Pater Daniël Maes over Syrië
Woensdag 26 – vrijdag 28 juni 2013
Dinsdagavond rond 10 uur weer twee raketten. De ene komt juist boven de trap waarlangs de zusters naar hun kamer gaan. Een zuster is licht gewond boven haar oog. Nu ligt niet alleen de hal maar ook het atrium weer vol stof en gruis. De fraters blijven in de toren, de zusters vluchten in de crypte, die veiligheidshalve vandaag daarvoor juist was klaar gemaakt. Het leger zegt dat zij het niet gedaan hebben. Er wordt beslist om morgen te vertrekken. Sommigen hebben heel de nacht ingepakt. De hoogst nodige spullen nemen we mee, het waardevolle van de rest wordt klaar gezet om later opgehaald te worden en ergens in veiligheid gebracht. Het tabernakel wordt leeg gemaakt en het Allerheiligste Sacrament nemen we mee. Onze twee schildwachten en de moslim die als conciërge ons mee beschermt, blijven hier en zullen trachten het klooster te bewaren. Woensdag in de loop van de voormiddag heeft ieder zijn spullen klaar. Na de nodige telefoons blijkt het op de weg naar de plaats waar we naartoe willen, veel te gevaarlijk te zijn. Ook de taxichauffeur met zijn busje wil niet rijden. Die weg is nog niet door het leger beveiligd.. De generaal die over deze streek het gezag voert laat weten dat het hier nog te gevaarlijk is. Misschien is dit een teken dat we toch moeten blijven, wat de meesten ook wel willen. Dan wordt stilaan de inkomhal toch maar weer proper gemaakt. Iedereen is rustig, eerder gelaten en slaperig. Tegen de middag komt aboena Georges samen met twee mannen op bezoek. Dan wordt er altijd veel gelachen. Zij sporen ons aan om te blijven. Ze zeggen dat de gemeenschap een zegen is voor Qara. Na het eenvoudig middagmaal gaan we allen slapen. Onze Syriër had ’s morgens op zijn tafel een blad gelegd en daarop geschreven: “Wij komen weldra terug, naar U, o St. Jacob de Verminkte, weldra…” In de drukte was hij het zelf vergeten en vond als een verrassing ’s namiddags zijn eigen tekst!
Als we ’s avonds de eucharistie willen vieren hebben we de grootste moeite om het noodzakelijke te vinden. Alles is zo ingepakt en ingeladen dat we er nauwelijks nog aan kunnen. Geleidelijk gaan we weer alles moeten uitpakken maar de fut ontbreekt op het ogenblik. Ook heel de vuiligheid in het atrium en de trappen blijft gewoon liggen. In de eucharistie hebben we gebeden zoals de eerste christenen die Petrus en Johannes opvangen wanneer ze uit de gevangenis komen (Hand. 4, 23-31): eerst eensgezind God loven en prijzen omdat Hij de Heer is van alles, dan vragen dat we kracht krijgen om trouw te blijven aan het getuigenis van zijn liefde hier, dan vragen dat ook bij ons de wonderen en genezingen, die we nodig hebben, mogen geschieden. Ge kunt de boom kennen aan de vruchten zegt Jezus vandaag in het evangelie. We beseffen goed dat “vrucht dragen” helemaal niet wil zeggen “succes hebben” integendeel. Heel wat groepen en gemeenschappen in de kerk zijn al in deze val getrapt. Als ge een model zoekt van succesvol aards leven moet je dit zeker niet zoeken bij Jezus, die op dit punt het voorbeeld is van de grootste mislukking aller tijden.
We hebben wel besloten om, zoals de kippen, wat vroeger “op stok” te gaan. Gezamenlijke avondrecreatie zal er voorlopig dus niet meer zijn. Tussen 8 en half negen is iedereen voortaan in zijn of haar schuilplaats. Immers, de bombardementen zijn blijkbaar telkens ’s avonds. De zusters trekken naar de crypte, wellicht de veiligste plaats. Bij hen is ook de moeder met haar baby. De mannen gaan slapen in de ‘kapel’ van de romeinse toren die in twee verdeeld is. Dat is de veiligste plaats onder in de toren. Vooraleer uit elkaar te gaan wordt aan ieder nog een brede witte band, een doek bezorgd, die ge voor uw mond en neus kunt binden tegen het stof, want ondertussen heeft zowat iedereen het al flink in zijn keel, dank zij het stof na de bombardementen. Na nog wat gekke kuren met die doeken zoeken de twee groepen hun kampplaats op en maken het zo gezellig mogelijk, in de hoop dat er uit de lucht geen kampvuur komt.
Ondertussen gaat het theater van de “internationale gemeenschap” gewoon door. Er is een heel lang rapport van de topontmoeting van de G 8 (Lough Erne). Het sleutelwoord is transparantie in bestuur, financies, economie, handelsovereenkomsten, internationale betrekkingen, onderlinge verhoudingen en wederzijdse hulp. De inhoud is ongeveer dit: we hebben bijna het aards paradijs gerealiseerd maar nog niet helemaal. We moeten hier en daar nog een en ander zien te bereiken. De lof die de G 8 zichzelf toezwaait is geweldig, vooral in hetgeen ze gepresteerd hebben in Noord-Afrika, van Mauritanië tot Somalië en in het Midden Oosten. Voor Syrië zien ze Geneve 2 helemaal zitten en jawel volledig in het licht van Geneve 1. Ze verwerpen natuurlijk categoriek elk gebruik van chemische wapens en de mensenrechten moeten volledig gerespecteerd worden. Ze willen dan een overgangsregering die volledige bevoegdheid krijgt (die zij dan natuurlijk zullen installeren). Ondertussen zal de strijd tegen het terrorisme worden opgevoerd. Hoe kunnen deze landen dergelijke grootspraak, onzin en misleiding probleemloos de wereld in sturen, terwijl ze ondertussen alles doen om hier de moorden en verwoestingen op te voeren om dit land toch maar kapot te krijgen? De Syrische minister van buitenlandse zaken heeft al duidelijk en terecht laten verstaan dat zij die als voorwaarde blijven stellen dat de regering en de president in Syrië moeten verdwijnen, niet de moeite moeten doen om naar deze vredesconferentie van Geneve 2 te komen. Van deze conferentie hoeven we dus met zoveel huichelarij niet veel te verwachten.
Geef ons dan maar paus Franciscus die op het congres van het bisdom Rome enkele krasse uitspraken riskeert: “Een christen die vandaag geen revolutionair is, is geen christen”, “Ik begrijp de christelijke gemeenschappen die zich afsluiten niet”. Een pittig woord spreekt hij ook over de parabel van het verloren schaap en de 99 anderen en hij laat verstaan dat het nu eerder omgekeerd is en dat we niet het ene schaap moeten blijven koesteren en verzorgen maar dat we er op uit moeten trekken, naar de 99 anderen.
Donderdag wordt het gewone leven en werk stilaan hernomen. De meesten blijken goed geslapen te hebben. De vuiligheid in het atrium en op de trappen wordt eindelijk opgeruimd. En de kinderen krijgen eveneens hun werk toebedeeld waardoor ze toch weer voor een deel van de lange voormiddag zich nuttig kunnen bezig houden. Door het feit dat iedereen er door loopt wordt het stof door heel het huis meegedragen. Het waterreservoir aan de kant van de zusters moet dringend hersteld worden. Ondertussen is er aan die kant geen water voor de toiletten en douches. Reken daarbij de regelmatige, onverwachte en langdurige stroomonderbrekingen (hinderlijk voor de keuken) alsook de beperkingen van telefoon, gsm en internet ’s avonds, dan zijn er toch wel heel wat beperkingen. Voorlopig is het werken in de binnentuin ook uitgesloten. De ontspanning van even hout gaan zagen of klieven in de binnentuin valt dus ook weg. We moeten telkens nieuwe middelen zoeken om het goede humeur er in te houden. De grapjes uit een druivelaar-kalender van vorig jaar kunnen hierbij soms helpen. En in de keuken hangt een gelijkaardig kalender van dit jaar, met Arabische grappen. Deze avond zitten we met de jongens reeds om half negen op onze matras in onze schuilplaats. Het is een gelegenheid om rustig aan onze vorming verder te werken. Eentje heeft een werkstuk gemaakt over de kerkvader Origenes. Hij geeft zijn uitleg en wij volgen de tekst op onze computer. Een bescheiden maar tegelijk zeer moedige kerel die Origenes. Hij toont ons hoe ge vanuit het hart van het evangelie tegen de stroom in kunt gaan. En ondertussen horen we boven ons hoofd weer helikopters cirkelen. De bombardementen zijn echter voor verder op.











