rust maar uit
rust maar uit
mijn zachte moeder
op het blanke
laken van troost
ik strek mijn armen
zover ik kan
zelfs de vingers
willen gewillig tasten
ben even de kwetsbare man
die haar laatste gang
tracht af te gelasten
rust maar uitrust maar uit
mijn zachte moeder
op het blanke
laken van troost
ik strek mijn armen
zover ik kan
zelfs de vingers
willen gewillig tasten
ben even de kwetsbare man
die haar laatste gang
tracht af te gelasten
Beatrix
in het aanschijn
de harpiste
opgelegde stilte (in trein)
als de zon mij roept
geloof mij
als ik spreek over
mijn gelopen ronde
denk maar
dat het helen is
van een open wonde
wees niet bang
wanneer mijn blik
stagneert als mijn weg
doodlopend is
en mijn fakkel
nog spaarzaam walmt
in een verloren nis
nog eenmaal zal ik
mijn bruid aanschouwen
als zij is gekleed in
een zwarte japon
zij gaat met vaandel
vooraan in de stoet
totdat de hemel spreekt
over de eeuwige zon;
het verleden is dan voorgoed



de zachte kracht
de rimpels langszij mijn ogen
plooien zich bij iedere lach
zij vormen als vanzelf
warme zonnestralen
die mijn blik begeleiden
naar de vraag die ik
in je verlegen ogen zag
geen weg is zo kort
naar jou, naar binnen
alleen een doods gevoel
zou zich bezinnen
en afvragen wat ik bedoel
mijn beider wangen
door lengende
lippen gebold
tonen de volheid
van ingetogen
schenkende vreugde
in die aanblik
van sprakeloze taal
is al veel droefenis gestold
de poes van de burenwordt het nog wat, zo denk ik als mijn
gedachten alsmaar springen van de hak
op de tak, van oppervlakkigheid naar
ongeschreven dieptes en bij vlagen
de werkelijkheid onhandig raken
het is altijd wel iets zo is gebleken
omdat links of rechtsom de mens
zijn bestaan verbeeldt in maten en graden
en ontegenzeglijk zichzelf vergelijkt
met groepen of zwervende neuroten:
omdat alles onder de hersenpan doet wat moet
ik zou er gek van worden, zo ik dat al niet ben
en tracht de stroom van uitwassende woorden
aan mijn voeten en zeker niet lichtzinnig
te onderwerpen aan mijn dwangmatig streven
alles en ieder te begrijpen, te beheersen
ach was ik maar als de poes van de buren
die met wat water snel mijn domein verlaat
jouw spiegelbeeldje fletse ogen
staren door het raam
waar achter niets
en alles is te zien
hier, lijk je,
ogenschijnlijk,
in het luchtledige
opgegaan
voor je staat koffie,
op een tafel,
een groot bruin
vierkant vlak
in een verlopen
herencafé met
ouderwets ornament
waar iedereen is
maar elkaar niet kent
in dit lokaal, bruin gerookt
kijk jij in de
glans van een ruit:
een weerkaatsend eigenbeeld
het is het enige
dat jij, onbedoeld,
met mij deelt
bankscène
poëzieavond
perron vijf
de schoonheid van de schaduw
voel mijn huid
de ontmoeting
ik zing mijn lied
ik
mijn aangezicht
als kleuren verschieten