

knoptoren te sint-oedenrode



Sint-Oedenrode (rooi)slenterend langs de korenvelden ruik ik de zwoele zomerlucht gedragen door het Brabants land, over zandpaden, tot stof geworden en wilde bloemen aan elke kant waar het kruid van sint-jan nog steeds ongewild getuigt van een natuurlijke orde ik ontwaar in de nabije verte stram en fier de toren met de knop al eeuwen wakend over Roois gebied alware God immer aanwezig en tot op heden ons dorp overziet waar donkere klokken beieren over markt en oude smalle straten waar mensen met elkaar zijn betrokken en vrijmoedig praten om oprecht in de harten de aard en ziel van deze plek te bewaren waar men elkaar nog kent en wuivend groet dat hoort bij de Rooise mens alleen hij kan dat verklaren |
de Symfonie van Jacob Slorp
ik ben verlichtverlicht ben
ik vandaag
even sterker
als de zeis
hou op tijd
mijn hoofd omlaag
heden ben ik wijs
zie eens rond
naar allen, zoals ik
wat zijn we toch
gewone mensen
dacht ik soms
het edele te vinden
in verklaarbaar gedrag
ach, het gaat mij niet anders
ook ik maak van mijn
onvoorspelbaarheid gewag
verlicht ben
ik vandaag
even sterker
dan de zeis
toch ben ik anders,
ik gebruik de zaag
vrije gedachte
zonder mededogen
het lied van de stilteals ik het lied van de stilte dicht
beweegt de hand op pulserende slagen
worden mijn vingers speels opgelicht
en draagt inkt het heelal van eeuwige dagen
geen enkel woord zal op papier geraken
hoe immers moet ik schrijven
om een zachte bomenruis te verbeelden
of met jou de volheid van de leegte te beklijven
als ik het lied van de stilte dicht
zingt de nacht haar ongrijpbare dromen
en luister ik naar wat het donker mij toedicht
het zijn schone verzen die mij toekomen
een drieluik der vergankelijkheid
mij rest nog........................ een verleden dat nadert,
wat ongeboren tranen......... ik verstom,
bevroren zoals ze zijn..........alsof de dood schatert
en zonder waarde................als ijzer; verroest en krom
zij zullen nimmer,................terwijl ik in het diepe graaf,
gelijk met de zon,................meebuigend naar de aarde.
in een dragende schaduw,..waar de schreeuw klinkt van de raaf
beschut kunnen tanen......... in de levensboom van de bezwaarde
wat rest
vreemde stromen
peilloos
lente
de verloren verteik zie mijn verloren verte
in schemer gehuld
en droom van gazellen,
rank en gracieus,
door lichte nevel omhuld
zij springen tussen
struiken van liefde
luisterend naar
een vlijende tederheid
die hen als vanzelf
kwetsbaar voorwaarts begeleidt
ik wil hun dorst laven
met zachte zuchten;
kom maar, lijk ik te zeggen
jullie zijn mij van harte nabij
er is niets te duchten
ook fluister ik met gesloten lippen
hun vragende ogen tegemoet
als dan hun pas omzichtig verstilt
toont de natuur haar overvloed



de afstand nabij
uitzien naar morgen
het gewillige riet
de pruimheden verhaal ik van een vrucht
vaak niet door mensen gedoogd
ook ik ontloop haar gaarne
wil niet door haar kwijlen
ook niet voor even, worden afgedroogd
of in nabijheid verwijlen
zij bloeit in alle seizoenen
tot zover is de mens in staat
ze kent de vormen van meloenen
met een kracht die nimmer vergaat
daar zij behoort tot de onuitroeibare oenen
ja, ik doe kond van een schepping
die niet groeit aan een boom
maar welig tiert, kent nimmer enig verzuim
ik spreek over mijn buurvrouw
oh, verder niets geen kwaad
maar ontkom niet aan het gegeven
zij is en blijft een onuitstaanbare zuurpruim
jouw blanke vleesjouw rondingen dragen
van boven naar onder,
het sap met een zoete smaak
in al jouw begeerlijke lagen
ontwikkelt zich, al rijpend,
een aantrekkelijk wonder
ook al dijen je gewillige heupen
allengs uit tot schilderachtige vormen
en je topje wat minder navenant
aan jou zuig ik naar eigen normen
verlies de omgeving als ik
jou grijp met zachte hand
gretig hap ik in jouw blanke vlees
en zie voorbij aan je vel
het duurt derhalve maar kort;
het blijkt een gelopen race
of zal ik grijpen naar nog meer
nee, de schaal is leeg
op de zure appel na


