de weide van mijn jeugd
slechts eenmaal
met de hoop in beleven
als ik dat nu zo overzie
de weide van mijn jeugd
zonder titelzijn stoel was leeg het was nog zo pas dat hij daar in zeeg in zijn wereld met het zijden kussen; tot op de draad toe versleten en aftands met zijn zetel nog slechts verbonden door twee lussen zacht met verloren glans ik voel, hij is niet weg ruik de geur van zijn huid zijn ongewassen haren deel het verdriet van zijn verloren bruid de tranen door de jaren ik zie nog zijn lach geschilderd op zijn gelaat lippen ondeugend krullend, woorden gevormd soms in stilte doorgepraat hij is er nog ja toch? |
tijdloos momentsoms wordt licht als enige straal glansrijk verlicht zonder een letter van taal in het tegenlicht van engelengeduld gebundeld, wel duizendmaal het voelt voor mij als wezenlijk bovennatuurlijk het draagt in mij onschatbare gebaren ik ervaar datgene dat ik als mens wil vasthouden, bewaren nu telt, zegt morgen tegen mij wees niet bevreesd voor het nog ongeschapene onderga onbaatzuchtig en zeker niet bedeesd jouw verloren maar toekomend deel dat zo plots daar is het doet je in tijdloze momenten diep voelen ja, zeg ik, ik ben heel |
wat ik je wensik zou je willen geven het kleine van het bestaan het echte beleven zonder visioenen van de onbereikbare doodse maan ik zou je willen geven het grootse van het bestaan omvangrijk in bloemen gehuld maar ook het azuurblauwe zilte water van de oceaan of de dauwige weidevelden door dieren begraasd en alles met onvoorwaardelijke liefde gevuld ik zou je willen schenken het wonder in jezelf onaantastbaar, niet te krenken ga dan je weg van milde stilte zonder gedachten te denken |
omscheppingik laat mijzelf vloeien over een huid van gedachten het streelt de lijnen van het zachte verwachten naar hopende mildheid die de zuiverheid verfijnen ik laat mij glijden over brandende zuchten verlos de hitte van zuigende verliezen om de immer resterende as te mijden niet meer te duchten ik zweef over dromen die van overdag het geeft genoegen van lichte tinteling ze mogen er komen scheppen allengs bij mij een beeldige verwondering |
in de schaduwhet was stil vandaag ik was niet alleen verwarmde me aan de zon in de schaduw van jou niets zeggen vertelt soms meer dan dreggen naar nutteloze woorden het was stil vandaag |
diepe waardewat ik schrijf gaat jou niet aan het zal je immers toch niet raken je zult mijn gedachten niet kunnen verstaan als ik vertel van mijn droom; het zoeken naar gevoel, dan kan ik nog zoveel duiden jij zult nooit weten wat ik bedoel zeg mij wat gaat er om in jou ik weet, nu gaat het mij niet aan alleen jij kent de diepe waarde als jij dan toch jouw woorden zucht verdampen zij als druppels en vallen later als verwaterde kreten terug op aarde |
gedagtelkens als ik ga en zeg mijn tijd is daar, sluit jij snel je ogen alsof een knop wordt omgedraaid, jij naar binnen wordt gezogen diepte vezandt dan in een verkoeld gedag, verkleint al wat is gezegd is het de pijn van verscheiden die je in vermeden woorden legt |
het land in de verteal droog ik met tedere overgave een traan de weg naar jouw pijn kan ik niet gaan ook al raak ik zo nabij een hand eenzaamheid is voor mij een onbereikbaar schaduwland |
de ontdekkingin willen begrijpen zit rijpen besloten als ik dat zo beleef ontdek ik mijzelf in jou en word jij in mij gesloten |
mijn handde gerijpte palm van mijn korte hand is als boezem van geschenken ze raken jou zonder te tasten of door afstandelijk wenken de slagen van het hart stemmen timide mijn vingers zij vertellen van een zachtmoedige rust en verdunnen je smart |
lege dozenhoor mij leegtes vullen van letterloze schimmen die weerkaatsen tegen dik geplamuurde blinde muren het schaamteloos vallen van geschuurd gruis neem ik waar als neerstortende onthoofde woorden zoveel lagen door de jaren heen geworden tot ontedeld gekunsteld eelt geraken tot stof van antieke beelden de ziel tot naaktheid gedwongen door afgevuurde kanonnen die diepe laklagen als zekerheid zag die ziel braakt en braakt de modder uit waarin verrotte palen als fundament de schijnvertoning opvoerden in vele bedrijven uitzichtloze bedrijven ik zoek die leegtes te vullen dikwijls met vergrijsde dromen mijn klauwen vuisten bonzen op lege dozen van hoop |
zing mijn dichtzing mijn dicht met rollende lippen als een golvende stroom langs milde oevers met sprietend gras voer mee met de waterige letters in noten gevangen en vind de melodie in een draaiende kolk daar vormen zij benedenwaarts gericht een spiraal van klanken waar de echo luistert haast onhoorbaar naar prille woorden zo vindt mijn dicht het lied van tongen worden nieuwe zinnen in het hart geboren opstomend uit de dragende buik laat je dan glijden op de adem van het gevoel als in het stromend blauw van verlichte golven |
ik roep niet meerik stapel soms dorre bloemen op mijn veld van gevoel was er eerst blinde hoop naar glanzende verwachting zoals bijen zoekend zoemen onbezonnen ruikend aan een honingzoete struikenknoop in de waarheid echter kwam allengs het starre beeld van de zure aanwezige verdroging in een verstilde waterloop woorden tellen al lang niet meer terwijl zij stapelen tot verre hoogte op scherven van gebroken glas mij snijdend in vleselijke parten niet een maar telkenkeer opnieuw en opnieuw en zo maar door van onophoudelijk fnuikend tarten hier sta ik dan tot vergrijzing toe zie om me heen de gemiste weelde ver trekkend en het onbereikbare moe omkijken doe ik, kan ik niet meer het was het leven dat mij bestal zelfs de enige reikende hand wuifde mijn verlangen weg het onmisbare wordt gekruisigd ik roep niet meer ik sta mezelf maar in de weg |
de zachte krachtde rimpels langszij mijn ogen plooien zich bij iedere lach zij vormen als vanzelf warme zonnestralen die mijn blik begeleiden naar de vraag die ik in je verlegen ogen zag geen weg is zo kort naar jou, naar binnen alleen een doods gevoel zou zich bezinnen en afvragen wat ik bedoel mijn beider wangen door lengende lippen gebold tonen de volheid van ingetogen schenkende vreugde in die aanblik van sprakeloze taal is al veel droefenis gestold |
belichte schaduwals verstrooid dichter in de beschouwende schaduw weef ik mijn gedachten van al dat ontgaat aan licht of zicht of verwachten geborgen en verborgen in de mensenziel u zou haast gaan denken is leven slechts zwarte inkt: het vergaren van zorgen ik vertel u van schoonheid van vragende tastende vingers de weelde van ingetogen blijheid kent u milde dragende ogen van geleefde ouderdom bent u ooit door een eerste lach van een klein kind verleid ja, zoals u ziet schrijf ik ook wel groen getint dat komt als een mens, jij mij zo maar bemint |
ik ademik adem jouw zucht die waait als een wind door bomen in het bos ze gaan hun weg als een vliedend gerucht en landen stilaan op het zachte groene mos in mijn frêle gedachten ik hou ze even vast maar laat ook weer los zo gaat het vaak met bevrijdende krachten wat rest in jou blijkt de zielenstempel die bouwt na iedere zucht, minutieus, aan jouw eigen tempel |
nachttreinmijn handen spreid ik als hekken voor de ogen zie nog weinig licht de vingers als balken beperken mijn zicht ik deel de wereld nog meer in parten aanschouw het buiten nog minder: als gekooid stuurloze gedachten slenteren ongedurig als roofdier, hongerig door mijn brein ik ben als van de rede beroofd een niet te stoppen sinistere nachttrein zo wil ik niet ervaren dat denk ik niet meer voelen zo hoop ik deze duistere dag ja, het is vluchten ik weet het maar vind dat het even mag |
passieve actie
ik zal je niet missen