziekte, de ontrouw van zijn vrouw of de delinquentie van zijn kind, zal zich boos keren tegen diegene die verwijst naar de verboden waarheid. Evenzo zal een politieke cultuur dat een ernstig sociaal probleem verloochent, degenen veroordelen die het willen bespreken en alles proberen hen het zwijgen op te leggen. De Europese politieke klasse ontkent nu reeds een hele tijd de problemen die ontstaan als gevolg van de grootschalige immigratie van mensen die zich niet inschrijven in onze Europese manier van leven. De politiek heeft zich boos gekeerd tegen degenen die gewaarschuwd hebben voor de ontwrichting die zou volgen of die het recht van de autochtone gemeenschappen hebben bevestigd om toegang te weigeren voor mensen die niet kunnen of niet willen assimileren. En één van de wapens die de politieke elite heeft gebruikt om zich te verzekeren dat ze nooit verontrust wordt door de waarheden die ze ontkent, is het beschuldigen van degenen die het probleem wensen te bespreken van ‘racisme en xenofobie’. Mensen van mijn generatie zijn grootgebracht met de angst voor deze beschuldiging, net zoals mensen van Salem opgroeiden met de angst om als heks beticht te worden. We zagen wat er gebeurde met Enoch Powell, als resultaat van een publieke toespraak waarin hij waarschuwde voor de gevaren. Ik zeg niet dat Powells lezing, waarin hij verwees naar ‘de rivier Tiber, schuimend van veel bloed’, wijs of nuttig was. In tegendeel, het was te gemakkelijk om hem te beschuldigen van paniekzaaierij, en zijn citaat uit de Cumean Sybil in Aeneid Bk VI - wat natuurlijk niemand herkende - werd onmiddellijk herschreven als ‘rivieren van bloed’ en hij werd onmiddellijk afgedaan als een gevaarlijke gek. Dat was vrijwel de laatste keer dat een Brits politicus het aandurfde om te waarschuwen voor het effect van grootschalige immigratie. Sindsdien heerst er een ongemakkelijke stilte op het politieke vlak, terwijl de discussie op elk ander niveau verhinderd wordt door de periodieke showprocessen van hen die schuldig bevonden zijn aan ‘racisme’ – bijvoorbeeld, omdat ze ervoor pleitten dat immigrantengemeenschappen zich moeten integreren en dat gettovorming intrinsiek gevaarlijk is: de mening die door The Salisbury Review onder mijn redactie werd aanvaard, en de oorzaak was van mijn eigen kastijding.
Door een probleem te ontkennen, voorkom je het debat erover, totdat de discussie te laat komt. Doorheen de jaren dertig leefde de politieke elite in ontkenning van de Duitse herbewapening. Tegen de tijd dat de waarheid niet langer meer verborgen kon worden, was het onmogelijk om Hitlers inname van Tsjecho-Slowakije te verhinderen. Indien we nadenken over zulke voorbeelden, is het ongetwijfeld redelijk te concluderen dat we nu een plicht hebben om de aanklacht van ‘racisme en xenofobie’ te trotseren en elk aspect van de immigratie te bespreken. We zijn dat niet enkel verschuldigd aan de autochtone bevolking van Europa, maar ook aan de immigranten zelf, die een even groot belang hebben in vredig coëxistentie als de rest van ons. Ik zie de zaak als volgt:
Elke samenleving hangt af van een ervaring van het lidmaatschap: een gevoel van wie ‘we’ zijn, waarom we samen horen en wat we gemeen hebben. Deze ervaring is pre-politiek: het gaat vooraf aan alle politieke instituties en bezorgt ons een reden om ze te aanvaarden. Het brengt iedereen samen, zowel links als rechts, arbeiders en bedienden, mannen en vrouwen, ouders en kinderen. Deze ‘eerste-persoon meervoud’ (first-person plural) ondermijnen, is de weg openen naar versplintering, als mensen ophouden om het even welke algemene plicht tegenover hun buren te erkennen en zich opmaken om de geaccumuleerde bezittingen te plunderen. Zonder lidmaatschap riskeren we een nieuwe ‘tragedy of the commons ’, daar onze overgeërfde sociale activa worden aangegrepen voor hedendaags gebruik.
Lidmaatschap wordt op verschillende manieren gedefinieerd op verschillende tijdstippen en plaatsen. Voor veel samenlevingen is religie een belangrijk deel ervan, zodat de ongelovige uitgesloten of gemarginaliseerd wordt zoals in de traditionele islamitische samenleving. Hoewel religie een belangrijk deel van de Europese identiteit geweest is, werd het geleidelijk onder invloed van de Verlichting naar de achtergrond geduwd door nationaliteit en vervolgens door de opkomst van de natie-staat. En het is dankzij de natie-staat dat we kunnen genieten van de vrijheden en de wereldlijke jurisdicties die zo aantrekkelijk zijn voor immigranten – en vooral voor die immigranten die hun pre-politiek lidmaatschap eerder definiëren in religieuze termen dan in nationale. Want nationale loyauteit is een vorm van goed nabuurschap: het is loyauteit aan een gezamenlijke woonplaats en aan de mensen die het opgebouwd hebben. Het heeft geen specifieke eisen van religieuze of ideologische aard en is tevreden met een gemeenschappelijke gehoorzaamheid aan een seculier recht en een gemeenschappelijk gevoel tot het land te behoren, tot zijn gebruiken en gewoontes van vreedzaam samenleven. Gemeenschappen eerder gebaseerd op een nationaal dan op een religieus concept van lidmaatschap zijn intrinsiek open voor nieuwkomers, op een manier dat religieuze gemeenschappen dat niet zijn. Een immigrant in een religieuze gemeenschap moet bereid zijn zich te bekeren, een immigrant in een nationale gemeenschap moet enkel de wet gehoorzamen.
De Europese natie-staten hebben geprobeerd om het pre-politieke idee van nationale loyauteit in wettelijke criteria voor burgerschap in te kapselen. De relatie van de burger met de staat wordt uitgedrukt in termen van wederzijdse rechten en plichten. Aanspraak maken op de status van burger is de macht van de staat inroepen tegen boosdoeners en ook zijn hulp te beloven als de staat in gevaar is. Het genieten van de staat-beschermende rechten maakt iemand wettelijk gesproken de gelijke van alle andere burgers in om het even welk conflict en evenzeer gebonden door de plicht van gehoorzaamheid als de andere.
Vandaar dat wij, als burgers van een natie, gebonden zijn door wederzijdse verplichtingen aan iedereen die aanspraak maakt op onze nationaliteit ongeacht familie en ongeacht geloof. Godsdienstvrijheid, gewetensvrijheid en vrijheid van meningsuiting vormen geen bedreiging – geloven we – voor onze gemeenschappelijke loyauteit. Onze wet geldt voor een welomschreven territorium en onze wetgevers worden gekozen door en voor de eigen gemeenschap. De wet bevestigt dus ons gemeenschappelijk lot en wint onze gemeenschappelijke gehoorzaamheid voor zich. Gezagsgetrouwheid wordt een deel van het schema der dingen, deel van de manier waarin het land gevestigd is. Ons volk kan zich snel verenigen voor een bedreiging, aangezien ze zich verenigen ter verdediging van een zaak die noodzakelijk is voor hen allemaal – hun grondgebied. De symbolen van nationale loyaliteit zijn noch militant noch ideologisch, maar bestaan uit vredevolle beelden van het vaderland, van de plaats waar we thuishoren. Bijgevolg helpen nationale loyaliteiten de verzoening tussen klassen, interesses en geloofsovertuigingen, en vormen de achtergrond voor een politiek proces dat gebaseerd is op consensus eerder dan op macht. In het bijzonder stellen nationale loyaliteiten de mensen in staat om de soevereiniteit en de rechten van het individu te respecteren.
Voor deze en gelijkaardige redenen, komt nationale loyauteit niet louter voort uit democratische staatsbestuur maar is het er diepgaand door toegeëigend. Mensen gebonden door een nationaal ‘wij-gevoel’ hebben geen probleem om een regering te aanvaarden met wiens opinies en beslissingen ze het oneens zijn; ze hebben geen probleem om de legitimiteit van de oppositie te aanvaarden, of de vrije expressie van schijnbaar buitensporige standpunten. Samenvattend, ze zijn in staat om te leven met democratie, en om hun politieke verzuchtingen te uiten via de stembus. Geen van deze goede dingen wordt teruggevonden bij staten gebaseerd op een ‘wij’ als stamverband of een ‘wij’ van geloof. En in moderne omstandigheden zijn alle dergelijke staten in constante staat van conflict en burgeroorlog, zonder authentieke gerechtigheid, noch een duurzame democratie.
Het is niet nodig jullie te vertellen dat het verslag van nationale loyaliteit dat ik daarnet ten berde bracht niet gemakkelijk past in het geval van België, aangezien modern België een staat is waarin twee naties samen worden gehouden, grotendeels tegen de wil van één van hen. Het Belgische staatsburgerschap is niet geworteld in een gedeelde nationale loyaliteit en is een puur juridisch privilege geworden, dat kan worden gekocht en verkocht via een paspoort. Dit kopen en verkopen van burgerschap, vaak door mensen die het alleen maar zien als een recht en nooit als een plicht, is iets heel gewoon binnen Europa. De politieke elite ziet geen graten in mensen die paspoorten verzamelen zoals ze lidmaatschappen van clubs verzamelen. Maar blijkbaar is de handel in Belgische paspoorten in het bijzonder populair, misschien omdat er geen pre-politieke loyaliteit is wat het paspoort vertegenwoordigt.
Voor dezelfde reden worden er geen inspanningen gedaan om te garanderen dat immigranten in België loyaliteit voor de seculiere staat verwerven, of respect voor de gewoontes die het gevormd hebben. Belgisch burgerschap is wat de immigranten zoeken, en Belgisch burgerschap werd door de politieke klasse behandeld als een handelsartikel, om te worden gekocht en verkocht net als gelijk welk ander product.
Ten slotte heeft de Belgische politieke klasse zich gefixeerd op Europa, als de collectieve onderneming die al deze oude nationale loyaliteiten zal uitwissen en vervangen door een kosmopolitische onverschilligheid. De Europese Unie heeft veel betekend voor de Belgische elite. Het plaatst hen in het hart van het continent, transformeert Brussel van een provinciale stad in Vlaanderen tot de hoofdstad van Europa en verschaft een project dat de aandacht afleidt van de groeiende desintegratie van het land en van de problemen die ze hoe dan ook vastbesloten ontkennen. Geen wonder dat ze boos worden wanneer een populaire partij de afscheiding van Vlaanderen vraagt en de reconstitutie ervan als een zelfbesturende natie-staat. Zelfs als er geen grond is voor de aanklacht van ‘racisme en xenofobie’, kan je er zeker van zijn dat het plan is om ze klem te zetten. Stel je even voor wat er zou gebeuren met de Europese Unie als Vlaanderen een natie-staat zou worden! Wat een enorme stap achteruit zou dit zijn - een stap richting loyaliteit, verantwoordelijkheid, democratie en al de andere afgedankte dingen die de EU wil laten verdwijnen.
Nu twijfel ik er niet aan dat er zoiets bestaat als racisme, dat het immens destructief is en dat onze autoriteiten er goed aan doen om methoden te zoeken om de expressie ervan te voorkomen. In de Engelse wet impliceert racistisch geïnspireerde misdaad een bijkomende straf en aanzetten tot raciaal geweld wordt aanzien als een zwaar vergrijp. Maar, de aanvaarding van zulke bepalingen zou ons niet blind mogen maken voor de vele dubbele standaarden die rondwaren in de discussie over dit onderwerp.
Eerst de dubbele standaard over ‘racisme’: een beschuldiging die voortdurend wordt uitgebracht tegen onschuldige leden van de autochtone meerderheid en bijna nooit tegen schuldige leden van allochtone minderheden. Dit is niet enkel een Europees fenomeen. Integendeel, er is een soort van collectief schuldgevoel dat vandaag elke discussie over raciale verschillen in het Westen doordrenkt.
Onlangs had ik nog reden om een academisch artikel te bestuderen in het magazine van de American Psychological Association, dat zijn officieel beleid ten opzichte van multiculturalisme en de behandeling van minderheden verklaart. Ik was stomverbaasd toen ik de volgende zin las: ‘Alle blanken zijn racisten, al dan niet bewust’. Daar heb je het, als de officiële doctrine van een prestigieus academisch en professioneel orgaan: alle blanken zijn racisten, al dan niet bewust. Dat is volgens mij een racistische uitlating van het laagste soort, één die aan mensen met een bepaalde huidskleur een enorme morele fout toeschrijft, één waaraan men niets kan doen om ze te overwinnen aangezien men ze onbewust bezit. Deze uitspraak is indicatief voor de wijdverspreide aanpak van raciale en culturele relaties in de moderne wereld. Racisme wordt gedefinieerd als een ziekte van de autochtone meerderheid, waarvoor immigrerende minderheden genetisch immuun zijn zelfs wanneer ze het diepgewortelde antisemitisme uit de Arabische wereld met zich meebrengen, of de Maleisische haat tegenover de etnische Chinees. Waarom is onze politieke elite zo happig om hun eigen mensen van racisme te beschuldigen en de ogen te sluiten voor het racisme van immigranten? Het antwoord is te vinden in een andere dubbele standaard, ingekapseld in de beschuldiging zo vaak geassocieerd met deze van racisme - de aanklacht van xenofobie.
Ik twijfel er niet aan dat er zoiets bestaat als xenofobie, hoewel het iets is dat erg verschilt van racisme. Etymologisch betekent de term angst voor (en daardoor aversie van) de vreemdeling. Precies het gebruik ervan impliceert een onderscheid tussen degene die er bij hoort en degene die er niet bij hoort en door ons uit te nodigen onze xenofobe politici te verwerpen, nodigt men ons uit om mensen anders dan onszelf welkom te heten - een welkom gebaseerd op de erkenning van hun anderszijn. Nu is het makkelijk voor een ontwikkeld lid van de liberale elite om zijn xenofobie van zich af te gooien: voor het grootste deel helpen zijn contacten met vreemdelingen hem om zijn macht te versterken, zijn kennis uit te breiden en zijn sociale expertise bij te schaven. Maar het is niet zo eenvoudig voor een ongeschoolde arbeider om deze attitude te delen als de immigrerende vreemdeling zijn job wegneemt, vreemde gewoonten en een leger van personen ten laste in zijn buurt binnenbrengt en hem uiteindelijk omringt met exclusieve beelden en geluiden van een getto.
Opnieuw is er echter een dubbele standaard die de beschrijving beïnvloedt. Leden van onze liberale elite mogen dan immuun zijn voor xenofobie, maar er is een gelijkwaardige fout waarvan ze in overvloed blijk geven, namelijk de verloochening van en aversie voor de bakermat. Elk land vertoont deze ondeugd in zijn eigen binnenlandse versie. Niemand grootgebracht in het naoorlogse Engeland kan verzuimen zich bewust te zijn van de aangeleerde spot gericht op onze nationale loyaliteit door zij wiens vrijheid om te bekritiseren al jaren geleden zou vernietigd zijn, hadden de Engelsen niet bereid geweest om voor hun land te sterven. De loyaliteit die mensen in hun dagelijkse leven nodig hebben, en die ze bevestigen in hun onbezonnen en spontane sociale acties, wordt nu doorgaans geridiculiseerd of zelfs gedemoniseerd door de dominante media en het onderwijssysteem. Nationale geschiedenis wordt onderwezen als een verhaal van schaamte en degradatie. De kunst, literatuur en religie van onze natie werd min of meer uit het onderwijsprogramma weggesneden en traditionele gedragspatronen, lokale tradities en nationale ceremonies worden routinematig afgekraakt.
Deze verwerping van het nationale idee is het resultaat van een eigenaardige gemoedsgesteldheid dat zich in het Westen voordoet sinds de Tweede Wereldoorlog, en die vooral gangbaar is binnen de intellectuele en politieke elites. Er bestaat geen adequaat woord voor deze attitude, hoewel de symptomen onmiddellijk herkend worden: namelijk, de neiging om in elk conflict de kant te kiezen van ‘hen’ tegen ‘wij’, en reële behoefte om zich denigrerend uit te laten over gewoonten, cultuur en instituties identificeerbaar voor ‘ons’. Ik noem de attitude oikofobie – de aversie voor de eigen thuis – door de sterke relatie met xenofobie te benadrukken, van wat het het spiegelbeeld is. Oikofobie is een fase waar het denken van de adolescent normaal doorheen moet. Maar het is een stadium waarin intellectuelen neigen te worden vastgehouden. Zoals George Orwell al aangaf, zijn vooral linkse intellectuelen hiervoor vatbaar en dit heeft hen vaak gewillige agenten voor vreemde mogendheden gemaakt. De Cambridge spionnen – opgeleide mensen die binnendrongen in onze buitenlandse dienst gedurende de oorlog en onze Oost-Europese bondgenoten bij Stalin verraadden – bieden een treffende illustratie van wat oikofobie betekend heeft voor mijn land en voor de westerse alliantie. En het is interessant om te vermelden dat een recent BBC-‘docudrama’ opgebouwd rond de Cambridge spionnen, niet de werkelijkheid van hun verraad onderzocht, noch zich richtte op het lijden van de miljoenen van hun Oost-Europese slachtoffers, maar slechts de oikofobie bevestigde die ervoor zorgde dat ze zich zo gedroegen.
Oikofobie is niet specifiek Engels en nog minder een specifiek Britse tendens. Toen Sartre en Foucault hun beeld van de ‘bourgois’-mentaliteit uittekenden, de mentaliteit van de ‘ander’ in zijn ‘anders-zijn’, beschreven ze de gewone, fatsoenlijke Fransman en uitten ze hun misprijzen voor zijn nationale cultuur. Een chronische vorm van oikofobie heeft zich verspreid over de Amerikaanse universiteiten in de gedaante van politieke correctheid en kwam luid aan de oppervlakte in de nasleep van 11 september door minachtend te spreken over de cultuur die zogezegd de aanvallen uitlokte en impliciet partij te kiezen voor de terroristen. En oikofobie kan overal in de aanvallen gericht tegen het Vlaams Belang gelezen worden.
De dominantie van onze nationale parlementen en de EU-machine door oikofoben is gedeeltelijk verantwoordelijk voor de aanvaarding van gesubsidieerde immigratie en voor de aanvallen op gewoontes en instituties geassocieerd met traditionele en inheemse levensvormen. De oikofoob verwerpt nationale loyaliteiten en definieert zijn doelen en idealen tegen de natie, propageert transnationale instituties boven nationale regeringen, accepteert en keurt wetten goed die opgelegd zijn uit de hemel door de EU of de VN en definieert zijn politieke visie in termen van kosmopolitische waarden die gezuiverd werden van alle verwijzingen naar de specifieke toebehoren van een echte historische samenleving. De oikofoob is, in zijn eigen ogen, een verdediger van verlicht universalisme tegen lokaal chauvinisme. En het is de opkomst van oikofobie dat geleid heeft tot de groeiende legitimiteitscrisis in de natie-staten van Europa. Want we zien een massieve expansie van de wetgevende last op de Europese onderdanen en een meedogenloze aanval op de enige loyaliteiten die het hen mogelijk zou maken om het vrijwillig te dulden. Het explosieve effect hiervan is reeds gevoeld in Holland en Frankrijk, en wordt nu natuurlijk ook in België gevoeld.
Maar er is een derde dubbele standaard die kan waargenomen worden in het officiële beleid van de EU wanneer het over nationaliteit gaat. Waar nationale sentimenten een bedreiging vormen voor de centralisatie van de macht, is de Europese machine vastbesloten hen te brandmerken als racist en xenofoob en hen die ze uiten, te beschuldigen van een misdaad. Dit is het geval wanneer het gaat over Vlaams-nationalisme, dat precies het hart van de machine bedreigt. Maar daar waar nationale sentimenten dienen om rivaliserende machtscentra af te breken, bekrachtigt de Europese machine ze met plezier. Het heeft mijn land behandeld als ware het een complete artificiële creatie zoals België, het heeft het Schotse en Welse nationalisme aangemoedigd en heeft ons een officiële kaart opgelegd waarin Schotland en Wales bestaan, maar Engeland niet vermeld wordt, zijnde louter de arbitraire som van vier onafhankelijke ‘regio’s’, door dewelke het uiteindelijk is te vervangen. Engeland won de oorlog en vestigde daarmee zijn onwrikbare plaats in onze affecties, een plaats die het niet kan opgeven aan een machtshongerige bureaucratie gesitueerd in een land dat ooit bezet was. De enige manier om Engeland te vernietigen, is bijgevolg de rivaliserende loyaliteiten te benadrukken die het uit elkaar zullen blazen.
Het is in het licht van deze dubbele standaarden dat de beschuldiging van ‘racisme en xenofobie’ moet geëvalueerd worden. Het is een beschuldiging nagenoeg onveranderlijk gericht tegen leden van de autochtone gemeenschappen van Europa, en in het bijzonder tegen diegenen aan de onderkant van de sociale ladder voor wie massale immigratie een kost is waarvoor ze niet geschoold zijn (en niet door eigen fouten) om te dragen. Het is ook gericht tegen politieke partijen die proberen om deze mensen te vertegenwoordigen, en die hen enige steun beloven inzake een probleem dat geen enkele andere partij blijkt te willen aanpakken. Zij die de beschuldiging uitbrengen, zijn nagenoeg onveranderlijk in de greep van oikofobie. Hun gevoel van er bij te horen is fragiel of onbestaande. Ze kijken naar de oude vormen van de Europese gemeenschap, en in het bijzonder naar oude nationale identiteiten die ons continent gevormd hebben met nauwelijks verhulde afkeer. En door te focussen op hun kosmopolitische visies op politiek, zijn ze in staat een oogje toe te knijpen voor het feit dat Europese staten een groeiend aantal mensen omvat die noch nationale loyaliteit hebben, noch de idealen van de Verlichting die daaruit voortkomen. Het is dus op deze manier dat we de beschuldiging van ‘racisme en xenofobie’ zouden moeten uitleggen: het komt van het slechte geweten van een liberale elite die leeft in ontkenning.
Welnu, zou je kunnen antwoorden, waarom zouden ze niet in ontkenning leven als het hen aangenamer maakt? Laat me tot besluit zeggen wat ik denk wat er verkeerd is aan dit soort van existentiële oneerlijkheid. De gewone mensen van Europa zijn nu ten zeerste bezorgd over hun toekomst: ze zoeken naar iemand die hun bezorgdheden wil vertegenwoordigen en maatregelen nemen om deze te verminderen. De recente islamitische wreedheden en de algemene staat van alarm tegen terrorisme, hebben niets gedaan om hen gerust te stellen. En wanneer mensen in een bezorgde toestand zijn, vormen ze een bedreiging zowel voor zichzelf als voor diegenen die ze vrezen. Het is vitaal dat de Europese staten een effectieve integratie van hun immigrantengemeenschappen bereiken; maar als de liberale elite de zaak niet wil bespreken en alle schuld voor de groeiende ongerustheid blijft leggen bij de xenofobie van de autochtone bevolking terwijl ze de oikofobie, die een gelijke medebepalende oorzaak is, negeert, dan zal het waarschijnlijke effect op lange termijn een volksexplosie zijn, waaruit niemand voordeel zal halen en de immigrantengemeenschappen al helemaal niet.
Dit brengt mij terug bij mijn initiële opmerkingen. Ik kwam hier om te praten over iets wat van essentieel belang is voor u en ook voor mij. Maar er zijn blijkbaar veel mensen in dit land die geloven dat ik helemaal niet met u zou moeten praten en dat door dit wel te doen ik besmet geraak met juist dezelfde beschuldiging dat tegen u gericht werd: de beschuldiging van ‘racisme en xenofobie’. Door te praten over die beschuldiging, hoop ik ze af te ketsen. Ik ben noch racist noch xenofoob; ik heb de gewoonte aan te nemen dat hetzelfde waar is bij anderen tot zij bewijs van het tegendeel getoond hebben; en ik ben verheugd dat er een partij bestaat die de beschuldiging wil trotseren, teneinde te discussiëren over het probleem dat vandaag in de hoofden is van alle gewone Europeanen. Aan zij die me schreven om te zeggen dat ik het Vlaams Belang moet boycotten, antwoordde ik : waarom nodigt u me niet uit? Waarom start u de discussie niet waar we allemaal zo’n nood aan hebben, als u het niet aan hen kan toevertrouwen? En natuurlijk heeft niet een van hen geantwoord. |
2 reacties op dit bericht
ze doen maar!
'Perceptie'
Frappant dat de bruin criminelen nooit gelinkt worden aan de SPa/Spirit, nochtans onder hun electoraal kan dat al tellen.