Woensdag 17 mei 2006
trapsgewijs
dit,
nu nog
klein van
stuk, dit vers
groeit woord voor
woord tot iets moois
totdat het aanzwelt tot
een afdalend zinnentrapje
een afgang van wel tien treden;
nu zijn we toch echt wel beneden
nog nimmer zag ik het onzienlijke nimmer de diepte van uw grootsheid het oneindige is uw deel wat is de mens min en slechts een schamel deel…
nog nimmer
zag ik het onzienlijke
nimmer de diepte
van uw grootsheid
het oneindige
is uw deel
wat is de mens
min en slechts een
schamel deel
en daarvan
slechts een stip
omdat nog kleiner
niet zichtbaar is
in de naaste
zou u zijn
in de bloem zou u zijn
in leed
in verdriet
in sterven
zou u zijn
geen woorden
voor uw aanwezigheid
geen beeld van u
raakt mij
ja slechts fantasie
is ons deel.
verstaan,
omvatten
zijn mensenwoorden
toch blijkt u
in alles en iets
zoekend naar
uw zelf en niets
niets is alles,
blijkt ook nog
alom en durend
te zijn
hoe kennen wij
dan uw zijnde,
vaak vertwijfeld
bij ons einde
liefde
zou u zijn,
dragend zou u zijn
bij onze pijn
ik , mens, die
erken,
zeggenschap heb ik niet:
de zogenaamde vrijheid?
die mij verleidt
zo zie ik de scheppende
zonder te zien,
hoor hem
zonder te horen,
voel hem
zonder te voelen
maar ervaar
zonder te kennen,
niet wetend hoe het heet,
dat moet ik erkennen,
dat het IS
al voel ik vaak het gemis
als ik fiets door de straat op mijn eigen houtje dan fluit ik op snaakse wijze naar elk zichtbaar vrouwtje intens geniet ik dan: aandacht ge…
als ik fiets door de straat
op mijn eigen houtje
dan fluit ik op snaakse wijze
naar elk zichtbaar vrouwtje
intens geniet ik dan:
aandacht geven is een lust
geen mens die dat onkent
voor mij een echte must
ik dwaal van hoek tot hoek
en aanschouw het lokaal toneel
niets ervan wil ik missen
noch het schoons in het bordeel
mijn fluit is dan op volle kracht
want een publieke vrouw leeft geïsoleerd
achter ramen van dubbel glas
soms roept er een: is je fluit gesmeerd?
zo tuf ik door mijn dagen
laan in, straat uit en rotonde rond
wie doet me wat denk ik vaak
met zo'n prachtig geluid in mijn mond
rust in mij gij oude mens verlaat u op mijn dragende troost voel mijn warme hand het verzacht uw pijn door scheiden overmand houdt mij nog e…
rust in mij
gij oude mens
verlaat u op
mijn dragende troost
voel mijn warme hand
het verzacht uw pijn
door scheiden overmand
houdt mij nog even vast
dicht mij uw gedachten toe
ze worden nog enkel gedragen
als een angstige last
ga nog even mee
langs mooie levenslanen
ik weet u bent stervensmoe
doch laten wij nog even dralen
en ons in de hof van Eden wanen
de zachte bries
teder wervelend alom
draagt u en mij
over bloemenvelden
hier ervaren wij nog even
de tedere momenten
van genegenheid
die wij met hartslagen telden
tot aan de eeuwige lente
ook bij mij verzakt onder de ogen het vel tot wallen alsof daar zichtbare jaarringen de ouderdom willen tonen als beelden van sterfelijke de…
ook bij mij
verzakt
onder de ogen
het vel tot wallen
alsof daar
zichtbare jaarringen
de ouderdom willen tonen
als beelden van
sterfelijke demonen
er wordt lucht
in bogen onder
mijn bril gezogen
waar de huid
te vroeg
door het leven
is bedrogen
als mijn schaduw slaapt, als het ware en mijn ziel opgaat in het onbestemde nee, niet in de alom eeuwige rust, dan drijf ik af, weg van de b…
als mijn schaduw slaapt, als het ware
en mijn ziel opgaat in het onbestemde
nee, niet in de alom eeuwige rust,
dan drijf ik af, weg van de bewuste vaste wal
dan wordt mijn heden, wat dat ook moge zijn,
met het verleden in schemerland gesust
of haalt de geest de prikkels van stal
die doorheen de dag, bij ogenschijnlijk licht
hetzij van liefde, hetzij van pijn of anderszins
zich gedragen als een waterval
en worden zij ongeremd en onvoorwaardelijk
aan het vonnis van het grijze gerecht gericht
zo zal het gaan, ach wat weet ik er van
langs al die ellenlange wegen in het brein
God, wat heb ik nog te zeggen
ik ben onderdanig overgeleverd
aan de immer voortdenderende nachttrein
ik zie een knoopje op de grond zo een van blik en blinkend voorzichtig kijk ik rond verloren door een rijke stinkerd? o, daar loopt er een m…
ik zie een knoopje op de grond
zo een van blik en blinkend
voorzichtig kijk ik rond
verloren door een rijke stinkerd?
o, daar loopt er een
met een houten wandelstok
er naast een schrale vrouw
in een overjarige rok
is dit kleinood van u?
roep ik hen van verre toe
ja, verdikkeme
wat fijn dat u het ons meldt
dat is van de eerste bustehouder
gedragen door mijn oude grotemoe
mijn opa was directeur
die snoeper fabriceerde
fijne lingerie
zij droeg derhalve een directoire
en was ongevraagd
zijn mannequin
voor de notabele fine fleur
dag en nacht stond ze
voor hen klaar
ik zing hoog en laag ochtend gestemd schor en traag rokerig geremd kort is mijn woordje gooi het vandaag op een accoordje ik heb mij verlaag…
ik zing hoog en laag
ochtend gestemd
schor en traag
rokerig geremd
kort is mijn woordje
gooi het vandaag
op een accoordje
ik heb mij verlaagd
het is nu het gemak
dat mij behaagt
doe toch mee
in dit streven
al was het maar
voor even
vaak loop ik achter mijn gedachten aan alsof dat de wereld is waarin ik leef het is niet als een geestelijk bestaan daarvoor zijn mijn herse…
vaak loop ik achter
mijn gedachten aan
alsof dat de wereld is
waarin ik leef
het is niet als een
geestelijk bestaan
daarvoor zijn mijn hersenen ,
voor zover aanwezig,
te veel op dreef
ja, wel is het zo
dat ik door al dat denken
er soms uitzie als een geest
verbleekt turend achter mijn bril
maar ik heb nog nooit
een engel zien wenken
die iets spiritueels met me wil
met een ogenschijnlijk argeloos gebaar wordt een beeltenis mij geschonken alsof ergens in stilte en eenvoud een verbintenis mag worden beklo…
met een
ogenschijnlijk
argeloos gebaar
wordt een beeltenis
mij geschonken
alsof ergens
in stilte en eenvoud
een verbintenis
mag worden
beklonken
ik ontvang
haar weesgegroet
in mijn hand
voel de eeuwige moeder
in tinnen kleed gehuld
als opnieuw
in mijn palm geland
zij is in God
die de pijn
in haar hart
omhult
wie ben ik, met vele grote dichterlijke woorden met vermeende kracht van geest als jij het zuivere toont gehuld in stilte van bemoedigende b…
wie ben ik,
met vele grote
dichterlijke woorden
met vermeende
kracht van geest
als jij het zuivere toont
gehuld in stilte van
bemoedigende blikken;
waar ben ik aldoor geweest
hovaardig heb ik
mijzelf beloond
maar jij maakt mij nu bedeesd
en laat mij zijn die ik ben
ik leek als verweesd
ik was als een
wilde struik gegroeid
nu, laat jij mij ervaren
hoe wijsheid werkelijk
zich met leven bemoeit
het regent ik lepel tranen van nieuw geluk spreid ze uit als geurig balsem over je gekwetste huid van wonderdadige zachte klei vorm ik nieuw…
het regent
ik lepel tranen
van nieuw geluk
spreid ze uit
als geurig balsem
over je
gekwetste huid
van wonderdadige
zachte klei
vorm ik nieuwe
lichte deuren
zonder sloten
en sleutels
met verroeste
verleden kleuren
je kan weer kijken
en langzaam voelen
alsof het was verholen
je hoeft niet meer
in je labyrint te dolen
zie het kostbaar goud
ervaar de warmte
het is niet overal
meer zo koud
er zijn zo van die momenten ik ken er meer dan een die mijn wortels doen vervagen in een reeds gestorven lente het zijn van die dagen van sc…
er zijn zo van die momenten
ik ken er meer dan een
die mijn wortels doen vervagen
in een reeds gestorven lente
het zijn van die dagen
van schrijnend onvervuld verlangen
dagen van verloren licht
mij splijtend in verwarrende lagen
waar zwarte beelden ter mijner eer
moeiteloos worden opgericht
en ik haast radeloos
mijn zielenlast weet te dragen
in een amorfe sfeer
het voelt als een levende dood
verlaten in massaal gedrang
luid schreeuwend
met opgeheven armen
hoor en voel toch mijn nood
bevrijd mij uit mijn
geestelijk gevang
verjaagd is dan mijn geduld
en wordt mijn kostbare graal
met zwartgalligheid gevuld
mijn hart verstilt
en wordt koud als staal
wie kent dit niet
zo denk ik dan
nee, het is niemand
die dat ziet
de pijn van het leven
heeft mij in de ban
nee, een hoofdrol wil ik niet, zweven in letterhoofden in een wereld die slechts jullie behoort; een zelf geschapen egodroom waar jullie mij…
nee, een hoofdrol
wil ik niet,
zweven in
letterhoofden
in een wereld die
slechts jullie behoort;
een zelf geschapen
egodroom
waar jullie mij,
heimelijk,
zonder enige schroom
met de kop van Jut
bestoofden
achter het
gesloten doek
van fictie
souffleer
ik mijn eigen
vertrek
en hoor de
auditoren roepen:
wie is hier nu de gek
door de muziek van het hart, de "ouverture" van de ziel, waarbij zinnesnaren trillen. en ik ver weg kan zien heb ik niet te willen als een d…
door de muziek van het hart,
de "ouverture" van de ziel,
waarbij zinnesnaren trillen.
en ik ver weg kan zien
heb ik niet te willen
als een draaiend wiel
met zoemende tonen
en zilverglanzende spaken
ga ik door het heelal
zonder van mijn plaats te geraken
begeleid door schone klanken
van een engelen partituur
raakt dit het wonderlijke leven
aan zijn zuivere flanken
een rilling van gelukzaligheid
in de eeuwigheid van even
ik slenter langs de diepe gracht aanschouw al wat mij ontmoet niet alles komt dan binnen zo ik graag zou willen de werkelijkheid heeft ingeb…
ik slenter langs de diepe gracht
aanschouw al wat mij ontmoet
niet alles komt dan binnen
zo ik graag zou willen
de werkelijkheid heeft ingeboet
het grootse zou mij zwaar doen tillen
zo ga ik vaak hier mijn weg
soms verdwaald in gedachten
een plek van overpeinzing
van denkbeeldige krachten
die mij doen verwonderen
over het palet van water,
groen en keiensteen
hier overdadig aanwezig
en mijn gemoed doen verzachten
tot vrucht van genegenheid
voor mijzelf en menigeen
in het water weerspiegelt mijn wereld
eindeloos blauw met lichte schaduw
doorkruist door luie eenden
die wegdrijven naar de stuw
zo, denk ik maar
ook ik voer mee met het water
een intens levensgebaar
waarin ik word meegezogen
nu, morgen of later
kijk toch om je heen en zie mijn geest dralen en verdwalen hij gaat en komt en laat je verhalen van verborgen schoonheid van lucht en licht …
kijk toch om je heen
en zie mijn geest
dralen en verdwalen
hij gaat en komt
en laat je verhalen
van verborgen schoonheid
van lucht en licht
van lach
van zucht en zicht
hij neemt je mee
naar hoge toppen
geregeld naar
onbekende floppen
maar meestijds
naar warmte en lief
zo diep en graag
in zuiver gerief
zweef mee, mijn mens
drijf mee in de wolken
wie kent niet die wens
van genot te kolken
hij leidt je aan de hand
mijn geest mist er geen
o, door heerlijkheid overmand
vertoeven wij met menigeen
ik dacht ik dicht wat zal het worden maak het licht vandaag niet dat diep geraas nee, ik wil dansen met jou en jou en... ach, ik doe maar wa…
ik dacht ik dicht
wat zal het worden
maak het licht vandaag
niet dat diep geraas
nee, ik wil dansen
met jou en jou en...
ach, ik doe maar wat
volg mij, pak mijn hand
ik maak je weer gelukkig
verlies je eigenwijs verstand
nee, vluchten doe ik niet
ik spring weer over hekjes
die daar in het groene veld
of huppel langs de vliet
alles kan ik bedenken
ik ben zo vrolijk vandaag
en wil niemand krenken
ik zing over de witte wolken
de vogels in de lucht
o, wat ben ik tevreden
voel het van binnen kolken
ik ren de longen uit mijn lijf
heb inmiddels wel
duizend paarden bereden
dat maakt mij heel berucht
in dorpen en steden
ik lijk wel verliefd
ja dat moet het zijn
fluitend, lachend en zo veel meer
mijn stramme benen en oude kop
ze doen het toch maar weer
rozen gooi ik naar kinderen
en roep naar jonge meiden
hee, zien jullie mij nog
deze grijze duif
deze oude heer
ik huil jouw tranen langs oude muren van kruisende paden waar wilde klimop oud en haast vergroeid jouw pijn verraden het lang gedoofd vuur a…
ik huil jouw tranen
langs oude muren
van kruisende paden
waar wilde klimop
oud en haast vergroeid
jouw pijn verraden
het lang gedoofd vuur
al tot as geworden
in een veel te vroeg uur
haalt aldoor het heden in
resteert een leeg gedicht
op een liggende zerk
een onherkenbaar gezicht
op een verdord perk
ik huil met jou de tranen
zij verzachten de groeven
in mijn vragende hand
laat ze onbevreesd vloeien
in het warme zand
strak strekken naakte lijven rug aan rug en hemel gericht om zich traag tastend als tot heelheid te beklijven zacht zingend in het zicht van…
strak strekken naakte lijven
rug aan rug en hemel gericht
om zich traag tastend
als tot heelheid te beklijven
zacht zingend
in het zicht van de stervende zon
die oplost in een stille avondzee
waar de dag zich verliest
en hun verschijning begon
elkaars armen strak
dragend naar opzij
hechtend als zijnde één
voelen zij elkanders bloot
ervaren zij zich als gemeen
in voelbare spanning
van zuigende emotie
tasten zij elkaar de wangen
het opstuivend zand
bekoelt een prille passie
een baken van twee mensen
in geest en hart vereend
veredelt het strand met wensen
zo als dat wezenlijk schaars
door de schepping wordt verleend
een toorts van samengebalde
klevende trillende spieren
vuurt en vlamt een groots licht
alsof deze bezwete fakkel
de gebonden vrijheid wil vieren
in de schijn van elkanders gezicht