Vrijdag 14 april 2006
leef nog lang
leef nog lang zo zeg ik tegen de oude man en keer mijn rug naar hem toe hij en ik weten beter zijn laatste gang houdt hem al tijden in de ban hij is het ademen moe steeds meer ontvalt hem het leven niet zo zeer aan den lijve of door een ledige geest neen, de eenzaamheid begint hem te beklijven de zin van alles bevreest hem het meest
wat kan de ochtend soms donker lijken waar men licht vermeent als de nacht nog duidelijk weent bij het vroege opstaan van een verleden etmaa…
wat kan de ochtend soms donker lijken waar men licht vermeent als de nacht nog duidelijk weent bij het vroege opstaan van een verleden etmaal en onverteerde gedachten voortschrijdend worden uitgebeend tot een rusteloos verhaal dan schuif ik ze niet opzij die doeken voor de wereld het zal zeker niet helpen in mijn verwarring ruimte te scheppen of droge tranen te stelpen kruip maar terug onder het laken zucht een stem in mij ik wil bij je waken en straks of veel later zal de dag het alsnog goed met je maken
toeven in Uw licht is schaduw schuwen toch voel ik me zo vaak diep naar binnen gericht o ja, daar is de stilte gepaard aan liefde toch leidt…
toeven in Uw licht is schaduw schuwen toch voel ik me zo vaak diep naar binnen gericht o ja, daar is de stilte gepaard aan liefde toch leidt die weg evenzeer naar kilte waar het hout zich kruist spijkert zich de adem vast zoals lijden en hoop mijn ziel bestuiven daar woon ik, mens, die ongevraagd in het aardse huist en naar oprecht verlangen mag wuiven
als jouw wangen rusten in mijn handen jij ze aan mij toevertrouwt dan laat je ze zonder woorden toch nog schuchter bevangen je huid roept met zachtheid kom, wil je mij dragend raken ik voel je dan zo tastbaar dichtbij om je adem te smaken en de tederheid in je ogen spreken zomaar als vanzelf zielsveel van nabij laat ons samen een hemelse zucht slaken
ik praat van jou al zeg ik dode woorden zoek in schimmen van verboden lijven restanten van jouw liefde die mij ooit behoorden ik wieg versta…
ik praat van jou al zeg ik dode woorden zoek in schimmen van verboden lijven restanten van jouw liefde die mij ooit behoorden
ik wieg verstarde gedachten om verdwaald gevoel, doorheen wel duizend nachten, in teder maanlicht te verzachten
wacht op mij als de dag begint te dagen
stil zal ik dan zijn als jouw blik mij weer zal behagen
je fletse ogen staren door het raam waar achter niets en alles is te zien hier, lijk je, ogenschijnlijk, in het luchtledige opgegaan voor je…
je fletse ogen staren door het raam waar achter niets en alles is te zien hier, lijk je, ogenschijnlijk, in het luchtledige opgegaan voor je staat koffie, op een tafel, een groot bruin vierkant vlak in een verlopen herencafé met ouderwets ornament waar iedereen is maar elkaar niet kent in dit lokaal, bruin gerookt kijk jij in de glans van een ruit: een weerkaatsend eigenbeeld het is het enige dat jij, onbedoeld, met mij deelt
volmaakt wil ik zijn veel geluk stroomt mij dan toe kende slechts vernederende pijn ben dat vreselijk moe volmaakt wil ik zijn hoor er dan e…
volmaakt wil ik zijn veel geluk stroomt mij dan toe kende slechts vernederende pijn ben dat vreselijk moe volmaakt wil ik zijn hoor er dan echt bij ben dan wel niet mijzelf maar streven naar zalige perfectie leidt mij naar een hemels gewelf volmaakt wil ik zijn dan alleen, dan alleen ja, dan alleen.......... ik schreeuw het uit ben verkrampt kijk slechts in mijn achterruit tot ledigheid voor niets gekampt laat mij worden die ik ben laat mij, laat mij zijn een kostbare lotusbloem in mijn eigen ven
ik zwijg dat is mijn part slik slechts even als jouw ogen schouwen en je lijf schokt in een bevende smart al heb ik weet van diepe dode grachten en luchten zo zwart als roet mijn ziel kent nimmer het verstild smachten dat jou vereenzamen doet maar ik zie ook jong lente groen in alles ontstaan als een aardse zoen die jou uiteindelijk niet zal ontgaan
ik raap de nog groene druiven door hagel gevallen op het mos ontrukt aan stramme ranken nog eer zij bloeiden lieten zij de schepper los ik w…
ik raap de nog groene druiven door hagel gevallen op het mos ontrukt aan stramme ranken nog eer zij bloeiden lieten zij de schepper los ik waak bij een stervende mus te pletter gevlogen tegen beton een ongewenste dodelijke kus door een opgebouwde dode muur die van natuurlijk mededogen niet weten kon zo grillig is ook ons bestaan we werden ongevraagd geworpen om vervolgens, vaak ongewild, te gaan
zij vlecht heur haar,
lang van eeuwig groeien
en zwart van jeugdig genot,
tesamen met gretige vingers
uitzwermend over een
gulzige boez…
zij vlecht heur haar,
lang van eeuwig groeien
en zwart van jeugdig genot,
tesamen met gretige vingers
uitzwermend over een
gulzige boezem in mei
zo. zocht zij mij te boeien
ik, de oude heer
in een overjarig krot
met reeds één been in klei
geen blik gunt zij mij
weet toch wel de man
te verleiden
haar gratie vraagt mij
een onbevredigende
passie voor te bereiden
de duivelin onder
groene blaren,
alsof onschuld haar
omlijsting is,
weet mijn druppels
te vergaren
ondanks dat ik immer en
bijvoorbaat
achter haar loknet vis
waterkant, aflopend zand
glinsterende watersplinters spatten
door fladderende kwekkende eenden uit
boven de rieten oeverkant
stote…
waterkant, aflopend zand
glinsterende watersplinters spatten
door fladderende kwekkende eenden uit
boven de rieten oeverkant
stotende zonnestralen
op een wazig herhalend
transparant trekgordijn
dromerige projectie
op een waarnemersbrein
zwoel is het dampend gras
door regenwater gedoopt
ruikt weer naar jeugdig elan
dat blindelings
de toekomst hoopt
het angelus luidt
over brokken klei,
rij aan rij,
galmend biddend
zowaar dat dit mogelijk
op bevruchting duidt
ik ga over haast blanke velden in zachte dalen die van ontvangende verwachting verhalen met heuvels als ronde dijen waar wortel en bloesem i…
ik ga over haast blanke velden in zachte dalen die van ontvangende verwachting verhalen met heuvels als ronde dijen waar wortel en bloesem in een ontluikende lente later zullen vrijen toch zijn er al die onzichtbare borrelende sappen die bij mijn gang over paden uit diepe geisers hun passie tappen en naar nieuw onstuimig leven snakken
wortels, droog bevrucht
in de eerste lente
houden op arme grond
hebben geen weet
van de eeuwige liefdesstroom
maar van een koude mon…
wortels, droog bevrucht
in de eerste lente
houden op arme grond
hebben geen weet
van de eeuwige liefdesstroom
maar van een koude mond
waar de tong verkrampt
tot angstige droom
die in herhalende
verlatingsvlucht
langs mijn leven schampt
in alle ogen zie ik
mijn zogende moeder
en snijdt de droge melk
door mijn keel
pijn is geworden
tot leidende hoeder
eindeloos op zoek
naar een ongrijpbaar geheel
toen, op de grens van eeuwige jeugd en dreigende ontmaagding leunde ik, de jongeling zelve, tegen de ijzeren paal van verlichting zocht steu…
toen, op de grens van eeuwige jeugd en dreigende ontmaagding leunde ik, de jongeling zelve, tegen de ijzeren paal van verlichting zocht steun tegen de eenzaamheid onder puberale gewelven nu, ingewijd, op het laatste sterven na, in nagenoeg al het aardse, moet ik erkennen nimmer van de pijn der hemelse scheiding te zijn bevrijd alhoewel hardnekkig gezocht en ik afstanden heb moeten rennen het heeft echter niet tot de ware verlichting geleid of, het moet zo zijn als hier beschreven ja, dan heb ik even boven het stof mogen zweven om het gebroken bestaan in alle volheid te beseffen en juist de onvolmaaktheid als het werkelijke menszijn te verstaan
aangeslagen zien dat wil ik niet meer verblijven in kassen als cellen van de ziel met een verkrampte atmosfeer en oogleden als verkreukte ja…
aangeslagen zien dat wil ik niet meer verblijven in kassen als cellen van de ziel met een verkrampte atmosfeer en oogleden als verkreukte jassen nee, zo zet ik mijzelf voortaan niet neer ik heb de engel in mij te lang bereden
de rimpels langszij mijn ogen plooien zich bij iedere lach zij vormen als vanzelf warme zonnestralen die mijn blik begeleiden naar de vraag …
de rimpels langszij mijn ogen plooien zich bij iedere lach zij vormen als vanzelf warme zonnestralen die mijn blik begeleiden naar de vraag die ik in je verlegen ogen zag geen weg is zo kort naar jou, naar binnen alleen een doods gevoel zou zich bezinnen en afvragen wat ik bedoel mijn beider wangen door lengende lippen gebold tonen de volheid van ingetogen schenkende vreugde in die aanblik van sprakeloze taal is al veel droefenis gestold
soms dan ben ik zo ondraaglijk weids waar mijn vlees als afhankelijke wees zuigt aan borsten doch mijn ziel de God verzoekt diepte niet te k…
soms dan ben ik zo ondraaglijk weids waar mijn vlees als afhankelijke wees zuigt aan borsten doch mijn ziel de God verzoekt diepte niet te korsten zo ben ik van nature geschapen als een menselijke zot ik, die nauwelijks mijzelf ken en voortdurend mijn duizend loten bij elkaar moet rapen ja, ik ben een aardse vlinder lichtzinnig van stof vlieg door hemelse wolken totdat het zaad mij dwingt de zwaartekracht opnieuw te vertolken
prijs met mij de dag dat alleen zien ons horen en zeggen is dat ik niets hoef te duiden en jij aanvoelt zonder dat ik met aardse woorden kla…
prijs met mij de dag dat alleen zien ons horen en zeggen is dat ik niets hoef te duiden en jij aanvoelt zonder dat ik met aardse woorden klanken moet luiden waarop onze genegenheid stoelt aanbid met mij de nacht waarin mijn hand jouw huid vereert dat ook mijn ogen niets hoeven te vertellen als ik door het onbeschrijflijke word overmand
verbleekt het heden is verleden nieuwe woorden bleken slotakkoorden ik stierf in schoonheid het verbleekte toen de pijn zich losweekte ik we…
verbleekt het heden is verleden nieuwe woorden bleken slotakkoorden ik stierf in schoonheid het verbleekte toen de pijn zich losweekte ik werd wakker en zag dat het vandaag was
leegte ik kwam vandaag tot niets maakt u zich geen zorgen het zal waarachtig wel weer gaan morgen er zijn zo van die dagen heden meer dan vr…
leegte ik kwam vandaag tot niets maakt u zich geen zorgen het zal waarachtig wel weer gaan morgen er zijn zo van die dagen heden meer dan vroeger die geen antwoord vragen en mij maken tot een nutteloze zwoeger de moed zinkt mij in de schoenen een verslagen martelaar van geestdodend bestaan broeit hier dan toch nog het leed waarover ik morgen kan schrijven maar dat nu nog aan mij vreet