De Standaard der letteren vond het nodig, de fervente antireligieuze Gentse hoogleraar, moraalfilosoof Johan Braeckman , een recensie te laten schrijven over 'Tegentijds eigendraads', de gebundelde columns van Rik Torfs.
En wat te verwachten is, gebeurt ook. De kurkdroge Braeckman, die zichzelf het middelpunt van het West-Europese denken waant, besteedt bijna heel zijn driekolommenartikel, aan zijn antigodsdienstige frustraties.
Een eerste kolom heeft helemaal niks te maken met Torfs' boek maar Braeckman beschrijft daarin met duidelijk leedvermaak de, volgens hem, tanende mondiale invloed van religie. Hij bestaat het zelfs, zonder ook maar enig bewijs, zo tussen neus en lippen, te orakelen dat 'het geweld van IS en andere islamitische terreurgroepen zich ook deels laat interpreteren als een reactie op het afnemende geloof'. Dat is natuurlijk kwaadaardig bedoeld. Maar het ontgaat deze Gentse papenvretende prof klaarblijkelijk dat hij wel een remedie tegen de IS-terreur aanreikt, nl. meer religie.
In de rest van zijn tekst met als titel 'Bewegend Doelwit' (daarmee wordt Torfs bedoeld), is het Braeckman erom te doen, sceptisch, neerbuigend, verwerpend te schrijven over de godsdienstige overtuiging en opvattingen, die in 'Tegentijds eigendraads' tot uiting komen. Braeckman slaagt er niet in, objectief de bundel op zijn inhoudelijke en stilistische merites te beoordelen, wat van hem als recensent mag verwacht worden. Hij stelt zich integendeel op als de fanatiek ongelovige tegenstander van de gelovige Torfs.
Het is niet de eerste keer dat professor Braeckman zich laat opmerken als een fundamentalistische zich supierieur voelende , ongelovige hardliner, die, gedreven door weerzin en bekeringsijver, gelovigen meent te moeten aanvallen en ridiculiseren.
In de Villa Helleboschreeks in het dS-Weekblad van 8 augustus 2015, maakte hij het echt gortig.
Ik schreef toen op dit blog:
'Ik kan niet oordelen over het wetenschappelijke niveau van het werk dat professor Braeckman aan de universiteit verricht maar wat hij in Villa Hellebosch over de tien geboden vertelt, laat het allerergste vermoeden.
'De tien geboden? Ik vind die absoluut niet interessant', aldus Braeckman. 'Bovenal bemin één god. Waarom zou ik? Dat is geen morele regel, dat is een eis.' Tja. Het ontgaat de moraalfilosoof klaarblijkelijk dat hij het over 'geboden' heeft, en dat gebod geldt natuurlijk voor degenen die in de ene God geloven. Als Braeckman niet in de ene God gelooft, hoeft er zich ook geen bal van aan te trekken. 'Waarom zou hij?'
'Vader moeder zult gij eren... Hangt er maar van af wat je vader en moeder denken en doen. Dood niet , geef geen ergernis. Lijkt me evident. Wees steeds kuis in het gemoed, pfff. Dat zijn geen regels die wij moreel van groot belang vinden. Er staat niet: wees zachtmoedig voor dieren . Of: man en vrouw, behandel hen gelijk.' Zo oordeelt Braeckman in sneltreinvaart over enkele geboden.
De manier waarop de Gentse moraalfilosoof en bio-ethicus deze geboden behandelt, blinkt niet uit door grote denk- en argumentatiekracht. Erg boven het niveau van toogpraat komt het allemaal niet uit.
En moet de lezer uit het concluderende zinnetje 'Dat zijn geen regels die wij (pluralis majestatis of spreekt hij namens de ganse wereldbevolking?) moreel van groot belang vinden' afleiden dat Braeckman de geboden: 'zweer niet ijdel, vloek noch spot; doe nooit wat onkuisheid is; vlucht het stelen en bedriegen; ook de achterklap en het liegen; begeer nooit iemands goed', moreel niet van groot belang vindt?
Als Johan Braeckman in staat was of de moed wilde opbrengen om door te denken over de draagwijdte en de consequenties van de tien geboden, zou hij wellicht tot de (voor hem) verrassende conclusie komen dat de toepassing van en het respect voor de tien geboden, ook inhoudt: 'man en vrouw, behandel hen gelijk' en 'wees zachtmoedig voor dieren'.
Ach, ook in dit artikel over Torfs' columns, heeft Braeckman weer zijn obsessief antireligieus hart weer kunnen ophalen. En wellicht speelt ook academische afgunst mee. De bloedserieuze, geborneerde , buiten zijn faculteitscocon amper bekende, absoluut denkende prof tegenover de humoristische, briljante, vlinderende, relativerende, wijd en zijd bekende rector van de Katholieke Universiteit van Leuven.

