de ontdekking
in willen begrijpen zit rijpen besloten als ik dat zo beleef ontdek ik mijzelf in jou en word jij in mij gesloten |
de ontdekkingin willen begrijpen zit rijpen besloten als ik dat zo beleef ontdek ik mijzelf in jou en word jij in mij gesloten |
mijn handde gerijpte palm van mijn korte hand is als boezem van geschenken ze raken jou zonder te tasten of door afstandelijk wenken de slagen van het hart stemmen timide mijn vingers zij vertellen van een zachtmoedige rust en verdunnen je smart |
lege dozenhoor mij leegtes vullen van letterloze schimmen die weerkaatsen tegen dik geplamuurde blinde muren het schaamteloos vallen van geschuurd gruis neem ik waar als neerstortende onthoofde woorden zoveel lagen door de jaren heen geworden tot ontedeld gekunsteld eelt geraken tot stof van antieke beelden de ziel tot naaktheid gedwongen door afgevuurde kanonnen die diepe laklagen als zekerheid zag die ziel braakt en braakt de modder uit waarin verrotte palen als fundament de schijnvertoning opvoerden in vele bedrijven uitzichtloze bedrijven ik zoek die leegtes te vullen dikwijls met vergrijsde dromen mijn klauwen vuisten bonzen op lege dozen van hoop |
zing mijn dichtzing mijn dicht met rollende lippen als een golvende stroom langs milde oevers met sprietend gras voer mee met de waterige letters in noten gevangen en vind de melodie in een draaiende kolk daar vormen zij benedenwaarts gericht een spiraal van klanken waar de echo luistert haast onhoorbaar naar prille woorden zo vindt mijn dicht het lied van tongen worden nieuwe zinnen in het hart geboren opstomend uit de dragende buik laat je dan glijden op de adem van het gevoel als in het stromend blauw van verlichte golven |
ik roep niet meerik stapel soms dorre bloemen op mijn veld van gevoel was er eerst blinde hoop naar glanzende verwachting zoals bijen zoekend zoemen onbezonnen ruikend aan een honingzoete struikenknoop in de waarheid echter kwam allengs het starre beeld van de zure aanwezige verdroging in een verstilde waterloop woorden tellen al lang niet meer terwijl zij stapelen tot verre hoogte op scherven van gebroken glas mij snijdend in vleselijke parten niet een maar telkenkeer opnieuw en opnieuw en zo maar door van onophoudelijk fnuikend tarten hier sta ik dan tot vergrijzing toe zie om me heen de gemiste weelde ver trekkend en het onbereikbare moe omkijken doe ik, kan ik niet meer het was het leven dat mij bestal zelfs de enige reikende hand wuifde mijn verlangen weg het onmisbare wordt gekruisigd ik roep niet meer ik sta mezelf maar in de weg |
de zachte krachtde rimpels langszij mijn ogen plooien zich bij iedere lach zij vormen als vanzelf warme zonnestralen die mijn blik begeleiden naar de vraag die ik in je verlegen ogen zag geen weg is zo kort naar jou, naar binnen alleen een doods gevoel zou zich bezinnen en afvragen wat ik bedoel mijn beider wangen door lengende lippen gebold tonen de volheid van ingetogen schenkende vreugde in die aanblik van sprakeloze taal is al veel droefenis gestold |
belichte schaduwals verstrooid dichter in de beschouwende schaduw weef ik mijn gedachten van al dat ontgaat aan licht of zicht of verwachten geborgen en verborgen in de mensenziel u zou haast gaan denken is leven slechts zwarte inkt: het vergaren van zorgen ik vertel u van schoonheid van vragende tastende vingers de weelde van ingetogen blijheid kent u milde dragende ogen van geleefde ouderdom bent u ooit door een eerste lach van een klein kind verleid ja, zoals u ziet schrijf ik ook wel groen getint dat komt als een mens, jij mij zo maar bemint |
ik ademik adem jouw zucht die waait als een wind door bomen in het bos ze gaan hun weg als een vliedend gerucht en landen stilaan op het zachte groene mos in mijn frêle gedachten ik hou ze even vast maar laat ook weer los zo gaat het vaak met bevrijdende krachten wat rest in jou blijkt de zielenstempel die bouwt na iedere zucht, minutieus, aan jouw eigen tempel |
nachttreinmijn handen spreid ik als hekken voor de ogen zie nog weinig licht de vingers als balken beperken mijn zicht ik deel de wereld nog meer in parten aanschouw het buiten nog minder: als gekooid stuurloze gedachten slenteren ongedurig als roofdier, hongerig door mijn brein ik ben als van de rede beroofd een niet te stoppen sinistere nachttrein zo wil ik niet ervaren dat denk ik niet meer voelen zo hoop ik deze duistere dag ja, het is vluchten ik weet het maar vind dat het even mag |
passieve actie
ik zal je niet missen
mijn lief
de verbleekte lijst
sterven
Margo
schaduw
hartenkreet
ik, de waarzegger
verliezen
impotent