een drieluik der vergankelijkheid
mij rest nog........................ een verleden dat nadert,
wat ongeboren tranen......... ik verstom,
bevroren zoals ze zijn..........alsof de dood schatert
en zonder waarde................als ijzer; verroest en krom
zij zullen nimmer,................terwijl ik in het diepe graaf,
gelijk met de zon,................meebuigend naar de aarde.
in een dragende schaduw,..waar de schreeuw klinkt van de raaf
beschut kunnen tanen......... in de levensboom van de bezwaarde




