Kletterende ruzie ten huize De Wever


Toen Veerle de beelden van haar skiënde Bart in maatpak zag, viel ze van haar stoel. Hij zou er niet goed van zijn als hij thuiskwam. Laat waarschijnlijk, zoals gewoonlijk.
Het was laat. Toen ze de deur hoorde opengaan, riep ze al van in de achterkeuken (Veerle was niet op haar mondje gevallen): 'Daar moet ge nu toch voor op uw kop gevallen zijn, Wever (als er een vlieg aan de lamp zat, gebruikte ze consequent 'Wever'), om in uw beste, zondagse kostuum te gaan skiën! Denk niet dat ge een nieuw krijgt, als er iets aan is. Meneer doet precies alsof het geld op onze rug groeit!'
Bart wilde iets inbrengen, maar het ging hem niet af. Zoals voor Corneel, lang geleden, werd het ook voor hem stilletjesaan te veel. En op de keper beschouwd had zijn vrouw gelijk. Veerle fulmineerde al verder: 'Het ergste van al is wel dat er achter u een hele troep in sportkledij, en het zijn er geen van de oppositie eh manneke, u vierkant staan uit te lachen! Het wordt tijd dat ge u wat minder gaat bezighouden met heel dat cirkusgedoe zowel in 't Stad als in Brussel en u meer gaat bezighouden met ons huishouden. Hebt ge nu nog altijd niet door dat uw haring niet meer braadt, de mayonaise niet meer pakt? Niet in andere partijen en ook niet in uw eigen club!'
Die zat. Diep in zichzelf moest hij erkennen dat zijn Veerle wel eens gelijk kon hebben. Hij voelde al langer iets, en zijn Veerle had altijd al meer gevoel gehad voor de tekenen des tijds.
Dat voortschrijdend inzicht dompelde hem in een diepe neerslachtigheid. 'Het Vlaamse heir staat immer pal... Laat me lachen', dacht hij bitter.
'Ik ga nog een slaapmutske drinken in het Mestputteke', mompelde hij. 'Eerst uw 's werkendaagse kleren aandoen', zei Veerle streng. En dat deed Bart.



