de deur
De deur
Een meisje met een kaars klopt op de deur,
haar broertje met het masker wacht naast haar,
het monstermasker kijkt hen aan:
zowel het skelet
als de zombie,
in de straat verderop spoken
hun makkers rond met pompoenen,
maar het meisje met de kaars is bedroefd
want niemand doet de deur voor haar open.
Aan de andere kant van de deur in het donker
hoort iemand het kloppen op de deur,
ziet iemand het flikkeren
van de kaars,
van de vlammen
in de pompoenvormige grimassen
(maar de vrouw doet de deur niet open)
maar de moeder staart naar het witte laken
naar de gesloten ogen
van haar kind.
En ze is bedroefd



