Een stap verder
Ik mag mijn nederige villa niet verlaten of heel de wereld moet het weten en ik heb mijn rug nog niet gedraaid of ze laten hier van alles en nog wat binnen.
Nu goed… ik had een feestje op ’t kasteel van nonkel Paul, gouverneur van bijverdienste. Hij houdt van feestjes, lintjes en andere tricolore leukigheden en ieder jaar nodigt hij de familie uit tot in het zevende knoopsgat. Daar hoor ik bij. Dat doet hij in het kader van “allemaal samsam”, een project van de dienst multilulariteit van de provincie West-Vlaanderen.
Een volle week, zeven dagen en slapeloze nachten, heb ik – voor het geval ik wegens overmacht in gesprek zou raken met nonkel Paul – allerlei informatie via het internet en andere connecties opgezocht om toch niet met mijn mond vol tanden te moeten staan.
Gelukkig, want geboren in Kuurne, had ik tenminste één aanknopingspunt: de “Confrérie van het ezelskruiske”. Broederschap, Genootschap of Gilde klinkt uiteraard niet Belgisch genoeg.
U moet weten dat heer Breyne jaren lid was van CVP:la Confrérie Vive la Patrie.
En dan: le moment suprême.
Tussen de kaviaar en de truffels met champagne door komt Nonkel Paul mij aanklampen en doet me enkele confidenties niet beseffende tegen wie hij staat te kletsen.
Door mijn rode kop van de overvloedige alcohol was hij in de overtuiging dat ik een socialistische medestander ben van hem en zijn grote voorbeeld uit Vilvoorde.
Zijn nog rodere kop straalde van gelukzaligheid om eens zijn hart te luchten.
Na de traditionele kennismaking in de zin van: “Ik ken u uch, jaja, van waar ook weer?” en dergelijke meer vertrouwde heer gouverneur mij het volgende toe en ik citeer:
“Ach, monsieur Erique, ’tè nie maklik teehunwoordu, (vanaf nu doe ik een poging om het West-Vlaams te vertalen) Zelfs onze stomste kiezers beginnen te twijfelen over onze leugens. Waar gaat dat naartoe? En dat Vlaams Belang wil ons skoon land uiteen laten vallen, de racisten. Maar we doen er alles aan, gelijk mijne maat uit Leuven, om ons koonginkgrijk te redden. In hotel Leopold hebben onze grote leiders daarvoor het scenario al uitgetekend. Ge moet weten, meneer Henri, (mijn naam was hem ontsnapt) sedert die affaire in Heuvelland lig ik bij het Hof in ’t bovenste schuifke en ik ben kint aan huis bij Monseigneur Laurent. Ge weet toch dat ik ook al ridder in dorde national van ’t Légion d’Honneur van Frangkrik ben. Oh, André, ge ziet dat ge met goeie connecties en een woordeke Frans veel kunt bereiken.”
Veel meer van het gesprek herinner ik me niet maar toch, na nog enkele flessen champagne, dit:
Zonder mij ook maar enigszins bloot te geven had ik hem op de spanningen binnen Vlaanderen en zelfs Europa gewezen dat we, o.a. door het gevaar van de islam, vlak voor de afgrond stonden. Zijn antwoord was veelzeggend: “Oh, meneer Albert, hadden we maar nooit “Leuven Vlaams” gekend dan stonden we nu al een stap verder”
Erik



