




la cerise rouge
mij ontbreekt niets


een grijze oase
de bus naar Nice
mocht het zo zijn dat op de dag na mijn vertrek
al een leegte ontstaat in jouw warrig brein
en het onzichtbaar innerlijk vreten zich dan bij
jou al openbaart, wat zal ik dan grijnzen in mijn
mogelijk bevrijd hoofd en de ogen nog wijder
doen openen naar de wereld om mij heen,
opdat ik opgelucht en diepademend
mijn vleugels weer opnieuw uitspreid
naar ongekende nieuwe werelden
de bezwaarde donkere kamer met gevaarlijke
stutten dreunt nog door in mijn lijf
zo lang bleef het onbeweegbare in stand
en nog langer vertoefde mijn hart in de vriezer
waar ijs ieder gevoel of beweging uitbande,
de deksel onaantastbaar bleek
en dat al na enkele jaren van vruchteloos zweven
in dromen van verwachtingsvol streven naar
naar ja, naar wat, blijkt nu de genadeloze vraag
de bus naar Nice vertrekt gelukkig op tijd
niet dat ik daar zo mee bezig ben immers
hoe kan men als verstard de tijd bewaken
of omzien naar alles wat buiten mij loopt
en het straattoneel met zijn figuranten die
tezamen een haast gesloten doek vormen en mij,
zelfs al zou ik het willen de pas afsnijden
naar alles wat meer is dan ik en in mij
jouw bevroren ik, als versteend, in mijn
nacht gekluisterd, een cel zonder sleutel
ja, enkele reis Nice....
rust maar uitrust maar uit
mijn zachte moeder
op het blanke
laken van troost
ik strek mijn armen
zover ik kan
zelfs de vingers
willen gewillig tasten
ben even de kwetsbare man
die haar laatste gang
tracht af te gelasten
Beatrix
in het aanschijn
de harpiste
opgelegde stilte (in trein)
als de zon mij roept
geloof mij
als ik spreek over
mijn gelopen ronde
denk maar
dat het helen is
van een open wonde
wees niet bang
wanneer mijn blik
stagneert als mijn weg
doodlopend is
en mijn fakkel
nog spaarzaam walmt
in een verloren nis
nog eenmaal zal ik
mijn bruid aanschouwen
als zij is gekleed in
een zwarte japon
zij gaat met vaandel
vooraan in de stoet
totdat de hemel spreekt
over de eeuwige zon;
het verleden is dan voorgoed



de zachte kracht
de rimpels langszij mijn ogen
plooien zich bij iedere lach
zij vormen als vanzelf
warme zonnestralen
die mijn blik begeleiden
naar de vraag die ik
in je verlegen ogen zag
geen weg is zo kort
naar jou, naar binnen
alleen een doods gevoel
zou zich bezinnen
en afvragen wat ik bedoel
mijn beider wangen
door lengende
lippen gebold
tonen de volheid
van ingetogen
schenkende vreugde
in die aanblik
van sprakeloze taal
is al veel droefenis gestold
de poes van de burenwordt het nog wat, zo denk ik als mijn
gedachten alsmaar springen van de hak
op de tak, van oppervlakkigheid naar
ongeschreven dieptes en bij vlagen
de werkelijkheid onhandig raken
het is altijd wel iets zo is gebleken
omdat links of rechtsom de mens
zijn bestaan verbeeldt in maten en graden
en ontegenzeglijk zichzelf vergelijkt
met groepen of zwervende neuroten:
omdat alles onder de hersenpan doet wat moet
ik zou er gek van worden, zo ik dat al niet ben
en tracht de stroom van uitwassende woorden
aan mijn voeten en zeker niet lichtzinnig
te onderwerpen aan mijn dwangmatig streven
alles en ieder te begrijpen, te beheersen
ach was ik maar als de poes van de buren
die met wat water snel mijn domein verlaat
jouw spiegelbeeldje fletse ogen
staren door het raam
waar achter niets
en alles is te zien
hier, lijk je,
ogenschijnlijk,
in het luchtledige
opgegaan
voor je staat koffie,
op een tafel,
een groot bruin
vierkant vlak
in een verlopen
herencafé met
ouderwets ornament
waar iedereen is
maar elkaar niet kent
in dit lokaal, bruin gerookt
kijk jij in de
glans van een ruit:
een weerkaatsend eigenbeeld
het is het enige
dat jij, onbedoeld,
met mij deelt
bankscène
poëzieavond
perron vijf
de schoonheid van de schaduw