peilloos
woorden die het stenen
peilloos
lente
de verloren verteik zie mijn verloren verte
in schemer gehuld
en droom van gazellen,
rank en gracieus,
door lichte nevel omhuld
zij springen tussen
struiken van liefde
luisterend naar
een vlijende tederheid
die hen als vanzelf
kwetsbaar voorwaarts begeleidt
ik wil hun dorst laven
met zachte zuchten;
kom maar, lijk ik te zeggen
jullie zijn mij van harte nabij
er is niets te duchten
ook fluister ik met gesloten lippen
hun vragende ogen tegemoet
als dan hun pas omzichtig verstilt
toont de natuur haar overvloed



de afstand nabij
uitzien naar morgen
het gewillige riet
de pruimheden verhaal ik van een vrucht
vaak niet door mensen gedoogd
ook ik ontloop haar gaarne
wil niet door haar kwijlen
ook niet voor even, worden afgedroogd
of in nabijheid verwijlen
zij bloeit in alle seizoenen
tot zover is de mens in staat
ze kent de vormen van meloenen
met een kracht die nimmer vergaat
daar zij behoort tot de onuitroeibare oenen
ja, ik doe kond van een schepping
die niet groeit aan een boom
maar welig tiert, kent nimmer enig verzuim
ik spreek over mijn buurvrouw
oh, verder niets geen kwaad
maar ontkom niet aan het gegeven
zij is en blijft een onuitstaanbare zuurpruim
jouw blanke vleesjouw rondingen dragen
van boven naar onder,
het sap met een zoete smaak
in al jouw begeerlijke lagen
ontwikkelt zich, al rijpend,
een aantrekkelijk wonder
ook al dijen je gewillige heupen
allengs uit tot schilderachtige vormen
en je topje wat minder navenant
aan jou zuig ik naar eigen normen
verlies de omgeving als ik
jou grijp met zachte hand
gretig hap ik in jouw blanke vlees
en zie voorbij aan je vel
het duurt derhalve maar kort;
het blijkt een gelopen race
of zal ik grijpen naar nog meer
nee, de schaal is leeg
op de zure appel na


