NIEUW: Blog reclamevrij maken?
WELKOM ! WELKOM ! WELKOM !
Foto
Inhoud blog
  • Na 100 jaar nog een 11de november!
  • Wie meer wil...
  • Love-story 3 : Leesclub
  • Love-story 2 : Afstudeerwerk
  • Love-story 1 : Op de trein
  • 80
  • Doodgaan...
  • VERZAMELDE HAIKOES-SENRIOES
  • MARIEKE
  • Walther von der Vogelweide
  • Beatrijs, mijn moeder
  • BEATRIJS-SUITE
  • Anders
  • Reisverhaal : EXTREMADURA
  • Impressies uit de wereld
  • ELEKTRONISCH CAPRICE
  • Kleine bloemlezing - Van 1960 tot 1990
  • Vijf kleine verhaaltjes
  • Vingeroefeningen : 6 x
  • 21 dichtoefeningen uit de jaren'50
    Surf ook eens naar
  • google.be
  • Padre's kijk op de wereld. En wat literairs...

    10-11-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Na 100 jaar nog een 11de november!

    Na 100 jaar nog een 11de november!

    Het is vandaag 10 november, en morgen zal het 100 jaar geleden zijn dat de “Groote Oorlog” eindigde.

    De laatste weken en dagen is er veel over die oorlog en over de wapenstilstand geschreven en gesproken. Vandaag is er in Frankrijk een grote herdenking, waarop de presidenten Macron van Frankrijk en Trump van de Verenigde Staten de blikvangers zijn. Morgen zullen een tachtigtal staatshoofden en regeringsleiders in Frankrijk aan het grootse herdenkingsschouwspel meedoen.

    Dergelijke spectaculaire herdenkingen kunnen in de ogen van sommigen overdreven en misschien zelfs overbodig schijnen. Toch vind ik dat ze hun nut hebben, al was het maar om er ons attent op te maken dat het altijd mogelijk is dat wij in een dergelijke, of nog ergere catastrofe, gestort kunnen worden. Want de mens redeneert niet altijd logisch en de motieven van individuen, groepen, en volkeren liggen dikwijls uiteen, vaak gekleurd door passie en onwetendheid.

    Voor de jeugd van nu lijkt die “Groote Oorlog” voorgeschiedenis. Denk eens aan, dat zijn dingen van meer dan een eeuw geleden. En er is ondertussen toch al zoveel gebeurd dat moderner en interessanter was en is…

    Ik ben gelukkig nog geen 100 jaar oud en die Eerste Wereldoorlog was van voor mijn tijd, maar ik herinner mij toch nog verhalen die mijn grootouders verteld hebben over de tijd dat in 14-18 de Duitsers wreed in onze streken huisgehouden hebben. Voor mij is dat geen dode materie alhoewel ik nog een twintigtal jaar moest wachten vooraleer ik in een wereld terecht zou komen waarin de waanzin van een zekere Hitler verschillende volkeren en miljoenen mensen dodelijk besmette.

    Elke 11de november denk ik onwillekeurig aan mijn naamgenoot Guillaume (1883-1969). Neen, het was niet mijn grootvader, die men ook Guillaume noemde, maar een familielid uit een zijtak van onze stamboom.

    Het moet nu ongeveer 70 jaar geleden zijn dat wij in Landen woonden omdat mijn vader, een ambtenaar van de belastingen, daar toen benoemd was. En in die tijd verwachtte men van die mensen dat ze gingen wonen in de gemeente waar ze hun beroep uitoefenden. Ik moet dan 11-12 jaar geweest zijn; het was rond de tijd dat ik mijn plechtige communie deed.

    In diezelfde gemeente woonde die naamgenoot Guillaume. Ik weet niet door welk toeval mijn ouders met hem in contact zijn gekomen. Guillaume en zijn echtgenote waren van de generatie van mijn grootouders en ze hadden geen kinderen. Dat was voor hen al jaren een bron van gemis en stil verdriet.  En hun verlangen naar een kind was zo groot dat hij zelfs eens aan mijn vader het voorstel gedaan heeft mijn oudste zus bij hem thuis te laten inwonen. Hij en zijn echtgenote zouden ze zoveel mogelijk als hun eigen kind beschouwen en liefhebben… En haar tot hun erfgename maken… Mijn ouders hadden toch al vijf kinderen en we zouden altijd met mekaar contact kunnen houden.

    Dat was een voorstel dat niet ongunstig was en waarover men wel even kon nadenken, maar mijn ouders hebben dat toch niet aanvaard. En ik was ook tevreden, want ik zag het niet goed zitten mijn oudste zusje niet meer bij mij te hebben.

    Doch laat ik vertellen waarom ik elke 11de november aan die sympathieke Guillaume terugdenk: dat is niet alleen omdat hij een oud-strijder was vanuit 14-18, maar vooral omdat hij mij eens vertelde wat er bij hem in zijn compagnie gebeurde en wat hij voelde op die 11de november 1918. Hijzelf was brigadier en stond daar aan het hoofd van een groep soldaten. Ze hadden tot nu toe de oorlog overleefd en de Duitsers gingen capituleren.

    “En toen het nieuws kwam van de wapenstilstand, menne joung,” zei hij, “kwamen de tranen in mijn ogen en ik werd er warm en koud van! En ook veel andere soldaten kregen tranen van vreugde in de ogen, haalden een zakdoek boven om te snuiten en er een traan mee weg te vegen. Zo iets, menne joung, vergeet ik nooit!,” voegde hij er nog aan toe. En dan zweeg hij een tijdje in gepeinzen verzonken, en ik keek dan naar hem en wist niet wat er in zijn ogen blonk.

    Ondertussen is iedereen van die vorige generatie verdwenen. We hebben een tweede, nog verschrikkelijker oorlog meegemaakt. Ik, jaargang 1936, was toen gelukkig nog wat te jong om er goed de tragiek en de verschrikkingen van te beseffen. Overal in de wereld worden nog oorlogen uitgevochten, alsof er niet genoeg voorbeelden zijn van waanzin en wederzijdse vernielzucht. Zal de mens ooit veranderen?

    Nu, na 70 jaar, denk ik dus elke 11de november aan de wapenstilstand van 1918. Niet omdat we dan een wettelijke feestdag hebben, niet omdat er tegenwoordig zoveel over geschreven, gesproken en getoond wordt, maar in de eerste plaats omdat Guillaume – hij weze gezegend samen met zijn kameraden-medestrijders – mij deelgenoot maakte aan zijn ontroering en blijdschap van op die 11de november 1918, nu al 100 jaar geleden.



    Een vredevolle en vreugdevolle groet!


    10-11-2018 om 00:00 geschreven door padre


    >> Reageer (0)
    07-08-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Wie meer wil...

    Wie meer wil lezen kan surfen naar mijn blog op google :

    www.andrevanstraelen.blogspot.com

    ******************************

    07-08-2018 om 00:00 geschreven door padre


    >> Reageer (0)
    25-03-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Love-story 3 : Leesclub
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Love-story 3

    LEESCLUB

     

    Kan je leven in een droom? Ja? Ach nee. Als ik aan de gebeurtenissen van de laatste maanden denk, lijkt het toch dat ik niet altijd in de werkelijkheid leef. Ben ik wel echt wakker? vraag ik me soms af.  Maar als ik zou dromen, dan is het toch een heerlijke droom.


    Ik ben 35 jaar oud. Of jong, als dat beter klinkt. Toen ik 26 was trouwde ik met een lieve vlijtige jongen. Hij was bakker. Wij hadden de winkel van zijn ouders overgenomen en hij runde de bakkerij samen met een hulp. Ik stond in de winkel, geassisteerd door een vriendin, en wij verkochten broden, koeken, patisserie en allerlei lekkere dingen. Onze zaak floreerde, wij waren goed gelegen, verkochten goede waar en onze prijzen waren zeer redelijk. Onze klanten waren dus tevreden en wij waren gelukkig.


    Maar na vijf jaar sloeg het noodlot toe. Mijn man werd op een van zijn rondes aangereden en overleefde de klap niet.  Ik werd een jonge weduwe. We hadden geen kinderen. Misschien was dat nog een geluk.
    Ik voelde mij lange tijd verdrietig, alleen, eenzaam, lusteloos. Gelukkig wilde onze bakkershulp bij ons blijven werken. Ik promoveerde hem tot hoofd van de bakkerij en stelde een nieuwe hulp aan. Wij troffen een regeling die beide partijen tevreden stelde en nam mijn plaats in de winkel verder in, samen met mijn vriendin Julia.


    Toen wij de bakkerij na enkele tijd terug op kruissnelheid gekregen hadden, was mijn verdriet stilaan wat weggeëbt en had plaats gemaakt voor een zekere weemoed. Ik begon terug wat licht in mijn leven te zien en werd daardoor geholpen door Julia. Zij was een levenslustige jonge vrouw en haar positieve ingesteldheid en vrolijk humeur werkten aanstekelijk.  Zij sleepte me soms mee naar een danspartijtje of een uitstapje met vrienden.


    Julia was ook een verwoede lezeres. Zij verslond het ene boek na het andere en sprak er vaak over. Zij was lid van een leesclub die zij vier jaar geleden mee had opgericht en die tot nog toe slechts uitsluitend uit vrouwen bestond. Zij kon me overhalen er ook lid van te worden.  Zo ben ik ook meer en meer beginnen te lezen. De dagen dat ik alleen was deed ik het huishouden en ging boodschappen doen, en de avonden vulde ik met TV- kijken maar vooral met lectuur, en zo ging de tijd dan toch nuttig, aangenaam en wat sneller voorbij.
    Door de leesclub had ik ook een groep vriendinnen bij leren kennen. Wij kwamen elke maand eenmaal  in de late namiddag samen. Het waren interessante en levendige discussies. Elke keer leidde een van de leden de bespreking naar eigen inzicht en kunnen, stelde het onderwerp voor en had enkele discussievragen klaar. Zo konden we het gesprek gemakkelijker bij het gelezen boek houden.


    Ondertussen knabbelden we koekjes en dronken koffie, thee of een fruitsapje. Daarna gebeurde het wel eens dat een kleinere groep in een nabijgelegen café of eettent nog verder ging kletsen over vanalles en nog wat. Ik deed graag daaraan mee en na enkele tijd maakte ik deel uit van een kerngroepje van zes vriendinnen.  We vonden het wel jammer dat er geen mannen in onze club waren en we besloten voor hen de deur open te zetten. Dat zou meer afwisseling brengen en ze zouden vanzelfsprekend de besproken onderwerpen vanuit een ander standpunt bekijken. Het kon alleen maar interessanter worden.


    Maar dan mocht de volledige groep niet te groot worden. Twaalf tot vijftien leden leken ons en redelijk getal te zijn. Wij waren voor het ogenblik met dertien, maar meestal waren er een drietal afwezigen, zodat we praktisch gezien steeds met een stuk of tien vergaderden.  We besloten dan ook dat, telkens als er een lid wegviel, we dat zouden vervangen, en voorlopig zouden we mannen positief discrimineren.


    Een tweede vraag was: waar haal je de mannen vandaan? Hoe konden wij eventuele geïnteresseerden ertoe overhalen mee te doen? Zou de overvloedige vrouwelijke aanwezigheid hen niet wat doen aarzelen? Ieder van ons zou de ogen open houden en zien of we geen belangstellenden konden vinden. Die zouden we dan contacteren en proberen te overtuigen mee te doen.


    Nu wilde het toeval dat vorige winter twee van onze oudere leden ons meedeelden dat ze verder niet meer konden komen. We zouden dus naar twee vervangers moeten uitzien.  De eerste was Maurice, een gepensioneerd leraar en de echtgenoot van onze ondervoorzitster. Ze had haar man kunnen bewegen zijn vele vrije tijd “nuttiger” te besteden. Dat beweerde ze toch.  Maar een tweede vervanger hadden we nog niet.
    Tot die dinsdagavond, toen onze voorzitster ons meedeelde dat we nog een “slachtoffer” gevonden hadden en dat bewuste mannelijke persoon binnen enkele minuten de vuurdoop zou moeten ondergaan. Wij waren allen natuurlijk benieuwd maar spanden ons in het niet te laten zien.


    Toen het tijd was om met de eigenlijke bespreking te beginnen was de “andere nieuwe” er nog niet. Typisch mannelijk, gromde mijn buurvrouw aan de grote vergadertafel. Haar echtgenoot kwam ook altijd en overal te laat. Zij had die woorden nog maar pas uitgesproken of de deur ging open en daar stond een grote, slanke, sportief gebouwde man met een lachend gezicht. Hij had donkerblond haar en aan de slapen verscheen al een zweempje grijs. Hij droeg een blauwe jeans en daarover hing losjes een rode gestreepte trui.


    - Hallo, geachte vergadering! zei hij. Sorry dat ik even te laat ben. Het was niet gemakkelijk om voor mijn wagen een parkeerplaatsje te vinden, maar het is uiteindelijk toch gelukt.


    Wij allen keurden hem met nieuwsgierige aandacht en de meesten mompelden zo iets als hallo.
    Echter,  op het moment dat ik hem in de deuropening zag verschijnen voelde ik zo iets als een elektrische stoot. Ik kende die man, ja, dat was die heer die regelmatig bij mij in de winkel een brood of gebakjes kwam kopen. Hij was altijd beleefd, bescheiden en gereserveerd. Ik had al vaak geprobeerd met hem een babbeltje te slaan, maar dat was nog niet echt gelukt. Iets meer dan enkele woorden over het weer of over het brood en de gebakjes waren nooit gezegd. Ik vond dat jammer want op het eerste gezicht vond hem sympathiek. Ja, dat zijn dingen die gebeuren.  En misschien daarom verlangde ik ook iets meer over hem te weten. Telkens als  hij met zijn brood of gebakjes naar buiten stapte, volgde ik hem meestal met de ogen en betrapte er mij soms op dat ik hem nadroomde. En nu stond die man daar ineens zo maar in de deur, in een sportieve jeans en trui.


    - Ik heet Flor, zei hij. Aangename kennismaking. Het lijkt mij dat ik hier in een hele harem terechtgekomen ben. Zoveel vrouwen! Sorry, voor het woord harem. Maar het zit hier vol van vrouwelijk schoon.


    Onze voorzitster stond recht, gaf hem een hand en liet hem binnenkomen.


    - Mijnheer Flor, zei ze, je bent hier van harte welkom.  Als jij je hier in deze “harem” wil thuisvoelen, dan geven we je graag een kans. Wij spreken mekaar hier met de voornaam aan en dus jijjouwen wij mekaar ook. Ik heet Nella.


    - Aangenaam, Nella. Ik ben dus Flor, ben van beroep informaticus en heb in mijn vrijgezellen-vrije-tijd een zwak voor boeken en, vanaf nu, voor… knappe leeslustige dames.


    Er weerklonk gelach en  niet overtuigend protest. Dat leek geen saaie boekenvent te zijn.


    - Ik denk, als ik hier even rondkijk, dat we het wel met mekaar goed zullen vinden, voegde hij er al lachend aan toe.


    Zo had ik me die gereserveerde koekenkopende heer niet kunnen voorstellen. Heel anders was hij hier. Hij leek wel een vlotte kerel te zijn. Afwachten.


    Onze voorzitster bood hem aan te gaan zitten en wees hem een plaats aan tussen Julia en mij. Het werd stiller en het ernstigere werk kon beginnen. Flor keek even van links naar rechts en zijn blik bleef verwonderd op mij rusten.


    - Wat een verrassing, fluisterde hij. Zijn de besprekingen en discussies hier zo goed als jouw koekjes?


    - Moet je maar zelf ondervinden, antwoordde ik, en ik voelde een kleine blos bij mij opkomen.


    Hij glimlachte naar mij en knikte. Toen hij naar de andere kant keek en Julia ontdekte was hij ook verrast. Hij fluisterde haar even iets toe en ik zag dat ze ook moest glimlachen.


    Een paar dames aan de andere kant van de tafel volgden nieuwsgierig en geamuseerd onze nadere kennismaking. Wat zij er zich bij zouden fantaseren, daar kon ik maar naar raden, maar dat ze ons verder in het oog zouden houden, daar twijfelde ik niet aan.


    Flor had het boek dat wij die dag gingen bespreken, ontleden en bekritiseren, ook gelezen en het viel op dat hij een goede toehoorder was die op het juiste moment gepaste en interessante opmerkingen en vragen had.
    Het was de gewoonte dat na de bespreking de meesten onder ons in het nabije café iets gingen drinken of een kleinigheid eten. Ik maakte snel deel uit van een kleine kerngroep van zes en we nodigden Flor uit met ons zijn “intrede” te komen vieren. Daar ging hij graag op in. En zo is onze nadere kennismaking begonnen.
    Flor was nog vrijgezel en leefde in een appartement in een gebouw waarin ook zijn ouders woonden. Af en toe moest hij voor zijn beroep voor enkele tijd naar het buitenland en hij kon ook, langs het internet, vaak thuis werken. Hij bracht zijn vakanties door aan de kust in een huis dat van zijn ouders was en hij maakte ook steeds een paar reizen.


    Vanaf die eerste keer, telkens als Flor in onze winkel verscheen, wedijverde ik met Julia om hem te bedienen. Nu vlotte het gesprek beter dan vroeger en als ik er de tijd voor had probeerde ik hem aan de praat te houden. Ik vond hem hoe langer hoe meer aantrekkelijk, maar ik verborg dat zoveel mogelijk omdat ik niet wist hoe hij zou reageren als ik meer toenadering zou zoeken.


    Het duurde niet zo lang of Flor was een vast onderdeel geworden van ons kerngroepje dat bestond uit Gilberte, Gerda, Lena, Marina, Julia en ikzelf. Het gebeurde wel eens dat wij in het café verder praatten over het pas besproken boek. Flor had ook al eens een bespreking geleid. Hij kon rustig en ter zake iets uitleggen, een situatie schilderen en beoordelen. Hij gedroeg zich nooit alsof hij het allemaal beter wist, maar hij kon luisteren en zijn mening ook wel eens herzien en aanpassen. Ik geraakte meer en meer door hem geïntrigeerd. Op alle gebied. En ik vond het jammer dat ik hem niet vaker kon ontmoeten. Ik hoopte dat de gelegenheden daarvoor talrijker zouden worden.


    De doorbraak kwam nogal onverwachts op een viering van Halloween. Wij hadden met ons zessen afgesproken dat we dit jaar eens lustig uit de bol zouden gaan.  Wij, zes vrolijke verklede dames. Neen, geen deftige dames, maar vlotte, originele “wijven”, en natuurlijk ook “sexy”. Op een kletspartijtje waarop we veel fantaseerden, door mekaar praatten en lachten, hadden we afgesproken dat we er samen en tegelijk op uit zouden trekken. Julia zou ons met de wagen komen ophalen en proberen verder voor ons de alcoholvrije BOB te zijn. Daarna zou ze ons een voor een thuisbrengen, als we daar zin voor hadden.


    Op die bewuste avond voor Allerheiligen stond ik al vroeg en ongeduldig op haar te wachten. Tot eindelijk om acht uur de bel rinkelde. Ik opende en daar stond voor mij Pietje de Dood. Het was Julia. Ze had een nauwsluitend zwart pak aan met erop geschilderd een wit fluorescerend geraamte. Daarover droeg ze een wijde open zwarte mantel. Ik stapte in de ruime monovolume-wagen. Ik was de laatste en zo was ons groepje volledig. Ik keek even rond om te zien hoe ze er verkleed uitzagen. In de wagen zat er nog een geraamte, een rode duivelin en een courtisane. Dat was Gerda, die haar weelderige vormen alle eer aandeed. Gilberte had zich gekleed als een vampier en ik was een heks met bezem.  Mijn vriendinnen vonden dat ik er mooier uitzag dan anders, met mijn masker dat mij een langere haakneus, bollere wangen en grotere ogen gaf. Ik had mijn best gedaan een sexy heks zijn. Ik had fijne rode lingerie aangetrokken - een half open bh met kant afgewerkt, tanga, jarretellen en netkousen - die mijn vormen goed accentueerden. Daarboven droeg ik een wijd oranje kleed van een doorzichtige dunne stof  en een wijde fluweelachtige rood-bruine mantel. Aan mijn voeten had ik opzettelijk eigenaardige “heksenschoenen”, die gemakkelijk zaten en mij bij het dansen niet zouden hinderen.


    Wij begaven ons naar het restaurant. We hadden een tafel voor ons zessen gereserveerd en bestelden het menu met alles erop en eraan. Ook met aperitieven en wijn. Behalve voor Julia, onze BOB, en Marina, die last had van te hoge bloeddruk.


    Er was nog niet veel volk in het restaurant. Een DJ zorgde voor aangepaste muziek: onder het eten gezellig onderhoudend, maar toen het later werd en er enkele dansparen op de vloer verschenen, werd het ritme wilder en bonkten de decibellen tegen de muren en het plafond, zodat we moesten roepen om mekaar te verstaan. Dan ook maar dansen en gek doen! Mijn bezem hinderde soms wel, maar ik was niet de enige heks die er niet op kon rondvliegen.


    Iets na middernacht verlieten we de feestvierders. We waren door de wijn al heel uitgelaten en vrolijk geworden en we begaven ons naar een andere gelegenheid. We moesten niet ver gaan, want we werden al snel op sleeptouw genomen door enkele “heren” die ons vrouwelijk gezelschap graag wilden versieren. Gerda had veel aanbidders, maar de geraamtes en de duivelin hadden ook al gauw een cavalier. Gilberte werd omarmd en meegevoerd door een faun, en ik werd het hof gemaakt door een elegante Merlijn de Tovenaar. Ik wist niet wie hij was en waarschijnlijk kende hij mij ook niet. Hij sprak niet veel, maar maakte mij meer dan eens een complimentje. Hij danste zo goed dat ik mij met plezier en met een wellustig gevoel door hem liet leiden. Hij trakteerde mij meerdere keren op een glas champagne en danste als het maar enigszins kon met zijn “charmante heks”, zoals  hij mij noemde. Op zeker ogenblik begon hij mij kusjes te geven, zodat mijn masker dreigde van mijn gezicht te schuiven. Maar ik vond dat niet onaangenaam en na enkele aarzelingen kuste ik hem graag terug. Gilberte bekeek mij verwonderd, misschien ook wat jaloers, want ze liet zich daarna door haar faun meer dan verwennen…


    Het werd al gauw heel laat, of liever, zeer vroeg in de morgen. Ik was ernstig beneveld door alles wat ik al gedronken had en lag katachtig lui in de armen van mijn Merlijn. Ik had het warm onder mijn masker en het hinderde mij te veel als ik hem verder wou kussen. Ik schoof het opzij. Merlijn bekeek en herkende mij.


    - Toch! riep hij uit. Jij bent het, jij bent het toch! Ik had het al een hele tijd vermoed. Toen je in het gezelschap van enkele leesclubdames binnenkwam viel je me op, maar ik had je toch niet echt herkend. 

    Nu deed hij ook zijn gezichtsmasker af. Het was Flor! Flor. Ik voelde hoe zijn handen boven op mijn schouders en in mijn hals rustten en mij naar zich toetrokken, keek blij in zijn ogen, verdronk erin en…

    Die kus, die KUS!  Die vergeet ik nooit. Een kus vol hartstocht, liefde en verlangen.

    Wij keken in verrukking naar mekaar. 

    - Mijn lieve, charmante heks, eindelijk, zei hij zachtjes, en hij zoende mij opnieuw.

    Ik beantwoordde zijn kussen, overweldigd door een onverwacht geluk.

    Enkele feestvierders volgden geamuseerd onze uitbarsting van passie. Enkele meter van ons vandaan zag ik hoe Julia met open mond en grote ogen naar ons keek…

    - Kom, zei Flor, we vallen hier te fel op. Jij hebt ook wat te veel gedronken. Een sterke kop koffie zal ons goed doen.

    - Ja, zei ik, maar dan bij mij thuis…

    - Goed, ik breng je naar huis.

    Ik liet mij gewillig door hem meevoeren, Ik was als in een trance. Niets kon nog verkeerd gaan.

    Toen Flor zijn wagen voor mijn woning liet stoppen, wilde ik niet uitstappen. Ik vlijde mij tegen hem aan, sloeg mijn armen om zijn hals. Ik beweerde dat ik geen koffie in huis had, dat mijn koffiezetapparaat stuk was, dat ik nog bij hem wou blijven, dat hij bij mij moest blijven, dat hij bij zich thuis maar koffie moest zetten… Wat ik allemaal voor uitvluchten uitgevonden heb, weet ik niet meer. Arme Flor! Ik wilde met hem mee. Hij kon mij toch niet alleen achterlaten. 

    Twintig minuten later zat, of eerder lag ik in een comfortabele tweezit naast Flor, in zijn appartement, met voor ons twee koppen sterke geurende koffie. 

    Heb ik die koffie wel uitgedronken? Was ik zozeer beneveld dat ik dat niet meer weet? 

    Ik weet wel dat ik uren later wakker werd met een zwaar hoofd. Ik gaapte en voelde dat er iets ongewoons was. Ik opende mijn ogen en keek naar het plafond. Wat voor een vreemde luster hing daar? Dat was toch niet… Ik knipperde met de ogen en zag in een hoek mijn bezem staan, met daarop de hoed van Merlijn. Op het tafeltje daarnaast lag slordig een bundeltje kleren. Ik liet mijn handen langs mijn heupen glijden, voelde naar mijn buik en borsten. Ik was naakt. Ik draaide mijn hoofd een kwartslag opzij en keek in de lachende ogen en mond van Flor.

    Ik veerde recht. Flor trok mij zacht weer neer.

    - Jij bent een héérlijk liefdesbeest, fluisterde hij. De godin van de liefde in persoon…

    Ik viel van de ene verbazing in de andere. Langzaam kwamen de beelden van gisteravond weer. Vaag. Ik was uit de tweezit op het vloertapijt gerold. Flor had mij liefdevol ondersteund en in de nabije kamer op zijn bed neergelegd. Dan heb ik hem met zijn arm vastgepakt en hem naar mij toe getrokken. Hij verloor zijn evenwicht en viel op mij. Ik heb zijn kleren losgeknoopt. Gepassioneerd. Dat lukte maar half en toen heb ik mijn spulletjes een voor een afgestript. Dan moet ik in slaap en dronken omgevallen zijn. Heb ik echt geslapen? Hoe lang heb ik geslapen? Wat heb ik in mijn roes gedaan? En laten doen? Wat is er nog allemaal gebeurd?...  
    Maar nu ik wakker geworden was, lag het warme lijf van Flor tegen mij. Een Flor ook zonder kleren aan. Een naakte Flor. Flor! Ik voelde begeerte naar hem weer in mij opkomen, rolde mij tegen hem aan, trok de harde knuppel van zijn geslacht naar mij toe. Ik wou dat hij bij mij en van mij was. Hij moest van mij zijn. Vastbesloten, met groeiende passie, nam ik hem in mij op, voelde hoe Flor de warmte van zijn leven in mij stortte, hoe hij zich stevig met mij verenigde. Mijn lippen kleefden op zijn mond, zogen zich aan hem vast, onze tongen dansten een wispelturig spel, onze lichamen bewogen zich in een ritmische passievolle dans. Wij versmolten tot een eenheid. Ik wàs Flor. Flor wàs mij. Wie was wie? Wij raakten aan het tijdloze, het eeuwige… De hemel! Halleluia!

    Toen wij later uitgeput en voldaan in mekaars armen lagen, mekaar streelden en immer opnieuw kusten, vroeg Flor:

    - Zou jij met een man als ik verder kunnen leven?

    - En of! jubelde ik.

    - En als ik je zeg dat ik zielsveel van je hou, al een hele tijd, geloof je dat dan?

    - Wat een vraag. Dat is toch evident. Ik voelde het al een poos. En… het is wederzijds. Geloof jij dat ook?

    - Dat doe ik graag. En… als ik je vraag of je mijn vrouw wilt worden?

    - Maar ik bén nu toch al je vrouw, mijn lieve schat, zei ik en vlijde me weer tegen hem aan.

    We bleven tot na de middag nog in bed:  stoeien en mekaar liefkozen.  

    Dan gingen we samen onder de douche. Heerlijk lustig was het mekaar in te zepen, te wassen en af te drogen. 

    Flor trok zijn gewone kleren aan; hij was thuis. Maar ik moest mij tevreden stellen met de lingerie van gisteren en mijn heksenkleding. Flor bracht mij in zijn wagen naar huis. De winkel was gesloten omdat het Allerheiligen was. Ik kleedde mij aan, zette koffie en gebakjes klaar voor Flor en mij. Wij aten samen, genoten van mekaars aanwezigheid, kortom, wij waren de gelukkigste mensen van de wereld. Een nieuw hoofdstuk was voor ons beiden aangebroken. Het wàs al begonnen. Gisteren, onverwachts. Vannacht waren we met mekaar getrouwd. Vandaag en de toekomst was voor ons samen!

    Toen ik de dag daarna in de winkel kwam, was Julia al aan het werk. Ze zei niets maar bekeek me met een opgetrokken wenkbrauw, haar gesloten mond vertrokken in een grijnslach.

    - Alles goed? vroeg ze. Wat uitgerust? Roes weg? 

    - Gaat wel, antwoordde ik, en rangschikte enkele broden.

    Julia viel bijna om van het verschieten toen even later Flor in de verbindingsdeur met de living verscheen.

    - Schat, riep hij, de koffie is klaar. Kom ontbijten en breng twee boterkoeken en twee croissants mee.

    Ik lachte even naar Julia, verdween met vier koeken en liet de sprakeloze Julia de binnengekomen klanten verder alleen bedienen. 

    Niet lang daarna zijn Flor en ik officieel getrouwd. Wij wonen nu samen in zijn appartement. Ik heb Julia aangesteld als verantwoordelijke in de bakkerswinkel. Zij doet dat heel goed, en ik heb gemerkt dat zij een oogje heeft op de knappe bakker van onze bakkerij… Af en toe kom ik haar even “helpen” en ben van zins een tweede verkoopster aan te werven. Flor heeft heel wat geïnformatiseerd, zodat onze zaak op dat gebied gemoderniseerd wordt en we in staat zijn binnenkort uit te breiden.  

    Wij gaan nog altijd geregeld naar onze leesclub. Samen. Tegelijkertijd. Verschillende niet gehuwde leden van onze club zouden in een versneld tempo mannen in de club willen opnemen… Je kan nooit weten, hé.

    Als ik er tijd en zin voor heb druk ik mijn verhaal wel eens af en leg het ter bespreking voor in onze leesclub. Succes verzekerd.

    PS. Ik ben gisteren naar de gynaecoloog geweest. Binnen vijf maanden word ik moeder. Van tweelingen!!


    Dilbeek, 25 maart 2016.

     

    25-03-2016 om 00:00 geschreven door padre


    >> Reageer (0)
    11-03-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Love-story 2 : Afstudeerwerk
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Love-story 2

     

    AFSTUDEERWERK

     

    Drie zaten er op de eerste rij.

    Drie nonnen.

    In de aula waar de cursussen gegeven werden waren de zitplaatsen volgens een nogal streng stramien toegewezen. Dat was gedurende mijn studententijd aan de grootste universiteit van het “katholieke” Vlaanderen nog het geval.

    Vooraan zaten braaf en vlijtig de nonnen en rond en achter hen de nog niet zo talrijke groep van studentes. Op de derde rang zaten meestal de “pastoors”: priesters, paters, broeders en soortgelijken. Zij vormden een donkere buffer tegen de bende studenten, de gewone mannelijke stervelingen die achteraan in een bonte mengeling bijeen troepten. En o wee als er eens een student te dicht bij zijn “lief” in de voorste rijen plaats nam. En erger nog als een meer vrijgevochten studente naast haar vriendje in het midden ging zitten en zo openlijk haar opstandigheid tegen de gedragsregels, of nog erger haar “zedeloosheid” demonstreerde.

    Drie nonnen zaten er dus op de eerste rij.

    Gedurende de cursussen kregen wij natuurlijk slechts hun achterkant te zien: een doek, een kap of ander textiel waaronder hoofd en schouders schuil gingen. En vermits zij op het einde van de les als eersten zedig naar buiten slopen, was nadere kennismaking met hen, voor zover iemand daar iets voor zou voelen, een hele toer.

    Het waren drie jonge vrouwen van vooraan in de twintig.

    Bij de kleinste was het haar, voorhoofd, oren en hals ingepakt in een gesteven witte kap, met daarop de traditionele grote zwarte sluier. Ze had een puntige lange neus, een hese stem en ze lispelde een beetje. Ze was wel zeer beweeglijk en als ze zich verplaatste fladderden haar kleren, als een vlag in de wind, los rond haar verborgen gedaante.

    De langste van de drie was gekleed zo ongeveer als een 18de-eeuwse Engelse preutse gouvernante. Haar hoofd zat gevangen in een zwart kapje dat omringd was door een rand van witte opgerolde pijpjes, die als ooglappen haar het zicht op het wereldse rondom haar belemmerden. Zo was ze beter beschermd tegen zondige bekoringen en de vele listen en “pomperijen des duivels”. De zeldzame keren dat ze iets zegde produceerde ze een schril piepstemmetje dat van ergens bovenaan bij haar ontsnapte.

    De derde non had glanzend donker haar. Je kon dat zien, want het was slechts gedeeltelijk verborgen door een grijs sluiertje dat enkel tot op de schouders reikte. Ze had een evenwichtig gebouwd gezicht, lachende blauwe ogen, een blosje op de wangen, sensuele volle lippen en een aangename stem. Enkel een snijtand die een beetje scheef stond ontsierde wat de harmonische look. Ze was een elegante verschijning. Haar grijs kleed, waarover een iets donkerder schapulier vooraan sjaalachtig naar beneden hing, reikte slechts tot aan de kuiten. Jammer dat haar voeten in zulke platte “nonnenschoenen” staken. Ik kon moeilijk begrijpen dat een jonge vrouw als zij in een klooster kon leven.

    Het is over die derde non dat ik het verder ga hebben.

    Drie jaar studie aan de universiteit waren voorbijgegaan. Wij waren na al die tijd samen cursus volgen wel aan mekaar gewoon geraakt, doch onze relaties verschilden niet van die van studenten ondereen. Maar door omstandigheden veranderde dat in ons laatste jaar.

    Het onderwerp van mijn afstudeerwerk was een middeleeuws verhaal dat ik zo volledig mogelijk zou belichten en behandelen, zowel literair als cultureel-historisch. Nu wilde het toeval dat die derde non-medestudente een gelijkaardig onderwerp behandelde, wel wat meer vanuit een religieus standpunt. Onze professor had ons daarom ten zeerste aanbevolen zoveel mogelijk samen te werken. Dat had, volgens hem, meerdere voordelen, al was het maar dat wij door onze verschillende invalshoek het onderwerp dieper en vollediger zouden behandelen.

    Ik was over het voorstel met die zuster samen te werken eerst niet erg enthousiast. Maar vermits nonnen de reputatie hadden gewetensvol en ijverig te studeren en te werken, zag ik daar toch wel enig voordeel in.

    Zo kwam het dus dat ik nader kennis maakte met “zuster Paul-Benedicte van de Bloedende Harten van Jezus en Maria”.

    Wij spraken af wekelijks een namiddag in het Instituut voor Literatuurwetenschappen samen te komen en daar onze bevindingen en resultaten aan mekaar mee te delen, ze te vergelijken en verder uit te werken. Wij konden gebruik maken van een van de zaaltjes, waar we tamelijk rustig konden werken. Tegen de muren stond het er vol met woordenboeken, naslagwerken en allerlei nuttige en nutteloze literatuur. Af en toe kwam daar wel eens iemand binnen om een werk te raadplegen of uit te lenen, maar dat stoorde niet.

    De eerste dinsdagnamiddag van onze samenwerking, toen ik de deur van ons lokaaltje openduwde, zat ze al aan de brede tafelkant haar aantekeningen te lezen en te ordenen.

    -Een gezegende groet, eerwaarde zuster Paul-Benedicte van de Bloedende Harten van Jezus en Maria, zei ik, en maakte een diepe studentikoze buiging.

    Ze keek op en ik zag even een guitige flikkering in haar ogen.

    -De Heer geve u kracht, wijsheid en verstand, om uw edele taak naar best vermogen en de hemel welgevallig te volbrengen, o edele Antonius della regione Limburgensa Horrificata, zei ze terwijl ze probeerde ernstig te kijken.

    We schoten beiden in een lach. Die non had toch zin voor humor. Het ijs was gebroken.

    -Ik heet Toon, als je het nog niet wist, zei ik.

    -Ja, dat wist ik al. Maar ik kon na je hoogdravende groet toch niet gewoon “goeiemiddag” zeggen.

    -Soberheid, ook in woordgebruik, is toch een deugd die vooral geestelijken nastreven, of vergis ik mij?

    Zij ging daar niet op in, maar bekeek mij met een gezicht van “heb-je-dat-nu-echt-zelf-gevonden?”

    -En ik heet…, ging ze verder. Weet je wel hoe ik eigenlijk heet?

    -Paula, of Benedicte of zo iets… Maar ik zal je gewoon “zuster” noemen.

    -Nee, hier gelden geen kloosterregels. En ik houd ook niet van die “stomme” kloosternaam: Paul-Benedicte. Precies of ik mezelf niet meer mag zijn… Ik heet Bea, gewoon Bea. Ook niet Beatrijs, Beatrix of Beatrice. Gewoon Bea, Bea. En zo mag je me noemen.

    -Graag, Bea… Bea. Klinkt goed.

    Ik zag dat ze het fijn vond dat ik daar geen bezwaar tegen had..

    -Mooi zo, Toon. Maar dan alleen onder ons. OK?

    -Afgesproken, Bea.

    Zo is onze samenwerking begonnen, een vol half jaar lang.

    Onze wekelijkse samenkomsten waren echte werkvergaderingen. Wij geraakten stilaan op mekaar ingespeeld en verheugden ons er telkens over als een van ons iets interessants had ontdekt. Daar Bea zo ijverig en plichtsgetrouw werkte, wilde ik voor haar niet onderdoen en deed mijn uiterste best om haar te overtroeven. Wat meestal niet lukte.

    Onze wederzijdse contacten werden met de tijd ook wat losser en kameraadschappelijker, maar veel over zichzelf heeft ze nooit prijsgegeven. En daarom sprak ik ook niet over mijzelf. Zo scheen onze werkrelatie perfect te zijn. Na enkele maanden gebeurde het wel eens op dat ik even van mijn teksten wegdroomde en mijn blik liet rusten op dat mooie ijverige nonnetje dat ik gewoon Bea mocht noemen. En wanneer ze dan toevallig eens opkeek en ik mij betrapt voelde, probeerde ik dat te camoufleren door een opmerking of een vraagje over ons studie-onderwerp. Ik voelde mij meer en meer tot haar aangetrokken, maar ik verdrong dat gevoel omdat ik met een zogenaamde “godgewijde maagd” te doen had. En ik was ook door haar geïntrigeerd, vond ze met de tijd steeds raadselachtiger, stelde me vragen. Raadsels en vragen die ik niet kon oplossen.

    Op onze laatste samenkomst, waarop we onze teksten nog eens herlazen en enkele kleinigheden corrigeerden, had ik het moeilijk. Zij scheen ook stiller te zijn dan gewoonlijk. Nu was dan onze studie klaar om gedrukt en ingeleverd te worden. Onze wekelijkse werksessies namen dan ook een einde. Dat was een soort afscheid. We scharrelden onze notities bijeen en stonden recht. Ik nam haar hand vast alsof ik met een handdruk gewoon afscheid wilde nemen. Maar ik bleef haar hand vasthouden en keek haar in de ogen. Zij was verwonderd en er bloeide een lichte blos op haar wangen.

    -Bea, zei ik, Bea… ik vind het heel jammer dat het gedaan is… Heb jij er nooit aan gedacht of gewenst dat wij verder zouden kunnen samenwerken…?

    Zij deed of ze nadacht en zei niets.

    -En waarom, aarzelde ik, sorry dat ik dat zo maar zeg, waarom ruk jij die sluier niet van je hoofd en gooi hem weg? Koop mooie kleren, word een gewone jonge vrouw en… kom met me mee. Ik hou van jou, ja al een hele tijd hou ik van jou. Dat moet jij toch al gevoeld hebben? Ik zal alles doen om je gelukkig te maken. Maak mij ook gelukkig… Ik meen het.

    -Maar…

    Ze keek wat paniekerig naar me op maar vooraleer ze verder kon spreken trok ik haar tegen mij aan en plakte mijn lippen op de hare.

    Ze stootte me eerst zacht van zich af, maar dan vlijde ze zich tegen mij aan en beantwoordde mijn kus. En ik zag haar ogen! Ogen vol van liefde en overgave.

    Het werd een lange, vurige kus.

    Maar ze maakte zich van mij los. Met een ruk.

    -Ik ben toch een non! riep ze.

    Ze barstte in tranen uit en liep weg.

    De volgende dagen en weken kreeg ik haar nog nauwelijks te zien. Het was alsof ze voor mij wegvluchtte.

    We behaalden samen de grootste onderscheiding.

    Op de receptie na de uitreiking van onze diploma’s kwam ze naar mij toe. Afscheid nemen, zei ze. En mij veel geluk toewensen.

    -En, ging ze verder, Toon, jij bent een heel lieve man, een man om van te houden, om te beminnen, maar begrijp het toch, ik kàn niet, ik màg niet, ik ben toch een non…

    Haar ogen vulden zich vol met tranen.

    -Adieu, zei ze vooraleer ik iets kon zeggen.

    En weg was ze.

    Twee dagen later ben ik naar het klooster gegaan waar ze gedurende haar studies verbleef. Ik wou haar spreken. Maar het enige wat men mij wou zeggen was dat zuster Paul-Benedicte voorlopig verhuisd was naar het centrale klooster, daar op retraite was en wachtte op wat haar oversten voor haar zouden beslissen. Meer ben ik niet te weten gekomen.

    Maanden daarna heb ik vaak lusteloos rondgelopen. Ik maakte enkele ontspanningsreisjes, bezocht musea, las het ene boek na het andere, vulde de volgende paar jaar met te doctoreren en zocht een betrekking. Met de tijd vervaagde het beeld van Bea, maar ik kon ze toch nooit helemaal vergeten. Na jaren werd het gewoon een geïdealiseerde zoete herinnering aan iets dat onbereikbaar was of leek. Ik heb er wel een zekere antipathie aan overgehouden voor alles wat non, pater, pastoor of broeder is, alhoewel ik kerkelijk gebleven ben.

    Ik ben als professor in een buitenlandse universiteit terechtgekomen, heb daar een loopbaan opgebouwd en nu ben ik al een jaar terug in eigen land. Niettegenstaande dat ik gepensioneerd ben, blijf ik veel met boeken en teksten bezig.

    De laatste dertig jaar heb ik heel wat wetenschappelijk werk gepresteerd en eigenlijk heb ik nooit echt de tijd genomen om te trouwen of gewoon een goede relatie met een vrouw op te bouwen. Enkele keren is het bijna gelukt, maar mijn beroep of iets anders stond uiteindelijk in de weg. Daar heb ik wel spijt over gehad, want met de jaren voelde ik mij meer en meer een eenzaam man worden.

    ***

    Tot op het moment dat ik haar weerzag, haar weervond!

    Dat gebeurde vorig jaar.

    Ik had vorige zomer een vakantiereis naar Sicilië geboekt. Omdat ik niet graag zo ver alleen met de wagen wilde reizen, had ik een culturele groepsreis uitgezocht. Eerst ging het met het vliegtuig naar Sicilië, en daar zouden we per autocar een geleide rondreis maken. Tot slot was er een verblijf van een week in een prachtig gelegen hotel in Taormina.

    Het was een druilerige julidag toen we in Zaventem in de vertrekhal verzamelden en met de groepsleidster kennis maakten. In een groepsreis gaan er meestal meer vrouwen mee dan mannen. Dat was hier ook het geval. Toen de groep volledig was, lieten we onze bagage inchecken en passeerden we de controle. Het onaangename van zo’n vliegreis vind ik altijd de tijd die je moet zien rond te krijgen vooraleer je in het vliegtuig zit. Ik kocht een krant, dronk een kop koffie en keek ondertussen naar het bedrijvig geloop en zoeken van andere passagiers. Ik zag geen bekende gezichten en wandelde nog wat doelloos rond. Een half uur later zat ik dan toch in het vliegtuig en het zou nog twintig minuten duren vooraleer we opstegen. De hostessen en de steward toonden ons hun professioneel-vriendelijke glimlach terwijl ze ons controleerden en vroegen of alles in orde was. Dan stegen wij op en twee uur later stonden wij in Catania te wachten tot we onze bagage van de transportband konden plukken. Dan gingen we in groep naar de autocar waarin wij de rondreis zouden maken en die ons naar ons eerste hotel zou brengen.

    Het was er zonnig en warm, een heel verschil met het weer dat we in België achtergelaten hadden. De dagen daarna zouden wij het eiland afreizen in de tegengestelde richting van de wijzers van een uurwerk. We zouden vooral plaatsen bezoeken die cultuurhistorisch van belang waren, zoals Palermo, Monreale, Agrigento, Segesta, Syracuse. Ook het centrum van het eiland zouden we verkennen. Daarna konden we een week rustig alles verwerken in Taormina en omgeving en eventueel avontuurlijk de Etna bestijgen.

    De autocar bracht ons naar ons eerste hotel, waar wij ons wat konden verfrissen, het nodige voor de nacht uitpakken en dan gaan luisteren naar een eerste uiteenzetting van onze groepsleidster, die ons vroeg voor de goede gang van zaken bepaalde gedragsregels in acht te nemen. We kregen enkele toeristische folders toegestopt, die ik gauw overliep en bij mijn reisdocumentatie stak. Vanavond zou ik nog wel genoeg tijd hebben om alles eens grondiger te bekijken.

    Voor men ons voor het avondmaal verwachtte had ik nog ruimschoots de tijd om in het stadje een kleine wandeling maken en verliet het hotel.

    Twee straten verder zal ik een dame van ons gezelschap die op een been tegen een muur geleund stond en haar linkerschoen van haar voet trok. Ze zag er niet tevreden uit en ik hoorde haar stil tegen zichzelf grommelen. Ik kwam naderbij en vroeg of ik haar misschien kon helpen.

    -En dit moet nu juist voorvallen, zei ze. De hak van mijn schoen is afgebroken.

    -O, dat is pech hebben, zei ik om iets te zeggen.

    -Ik zal dan maar terughinken naar het hotel… of misschien is er hier in de buurt wel een schoenwinkel?

    -Dat kan ik u niet zeggen, antwoordde ik. Misschien is blootsvoets lopen hier niet zo erg…

    Ze keek me aan, met een geïrriteerde blik, gereed om een snedig antwoord te geven.

    -Sorry, mevrouw, zei ik. Dat was een plagerijtje, het was natuurlijk niet gemeend. Ik help u wel uit uw benarde toestand. Geeft u mij een arm, dan gaat het gemakkelijker.

    De dame voor mij kalmeerde en keek wantrouwig naar mij. Haar blik bleef echter op mij rusten en haar ogen vernauwden zich even alsof ze aan iets dacht, zich iets herinnerde, iets herkende. Ze opende daarbij even haar mond, alsof ze niet wist of ze iets moest zeggen of niet. Ik bekeek haar vriendelijk-verwonderd. Ze was een knappe vrouw, ongeveer mijn leeftijd, dacht ik. Een mooie mond met volle lippen en daartussen een gave rij tanden. Nee, niet helemaal, een snijtand stond wat scheef. Stoorde toch niet echt.

    De dame bekeek mij aandachtiger.

    -Mijnheer, zei ze, ik heb de indruk dat ik u ergens van ken.

    Ik keek met meer inspanning naar haar en wroette in mijn geheugen. Kende ik haar ook? Iets in mij zegde dat zij voor mij geen totaal onbekende was. Die tand… Ja, die tand! In een flits herinnerde ik mij. Was dat…? Ik ademde diep en zei:

    -Vroeger heb ik iemand gekend die Bea heette. Zou het kunnen dat u...?

    -Bea? Ik? antwoordde de dame. Ze deed of ze verbaasd was en ontkennen wou, maar haar blik zei ja.

    -Vergist u zich niet, mijnheer? ging ze verder. Was het niet eerder een zekere zuster Paul-Benedicte?

    Ik was sprakeloos. Honderd vragen en herinneringen overweldigden mij. Ik bleef haar bekijken en riep uit:

    -Bea, Bea!… Nee, ik droom niet. Kan dat zijn? Na zoveel jaren. Zo lang geleden. Ben jij dat echt?

    -Toon, Toon, Toon!

    Ze sloeg haar armen om mijn hals en kuste mij op beide wangen.

    -Wel wat uitbundig voor een eerwaarde zuster, zei ik, en gaf haar een dubbele portie kussen terug.

    -Nee, geen eerwaarde zuster. Al làng niet meer. Bijna dertig jaar!

    -En jij hebt me na al die tijd niet vergeten?

    -Jij hebt me toch ook herkend, Toon, lachte ze. O wat ben ik blij dat jij me ook niet vergeten bent!

    -Heerlijk dat we mekaar weergevonden hebben, en dat we twee weken samen kunnen zijn, zei ik. We zullen mekaar wel veel te vertellen hebben.

    -Ben je getrouwd en heb je kinderen? vroeg ze.

    -Altijd vrijgezel gebleven. Te veel werk aan de univ. Wel een paar keren zo iets als een relatie gehad, maar er is nooit iets van gekomen. En jij?

    -Geen non gebleven. Heb jouw raad gevolgd: sluier weg, mooie kleren kopen, een gewone vrouw worden. Een beetje lijk de Beatrijs uit het verhaal. Maar daarna toch heel anders. Ik vertel je nog wel hoe dat kwam. Echter nooit getrouwd. Ik denk dat jij er onbewust toe bijgedragen hebt dat ik het klooster verlaten heb. Soms dacht ik terug aan ons afscheid. Jouw verdrietig gezicht stond in mijn geheugen gebrand. En ik had ook schuldgevoelens, omdat ik zo theoretisch en radicaal gehandeld heb. Ik heb later naar jou gezocht, wilde weten wat er van jou geworden was. Ik vond je niet.

    -Ik heb het ook lange tijd moeilijk gehad, zei ik. Maar ik ben gelukkig jou weer te zien. Ik hoop dat we mekaar niet meer uit het oog zullen verliezen.

    -En ik ben overweldigd door… door… ik weet het niet. Maar het is heel mooi!

    -Hopelijk krijgen we de gelegenheid het verleden een beetje in te halen, zei ik. Kom we gaan naar het hotel en dan kan je van schoeisel veranderen.

    Ze haakte zich vast aan mijn arm. Een straatje verder kon ze gemakkelijke schoentjes kopen. We gingen niet terug naar het hotel maar wandelden verder en lieten ons neer op een terrasje. Zij kon niet zwijgen en praatte maar door.

    Bea vertelde dat ze na haar diploma-uitreiking, in plaats van zich over het uitstekende resultaat te verheugen, dagen lang, neen weken, verdrietig was en meer geweend had dan iets anders. De retraite die ze de week na haar afscheid deed had haar in een toestand van geestelijke verdoving en apathie gestort. Bidden hielp niet. Daarna heeft ze getracht te vergeten door de haar opgelegde taken zo goed mogelijk te vervullen.

    Maar na enkele jaren vond ze dat het zo niet langer meer kon en dan heeft ze het klooster verlaten. Ze voelde dat haar persoonlijkheid daar te zeer onderdrukt werd. Soms zinloos en onbegrijpelijk, zei ze. Daarna heeft ze vele jaren, tot aan haar oppensioenstelling, gewerkt in een grote uitgeverij. De laatste tien jaar had ze daarbij ook gezorgd voor haar moeder, die tot aan haar overlijden bij haar samenwoonde. En nu was ze met een paar vriendinnen op reis.

    Het duurde niet lang voordat de leden van onze groep door hadden dat we zo op mekaar gesteld waren. Vooral de dames keken met vertedering naar ons.

    In de autocar zaten wij altijd naast mekaar. ’s Avonds laat trok ik mij terug op mijn eenpersoonskamertje. Ik wenste meer en meer dat ik daar niet alleen was. Maar een tweepersoonskamer nemen voor mij en Bea vond ik dan weer wat te voortvarend. Ik hoopte echter dat het niet meer lang zou duren dat we nog een aparte kamer zouden nemen.

    Bea sliep in een driepersoonskamer met haar twee vriendinnen. Die plaagden haar welwillend met haar “verovering” en spoorden haar zelfs aan mij zo te “verleiden” dat ik aan de “bekoring zou bezwijken”…

    Ik beleefde de heerlijkste vakantieweken van mijn leven.

    Zij ook.

    ***

    Wat ik hier verteld heb gebeurde vorig jaar.

    Ik ben ondertussen verhuisd.

    Zij ook.

    Elke avond bij het slapen gaan zeg ik haar:

    -Ik zie je gaarne, liefste.

    En telkens antwoordt ze:

    -Ik jou ook, schat.

    En dan kussen wij mekaar.

    En ’s morgens bij het opstaan:

    -Ik zie je gaarne, liefste.

    En telkens antwoordt zij:

    -Ik jou ook, schat.

    En dan kussen wij mekaar.

    En dan schijnt weer de zon!

     

    Dilbeek, 11 maart 2016.

    11-03-2016 om 00:00 geschreven door padre


    >> Reageer (0)
    02-03-2016
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Love-story 1 : Op de trein
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    2 maart 2016.- Enkele weken geleden praatte ik met een oude goede vriend en we hadden het over vroeger, over toen we nog jong waren en vaak overmoedig en ook romantisch. Natuurlijk hadden wij het ook over enkele hartsaangelegenheden, en we bekeken dat vanuit ons bejaard seniorenstandpunt wel met een zekere weemoed. En toen beloofde ik hem dat ik daarover eens enkele "love-stories" zou schrijven. Hij bekeek me een beetje ongelovig. Maar hier is de eerste. Met elementen uit mijn jonge jaren. Maar natuurlijk vertel ik niet alles, en heb ook een en ander aangepast. Mijn vriend zal wel het onderscheid tussen "Dichtung und Wahrheit" kunnen maken. Toch in zekere mate. Echter, het voornaamste is dat het verhaaltje je bevalt, beste lezer/es.

    Love-story 1

    Op de trein

    Ik zag van ver dat de trein het station binnenreed. Nu moest ik mij zeker erg haasten. Ik spurtte zo snel ik kon tot op het juiste perron. De treinwachter floot al voor het vertrek van de trein. Ik sprong op een trede, gleed nog juist door een toeschuivende deur naar binnen, voelde dat de trein een schokje gaf en zag het station stil wegschuiven. Dat was op het nippertje. Wat buiten adem drukte ik de deur naar de coupéruimte open en liep wat onzeker door de gang tussen de twee rijen zetels door. De trein reed over een wissel en schommelde lichtjes. Daardoor verloor ik even mijn evenwicht. Gelukkig kon ik mij nog vastgrijpen aan een zetelleuning, maar plofte toch neer naast een dame, die uit haar lectuur opschrok en me verbaasd doch geamuseerd bekeek.

    -Sorry, hijgde ik, vroeger kon ik wel wat eleganter gaan zitten dan nu…

    -Geen erg, mijnheer, zei de dame met een vergevensgezinde glimlach, als u denkt dat het niet elegant was, dan is het toch functioneel geweest. Blijf rustig zitten en maak het u gemakkelijk.

    -Ja, zo kan men het ook bekijken, antwoordde ik en bekeek wat aandachtiger mijn medereizigster.

    -Ik heb u het perron zien oplopen, en dacht dat u de trein niet meer zou halen. Maar toch hoopte ik een beetje dat u nog zou meekunnen.

    -Ik had er ook voor gevreesd.

    -En kijk, nu zit u hier toch op weg naar uw bestemming.

    -Ja, knikte ik, maar neemt u me toch niet kwalijk voor mijn ongewoon… “binnenvallen”.

    Een klein lachje was haar antwoord.

    Ik zag dat de bank voor ons vrij was en stond recht.

    -Stoort het u niet, dat ik tegenover u plaats neem? vroeg ik.

    -Maar natuurlijk niet. Waarom zou dat?

    Ik nam tegenover haar plaats tegen het raam. Ze legde haar boek op het tafeltje dat tussen ons aan de zijwand bevestigd was. Ze zag er mooi verzorgd en knap uit, had vriendelijke blauwe ogen en ietwat grijzend haar. Ze was groot en slank voor haar leeftijd en ik schatte dat ze rond de 65 kon zijn.

    Zo ongeveer mijn leeftijd, dacht ik.

    Ik keek op mijn polshorloge en zag dat het moest achterlopen. De trein vertrok om 15 uur en bij mij was het nog maar 14:55…

    -Ja, zei ik half tot mezelf en half tot mijn medereizigster, mijn horloge loopt wat achter en daardoor had ik bijna de trein gemist.

    Ik keek door het raam en zag de fruitplantages van de streek waar ik mijn jeugd had doorgebracht voorbijglijden. Ik maakte mijn polshorloge los en zette de minutenwijzer enkele minuten vooruit. De vrouw voor mij volgde mijn onhandige bezigheid. Rond haar wangen speelde een dromerige glimlach.

    -Niet dat het erg zou zijn als ik de volgende trein had moeten nemen, ging ik voort, er wacht toch niemand op mij.

    Een kleine beweging van haar ogen verried dat ik iets gezegd had dat haar belangstelling of nieuwsgierigheid opgewekt had.

    -Dan zou het geen drama geweest zijn, als u de trein voor je neus had zien wegrijden, meende ze.

    -Neen, maar een uur moeten wachten is niet leuk, en ik houd wel van een avondje televisiekijken. Ik mis niet graag het begin van een programma.

    Ze knikte instemmend.

    -Sedert mijn vrouw overleden is, ging ik voort, kunnen de avonden soms lang, stil en eenzaam zijn, en dan ben ik blij dat er zo iets als televisie bestaat, of dat ik mij even op mijn computertje kan bezighouden.

    -Ik kan me dat wel voorstellen… Dat gevoel heb ik soms ook, voegde ze er aarzelend aan toe.

    Nu keek ik belangstellend naar haar.

    -Mijn man is twee jaar geleden overleden, en mijn kinderen zijn getrouwd. Dus is het rondom mij veel stiller geworden. Mijn dochter woont nu in Hasselt en ik ben een paar dagen bij haar op bezoek geweest. Nu ga ik terug naar huis. Naar Blankenberge. Dat is een hele afstand.

    -O, dan zullen we nog een tijdje samen moeten reizen. Ik ga naar De Haan. Met de trein tot Blankenberge, en daar neem ik dan de kusttram. Ik zou ook over Oostende kunnen rijden, maar dan moet ik ook nog in Gent overstappen. En waarom het moeilijker maken als het gemakkelijk gaat…?

    -Daar hebt u gelijk in.

    De trein was ondertussen in Landen gestopt. Enkele reizigers stapten uit en begaven zich naar de uitgang van het station.

    -Hier heb ik enkele jaren gewoond toen ik nog klein was, zei ik. Er is hier ondertussen heel veel veranderd. Mijn vader was ambtenaar en bij elke promotie die hij kreeg moest hij verhuizen, zodat ik in mijn jeugd al op een zestal plaatsen heb gewoond o.a. in Landen. Zo komt het ook dat ik een tijd in Hasselt heb gewoond en er zelfs mijn middelbaar onderwijs beëindigd heb.

    -En nu woont u in De Haan; dat is wel anders dan “Limburg allein…”, zoals het liedje luidt. Ikzelf ben van Ieper, maar dat ligt toch in dezelfde provincie als Blankenberge.

    -Als men jong is, kan men nooit weten waar men als senior gaat terechtkomen, filosofeerde ik.

    Wij zwegen een tijdje en elk van ons was met zijn eigen gedachten bezig. Mijn coupédame verschoof het boekje dat op het tafeltje voor haar lag. Ik zei:

    -Leest u gerust verder, mevrouw, sorry dat ik u met mijn geklets heb afgeleid. Soms ben ik een praatvaar, misschien omdat ik tegenwoordig vaak alleen ben.

    -Och mijnheer, dat is voor mij niet erg. Ik heb ook wel eens last van dat gebrek…

    Ik keek naar haar boekje. Het was een Duitse novelle. Op de titelpagina las ik: “Wir sind Utopia”, en de auteur was Stefan Andres.

    -U leest Duits, mevrouw? zei ik. In ons land zijn er niet meer zoveel mensen die dat kunnen. Nu is het meer en meer allemaal Engels. Vroeger was dat anders.

    -Ja, met Duits heb ik niet veel moeite,en het brengt ook wat afwisseling in je lectuur, zei ze.

    -Neem me niet kwalijk dat ik naar de titel gekeken heb, ik zou hier niet over begonnen zijn, maar dat boekje herinnert mij aan mijn studententijd. Van onze professor Duits moesten we onder andere deze novelle lezen. En ik herinner me ook dat Stefan Andres himself dat jaar bij ons een lezing is komen geven. Hij had voor de gelegenheid zijn twee dochters meegebracht, en de dag daarna ben ik met een hele groep studenten en enkele professoren met hem en zijn dochters bootje gaan varen op het Zoet Water, bij Leuven. Ik bezit daarvan nog twee zwart-wit fotootjes.

    Er viel een stilte tussen ons. De dame voor mij bekeek mij verwonderd en haar mond was wat opengevallen. Vroeg ze zich misschien af of ik haar wat wijsmaakte? Toen zei ze:

    -Misschien zal u het niet geloven, maar daar was ik ook bij… Was u er daar toen ook echt bij?

    -Ja! … Is dat mogelijk dat wij toen samen… En dat het toeval ons hier…?

    -Haast niet te geloven, haast niet te geloven…

    Wij waren Tienen voorbij en naderden de universiteitsstad Leuven. De treinwachter controleerde onze vervoersbewijzen. Ik had een seniorenbiljet. Zij ook, zag ik. Ze stak haar vervoersbewijs terug in haar handtasje en keek weer naar mij.

    -Ik dacht, ik voelde, toen u binnenkwam, dat ik u nog ergens gezien had… Maar waar? En na zoveel jaren…

    Zelf wist ik niet direct wat ik kon zeggen. Keek naar haar boekje, bekeek haar opnieuw, zocht mijn geheugen af. En toen, ineens, wist ik het, als in een openbaring. Dat was Lieve! Lieve, het meisje waar ik als student smoorverliefd op was, en aan wie ik het nooit heb durven zeggen. Alhoewel ik vermoedde dat zij ook…

    -Nee toch, aarzelde ik. Dan ben jij… Lieve?

    -En jij bent Wim? Die stille schuchtere Wim, die Wim die toen gedichten schreef, die er mij zelfs een paar per post heeft opgestuurd? Ze waren anoniem, maar ik wist wel dat ze van jou waren.

    -Inderdaad, mompelde ik, dat is lang, lang geleden. Misschien had ik het je toen beter mondeling dan schriftelijk gezegd…

    -En, ging ze voort, je vindt het zeker romantisch, maar… ik heb die gedichtjes bewaard! Om een of andere reden, ik weet niet waarom. Ach ja.

    -Dat kan toch niet waar zijn? verbaasde ik mij.

    -Echt, heel zeker, glimlachte ze en een lichte blos kleurde haar wang. Ik ken er zelfs nog enkele verzen van:

    “Een liedje aarzelend over ‘t graan

    Gevlogen. In de lucht de maan.

    En zacht in zoete zomertoon

    Zingt langs het land een vogel schoon :

    Oli, ola o lievija!”

    -En jammer genoeg zijn onze wegen uit mekaar gegaan, mijmerde ik hardop. Mijn schuld…? Of was het schuchterheid, of lafheid… Maar ja, het heeft weinig zin om daar nu over te piekeren en te praten, wij zijn ondertussen meer dan veertig jaar verder en ouder.

    -Wim, zei ze, en keek me glimlachend aan. Ik ben blij dat ik je terug ontmoet heb.

    -Ik ook, Lieve, zei ik.

    Een jeugdig gevoel vulde mij. Dat zo iets nog kon zou ik voor onmogelijk hebben gehouden. Ik ging naast haar zitten. Ik nam haar hand vast. Ik had zin om iets geks te doen.

    Wij waren bijna in Leuven.

    -Ik wou dat ik nu veertig jaar jonger was, dan zou ik u vragen hier in Leuven met me mee uit te stappen… Wil je? vroeg ik.

    Ze keek me diep in de ogen.

    -Dan doen we het. Kom!

    We liepen door de gang en konden nog juist uitstappen, vooraleer de trein wegreed. Op het perron schoten we beiden in een jonge lach, gaven mekaar een handje en huppelden naar buiten, door de straten van onze jeugd, langs de gebouwen waar we samen cursussen gevolgd hadden.

    We gingen een koffietje drinken in een gelegenheid die we van vroeger kenden. In het café zaten veel studenten en een aantal verliefde paartjes. We gingen op een van de banken zitten, praatten over vroeger en nu. Zij zat aangeleund tegen mij en voor we naar buiten gingen gaf ik haar een kusje in haar hals. Ze keek mij met stralende ogen aan en gaf me haar arm. Als een gelukkig paar wandelden wij naar het station.

    -Ik heb me lange tijd niet zo licht, niet zo gelukkig gevoeld, zei ik.

    -Ik voel me ook prettig jong, antwoordde ze. Zullen we proberen het zo te houden? Akkoord?

    -Akkoord, stemde ik in. Ik drukte haar tegen me aan. Ik gaf haar een kus, kort bij de mond. Zij kuste me terug, op de mond. Ik lichtte haar wat op en maakte een rondedansje. Haar heldere lach weerkaatste vrolijk tegen de gevels.

    In Leuven was het allemaal begonnen. Na Leuven is ieder van ons zijn eigen weg gegaan. En in Leuven is het herbegonnen.

    Vooraleer wij in Blankenberge aankwamen hebben wij al pratend de voorbije veertig jaar proberen in te halen. Dat ging natuurlijk niet. Maar na veertig jaar hebben we de draad terug kunnen opnemen.

    *****

    Nu ik dit schrijf kijk ik door het raam naar de horizont, waar de zee een lijn trekt tussen hemel en water. In de keuken neuriet Lieve een oud studentenliedje terwijl de heerlijke geuren van het middagmaal de ruimte vullen. Zij nipt aan mijn aperitiefje, legt haar arm over mijn schouder en leest enkele zinnen van mijn tekst. Ze geeft me een kusje in de hals en fluistert:

    -Het eten is klaar, schat.

     

    Dilbeek, 2 maart 2016.

     

     

     

     

     

     

    02-03-2016 om 00:00 geschreven door padre


    >> Reageer (0)
    10-08-2015
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.80

    Een goede vriend van mij verjaart !

    80

     

    Vriend, ‘k wil je feliciteren

    Met dit versje klein en fijn

    En je met je 80 eren.

    Kon dat lukken, ’t ware fijn.

     

    Uit mijn dikste lexicon

    Zocht ik duizend lieve woorden

    Volgeladen met veel zon

    En dromen van vakantieoorden.

     

    Mengen zou ik ze daarna

    Met een schep fonetica,

    En met veel grammatica

    Smelten tot retorica.

     

    Om dit alles saam te lijmen

    Tot een smakelijke dis

    Neem ik uitgelezen rijmen,

    Zorg dat het heel lekker is.

     

    Laat het smaken, goede vriend,

    Met je 80 mooie jaren.

    Leef gelukkig, wel verdiend.

    Moge God je steeds bewaren!



    XX

    10-08-2015 om 00:00 geschreven door padre


    >> Reageer (1)
    07-06-2015
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Doodgaan...
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Voor broer Luc (1944-2015)

     

    Doodgaan is als slapen gaan,

    Slapen zonder dromen.

    Alle pijn is dan gedaan.

    Er zal niets meer komen.

     

    Tenzij je aan de overkant

    In een ander land belandt,

    Onvoorstelbaar, onbekend,

    En waarin je zalig bent.

     

    Want daar zal je anders leven,

    Nooit meer bang zijn, nooit meer beven,

    Baden in een hemelse rust.

    Steeds meer liefde die je kust.

     

    Doodgaan is als slapen gaan,

    Leven in een nieuw bestaan.

    Opgedragen aan mijn broer Luc, overleden op 6 juni 2015.

    07-06-2015 om 00:00 geschreven door padre


    >> Reageer (2)
    31-01-2015
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen. VERZAMELDE HAIKOES-SENRIOES

    Verzamelde haikoes-senrioes

     

    Haikoe en senrioe zijn benamingen voor een soort van gedichtjes die haar oorsprong vindt in de Japanse literatuur

     

    De traditionele schrijfwijze is haiku en senriu. Maar ik geef de voorkeur aan een schrijfwijze die in overeenstemming is met de Nederlandse uitspraak. Ook omdat mijn haikoes-senrioes in het Nederlands gedicht zijn.


    Zowel een haikoe als een senrioe is een poëzietje dat naar de vorm uit drie regels bestaat. De eerste regel telt 5 lettergrepen, de tweede 7 en de derde weer 5 (dus 5-7-5).

    Er is wel een verschil tussen een haikoe en een senrioe. Eenvoudig voorgesteld heeft een haikoe altijd te maken met de natuur. Een senrioe daarentegen behandelt andere onderwerpen, bv. de mens met zijn eigenheden, karakter, visie op de dingen...

    Soms is het niet duidelijk of men met een haikoe dan wel met een senrioe te maken heeft. Daarom geef ik er de voorkeur aan mijn poëzietjes haikoe-senrioe te noemen.

     

    Gemakkelijkheidshalve gebruik ik in de navolgende regels alleen maar de benaming HAIKOE. U beslist maar voor uzelf tot welke groep deze versregels behoren.

     

    1.

    Gras in de morgen.

    Nat mijn voeten in de dauw.

    Straks schijnt de zon hoog.

    2.

    De blijde mond van

    Mijn wit communienichtje  

    Lacht vreugde in huis.

    3.

    Hout in open haard.

    Vuur verteert het snel tot as.

    Maar wat een warmte !

    4.

    Geurend rode wijn.

    Vol kan de fles niet blijven.

    Nu ben ik verheugd.

    5.

    De televisie.

    Iedereen kijkt naar haar oog...

    Oog van een monster.

     

    (1-5: 1981-1985)

     

     

     

    Verjaardagshaikoes

    *****************************

     

    Vandaag verjaar ik. 
    Men wenst mij veel geluk toe. 
    Laat het maar komen.

     

    (2008 0619)

    *****

     

    Alweer verjaar ik.

    Liefst tel ik niet de jaren.

    Ben ik blij of niet?

    *****

    76

    Nu heb ik toch weer geteld.

    Nog meer verleden.

    *****

    Vandaag is leven.

    De toekomst is een raadsel.

    Los ik het ooit op?

    *****

    Jullie wensten mij

    Proficiat en geluk.

    Hartelijk bedankt.

     

    (19 juni 2012)

    *****

     

    Haikoe voor I.

    ********************

     

    Donker, koud en kil.

    Wacht en hoop. Vertrouwen baart

    Licht en warme zon.

     

    ( 2010 0423)

     

     

    Haikoe voor Wivina

    ****************************

    Wivina's handen
    Houden staf en kaars en boek.
    Zo staat ze heilig.

    (2012 0807)

     

    Nieuwjaarswensen
    ***********************

    1.

    Nieuwjaar is weer daar.

    Nu valt snel het oude jaar

    In vergetelheid.

    2.

    Nieuwjaar! Ik wens je

    Vrede, voorspoed en geluk.

    Laat het maar komen!

     

    (2012 1220)

     

    Herkenrode-haikoe-senrioes
    ***********************************
     

    ter gelegenheid van de bijeenkomst

    op 6 mei 2011 van de overlevenden

    van onze Retorica 1952-1953

    1.

    Koffie in de zon

    Met speculaas. Wij wachtten

    Achtenvijftig jaar.

    2.

    Zestien uit de klas.

    Ogen tasten elkaar af.

    Kennen wij mekaar?

    3.

    Wij zien verwonderd

    Verrimpelde gezichten.

    Vanbinnen nog jong.

    4.
    Verdwenen de tijd

    Tussen jeugd en ouderdom.

    Ik voel mij weer jong.

    5.
    Warme lentezon

    Verwarmt de kille harten

    Van oude knapen.

    6.
    Tijdloos de abdij.

    Haastig vreet de autoweg

    Tevergeefs de tijd.

    7.
    Buiten: zonneschijn.

    Binnen: donk’re volle wijn

    Veredelt ons maal.

    8.
    Door mijn glas vol wijn

    Prikt de zon met gouden straal:

    Bloed vol van vreugde.

    9.
    Koele avondzon.

    Herinneringen rusten.

    Stilte is hun bed. 

              

    (mei 2011)

    *****

     

    Vier haikoes in de vorm van een acrosticon (VERWONDERING) :

    Wachten op...

    *******************

     

    Vanop mijn terras

    Eenzaam naast de grote berg,

    Reikt mijn ziel omhoog.

     

    Witte wolkenkap

    Op het kaal hoofd van de berg.

    Nog geen kleur die warmt.

     

    De zon prikt stralen,

    En de kilte van de berg

    Rilt; daar glimt een traan...

     

    Ik voel al lente.

    Nader glijdt zij van de berg.

    Gaat het niet sneller?

     

    (2014 0119)

    *****

     

    54 EHRWALDER HAIKOES

    ***************************************

    EHRWALDER HAIKOES - 1

    1. 

    Stil ligt eeuwig zwaar

    Sonnenspitze vol met zon

    Op lichtloze grond.

    2.

    Ieder jaar opnieuw:

    De zon zuigt groene bomen

    Uit de grijze berg.

    3.

    Vanop dit terras

    Kijk ik naar de berg vol zon.

    Kijkt hij ook naar mij?

    4.

    Mijn glas wijn drinkt zon.

    Ik drink mijn dorstige wijn.

    Zon is nu in mij.

    5.

    Kijk, dit levend bier.

    Het sprankelt bubbels vreugde

    In mijn gouden glas.

    6. 

    Moe en slap de zon.

    De wind veegt wolken samen.

    Straks grolt de donder.

    7. 

    Nevels omhullen

    Van boven tot onder de berg.

    Ze stelen mijn zon.

    8. 

    Wolken wit op grijs.

    Bomen klimmen op de berg,

    Schilderen met groen.

    9. 

    Witte wolkenkap

    Op het kaal hoofd van de berg.

    Geen zon. Ik ben droef.

    10. 

    Onzichtbaar de zon

    Boven zware wolkensliert.

    Beneden toch groen.

    11.

    De kop van de berg

    Met een witte wolkensjaal

    Op een groen lichaam.

    12.

    De zilveren lucht

    Droogt en kleurt en kleedt de berg.

    Regen aan zijn voet.

    13.

    Koeienbellen klank.

    Verborgen in de verte.

    Onzichtbaar leven.

    14. 

    Dat stille water

    Toch beweegt het steeds maar voort.

    Zo ook mijn dagen.

    15. 

    Hoekig en getand

    Snijdt de berg zijn profiel uit

    Tegen volle maan.

     

    (Ehrwald, 14 september 2011)

     

    *****

     

    EHRWALDER HAIKOES - 2

    16.

    Winter in Ehrwald.

    Bergen blazen witte kou

    Door de straat in huis.

    17. 

    Vlammen in de haard

    Vreten langzaam aan de koelte.

    Warm wordt ook ons hart.

    18. 

    De kaars bij mijn raam.

    Koude wind likt door de spleet

    Aan haar warme vlam.

    19. 

    Een glas vol rode wijn

    Op tafel, en de zon schiet

    Erin. Robijnen.

    20. 

    Onder dunne lucht:

    Wolkensjaal rond de bergtop.

    Geraak ik daarop?

    21. 

    Skiërs glijden snel

    Over de hoge hellingen.

    Toch daalt steeds alles.

    22. 

    De zon prikt in de

    Witte kilte van de berg.

    Ik voel al lente.

    23. 

    Overvloed van sneeuw

    Druppelt stil onmerkbaar weg.

    Zo ook mijn dagen.

    24. 

    In een zonnestraal

    Wipt een kwetterende mus.

    Wij horen lente.

    25. 

    Lui ligt wit de wolk

    Tussen bergen in de zon.

    Dat verlang ik ook.

     

    (maart 2012)

     

    *****

     

    EHRWALDER HAIKOES - 3

    26. 

    Juni in Ehrwald.

    De lente wordt volwassen.

    Jong blijft toch mijn hart.

     

    27.

    Bergkop, kaal en grijs.

    Doch zijn baard van weelde groen

    Vernieuwt zich elk jaar.

    28. 

    Heiterwanger See,

    Omarmd door groene bergen,

    Draag en wieg mijn hart.

    29. 

    De boot op het meer

    Nadert onverstoorbaar kalm

    En zeker haar doel.

    30. 

    Een zonnestraal prikt

    Door de wolk, glijdt langs de berg,

    Plonst in het water.

    31.

    Ik zit op de bank

    En kijk naar de verre berg.

    Hoe klein ben ik toch.

    32.

    Langzaam kruipt omhoog

    De kabelbaan de berg op.

    Een spin aan een draad.

    33.

    Roerloos de huizen

    In het verre lage dal.

    In hen groeit leven.

    34.

    ’t Gezoem van een vlieg,

    ’t Gebrom van een ver vliegtuig.

    Leven en techniek.

    35.

    Boven ’t groene gras

    Hangen bloemen geel, wit, rood.

    Vreugde kleurt mijn ziel.

    36.

    Haar belgeluid stopt.

    De koe staat dom te kijken.

    Maar waarom naar mij?

    37.

    De zwarte merel

    Schiet helder met gele bek

    De lucht vol klanken.

    38.

    Hoor, en luister naar

    De klank van de fanfare.

    De processie volgt.

    39.

    Stil drupt de regen

    Van de sparren op mijn hoofd.

    Geen stoffige weg.

    40.

    Een laat meiklokje

    Staat nog eenzaam langs de weg.

    Maar toch is het mooi.

     

    (juni 2012)

     

    *****

     

    EHRWALDER HAIKOES - 4

    41.

    Najaar in Ehrwald.

    Verkwistend strooit september

    Kleuren overal.

    42. 

    De zon streelt met licht

    De kop van de koude berg.

    Nu wordt hij heel warm.

    43. 

    Vrolijk water daalt

    Tussen wortels, rots en steen.

    Dansende natuur.

    44. 

    De koeienbellen

    Strooien klanken op de alm.

    Toespijs bij het gras.

    45. 

    In het natte gras

    Twee late zomerbloemen.

    Herinneringen.

    46.

    De wind bepotelt

    Grillig sensueel de boom.

    Hij rilt van genot.

    47. 

    Zonnig mijn terras.

    Winden waaien er voorbij.

    Mij raken ze niet.

    48. 

    Het weer verandert.

    Er hangt regen in de lucht.

    Tijd voor verkwikking.

    49.

    De berg zie ik niet

    Als het regent in de herfst.

    Toch is hij er nog.

    50. 

    Stoer trotseert de berg

    De harde sneeuw en regen.

    Toch deert het hem niet.

    51. 

    Prille eerste sneeuw

    Kleeft jong en wit op de top.

    Winterbelofte.

    (september 2012)

    *****

    EHRWALDER HAIKOES - 5

    Een triootje nakomertjes :

    52.

    Overal valt sneeuw.

    De wereld wordt wit en stil.

    In  mijn hart daalt rust.

    53.

    Sneeuw, overal wit.

    De zwarte lijn van de beek

    Snijdt het land in twee.

    54. 

    Dichte mist vandaag.

    Gisteren zag ik de berg.

    Maar hij is er nog.

    (januari 2015)

     









    31-01-2015 om 00:00 geschreven door padre


    >> Reageer (0)
    30-11-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.MARIEKE
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    8-7-2012

    Op bezoek bij Marieke

    Niet lang geleden ben ik Marieke weer eens gaan bezoeken. Ik ken Marieke al meer dan vijftig jaar. Marieke is mentaal gehandicapt en heeft het verstand van een kind van een jaar of drie. Bij haar geboorte is er iets misgegaan en de hersenen werden beschadigd. Zo komt het dat Marieke heel haar leven lang nog kind zal blijven, niettegenstaande dat ze een leeftijd bereikt heeft waarop anderen al met pensioen zijn.

    Marieke woont nu al meer dan veertig jaar in hetzelfde instituut. Ze is er helemaal thuis. Iedereen kent haar daar en zij kent er iedereen. Marieke is niet lichamelijk gehandicapt, veel andere bewoners wel.

    Telkens als ik van een bezoek aan Marieke en haar lotgenoten thuiskom ben ik onder de indruk en een beetje bedroefd. En dat is in al die jaren dat ik haar ken nooit veranderd. En toch beleefde ik met haar veel plezierige momenten.

    Marieke houdt van breien. Enkele maanden na onze eerste ontmoeting heeft ze me beloofd een muts voor me te breien. Met er bovenop een "pompon". En ze is er ook aan begonnen. Maar om een of andere reden is die muts nog altijd niet afgeraakt. Als ik haar soms eens vraag wanneer ik mijn muts ga krijgen, dan lacht Marieke eens raadselachtig en ze breit verder aan een sjaal die al veel te lang is en die vol fouten en gaatjes zit en over de hele lengte van breedte verandert...

    En wandelen dat Marieke kan! Als zij af en toe bij ons thuis logeert ga ik gedurende de dag meestal met haar eens op stap. Dat is goed voor de zenuwen en de bloedsomloop. En als ik dan na enkele uren flink stappen, samen met haar, vermoeid thuiskom en mij in een zetel laat vallen, staat Marieke daar nog fris naar mij te kijken en vraagt zich af waarom ik al aan rust toe ben.

    In het instituut waar Marieke "thuis" is verblijven tientallen andere bewoners. Tegenwoordig noemt men hen "minder-validen". Ze zijn allen op de een of andere manier gehandicapt, vooral mentaal, en dikwijls daarbij ook fysisch.

    De eerste zondag van de maand is het bezoekdag. De gelukkigen die familie of kennissen op bezoek krijgen - en dat zijn er niet zo veel - komen samen in de grote turnzaal van het instituut die ook voor feesten en vergaderingen dient. De anderen blijven in hun verblijfshuizen of gaan wandelen. Ten minste als het weer het toelaat en er genoeg personeel ter beschikking is. In de bezoekerszaal kan je een koffie met een stuk taart krijgen of een watertje en een pintje drinken. Alles tegen uiterst democratische prijzen. De "bewoners" die bezoek krijgen zijn blij, en ik heb daar nog nooit een uitzondering op meegemaakt. Maar de manier waarop die vreugde wordt geuit is verschillend bij iedereen. Wat opvalt is dat de meesten veel zenuwachtiger en uitbundiger reageren dan normaal. Je merkt het aan het luider spreken, aan de grotere gebaren, aan het zenuwachtig reageren, aan de "smoelentrekkerij", aan de gilletjes, aan het hijgen van sommigen…

    Ik zit ongeveer in het midden van de zaal met mijn rug naar het raam toe, zodat ik een goed overzicht heb op de aanwezigen en op wat er allemaal gebeurt. Het zijn elke maand over het algemeen dezelfden die bezoek ontvangen, dezelfden die een weekend naar huis kunnen gaan, dezelfden die slechts verlangen en wachten tot er iemand komt…

    Aan de andere kant van de tafel, tegenover mij, zit Marieke. Ik heb haar een koffie en een stuk taart gekocht, dat je je rechts van de ingangsdeur kunt aanschaffen. Het is schandelijk goedkoop, drie tot viermaal goedkoper dan wanneer ik hetzelfde in een café zou bestellen. Men wil geen winst maken en enkele belangeloze vrijwilligers offeren hun vrije namiddag hier op.

    Marieke zegt niet veel. Een echt gesprek met haar is trouwens niet mogelijk. En met de jaren gaat het minder vlot. Maar ze geniet van mijn aanwezigheid en van de koffie en de taart. Om haar iets te doen zeggen stel ik af en toe een vraag. Ik weet vooraf wat het antwoord gaat zijn want dat is bijna altijd "Ja, jaa" of "neije". Slechts als iets haar erg getroffen heeft, een treinramp op de tv bij voorbeeld, of als haar iets nieuws opvalt in mijn kleding, vertelt ze het op haar onsamenhangende manier. En telkens vraagt ze ook of het breiwerk dat ze bij ons thuis achtergelaten heeft, nog op dezelfde plaats te vinden is, voor wanneer ze bij ons komt.

    Daar loopt Aloïs in de zaal en ruimt de tafels op. Aloïs is een flinke joviale kerel en hij onderscheidt zich haast niet van het vrijwillig hulppersoneel. Doch Aloïs is bewoner van dit huis. Hij kan lezen en schrijven, slaat met iedereen wel eens een praatje, lijkt helemaal normaal. Maar dat is hij niet. Als hij soms zijn "kuren" krijgt, wordt hij gevaarlijk. En dan is het goed dat er gespecialiseerd personeel ter beschikking is om hem weer in te tomen.

    Aloïs ziet mij zitten en komt naar mij toe. Ik weet wat hij gaat zeggen, want elke keer is het bijna hetzelfde. Hij klopt mij op de schouder en lacht mij toe. Hij is mijn naam weer vergeten, en is gelukkig als hij hem als groet een paar keer kan herhalen. Hij zegt iets over het weer en dat hij veel werk heeft met al het volk dat gekomen is, en dan slalomt hij verder tussen de tafels door op zoek naar lege glazen of koppen.

    Twee sociaal-assistentes met mappen onder de arm groeten de bezoekers vriendelijk en gaan op zoek naar familieleden om hen in te lichten en te helpen. Links van mij is er een in gesprek geraakt met de familie van Liesje. Liesje is misschien anderhalve meter hoog, heeft een te klein hoofd, is steeds op niets aan het kauwen, maar lacht gelukkig en streelt de sociaal-assistente terwijl ze uitleg geeft.

    Wat verder zit "de generaal". Ik noem hem zo omdat ik hem al dikwijls in soldatenplunje en met een bruine kepi op het hoofd in het instituut heb zien rondlopen. Hij ziet er wel wat krijgshaftig uit en luistert manhaftig naar wat zijn bezoekers hem te vertellen hebben.

    Daar komt Peter de zaal binnengewandeld. Hij is nog niet lang terug wakker, want elke middag is hij verplicht een uur of iets meer te gaan slapen. Hij mag zeven sigaretjes per dag roken, natuurlijk niet hier in de zaal. Een nog niet brandende sigaret hangt op zijn onderlip. Hij ziet ons, komt naar ons toe, geeft Marieke een kusje en deelt ons zijn groot geluk mee: dat hij straks weer een sigaretje mag gaan roken. Als hij buiten is. Hij stevent op zijn broer af, die daar in de andere uithoek van de zaal zit. Hij krijgt een cola en vertelt waarschijnlijk weer iets over zijn sigaretjes.

    Twee tafels rechts voor mij zit een meisje dat ik niet ken. Ze ziet er goed uit, heeft een knap uiterlijk, maar ze stoot eenlettergrepige woorden uit, ongearticuleerd, en alleen de naaste familie en wellicht haar verzorgsters van het instituut verstaan haar. Ze staat recht en ik zie dat ze vanonder zeer zwaar gebouwd is. Ze is wel honderd kilo. Maar wat een knap gezichtje heeft ze.

    Daar gaat de dubbele deur open en een bewoner in een rolstoel wordt binnengereden. Hij heeft een popje in de hand en knuffelt het terwijl het speeksel uit zijn mond druipt. Hij wordt tegen de zijkant van een tafel gezet en krijgt even later koffie en taart. Maar alleen eten en drinken gaat niet. Hij wordt geholpen lijk een baby van bijna een jaar. Maar het smaakt hem en hij geniet ervan. Dat zie ik aan zijn reacties.

    Emiel heeft ook bezoek. Hij ziet mij zitten en komt me met veel ongearticuleerde klanken zeggen dat Club Aalst gewonnen heeft, maar dat ze voor de volgende match zullen moeten oppassen. Doch ze zullen en moeten winnen, want hij is supporter van Club Aalst. Emiel kan lezen, maar hem interesseert slechts het voetbal. De sportbladzijden in de krant zijn het enige interessante nieuws voor hem.

    Inge is nog niet zo lang in het instituut. Ik zie ze zitten, jong en aantrekkelijk. Maar haar blik is afwezig, of liever, ze is totaal geconcentreerd op het broodje dat ze aan het eten is. Ze propt haar mond zo vol dat ze nog nauwelijks kan ademen, probeert even nog wat koffie erbij te pompen en kauwt, kauwt. Daarna herbegint de volpropperij.

    O ja, daar zit de parkwachter. Elke gelegenheid neemt hij te baat om parkeerplaatsen bij de ingang van het instituut aan te wijzen en met goed bestudeerde gebaren de chauffeurs te helpen parkeren. Maar toch is het best dat men zelf goed uitkijkt waar je moet rijden en staan…

    Enkele tafels verder praat Louisa met haar zus en enkele andere bezoekers. Louisa leest drie tot vier boeken per week. Ontspannende, lichte lectuur. Vooral liefdesverhalen. En babbelen dat ze kan! Als ze je te pakken krijgt, geraak je niet snel van haar af. En als ze je de oren van je hoofd gepraat heeft, begint ze opnieuw en herhaalt wat ze al verteld heeft. Dan is het tijd om iets te verzinnen en te verdwijnen.

    En dan is er "de pastoor". Hoe dikwijls heb ik hem niet in de gangen van het instituut zien rondlopen met een groot kruis rond de hals en in de hand een paternoster. Hij bidt voor ons aller heil. Ja, bij de gehandicapten zijn er ook heiligen. Als ik rechtsta om terug naar huis te gaan groet hij mij en geeft mij zijn zegen. Hij tekent met de rechter arm en met groot gebaar een kruis in de lucht. Het scheelt niet veel of ik maak een kruisteken…

    Voordat wij aan de uitgang zijn, komt Lucieke armenzwaaiend naar ons toe. Ze wijst fier naar de affiches die tegen de muur hangen en die zij getekend heeft. Ja, Lucieke heeft talent, veel talent voor tekenen en schilderen. Ik wens haar proficiat en zeg dat ze voor mij ook eens iets moet schilderen.

    Als ik Marieke terug naar haar wooneenheid gebracht heb en afscheid heb genomen rijd ik terug naar huis. Volgende maand bezoek ik haar weer eens. Bij leven en welzijn. Ik kijk stil naar het verkeer en denk aan wat mijn moeder vroeger wel eens zei, namelijk dat Onze-Lieve-Heer van alles zijn getal moet hebben…

    Maar of mijn moeder gelijk had???

     

    8-2-2013

    Nog eens naar Marieke

     

    Vorige zondag zijn wij weer eens op bezoek geweest bij Marieke. Jij kent ze toch nog, het gehandicapte Marieke, over wie ik eerder in dit blog een tekst schreef.

    De mensen van het instituut waar Marieke al jaren verblijft hielden die zondagnamiddag hun jaarlijkse publieke bijeenkomst. Men geeft er gedurende een uurtje allerlei informatie over het reilen en zeilen van de onderneming, over de inkomsten en vooral over wat ze nog nodig hebben om beter te kunnen functioneren. Daarna, als dit "ernstig" gedeelte afgelopen is, komen de "bewoners" (de cliënten zeggen ze daar - en ik vind dat wel een beetje oneerbiedig...) naar de grote ontvangstzaal, die eigenlijk een turn- en sportzaal is die voor allerlei activiteiten kan omgevormd worden.

    Marieke was blij ons weer eens te zien. Marieke zegt niet veel, maar aan haar blinkende oogjes kan je zien dat ze in haar nopjes is. Vooral nadat wij haar een stuk taart zijn gaan halen met een "colacola".

    Lang duurt het niet vooraleer dat alles met een existentiële ernst naar binnen gespeeld is. Dan bekijkt ze ons glimlachend gelukkig en laat haar ogen over de andere personen in de zaal glijden.

    - En heeft het goed gesmaakt, Marieke?

    - Ja, jaaaa.

    - Nog een stuk taart?

    - Ja, jaaaaa.

    - Ga je daar niet te dik van worden?

    - Nieje !

    Weer werkt Marieke een stukje hemelse gelukzaligheid naar binnen en doopt het met een tweede "colacola".

    Weer een stilte. Ineens bekijkt ze mij en vraagt :

    - En hoe is het met mijn breiwerk?

    Want haar zak met breinaalden en breigaren ligt bij ons thuis op zijn gewone plaats in Mariekes kleerkast. Hij ligt bij ons omdat men ons afgeraden heeft hem aan Marieke mee te geven naar het instituut. Af en toe krijgt Marieke ook haar "kuren" en dan zou ze iets onverantwoords kunnen doen...

    - Het ligt nog altijd op zijn gewone plek, zeg ik. En als jij nog eens tot bij ons komt, gaan we verder de sjaal die je voor mij breit afwerken.

    Die sjaal geraakt nooit af, dat weten wij wel, maar Marieke heeft daardoor weer iets waar ze naar kan uitkijken.

    Na nog wat eenvoudige vragen, waarop we eenlettergrepige antwoorden krijgen, brengen we Marieke terug naar haar "leefeenheid". De acht tot tien anderen die daar hun dagen doorbrengen komen naar mij toe, geven een handje en enkelen zelfs een kusje. Ze kennen ons allemaal, want tot elk van hen zeggen we wel iets, al ware het maar enkele woordjes. De opvoed/st/ers kunnen dat ook waarderen.

    En dan rijden wij terug naar huis, door het grauwe landschap, over natte en nog sneeuwomrande wegen. Elk bezig met zijn eigen gedachten...

     

     

    1-12-2013

     

    Een laatste keer Marieke...

     

    Vorige vrijdag, eergisteren, hebben wij van Marieke voorgoed afscheid genomen. Vorige week zaterdag viel ze flauw. Het was ernstig en even later werd ze in de spoeddienst van het ziekenhuis opgenomen. De beste zorgen konden niet meer beletten dat maandag morgen haar zuivere kinderlijke ziel naar hogere sferen steeg.

    Marieke was bijna 66 jaar.

     

    Gedurende de laatste maanden ging ze zienderogen achteruit. Wij bezochten haar als het bezoekdag was, elke eerste zondag van de maand. Wij hadden ze graag nog, gelijk vroeger, voor een paar nachten naar huis meegenomen, maar dat ging niet meer.

     

    Vorige bezoekdag, zondag 3 november, zag ze er beter uit en ze reageerde levendiger dan anders. En toen we weggingen, weende ze. Een van de zeldzame keren. Niettegenstaande dat wij haar verzekerden dat we de volgende keer terugkwamen. Had ze een voorgevoel?

     

    Eigenlijk heette Marieke niet Marieke. Of toch wel, want haar tweede voornaam was Marie. Maar wij noemden ze met haar eerste naam.

     

    We hebben Marieke een mooie uitvaart bezorgd. De mensen van het instituut waar ze 45 jaar verbleef, hebben dat prachtig geregeld. Ikzelf mocht de mensen verwelkomen.

    Marieke was mijn schoonzus...

     

    In het begin van de eucharistieviering heb ik enkele woordjes mogen zeggen. Ik verander alleen haar eerste naam in haar tweede. Maar dat heeft echt geen belang. Luister mee, en wens Marieke het geluk toe dat hier voor haar onbereikbaar was. Vaarwel schoonzusje!

     

    Beste familieleden, vrienden,

     

    Wij zijn hier samen voor Marieke, om haar eer te bewijzen en te danken voor wat ze voor ons betekend heeft.

     

    Ze was onze lieve zus, schoonzus, familielid, vriendin, medebewoonster, dikwijls onze vreugde en ook ons zorgenkind. En dan leg ik vooral de nadruk op “kind”, want “kind” is Marieke altijd gebleven. De mentale handicap waarmee ze geboren werd blokkeerde haar verstand op het niveau van een driejarige. Zo bleef Marieke haar hele leven kind, zelfs terwijl haar lichaam zich tot een mooie gezonde volwassen vrouw ontwikkelde.

     

    Kinderen kunnen je zorgen en angsten doen uitstaan, kunnen je afmatten, kunnen je mogelijkheden beperken, maar kinderen kunnen ook héél lief zijn en vreugde geven. En kinderen kunnen niet echt kwaad doen. Kinderen zijn eenvoudig en zuiver van harte. Dat is ook toepasselijk op Marieke.

     

    En hier denk ik nu aan die keer dat Ons Heer, na weer een van zijn preken, vermoeid was en wilde rusten. Maar toen kwamen er enkele moeders naar hem toe met hun kinderen, om ze te laten zegenen. En de apostelen vonden dat dat op dat moment niet meer kon, dat het vandaag al genoeg was geweest. Maar Jezus gaf zijn apostelen geen gelijk en zei dat mooie woord : “Laat de kinderen tot mij komen, want aan hen behoort het rijk der hemelen.” En ze waren welkom.

     

    Zo ook Marieke, altijd kind gebleven, zuiver van harte, onbekwaam te zondigen. Zij zit nu aan de voeten van Ons Heer, kijkt en luistert naar Hem, gelukkig, zoals in het evangelie Martha, die het beste deel gekozen had.

     

    Laten we in dat geloof en in die overtuiging samen bidden, vooral voor onszelf, voor troost en sterkte, in de hoop gelijk Marieke ook ooit gelukzalig bij God te mogen leven.

     

     

    26-11-2014

    Toch nog eens Marieke

    Zomer 2014. Al meer dan een half jaar is Marieke er niet meer.

    Eindelijk, na vele maanden, zijn alle nodige formulieren van allerlei aard ingevuld en verstuurd en afgewerkt. Voor ons gaat het leven verder. Marieke rust in vrede en blijft als een mooie bloem in onze gedachtenis voortbloeien. Op de achtergrond. Dat is het leven.

    En toch. Nu. Weer wat later. 

    Rond Allerheiligen was er in het instituut waar Marieke meer dan veertig jaar van haar leven doorgebracht heeft, een mooie stemmige en hoogstaande herdenking van de overledenen van het voorbije jaar. Dus ook van Marieke.

    Wij waren erbij, zagen de bekende gehandicapte (of moet ik tegenwoordig zeggen: anders-valiede?) medebewoners en -sters van Marieke weer. Enkelen missen haar meer dan je zou vermoeden. Lode kan maar niet vergeten, dat hij op die bepaalde dag voor ze stierf, het bewusteloze Marieke had gevonden, en hij spreekt er af en toe nog over. Hij moet het ons vandaag nog eens vertellen... Peter mag zeven sigaretjes per dag roken en loopt rond met op zijn sigarettendoos een foto van hemzelf en Marieke. Hij toont ze ons met fierheid en wellicht met weemoed. De anderen zeggen niet veel maar kijken met sympathie naar ons. Ze zijn blij ons na verschillende maanden eens terug te zien. Ik praat nog even met Emiel over het voetbal. Zijn club Aalst moét altijd winnen!! En hoe maakt Aloïs het? "Goed, jong," zegt hij en we kloppen mekaar vriendschappelijk op de schouder. "En hoe heette-gij alweer?" vraagt hij. Die vraag had ik verwacht, want hij stelt ze elke keer als hij mij ziet. Ik antwoord: "André". ",,Ja, natuurlijk, 't is waar ook," zegt hij dan. En met Willy, die in een rolstoel zit, voer ik een voorstelling op. Met veel gebaren en mimiek. Want ook is hij doof. Maar wij begrijpen mekaar en het geluk straalt uit zijn ogen naar mij toe.

    We kregen koffie met taart aangeboden. Het zal niet meer dikwijls gebeuren, want Marieke is er niet meer en wij kunnen haar dus niet meer gaan bezoeken.

    Het wordt al stilaan donker en we rijden naar huis. We zitten in de wagen naast mekaar, mijn echtgenote en ik. Tussen ons zweeft de schim van Marieke. Ze gaat met ons mee. Ze blijft bij ons.

     

     

     

     

    30-11-2014 om 00:00 geschreven door padre


    >> Reageer (0)
    08-12-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Walther von der Vogelweide

    Weer eens nadert het einde van een jaar. De tijd vliegt en onze toekomst krimpt met elke dag, met elk uur. En ons verleden groeit, groeit! Daar kan je melancholisch van worden.

    Af  en toe komt me dan een gedicht van Walther Von der Vogelweide in gedachten. Het is in het Middelduits geschreven. Zo van in de twaalfde-dertiende eeuw. Ik vind het mooi en heb het in modern Nederlands hertaald. Hopelijk bevalt het u.

    Voor de filologen of belangstellenden geef ik hieronder ook de middeleeuwse tekst ter vergelijking.

    Walther von der Vogelweide is een van de bekendste Duitse lyrici uit de middeleeuwen. Hij werd rond 1170 geboren, wellicht op een van de “Vogelweide-Höfe” in het Zuid-Tiroolse Eisackdal. Hij verbleef eerst in Wenen aan het hof van de Babenberger, dan was hij in dienst van vorsten in Thüringen, Sachsen en Beieren. Tenslotte ontving hij van de keizer een leengoed. Hij stierf rond 1230, vermoedelijk in Würzburg.



     

    O wee, waarheen zijn al mijn jaren toch vervlogen!

    Mijn leven, was het waar of was het maar gelogen?

    Wat mij als waar verscheen, is dat wel echt geschied?

    Ja, ik heb diep geslapen en ik weet het niet.

    Nu ben ik ontwaakt en herken niet meer

    Mijn eigen hand, vertrouwde dingen van weleer.

    Van mensen en het land, waar ik mij als kind bevond,

    Ben ik vervreemd, alsof het niet bestond.

    Mijn speelgenootjes zijn nu allen traag en oud,

    Ontgonnen is het veld, gerooid is heel het woud.

    En vloeide niet het water waar het vroeger liep,

    Voorwaar, mijn ongeluk was dan heel groot en diep.

    En weifelend groet mij nu, wie vroeger goed mij kende.

    De wereld is nu overal vervuld van veel ellende.

    Wanneer ik mij herinner zo menig mooie dag.

    Gevallen in het niets, lijk in de zee een slag.

    Voor immer, wee, o wee!

     

    Ouwê war sint verswunden alliu mîniu jâr!

    ist mir mîn leben getroumet, oder ist ez wâr?

    daz ich ie wânde ez waere, was daz allez iht?

    dar nâch hân ich geslâfen und en weiz es niht.

    nû bin ich erwachet, und ist mir unbekant

    daz mir hie vor was kündic als mîn ander hant.

    liute unde lant, dârinne ich von kinde bin erzogen,

    die sint mir worden vremde rehte als ez sî gelogen.

    die mîne gespilen wâren, die sint traege und alt.

    bereitet ist daz velt, verhouwen ist der walt:

    wan daz daz wazzer vliuzet als es wîlent vlôz,

    vür wâr mîn ungelücke wânde ich wurde grôz.

    mich grüezet maneger trâge, der mich bekande ê wol

    diu werlt ist allenthalben ungenâden vol.

    als ich gedenke an manegen wünneclïchen tac,

    die mir sint entvallen gar als in das mer ein slac.

    iemer mêre ouwê.

    08-12-2012 om 00:00 geschreven door padre


    >> Reageer (0)
    15-10-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Beatrijs, mijn moeder
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Beste lezer/es,

     

    Wellicht ken je de “Sproke van Beatrijs”, dat middeleeuws verhaal over een non die uit het klooster vluchtte om haar geliefde te volgen. Maar na zeven jaar laat haar minnaar haar achter met twee kinderen. Na 14 jaar keert ze terug in haar klooster en verwondert zich erover dat niemand ooit haar verdwijnen gemerkt heeft. Onze-Lieve-Vrouw had haar heel die tijd vervangen. Haar twee kinderen liet ze bij een weduwe achter en ze werden later in een klooster in de buurt opgevoed, zonder dat ze wisten waar hun moeder gebleven was.

     

    Nu vond ik het interessant eens een van die twee kinderen, die zelf monnik geworden was, het verhaal van zijn moeder te laten vertellen.

     

    Gedurende een vakantieverblijf in Oostenrijk in de zomer van 2011 schreef ik dit neer in een negental dagen. Ik noemde het : Beatrijs, mijn moeder. Hieronder vind je de volledige tekst.

    Mocht je het nog niet gedaan hebben, dan raad ik je ook aan mijn hertaling van de oorspronkelijke middeleeuwse tekst eens te lezen. Je vindt hem in een andere bijdrage of in de publicatie op internet door de DBNL (Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren).

     

     

    Beatrijs, mijn moeder  

     

    naar een middeleeuws verhaal

     

    door    

     

    André G. Vanstraelen

     

    oktober 2011

     

     

    Luister naar de levensreis

    Van mijn moeder Beatrijs,

    Jonkvrouw, non, dan hoer, weer non.

    ’t Is geen verhaal dat ik verzon.

     

    De eerste jaren van haar jeugd

    Waren vol van zonnige vreugd’

    Die ze deelde met haar broer,

    Een flinke knaap, gezond en stoer.

     

    Dikwijls deelde een gezel

    Van haar broer hun vrolijk spel.

    ’t Was de zoon van Heer Gawein,

    Van een burcht de kastelein.

     

    Hij was slank en sterk en rap

    En in ’t spel met wapens knap.

    Zij: bekoorlijk mooi en handig,

    In haar denken heel verstandig.

     

    Geen wonder dus dat na een jaar

    Ze liefde voelden voor elkaar.

    Want de minne, met veel kracht,

    Had hen beiden in hun macht.

     

    Hij beminde haar zo zeer

    En beloofde telkens weer

    Dat hij haar steeds beminnen zou

    En haar maken tot zijn vrouw.

     

    En als antwoord op zijn woorden

    Die haar jubelend hart aanhoorde

    Gaf zij hem haar woord van trouw

    En dat ze worden zou zijn vrouw.

     

    Heerlijk waren beider dromen.

    Maar wanneer de tijd gekomen

    Was in de huwelijksboot te varen

    Maakten de ouders veel bezwaren.

     

    De jongeling werd weggezonden

    Naar een land dat vele stonden

    Ver gelegen was in ’t oosten.

    Niemand kon hem daarna troosten.

     

    Hij diende daar een edele heer,

    Een machtig man, maar meer en meer

    Verlangde hij naar zijn vriendin.

    Daarom was hij droef van zin.

     

    Zij moest in het klooster treden

    Omdat alzo werd vermeden

    Haar een bruidsschat mee te geven

    Groot genoeg om van te leven.

     

    ’t Bezit van vader kastelein

    Zou zo klein geworden zijn

    Dat hij aanzien zou verliezen,

    Niet meer zelf zijn lot kon kiezen.

     

    Zij werd zuster Beatrijs,

    Was devoot en volgde wijs

    Wat haar steeds werd opgelegd.

    Nooit deed ze haar taken slecht.

     

    Kosteres zijn was haar taak.

    Tot Maria bad ze vaak,

    Deed het met een slecht geweten

    Daar ze haar vriend niet kon vergeten.

     

    Het verlangen naar haar lief

    Werd zo groot dat ze een brief

    Voor hem gaf aan de tuinier,

    Die hem bezorgde met plezier.

     

    Toen de jongeling hem las

    Zadelde hij zijn paard en ras

    Galoppeerde hij met moed

    Zijn geliefde tegemoet.

     

    In het klooster aangekomen

    Trachtte hij zich in te tomen

    Klopte aan en vroeg met smeken

    Of hij Beatrijs kon spreken.

     

    Door de tralies die hen beiden

    Vreselijk van elkander scheidden

    Keek zij hem al zuchtend aan,

    Verlangde met hem mee te gaan.

     

    Zo viel woord en wederwoord.

    Snel geraakten zij akkoord

    Dat hij na een dag of acht

    Haar ontmoeten zou bij nacht.

     

    In de tuin niet ver van hier

    Zou ze onder de egelantier

    Staan te wachten tot hij kwam.

    Vreugdevol hij dit vernam.

     

    Hij ging heen om haar te kopen

    Mooie kleren, en mocht hopen

    Dat, wanneer ze die zou dragen,

    Ze eenieder zou behagen.

     

    Met gouden ringen en juwelen

    Zou hij haar figuur bedelen,

    Leuke schoentjes en een rijke

    Mantel zouden op haar prijken.

     

    Tot Maria bad de non

    Dagelijks zoveel ze kon,

    Smeekte dat ze zou vergeven

    Dat ze ging in zonde leven.

     

    Toen de nacht was aangebroken

    Die ze hadden afgesproken

    Om uit ’t klooster weg te gaan

    Bleef ze voor Maria staan.

     

    Moeder, zei ze, ik ben in nood,

    Maar mijn liefde is zo groot

    Dat ik echt niet anders kan

    Dan dat ik volg mijn lieve man.

     

    Help mij steeds, ik ben jouw kind,

    Blijf mij immer goed gezind,

    Moeder, jij zult wel verstaan

    Dat ik de wereld in moet gaan.

     

    Ze ontkleedde zich en rap

    Legde ze haar pij en kap

    Voor Maria’s beeltenis

    Op ’t altaar, met veel droefenis.

     

    Ook haar sleutels hing ze daar

    Bij Maria, want voorwaar,

    Ieder die de Maagd zou groeten

    Zou ze daar wel vinden moeten.

     

    Dan ging ze met bekwame spoed

    Haar nieuw leven tegemoet.

    In de tuin, met lief gebaar,

    Kwam de jongeling tot haar.

     

    Hij gaf haar kleren en de non

    Werd weer jonkvrouw. O, ze kon

    Hier niet snel genoeg vandaan

    Want straks zou de zon opgaan.

     

    Ze reden ver en snel en lang

    Tot de vogels hun gezang

    Spreidden over alle velden

    Om een nieuwe dag te melden.

     

    Toen ze kwamen bij een wei

    Waar de bloemen mooi en blij

    In het gras stonden te blozen

    Wilden zij een tijd verpozen.

     

    Schat, zei hij, zo mag ‘k je noemen,

    Jij bent mooier dan die bloemen.

    Ga hier liggen, word mijn vrouw,

    Daar ‘k verschrikkelijk van je hou.

     

    Lieveling, was toen haar woord,

    ‘k Wil wel vrijen, maar lijk ’t hoort,

    In een bed met lakens rond

    En niet zo maar op de grond !

     

    Nog viel woord en wederwoord.

    En toen reden ze maar voort

    Tot ze kwamen in een stad

    Die een prachtig uitzicht had.

     

    Ze besloten er te blijven,

    Er de liefde te bedrijven

    En te wonen heel hun leven.

    Geld genoeg was hun gebleven.

     

    Ondertussen toen ’t convent

    Was ontwaakt werd gauw bekend

    Dat Maria’s beeld verdween.

    Droevig was toen iedereen.

     

    Zonder dat men het kon merken

    Deed Maria alle werken

    En de taken van de vrouw

    Die nu zondig leven zou.

     

    Beatrijs verlangde ‘t leven

    Dat haar voortaan werd gegeven

    Met haar vriend in liefde groot

    Te beleven totterdood.

     

    En weldra, na enkele jaren,

    Die gelukkig, zonnig, waren

    Kregen zij twee knappe zonen

    Om hun liefde te belonen.

     

    Maar toen na een jaar of zeven

    Hun geen geld meer was gebleven,

    Was verkocht wat waarde had,

    Verliet de jongeling de stad.

     

    Hij liet Beatrijs alleen

    Met haar kinderen en verdween

    Naar verre landen, vreemde oorden.

    Niemand die nog van hem hoorde.

     

    Het werd een ellendige tijd.

    Beatrijs had nu zo’n spijt

    Dat ze niet haar hele leven

    In het klooster was gebleven.

     

    Met haar kinderen aan de hand

    Trok ze door het ganse land.

    En om te kunnen bestaan

    Bood ze vaak haar lichaam aan.

     

    Want ze had nooit leren spinnen,

    Koken, werken, om te winnen

    Enig geld om van te leven.

    Vroeger werd dit haar gegeven.

     

    Hongerig met kinderen bleek

    Trok ze rond van streek tot streek,

    Bedelend, zonder verlet.

    Dikwijls met ’n man naar bed.

     

    Zo heeft ze wel zeven jaar

    Rondgedoold, met veel gevaar

    Voor zichzelf en voor haar zonen.

    Nergens kon ze vredig wonen.

     

    Maar elke dag in het verleden

    Heeft ze tot de Maagd gebeden

    De getijden, altijd trouw,

    Van de goede Lieve Vrouw.

     

    Zo gebeurde ‘t op een dag

    Dat ze haar klooster wederzag

    Maar ze durfde er niet heen :

    Haar gedrag was te gemeen.

     

    Zou men wel na veertien jaar

    Haar nog kennen en het paar

    Kinderen van haar aanvaarden?

    Zou zij daar nog kunnen aarden?

     

    En niet ver van daar gelegen

    Stond een huisje. Heel verlegen

    Klopte ze aan en vroeg om brood

    En haar te helpen uit de nood.

     

    De weduwe, die open deed,

    Had medelijden met hun leed.

    Ze gaf hun onderdak en wat

    Ieder van hen nodig had.

     

    Dankbaar hielp de vroegere non

    De weduwe zoveel ze kon.

    Ze vroeg of de goede vrouw

    Wat over ’t klooster zeggen wou.

     

    En of ’t waar was dat voorheen

    Een non, de kosteres, verdween

    Uit het convent om mee te gaan

    Met haar minnaar, ver vandaan.

     

    Dat is absoluut niet waar,

    Zei de vrouw met kwaad gebaar,

    ’t Kan niet dat er een non bestaat

    Die heiliger door ’t leven gaat.

     

    Wie is die vrouw, zo vroom en wijs?

    Hoe is haar naam? vroeg Beatrijs.

    Toen werd haar eigen naam vermeld.

    Natuurlijk was zij heel ontsteld.

     

    En des nachts terwijl ze sliep

    Hoorde ze een stem die riep

    Dat ze in ’t klooster weer haar werk

    Moest vervullen in de kerk.

     

    Ook de nacht nadien vernam

    Ze die stem, die zeker kwam

    Uit de hemel : Ga met spoed

    Weer in ’t klooster, ja, het moet!

     

    Beatrijs had grote zorgen

    Toen ze wakker werd die morgen,

    Want haar zoontjes waren klein,

    Konden moederloos niet zijn.

     

    En misschien was wat zij hoorde

    Duivelswerk dat haar bekoorde.

    Daarom bad ze tot de Heer

    Dat Hij nog een derde keer

     

    Haar zijn wil wou kenbaar maken.

    ’s Avonds bleef ze biddend waken,

    Tot bij nacht een mooi gezicht

    Haar verscheen in schitterend licht.

     

    De engel keek haar ernstig aan.

    Hij zei : Jij moet in ’t klooster gaan,

    Deze nacht, zonder verpozen,

    Nergens moet jij dan voor blozen.

     

    Van Maria en van God

    Komt dit hemelse gebod.

    Toon alzo je dankbaarheid

    Want de Maagd heeft al de tijd

     

    Dat jij in de wereld leeft

    Jou vervangen en ze heeft

    Jouw gedaante aangenomen.

    ’t Is nu tijd om weer te komen.

     

    Ook heeft niemand ooit gemerkt

    Dat jij niet in ’t klooster werkt.

    Voor je kinderen heb geen zorg,

    Daarvoor staat de hemel borg.

     

    Maria is je goed gezind

    Ga het klooster in, je vindt

    Alles weer zoals voorheen

    Toen jij uit ’t convent verdween.

     

    Dan was weg het hemels licht.

    Beatrijs vond het haar plicht

    Weer als kosteres haar werk

    Op te nemen in de kerk.

     

    Haar kindjes lagen mooi te rusten.

    Teder streelde ze hen en kuste

    Hen nog zachtjes op de mond.

    Kinderen, zei ze, blijf gezond,

     

    In Gods handen leg ik je lot,

    Ik moet volgen zijn gebod.

    Anders liet ik je nooit alleen.

    Ze ging heen met veel geween.

     

    Alles was gereed gelegd

    Zoals de engel had gezegd.

    Met haar kloosterkleren aan,

    Zou ze nu door ‘t leven gaan.

     

    ’s Morgens vierde ’t klooster feest :

    Maria, die was weggeweest,

    Stond op ’t altaar als weleer.

    Dankend loofde men de Heer.

     

    Doch ook vroeg dezelfde dag

    Toen ik wakker werd en zag

    Dat mijn moeder was verdwenen

    Moest ik heel verdrietig wenen.

     

    Ook mijn broertje had verdriet

    Want wij beiden wisten niet

    Waarom wij waren verlaten.

    Huilen, roepen kon niet baten.

     

    De weduwe met liefde groot

    Nam ons beiden op haar schoot,

    Troostte ons met een verhaal

    En bereidde dan ons maal.

     

    Wanneer na een dag of zeven

    Er geen teken meer van leven

    Van onze moeder werd vernomen

    Werd het goed besluit genomen

     

    De abdis om raad te vragen :

    Of men er niet in kon slagen

    Ons, de kinderen, brood te geven

    En te helpen in het leven.

     

    Gedurende een hele tijd

    Was de goede non bereid

    Ons te helpen voor de kost

    Tot het probleem was opgelost.

     

    Dat gebeurde niet veel later

    Toen een godgewijde frater

    Ons kwam halen om heel goed

    Bij hem te worden opgevoed.

     

    Doch, helaas, wij wisten niet

    Wat met onze ouders was geschied.

    Zelf ben ik geheel mijn leven

    Graag in de abdij gebleven.

     

    Maar mijn broer is weggegaan

    En heeft verder zijn bestaan

    In de dienst van heel wat heren

    Doorgebracht en vele keren

     

    In veel landen en veel streken

    Naar zijn moeder uitgekeken.

    Hij vergezelde hen op reis,

    Maar de verdwenen Beatrijs

     

    Heeft hij nimmer meer gezien.

    En van vader, bovendien,

    Vond hij ook nooit enig teken,

    Hier niet, noch in verre streken.

     

    Het is nu vijf jaar geleden

    Dat hij plots is overleden

    En, heel zeker, ‘k weet gewis

    Dat hij nu bij moeder is.

     

    Want op een dag niet lang geleden

    Werd mij vriendelijk gebeden

    Onverwijld en snel te gaan

    Naar ’t klooster hier niet ver vandaan.

     

    Het zijn nonnen die daar leven,

    Die er ijverig naar streven

    Door veel bidden na hun sterven

    Ook de hemel te verwerven.

     

    ‘k Vond het zeker ongewoon

    Dat een mannelijk persoon

    In dit convent werd toegelaten,

    Uitgezonderd de prelaten.

     

    Toen ik in het klooster kwam

    Was het dat ik gauw vernam

    Dat een non mij graag wou zien,

    Ze was stervend bovendien.

     

    In de ziekenzaal vooraan

    Keek ze me heel vriendelijk aan.

    Toen ik mij voorover boog

    Zag ik tranen in haar oog.

     

    En opeens herkende ik haar.

    Moeder, zei ik, is het waar

    Dat jij hier in heiligheid

    Hebt gebeden al die tijd?

     

    Kom bij mij, mijn lieve kind,

    Zei ze, ‘k heb jou steeds bemind

    En ik wist waar jij verbleef.

    Maar nu ik niet lang meer leef

     

    Wil ik jou nog eenmaal groeten.

    Vele jaren moest ik boeten.

    Eindelijk, voor al mijn zonden.

    Heb ik vergiffenis gevonden.

     

    Als in de biecht en heel sereen

    Vertelde zij mij met geween

    Alles zoals ’t was geweest.

    Vroom gaf zij daarna de geest.

     

    Ik heb dit alles opgeschreven,

    Maar ik zal in heel mijn leven

    Dit aan niemand gaan vertellen

    Ook niet aan mijn metgezellen.

     

    Deze tekst zal ik bewaren

    Tot mijn dood en al de jaren

    Dat ik leef, voor ik verdwijn,

    Moet hij ongelezen zijn.

     

    Slechts wanneer wij zijn vergeten

    En ook niet meer is geweten

    Waar wij woonden, wie wij waren,

    Mag men deze wonderbare

     

    Feiten in het openbaar

    Voort vertellen. ‘t Is om Haar,

    Die het wonder heeft verricht

    Dat ik vertel in dit gedicht,

     

    Veel te prijzen en te loven.

    Het is zeker dat hierboven

    Ons altijd helpt de Heilige Maagd,

    Als men het ootmoedig vraagt.

     

    Want al wie tot Maria gaat

    Krijgt wel gena, al is het laat.

    Laten we dan allen samen

    Tot haar smekend bidden. Amen.

     

    15-10-2011 om 00:00 geschreven door padre


    >> Reageer (0)
    14-10-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.BEATRIJS-SUITE
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    BEATRIJS

    26-3-2010

    Voorafgaande inlichting: Als u de volledige tekst van mijn Beatrijshertaling wilt lezen klikt u op:

    http://www.middelnederlands.be/beatrijs/vanstraelen1999.pdf.

    of : 

    http://www.dbnl.org/tekst/_bea001beat34_01/index.php

    *****************************************************************************

    Sommigen onder mijn lezers zullen in hun studietijd zeker kennis gemaakt hebben met de “Legende van Zuster Beatrijs”. Wie ze niet kent moet zeker het volgende lezen.

     

    Dit gedicht van 1028 verzen ontstond waarschijnlijk in de tweede helft van de 13de eeuw. Het is dikwijls vertaald, hertaald, herwerkt en naverteld en bleef eeuwen lang populair.

     

    Tussen 1968 en 1999 heb ook ik het verhaal in modern Nederlands hertaald, omgedicht, en ik heb de oorspronkelijke tekst zo getrouw mogelijk trachten te volgen, zelfs regel na regel. De verzen die hieronder volgen zijn van mijn hand.

     

    Dit verhaal is een juweeltje van Middelnederlandse vertelkunst. Christelijk en katholiek van inspiratie maar héél menselijk. Het gaat over een mooie, ontwikkelde en vrome jonkvrouw die non in een klooster was. Mogelijk een jongere dochter uit een adellijke familie. Om versnippering van de goederen te vermijden werden in die tijd jongere dochters, voor wie men geen goede partij kon vinden, in een klooster geplaatst… Ze was er kosteres, een ambt dat toch wat aanzien had.

     

    Zo beschrijft de dichter haar:

     

    De non, waar ik het nu bij houd,

    was hoofs en uiterst fijn van zeden.

    Men vindt er geen de dag van heden

    die haar gelijkt ; ze was, ik meen,

    zo mooi en deugdzaam als geen een.

    Dat ik de gratie van haar leden

    prees en haar bevalligheden,

    is iets wat niet betamen zou.

     

    Maar die jonkvrouw-non was jong en werd door de liefde, de minne, overmand. Je ondergaat ze, je bent besluiteloos; de liefde verandert je totaal! En daar is blijkbaar niets aan te doen.

     

    Die jonkvrouw onderging de macht

    der minne, die met wondere kracht

    haar werk verricht in alle landen.

    Somtijds brengt ze u te schande

    en ze kwelt met leed en pijn,

    somtijds is ze goed en fijn.

    De wijze brengt ze van zijn stuk

    en stort hem in het ongeluk,

    is ‘t hem lief of is ‘t hem leed.

    Minne maakt dat men niet weet

    of door spreken of door zwijgen

    men zijn voordeel moet verkrijgen.

    Menigeen die dacht te staan

    liet zij door de knieën gaan.

    Minne maakt opeens vrijgevig

    die ervoren al te hevig

    alles hield door gierigheid.

    Bovendien zijn er altijd

    mensen die de minne doet

    delen voor- en tegenspoed :

    weelde, blijdschap en hun rouw ;

    zulke minne is getrouw.

    Zeggen kan ik zeker niet

    hoeveel vreugde en verdriet

    door de minne is ontstaan.

    Daarom zal men wel verstaan

    dat de non, nog jong en mooi,

    aan de minne viel ten prooi.

     

    En dan laat ze een brief aan haar jeugdvriend buitensmokkelen … Ze zullen mekaar ontmoeten in de boomgaard van het klooster en zij zal met hem meegaan. Vooraleer uit het klooster weg te sluipen legt zij op de afgesproken nacht haar kleren en sleutels op het altaar voor het beeld van Onze-Lieve-Vrouw neer.

     

    Ze hing nu al haar sleutels voor

    ‘t Mariabeeld daar in het koor.

    Zo waar als ik het u nu zeg,

    ze deed dit wel met overleg :

    als men de priemen zingen zou

    vond men ze zeker daar wel gauw.

    Wie voor Maria’s beeld passeert

    betaamt het dat hij het vereert

    met vrome blik en “Wees gegroet,”

    zegt, “wees gegroet, Maria zoet.”

    Daarom hing zij de sleutels daar ;

    het was een goed idee van haar.

     

    De twee geliefden leven samen, hebben twee kinderen en zeven jaar gaat het goed. Tot hun geld op is. En dan verlaat de man vrouw en kinderen.

     

    Zeven jaar was ‘t hen gegeven

    een schitterend bestaan te leiden

    met twee kinderen van hen beiden.

    Wanneer dan na die zeven jaren

    hun penningen verzwonden waren,

    verpandden zij om van te leven

    wat hun nog over was gebleven.

    De man verbrak het eerst zijn trouw.

    Hij liet ze daar in grote rouw.

    En naar zijn land keerde hij weer.

    Nooit zag zij hem nog een keer.

    Twee kinderen, mooi als de morgen,

    liet hij bij haar om voor te zorgen.

     

    Dan begint er voor Beatrijs en haar kinderen een treurige periode van armoede en ontberingen. Om haar kinderen te kunnen voeden moet Beatrijs zich zelfs prostitueren.

     

    “Noodgedwongen moet ik lopen

    op het platteland, op ‘t veld ;

    daar verdien ik dan wel geld

    met mijn lichaam ; ik mag hopen

    dat ik zodoende brood kan kopen

    om ‘t mijn kinderen te geven.”

    Zo begon een zondig leven.

    Wat ik u vertel is waar,

    zij heeft zeker zeven jaar

    als publieke vrouw geleefd.

    Haar onkuise daden heeft

    ze immer vreselijk gevonden ;

    want waarachtig, al die zonden

    werden erg met tegenzin

    bedreven voor maar klein gewin

    van geld ; ‘t was echter voor het eten

    van haar kinderen. Och, vergeten

    wij maar ‘t kwaad zo groot en zwaar

    dat zij deed in veertien jaar !

    Doch nagelaten heeft ze niet,

    had ze kommer of verdriet,

    dagelijks te bidden trouw

    de getijden van Onze-Lieve-Vrouw.

    Ze bad ze om Maria te eren

    opdat zij haar zou bekeren,

    bevrijden van haar zonde-daden

    waar zij mee was overladen

    gedurende die veertien jaar.

    Na veertien jaar komt ze weer in de buurt van haar klooster en ze verneemt dat zuster Beatrijs nooit zou weggeweest zijn, dat ze integendeel een van de heiligste zusters is die er verblijven.

     

    In enkele visioenen wordt ze aangespoord terug in het klooster te gaan. Niemand zal het merken, want Onze-Lieve-Vrouw heeft al de tijd van haar afwezigheid haar gedaante aangenomen en haar werk gedaan. Voor haar kinderen zal goed gezorgd worden. En Beatrijs zet de stap en neemt haar taak van kosteres weer op.

     

    “Al je kleren liggen weer

    op het altaar als weleer :

    sluier, schoenen en habijt ;

    kleed je aan als toentertijd.

    Dank Maria daarvoor zeer.

    Ga en neem de sleutels weer

    die je voor haar beeltenis hing,

    ‘s nachts, toen jij uit ‘t klooster ging ;

    ze wilde ze voor jou bewaren,

    zodat men al die veertien jaren

    je nooit een stonde heeft gemist.

    En niemand die er iets van wist !

    Maria is je beste vriend ;

    ze heeft altijd voor jou gediend

    en jouw gedaante aangenomen.”

     

    Toen is ze opgestaan en zie,

    de sleutels van de sacristie

    zag ze waarlijk hangen daar

    voor Maria op ‘t altaar.

    Ze nam de sleutels en ging naar

    het koor, waar vele lampjes klaar

    te branden stonden in de hoeken.

    Daarna zette zij de boeken

    open op hun plaats gereed

    zoals ze vroeger dikwijls deed.

     

    En zo eindigt het verhaal van de zondige non.

     

    In een soort nawoord vertelt de dichter dat Beatrijs haar zonden biechtte aan de abt die jaarlijks het klooster bezocht. Haar kinderen werden goed verzorgd en opgevoed.

     

    De abt ging heen en gaf zijn zegen.

    Hij nam de kinderen der non

    en bracht ze groot zo goed het kon ;

    het grauw habijt zou hij hen bieden.

    Ze werden beiden flinke lieden.

    Hun moeder heette Beatrijs.

     

    Het verhaal eindigt met een aansporing om Maria te eren en God te loven omwille van dit mooie mirakel.

    NB. Wilt u meer te weten komen over Beatrijs dan kunt u klikken op deze link:
    http://www.middelnederlands.be. En als u de volledige tekst van mijn Beatrijshertaling wilt lezen klikt u op: http://www.middelnederlands.be/beatrijs/vanstraelen1999.pdf.

    Zie ook :
    http://www.dbnl.org/tekst/_bea001beat34_01/index.php

    **********

    24-10-2011

    Beatrijs en getallensymboliek

    De middelnederlandse Sproke van Beatrijs dateert van in het midden van de dertiende eeuw. De naam van de dichter kennen wij niet. Ik veronderstel dat het een vroom man moet geweest zijn, waarschijnlijk een kloosterling. Hijzelf zegt dat broeder Ghijsbrecht, een wilhelmiet, hem het verhaal heeft verteld. En die kende het omdat hij het in een van zijn “boeken” gelezen had. Dat zouden de Dialogus Miraculorum (ca. 1220) of de Libri VIII Miraculorum (1237-1238) kunnen zijn, in het Latijn geschreven door Caesarius van Heisterbach. In beide boeken staat er een versie van het Beatrijsverhaal, bondig opgesteld op de wijze van een exempel, en nogal dor verteld.

    In de middeleeuwen hadden de getallen een grote symbolische waarde. Daar bestaan heel wat studies over. Ook in onze tijd hechten velen nog een bepaalde betekenis aan sommige getallen. Denken we er bv. aan welke betekenis het getal 13 voor sommige mensen heeft… Er zijn hotels waar men de 13de verdieping een ander nummer geeft, en kamers met het nummer 13 vindt men ook niet overal. Bijgeloof? Voor mij wel, maar het bewijst de invloed die bepaalde getallen op mensen kunnen hebben.

    Ik ga hier echter iets zeggen over de getallensymboliek in de versie van de middelnederlandse dichter van de Beatrijs. Ik wil en kan niet volledig zijn, en wat ik nu neerschrijf heb ik ook maar hier en daar bijeengesprokkeld. Het kan zijn dat u enkele dingen gezocht vindt – ik heb trouwens soms ook die indruk – maar sommige zaken zijn toch op zijn minst merkwaardig. Onbewust heeft de middeleeuwse getallensymboliek onze dichter zeker beïnvloed, en misschien heeft hij bewust zijn verhaal opgebouwd op een wijze die rekening houdt met de in zijn tijd geldende symboliek van de getallen.

    Laten we om te beginnen de getallen 7, 5, 3 en 2 nemen.

    a/ Het getal 7. Beatrijs bidt geregeld de 7 getijden van Maria, leeft 7 jaren met haar geliefde, en dan nog 7 jaren buiten het klooster zonder hem.

    b/ Het getal 5 is het getal van Maria. Haar naam bestaat uit vijf letters. (De drie klinkers doen volgens sommigen ook terugdenken aan de Drieëenheid, aan God).

    De opdracht aan Maria in de proloog bestaat ook uit vijf regels (vv. 4-8).

    c/ Het getal 3 werd reeds heel vroeg als het meest volmaakte getal aangezien; in de middeleeuwen kreeg het nog een bijzondere waarde door de gedachte aan de Drieëenheid. Ook God, Christus en Maria vormen een eenheid.

    Als Beatrijs het klooster verlaat geeft zij drie zaken aan Maria in bewaring: haar kap (habijt), schoenen en sleutels (vv. 233-238).

    Beatrijs hoort drie keer de droomstem (vv. 670, 724, 751).

    Het driemaal oproepen is een algemeen en oud gebruik. Denk bv. aan het oudtestamentische verhaal van de jonge Samuel, die, als hij bij de priester Eli God dient, in de nacht driemaal een stem hoort die hem roept. Telkens meent hij dat het Eli is, maar ten onrechte. De derde keer begrijpt de oude priester dat het God moet zijn die Samuel roept en hij geeft hem aanwijzingen wat hij nu moet doen (I Samuel, 3).

    Men is ook getroffen door een overeenkomst met Karel ende Elegast. Ook Karel de Grote gelooft pas aan de goddelijke herkomst van de stem, als hij deze voor de derde keer gehoord heeft. Evenals Beatrijs (v. 736) denkt hij ook de tweede keer aan “alfsgedroch”. Dit is een bedrieglijk visioen van (natuur)geesten, die uit de heidense tijd waren overgebleven, en die bij de kerstening waren ingelijfd bij de duivelse machten.

    Ook Reinaert wordt driemaal gedagvaard.

    d/ Het getal 2 is het getal van de gespletenheid, het aardse getal, dikwijls zelfs dat van de duivel.

    In de opbouw van het verhaal is de factor 2 zwaar symbolisch:

    We zouden inhoudelijk het verhaal in twee (ongelijke) delen kunnen verdelen. Het eerste deel bevat 864 verzen. Hier zou het verhaal kunnen beëindigd worden. Het mirakel is geschied. Vele middeleeuwse verhalen eindigen met een aansporing om God, Maria of een heilige te loven en te eren. Dit is hier ook het geval.

    Het tweede deel (vv. 865-1038) is een soort achtervoegsel. Daarin wordt het lot van Beatrijs’ kinderen en haar biecht behandeld. Dit is niet meer essentieel voor het verhaal, maar het rondt het geheel wel af, daar de nieuwsgierigheid van de lezer erdoor bevredigd wordt. En de dichter had hiermee ook een didactische bedoeling: de noodzakelijkheid om te biechten voor de vergeving van de zonden prediken (een opvatting die niet altijd en niet door iedereen gedeeld werd en wordt).

    Maar laten we de factor 2 in het eerste (essentiële) deel bekijken:

    In de eerste 432 verzen bevindt Beatrijs zich in de macht van de minne, van Venus. Deze periode eindigt met het verdwijnen van de jongeman.

    In de volgende 432 verzen volgen we Beatrijs’ leven zonder hem, eerst als prostituée, dan als boetelinge.

    Nog enkele interessante bedenkingen:

    --- Het getal 666 is het getal van het beest uit de Openbaring (13, 18), dus dat van de duivel.

    Op het ogenblik dat er van hogerhand in Beatrijs’ leven wordt ingegrepen, d.i. de eerste keer dat de stem in de droom tot haar spreekt, zijn er 666 verzen voorbij. Dit stemt overeen met de periode van de macht van de duivel over haar.

    --- Het aantal verzen van het eerste deel (864) laat zich ontbinden in de factoren 25.3³=864. 864 verzen symboliseert dus een gespletenheid die in de macht van Maria blijft (25); en het geheel staat in het teken van de Drieëenheid (en dan nog wel in de hoogst denkbaar heilige macht (33). – Wat ver gezocht?

    --- In het handschrift zelf is de onderverdeling van de inhoud aangegeven door gekleurde kapitalen (lombarden); het eerste stuk (864 vv.) bevat 21 onderdelen = 3 x 7.

    Naast deze uiterlijke structuur hebben we ook te doen met een innerlijke structuur, gebaseerd op een tweedeling en ook op een driedeling. De tweedeling hebben we hierboven al aangetoond.

    Hier volgt de driedeling:

    a/ Onderdelen 1-7: Beatrijs in het klooster, nog in dienst, strijdend tegen aardse liefde (tot v 222).

    b/ Onderdelen 8-14: Beatrijs in de wereld (tot v. 584).

    c/ Onderdelen 15-21: Beatrijs’ terugkeer in het klooster (beginnend met Beatrijs’ verhaal aan de weduwe) (tot v. 864).

    Nu een vraag: Zou dit allemaal toevallig zijn? Haast niet te geloven.

    Natuurlijk bestaat de literaire waarde van een verhaal niet uit dergelijke spitsvondigheden, maar het is toch een interessant gegeven, vooral als het verwerkt is in een mooi werk en aan de literaire waarde ervan geen afbreuk doet.

    (2011 1025)

    **********

    19-10-2011

    BEATRIJS, MIJN MOEDER

    Vorig jaar publiceerde ik in dit blog een samenvatting van de middelnederlandse Sproke van Beatrijs. Daarbij enkele uittreksels van mijn hertaling van dit gedicht in hedendaags Nederlands (zie 26-6-2010). De volledige tekst is te lezen op de site van de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren (http://www.middelnederlands.be/beatrijs/vanstraelen1999.pdf) . Voor de volledige tekst van de hertaling zie: http://www.dbnl.org/tekst/_bea001beat34_01/index.php

    De "Beatrijs" werd vaak naverteld, bewerkt, herdicht, hertaald, voor toneel bewerkt en bestudeerd. In verschillende talen. Ook dit jaar was er in Den Haag nog een internationaal congres over dit onderwerp. Alles heel interessant en een bewijs ervan dat "Beatrijs leeft". Het is in ieder geval een gegeven dat tot de verbeelding spreekt en dat ook stof tot discussie biedt.

    Het is bijna zestig jaar geleden dat ik met de legende van Beatrijs kennis maakte. Ik zat toen in de poësis en onze leraar Nederlands was de door ons vereerde jeugdschrijver Lod Lavki. Hij kon vertellen en ons "begeesteren". En hij vergeleek het oorspronkelijk verhaal ook met de bekende bewerking van de dichter Boutens.

    Toen had ik nooit vermoed dat dit onderwerp mij zou blijven boeien. Vaak kruiste Beatrijs mijn weg, vulde mijn verbeelding, gaf aanleiding tot studie van oudere taal, teksten en cultuur.

    Vorige maand had het mij weer te pakken. Waarom zou ik het Beatrijsverhaal niet eens vertellen, vanuit het standpunt van een van haar kinderen? De muze en de vakantiesfeer hielpen mij zodanig dat ik minder dan twee weken nodig had om de 98 strofen bijeen te rijmen.

    Beste lezer, als je tijd hebt, en als het je interesseert, hier volgt de tekst:

     

    Beatrijs, mijn moeder

    naar een middeleeuws verhaal

    door

    André G. Vanstraelen

    oktober 2011

    Luister naar de levensreis
    Van mijn moeder Beatrijs,
    Jonkvrouw, non, dan hoer, weer non.
    ’t Is geen verhaal dat ik verzon.

    De eerste jaren van haar jeugd
    Waren vol van zonnige vreugd’
    Die ze deelde met haar broer,
    Een flinke knaap, gezond en stoer.

    Dikwijls deelde een gezel
    Van haar broer hun vrolijk spel.
    ’t Was de zoon van Heer Gawein,
    Van een burcht de kastelein.

    Hij was slank en sterk en rap
    En in ’t spel met wapens knap.
    Zij: bekoorlijk mooi en handig,
    In haar denken heel verstandig.

    Geen wonder dus dat na een jaar
    Ze liefde voelden voor elkaar.
    Want de minne, met veel kracht,
    Had hen beiden in hun macht.

    Hij beminde haar zo zeer
    En beloofde telkens weer
    Dat hij haar steeds beminnen zou
    En haar maken tot zijn vrouw.

    En als antwoord op zijn woorden
    Die haar jubelend hart aanhoorde
    Gaf zij hem haar woord van trouw
    En dat ze worden zou zijn vrouw.

    Heerlijk waren beider dromen.
    Maar wanneer de tijd gekomen
    Was in de huwelijksboot te varen
    Maakten de ouders veel bezwaren.

    De jongeling werd weggezonden
    Naar een land dat vele stonden
    Ver gelegen was in ’t oosten.
    Niemand kon hem daarna troosten.

    Hij diende daar een edele heer,
    Een machtig man, maar meer en meer
    Verlangde hij naar zijn vriendin.
    Daarom was hij droef van zin.

    Zij moest in het klooster treden
    Omdat alzo werd vermeden
    Haar een bruidsschat mee te geven
    Groot genoeg om van te leven.

    ’t Bezit van vader kastelein
    Zou zo klein geworden zijn
    Dat hij aanzien zou verliezen,
    Niet meer zelf zijn lot kon kiezen.

    Zij werd zuster Beatrijs,
    Was devoot en volgde wijs
    Wat haar steeds werd opgelegd.
    Nooit deed ze haar taken slecht.

    Kosteres zijn was haar taak.
    Tot Maria bad ze vaak,
    Deed het met een slecht geweten
    Daar ze haar vriend niet kon vergeten.

    Het verlangen naar haar lief
    Werd zo groot dat ze een brief
    Voor hem gaf aan de tuinier,
    Die hem bezorgde met plezier.

    Toen de jongeling hem las
    Zadelde hij zijn paard en ras
    Galoppeerde hij met moed
    Zijn geliefde tegemoet.

    In het klooster aangekomen
    Trachtte hij zich in te tomen
    Klopte aan en vroeg met smeken
    Of hij Beatrijs kon spreken.

    Door de tralies die hen beiden
    Vreselijk van elkander scheidden
    Keek zij hem al zuchtend aan,
    Verlangde met hem mee te gaan.

    Zo viel woord en wederwoord.
    Snel geraakten zij akkoord
    Dat hij na een dag of acht
    Haar ontmoeten zou bij nacht.

    In de tuin niet ver van hier
    Zou ze onder de egelantier
    Staan te wachten tot hij kwam.
    Vreugdevol hij dit vernam.

    Hij ging heen om haar te kopen
    Mooie kleren, en mocht hopen
    Dat, wanneer ze die zou dragen,
    Ze eenieder zou behagen.

    Met gouden ringen en juwelen
    Zou hij haar figuur bedelen,
    Leuke schoentjes en een rijke
    Mantel zouden op haar prijken.

    Tot Maria bad de non
    Dagelijks zoveel ze kon,
    Smeekte dat ze zou vergeven
    Dat ze ging in zonde leven.

    Toen de nacht was aangebroken
    Die ze hadden afgesproken
    Om uit ’t klooster weg te gaan
    Bleef ze voor Maria staan.

    Moeder, zei ze, ik ben in nood,
    Maar mijn liefde is zo groot
    Dat ik echt niet anders kan
    Dan dat ik volg mijn lieve man.

    Help mij steeds, ik ben jouw kind,
    Blijf mij immer goed gezind,
    Moeder, jij zult wel verstaan
    Dat ik de wereld in moet gaan.

    Ze ontkleedde zich en rap
    Legde ze haar pij en kap
    Voor Maria’s beeltenis
    Op ’t altaar, met veel droefenis.

    Ook haar sleutels hing ze daar
    Bij Maria, want voorwaar,
    Ieder die de Maagd zou groeten
    Zou ze daar wel vinden moeten.

    Dan ging ze met bekwame spoed
    Haar nieuw leven tegemoet.
    In de tuin, met lief gebaar,
    Kwam de jongeling tot haar.

    Hij gaf haar kleren en de non
    Werd weer jonkvrouw. O, ze kon
    Hier niet snel genoeg vandaan
    Want straks zou de zon opgaan.

    Ze reden ver en snel en lang
    Tot de vogels hun gezang
    Spreidden over alle velden
    Om een nieuwe dag te melden.

    Toen ze kwamen bij een wei
    Waar de bloemen mooi en blij
    In het gras stonden te blozen
    Wilden zij een tijd verpozen.

    Schat, zei hij, zo mag ‘k je noemen,
    Jij bent mooier dan die bloemen.
    Ga hier liggen, word mijn vrouw,
    Daar ‘k verschrikkelijk van je hou.

    Lieveling, was toen haar woord,
    ‘k Wil wel vrijen, maar lijk ’t hoort,
    In een bed met lakens rond
    En niet zo maar op de grond !

    Nog viel woord en wederwoord.
    En toen reden ze maar voort
    Tot ze kwamen in een stad
    Die een prachtig uitzicht had.

    Ze besloten er te blijven,
    Er de liefde te bedrijven
    En te wonen heel hun leven.
    Geld genoeg was hun gebleven.

    Ondertussen toen ’t convent
    Was ontwaakt werd gauw bekend
    Dat Maria’s beeld verdween.
    Droevig was toen iedereen.

    Zonder dat men het kon merken
    Deed Maria alle werken
    En de taken van de vrouw
    Die nu zondig leven zou.

    Beatrijs verlangde ‘t leven
    Dat haar voortaan werd gegeven
    Met haar vriend in liefde groot
    Te beleven totterdood.

    En weldra, na enkele jaren,
    Die gelukkig, zonnig, waren
    Kregen zij twee knappe zonen
    Om hun liefde te belonen.

    Maar toen na een jaar of zeven
    Hun geen geld meer was gebleven,
    Was verkocht wat waarde had,
    Verliet de jongeling de stad.

    Hij liet Beatrijs alleen
    Met haar kinderen en verdween
    Naar verre landen, vreemde oorden.
    Niemand die nog van hem hoorde.

    Het werd een ellendige tijd.
    Beatrijs had nu zo’n spijt
    Dat ze niet haar hele leven
    In het klooster was gebleven.

    Met haar kinderen aan de hand
    Trok ze door het ganse land.
    En om te kunnen bestaan
    Bood ze vaak haar lichaam aan.

    Want ze had nooit leren spinnen,
    Koken, werken, om te winnen
    Enig geld om van te leven.
    Vroeger werd dit haar gegeven.

    Hongerig met kinderen bleek
    Trok ze rond van streek tot streek,
    Bedelend, zonder verlet.
    Dikwijls met ’n man naar bed.

    Zo heeft ze wel zeven jaar
    Rondgedoold, met veel gevaar
    Voor zichzelf en voor haar zonen.
    Nergens kon ze vredig wonen.

    Maar elke dag in het verleden
    Heeft ze tot de Maagd gebeden
    De getijden, altijd trouw,
    Van de goede Lieve Vrouw.

    Zo gebeurde ‘t op een dag
    Dat ze haar klooster wederzag
    Maar ze durfde er niet heen :
    Haar gedrag was te gemeen.

    Zou men wel na veertien jaar
    Haar nog kennen en het paar
    Kinderen van haar aanvaarden?
    Zou zij daar nog kunnen aarden?

    En niet ver van daar gelegen
    Stond een huisje. Heel verlegen
    Klopte ze aan en vroeg om brood
    En haar te helpen uit de nood.


    De weduwe, die open deed,
    Had medelijden met hun leed.
    Ze gaf hun onderdak en wat
    Ieder van hen nodig had.

    Dankbaar hielp de vroegere non
    De weduwe zoveel ze kon.
    Ze vroeg of de goede vrouw
    Wat over ’t klooster zeggen wou.

    En of ’t waar was dat voorheen
    Een non, de kosteres, verdween
    Uit het convent om mee te gaan
    Met haar minnaar, ver vandaan.

    Dat is absoluut niet waar,
    Zei de vrouw met kwaad gebaar,
    ’t Kan niet dat er een non bestaat
    Die heiliger door ’t leven gaat.

    Wie is die vrouw, zo vroom en wijs?
    Hoe is haar naam? vroeg Beatrijs.
    Toen werd haar eigen naam vermeld.
    Natuurlijk was zij heel ontsteld.

    En des nachts terwijl ze sliep
    Hoorde ze een stem die riep
    Dat ze in ’t klooster weer haar werk
    Moest vervullen in de kerk.

    Ook de nacht nadien vernam
    Ze die stem, die zeker kwam
    Uit de hemel : Ga met spoed
    Weer in ’t klooster, ja, het moet!

    Beatrijs had grote zorgen
    Toen ze wakker werd die morgen,
    Want haar zoontjes waren klein,
    Konden moederloos niet zijn.

    En misschien was wat zij hoorde
    Duivelswerk dat haar bekoorde.
    Daarom bad ze tot de Heer
    Dat Hij nog een derde keer

    Haar zijn wil wou kenbaar maken.
    ’s Avonds bleef ze biddend waken,
    Tot bij nacht een mooi gezicht
    Haar verscheen in schitterend licht.

    De engel keek haar ernstig aan.
    Hij zei : Jij moet in ’t klooster gaan,
    Deze nacht, zonder verpozen,
    Nergens moet jij dan voor blozen.

    Van Maria en van God
    Komt dit hemelse gebod.
    Toon alzo je dankbaarheid
    Want de Maagd heeft al de tijd

    Dat jij in de wereld leeft
    Jou vervangen en ze heeft
    Jouw gedaante aangenomen.
    ’t Is nu tijd om weer te komen.

    Ook heeft niemand ooit gemerkt
    Dat jij niet in ’t klooster werkt.
    Voor je kinderen heb geen zorg,
    Daarvoor staat de hemel borg.

    Maria is je goed gezind
    Ga het klooster in, je vindt
    Alles weer zoals voorheen
    Toen jij uit ’t convent verdween.

    Dan was weg het hemels licht.
    Beatrijs vond het haar plicht
    Weer als kosteres haar werk
    Op te nemen in de kerk.

    Haar kindjes lagen mooi te rusten.
    Teder streelde ze hen en kuste
    Hen nog zachtjes op de mond.
    Kinderen, zei ze, blijf gezond,

    In Gods handen leg ik je lot,
    Ik moet volgen zijn gebod.
    Anders liet ik je nooit alleen.
    Ze ging heen met veel geween.

    Alles was gereed gelegd
    Zoals de engel had gezegd.
    Met haar kloosterkleren aan,
    Zou ze nu door ‘t leven gaan.

    ’s Morgens vierde ’t klooster feest :
    Maria, die was weggeweest,
    Stond op ’t altaar als weleer.
    Dankend loofde men de Heer.

    Doch ook vroeg dezelfde dag
    Toen ik wakker werd en zag
    Dat mijn moeder was verdwenen
    Moest ik heel verdrietig wenen.

    Ook mijn broertje had verdriet
    Want wij beiden wisten niet
    Waarom wij waren verlaten.
    Huilen, roepen kon niet baten.

    De weduwe met liefde groot
    Nam ons beiden op haar schoot,
    Troostte ons met een verhaal
    En bereidde dan ons maal.

    Wanneer na een dag of zeven
    Er geen teken meer van leven
    Van onze moeder werd vernomen
    Werd het goed besluit genomen

    De abdis om raad te vragen :
    Of men er niet in kon slagen
    Ons, de kinderen, brood te geven
    En te helpen in het leven.

    Gedurende een hele tijd
    Was de goede non bereid
    Ons te helpen voor de kost
    Tot het probleem was opgelost.

    Dat gebeurde niet veel later
    Toen een godgewijde frater
    Ons kwam halen om heel goed
    Bij hem te worden opgevoed.

    Doch, helaas, wij wisten niet
    Wat met onze ouders was geschied.
    Zelf ben ik geheel mijn leven
    Graag in de abdij gebleven.

    Maar mijn broer is weggegaan
    En heeft verder zijn bestaan
    In de dienst van heel wat heren
    Doorgebracht en vele keren

    In veel landen en veel streken
    Naar zijn moeder uitgekeken.
    Hij vergezelde hen op reis,
    Maar de verdwenen Beatrijs

    Heeft hij nimmer meer gezien.
    En van vader, bovendien,
    Vond hij ook nooit enig teken,
    Hier niet, noch in verre streken.

    Het is nu vijf jaar geleden
    Dat hij plots is overleden
    En, heel zeker, ‘k weet gewis
    Dat hij nu bij moeder is.

    Want op een dag niet lang geleden
    Werd mij vriendelijk gebeden
    Onverwijld en snel te gaan
    Naar ’t klooster hier niet ver vandaan.

    Het zijn nonnen die daar leven,
    Die er ijverig naar streven
    Door veel bidden na hun sterven
    Ook de hemel te verwerven.

    ‘k Vond het zeker ongewoon
    Dat een mannelijk persoon
    In dit convent werd toegelaten,
    Uitgezonderd de prelaten.

    Toen ik in het klooster kwam
    Was het dat ik gauw vernam
    Dat een non mij graag wou zien,
    Ze was stervend bovendien.

    In de ziekenzaal vooraan
    Keek ze me heel vriendelijk aan.
    Toen ik mij voorover boog
    Zag ik tranen in haar oog.

    En opeens herkende ik haar.
    Moeder, zei ik, is het waar
    Dat jij hier in heiligheid
    Hebt gebeden al die tijd?

    Kom bij mij, mijn lieve kind,
    Zei ze, ‘k heb jou steeds bemind
    En ik wist waar jij verbleef.
    Maar nu ik niet lang meer leef

    Wil ik jou nog eenmaal groeten.
    Vele jaren moest ik boeten.
    Eindelijk, voor al mijn zonden.
    Heb ik vergiffenis gevonden.

    Als in de biecht en heel sereen
    Vertelde zij mij met geween
    Alles zoals ’t was geweest.
    Vroom gaf zij daarna de geest.

    Ik heb dit alles opgeschreven,
    Maar ik zal in heel mijn leven
    Dit aan niemand gaan vertellen
    Ook niet aan mijn metgezellen.

    Deze tekst zal ik bewaren
    Tot mijn dood en al de jaren
    Dat ik leef, voor ik verdwijn,
    Moet hij ongelezen zijn.

    Slechts wanneer wij zijn vergeten
    En ook niet meer is geweten
    Waar wij woonden, wie wij waren,
    Mag men deze wonderbare

    Feiten in het openbaar
    Voort vertellen. ‘t Is om Haar,
    Die het wonder heeft verricht
    Dat ik vertel in dit gedicht,

    Veel te prijzen en te loven.
    Het is zeker dat hierboven
    Ons altijd helpt de Heilige Maagd,
    Als men het ootmoedig vraagt.

    Want al wie tot Maria gaat
    Krijgt wel gena, al is het laat.
    Laten we dan allen samen
    Tot haar smekend bidden. Amen.

     

     

    14-10-2011 om 00:00 geschreven door padre


    >> Reageer (0)
    19-05-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Anders

    Anders 

    19 mei 2008


    Beste lezer/es,


    Tegenwoordig spreekt men veel over Mei 1968. In de kranten heb ik er verscheidene artikels over gelezen, en radio en TV zijn niet ten achtergebleven. Velen onder ons hebben die gebeurtenissen meegemaakt. Zelf ben ik niet van de generatie ‘68 maar van het decennium ervoor. Toen zat ik op de universiteitsbanken en onze wereld was nog een heel andere. 


    Hebt u ook af en toe niet gedacht dat de meeste reportages die we voorgeschoteld kregen en krijgen, gemaakt zijn door mensen die in 1968 nog luiers droegen of zelfs niet geboren waren?... 


    Toch sympathiseerden wij wel op een of andere manier met de jongeren. Een aanduiding daarvoor vind ik een gedicht dat ik onlangs teruggevonden heb en dat ik in januari 1968 geschreven heb. Het leert ons toch ook relativeren.



    ANDERS 


    Omdat wij anders zijn dan onze tijdgenoten

    Die ouder zijn van geest en vaak ook ouder zijn

    Van jaren, tracht men ons lafhartig te verstoten

    Met spot en onbegrip, en lacht om onze pijn.


    Omdat wij aan ye-ye ons hart hebben gegeven

    Liever dan aan de wals en tango van weleer,

    Hebben degenen die met ons niet kunnen leven,

    Hun onmacht weggestopt met geld, en spelen heer.


    En daar wij van geen zoete liedjes willen weten

    Maar ritme zoeken dat het davert door ons lijf,

    Hebben de stijve stommelingen ons haast opgevreten

    Met woorden vol van haat, en huilend in gekijf.


    Omdat mijn zuster zich eens anders wilde kleden

    Dan oude grootmoe deed in haar vervlogen tijd,

    Heeft men haar afgekeurd ; ze heeft erdoor geleden

    Doch draagt haar bloemenpak, de anderen ten spijt.


    Wij staan hier altijd maar verwoed te protesteren

    En denken dat wij nu de grote helden zijn,

    Die al wat rot is uit de wereld kunnen weren...

    Maar wat... wanneer onz’ kinderen willen anders zijn ?



    28 januari 1968

    19-05-2008 om 00:00 geschreven door padre


    >> Reageer (0)
    28-08-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Reisverhaal : EXTREMADURA
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Reisverhaal (2005) : EXTREMADURA

    Ik was die zomer niet op reis geweest. De vakantiemaanden waren opgeslokt door werken in huis: schilderen, behangen en dat soort dingen. En toen september zijn regen en nukkige winden over ons stortte had ik een onbepaald gevoel van onvoldaanheid. Ik liep er lusteloos bij, keek ongeïnteresseerd naar het nieuwe behang, naar de satijnglanzend geschilderde deuren en ramen.

    Dat ontging mijn vriend Tom niet, een avond toen hij bij mij thuis kwam dineren. Al een aantal jaren kwamen wij maandelijks om beurt bij mekaar aan huis en dan bereidde “de gastheer” een etentje; we dronken een paar passende wijntjes daarbij en we rondden ons avondje af al babbelend en keuvelend over vanalles en nog wat. Wij waren beiden vrijgezellen en liefhebbers van populaire klassieke muziek. Rond elf uur stond “de bezoeker” recht en nam afscheid.

    Het was dus op een van die etentjes dat Tom opmerkte dat ik er niet zoals gewoonlijk bij was.

    - Wat scheelt er? vroeg hij toen we van het dessert snoepten.

    - 't Gaat wat minder goed, zei ik. Misschien omdat ik dit jaar nog niet met vakantie ben geweest.

    Tom zweeg een ogenblik, keek me aan en knikte.

    -Wel, zei hij. Laten we er eens samen op uittrekken. Wat dacht je van een trip naar Extremadura?

    - Naar Extre... wat?

    - Extremadura. Spanje. Tegen de grens van Portugal. Toeristisch wel niet zo bekend. Maar, ging Tom verder, terwijl hij mijn sceptische blik trachtte te negeren, dààr vind je een Spanje, anders dan dat wat men de toeristen gewoonlijk doet verteren.

    Tom bleef mij aanstaren en probeerde uit mijn reactieloosheid te raden wat ik van zijn voorstel dacht.

    Nu, ik moet zeggen dat het me toen niet aansprak. Tom had evengoed kunnen zeggen dat hij zou willen gaan jagen op wilde olifanten ergens in Afrika, of, voor mijn part, op de Noordpool... het kon mij toen allemaal weinig schelen. Maar omdat Tom mijn vriend was, zei ik dat ik het een goed idee vond en dat het een interessant voorstel was.

    - Fijn, zei Tom, wanneer kan jij je vrijmaken? Hijzelf kon de volgende week al vertrekken. Voor mij ging dat ook.

    - Dat is dan in orde, morgen bestel ik de vliegtuigtickets, we vliegen tot Valladolid, daar huren we een auto en dan rijden we zuidwaarts naar en door Extremadura, we zuigen daar de Spaanse lucht in en laten alle beslommeringen uit ons verdampen! En in Madrid stappen we daarna op het vliegtuig huiswaarts.

    Toen Tom weg was keek ik moedeloos naar de borden, kopjes, glazen, kookpotten die op de afwas stonden te wachten. Och, dat was voor morgen. Ik trok mijn schoenen uit, schoof mijn voeten in mijn pantoffels en slofte de trap op. Ik gooide mijn kleren op een stoel en kroop tussen de lakens. Maar slapen lukte niet zo gauw. Meegaan naar Extre... wat was het weer? Extremadura. Was het wel goed dat ik zo direct had ingestemd? Och, Tom zou wel beter weten. Hij was immers een hispanist, iemand die Spanje en Spaans kende. We zouden wel zien.

    Zes dagen later stappen wij in Valladolid uit het vliegtuig, huren een auto, laten de vroegere hofstad met het geboortehuis van Filips II voor wat ze is en rijden in de vrolijke namiddagzon richting Salamanca, zowat 120 km zuidwaarts. We geraken goed vooruit en na een tweetal uren zien we het silhouet met de kathedralen van Salamanca voor ons in de verte tegen de lucht geschilderd. Salamanca, waar de theoloog Fray Luis de León door de Inquisitie in de gevangenis werd gestopt. Na enkele jaren werd hij vrijgelaten en hij hernam zijn cursus aan de universiteit met de bekende woorden: “Cómo decíamos ayer...”, “zoals we gisteren zegden”... alsof er in de tussentijd niets gebeurd was en waardoor hij onrechtstreeks liet blijken dat hij bij zijn mening gebleven was! Salamanca houdt zijn gedachtenis in ere, want zijn standbeeld staat op het plein voor de universiteit, de Patio de las Escuelas. Hij kijkt geamuseerd naar de toeristen die met hun ogen de platereske gevel van het universiteitsgebouw aftasten en de “rana”, de kikker, zoeken? Vind je hem, dan zal je succesrijke studies doen. O ja, daar zit hij, rechts bovenaan, op een van die stenen doodshoofden...

    Op het Plaza Mayor, een van de mooiste openluchtsalons die Spanje rijk is, volgen we vanop een terrasje hoe de Spanjaarden in de oktoberzon de ronde van het plein doen, al pratend en gesticulerend. Slechts enkele toeristen blijven af en toe staan om te kijken naar een van de tientallen stenen medaillons die tussen de bogen rondom het plein aangebracht zijn, en van waaruit Spaanse beroemdheden in half reliëf de drukke beweging onder zich negeren.

    Wij overnachten in een hotelletje buiten de stad en rijden ´s anderendaags in de voormiddag verder zuidwaarts naar het echte Extremadura, wat betekent het Land achter de Douro.

    Twee uur later eten we tapas in Plasencia en we blussen onze dorst met koele “rosado”. Dan zakken we verder zuidwaarts. Bestemming Cáceres.

    We komen in de late namiddag aan. 90.000 inwoners telt de stad. In 1986 riep de UNESCO het oude stadsgedeelte uit tot Erfgoed van de Mensheid. Deze “casco antigua” bezoeken is een must. Maar dat is voor morgen.

    We parkeren onze wagen op het Plaza Mayor, niet ver van het gemeentehuis. Haast elke gemeente in Spanje heeft een Plaza Mayor. En als die er niet is, dan is er wel ergens een Plaza de España. Aan een zijde van het plein rijen zich restaurants, bars en souvenirwinkeltjes aaneen onder schaduwgevende bogen. We drinken op een van de terrasjes een fruitige ijsgekoelde sangría en slenteren door de smalle winkelstraten. De warmte en het stof van de dag hangen zwaar tussen de huizen, de deuren van de winkels staan wijd open en de bewoners zijn druk bezig. De namiddagsiësta is voorbij. ´s Avonds eten ze hier nogal laat, zo rond tien uur... Zo lang houden wij dat niet uit. We laten de sfeer van de zwoele herfstavond op ons inweken. Opeens schieten vanuit de drukte van de menselijke beweging enkele stemmen in de lucht! Voor een groentenwinkel zijn we getuigen van een ratelende woordenwisseling tussen twee in het zwart geklede vrouwen van onbestemde leeftijd. De discussie gaat over de tomaten en vooral over de prijs. Het duet van stemmen amuseert de voorbijgangers. Dan ineens is de vertoning voorbij, het wordt stil, er wordt betaald en met een groet gaat ieder zijn gang. Adios! Hasta la vista!

    - Al die drukte voor twee eurocent, schuddelbolt Tom.

    Glimlachend slenteren we verder. Ik begin het leven al terug van een zonniger zijde te bekijken. Deze streek heeft zijn aantrekkelijke kant.

    Ons hotel ligt een paar kilometer verder strategisch langs de brede Avenida Virgén de Guadalupe. Het is een groot gebouw, internationaal van uitzicht, met wel tweehonderd kamers. Een hoge brede marmeren inkomhal, airconditioning en aan de receptie een knappe, vriendelijke jonge dame. Ze heeft donkere ogen, gitzwart haar, verleidelijke lippen en een welgevormd slank figuur... Mijn bloed begint sneller te stromen en ik merk nauwelijks dat ze mij de magneetkaart van mijn kamer overhandigt. De helft van een ogenblik zie ik een ondeugende tinteling in haar blik en er valt warm geluk over mijn schouders. Doch Tom wacht al aan een van de brede liften en in de spiegels binnenin zie ik hoe mijn Spaanse vlam enkele luidruchtige Engelse toeristen met haar verleidelijke glimlach kalmeert. Ik haat die Engelsen.

    We hebben beiden een ruime kamer. Ze liggen naasteen en zijn elkaars spiegelbeeld, ingericht op dezelfde wijze met dezelfde reproducties aan de muur, zoals waarschijnlijk in de meer dan honderd andere kamers. De sfeer is niet echt Spaans, maar het bed is uitstekend en de badkamer is een kraaknet blinkend juweeltje. Heerlijk die douche!

    Daarna naar de eetzaal. Mooi. Stijlvol. We drinken een fles Spaanse wijn bij ons diner. De prijs is aan de hoge kant, doch een extraatje af en toe vermooit het leven.

    Na het eten gaan we nog even een luchtje scheppen in de omgeving. Aan de receptie zoeken mijn ogen naar de knappe receptioniste. Pech. Er zit een doodgewone kerel van middelbare leeftijd achter de balie. Hij kijkt even op als we hem passeren, en steekt zijn neus terug in zijn krant. Ik werp hem een vijandelijke blik toe.

    Eenmaal terug en in bed val ik haast ogenblikkelijk in slaap. Droomloos schuift de nacht voorbij en `s anderendaags prikt de wekker mij biepend in de dag. De zon wriemelt zich al nieuwsgierig door de gordijnen. Het zal een warme dag worden. Ik draai mij nog even om, rek mij en grijp naar de afstandsbediening van de TV die tegenover mij aan de muur hangt. Ik zap van de ene post naar de andere. Waarom geeft men `s morgens toch altijd die stomme tekenfilmpjes met die scherpe stemmetjes erop? Elders een paar praatprogramma´s. Ik ken wel al een aardig mondje Spaans, doch tegen dat snelle Spaanse woordengeweld ben ik niet echt opgewassen. Een frisse douche is aantrekkelijker. Een kwartier later is alle loomheid met het water weggespoeld en ik spring in mijn kleren. Mijn reiskoffer is vlug klaar. Ik kijk door het raam nog even naar het drukke verkeer op de avenida. Neen, ik stap niet in de lift, ik neem de trap naar beneden.

    In de eetzaal is Tom al bezig met het ontbijt. Hij ziet er stralend uit.

    Het bezoek aan het oude stadsgedeelte van Cáceres is een buitengewone ervaring. Een hele ommuurde oude stad, goed bewaard, verzorgd en onderhouden, zonder verkeer, ingetogen en binnenshuis bedrijvig. We laten ons gidsen door ene Carlos, samen met een tiental andere toeristen: een drietal Engelse weduwen met grote voeten en platte schoenen, enkele oudere Duitse koppels, een Japans echtpaar op huwelijksreis en twee jongere dames die blijkbaar samen reizen en die vlot Spaans spreken. De ene is blond en heeft blauwe ogen, de andere is meer een zuiders type met een ovaal gezicht, gitzwart haar, donkere ogen. Ik denk even terug aan de receptioniste van het hotel. De gids heeft een kaalgeschoren hoofd en doet alsof hij alles weet over de vroegere twisten tussen de plaatselijke heren, over hun kuiperijen en politieke intriges. Maar hij brengt het wel op een vlotte sympathieke manier. Onder zijn leiding wandelen we in een andere tijd, ware het niet dat hier en daar op een uithangbord de naam van een moderne bank of een gemeentelijke dienst te lezen valt. En het onvermijdelijke souvenirwinkeltje ontbreekt natuurlijk niet. Aan de Casa de los Dolfines struikelt een van de jonge Spaansen over een drempel. Ze valt tegen mij aan. Ik heb nog juist de goede reflex ze onder de arm te grijpen.

    - Muchas gracias, señor. Dank u wel, ik had me lelijk pijn kunnen doen.

    - De nada, señorita, ´t is toch vanzelfsprekend dat ik u...

    Mooie donkere ogen, heeft die zwarte. En die glimlach die is... Ik vergeet even naar de gids te luisteren.

    `s Middags duiken we een bar binnen, bestellen een tortilla met een karaf wijn en ondergaan de lawaaierige televisie die in een hoek van de bar voor zichzelf staat te spelen. Niemand kijkt ernaar, maar het toestel is een onmisbaar meubel. De twee jonge dames van daarstraks komen binnengelachen. Er is een moment van herkenning. Het tafeltje naast ons is nog vrij en we nodigen hen uit bij ons plaats te nemen.

    - En wat vond u van de rondleiding? vraagt Tom. Tom spreekt vloeiend Spaans en het duurt niet lang of de dames weten dat wij in Vlaanderen, het landje aan de Noordzee, thuishoren. Zij komen uit Madrid, zeggen ze. Zoals wij zijn ze van zins, nog enkele steden in de streek te bezoeken. We praten nog een tijdje en als we de bar verlaten noemen we mekaar met de voornaam: Maria, Carmen, Tom en Dre. Nog een goede reis!

    Ongeveer 70 km verder zuidwaarts ligt Mérida, het vroegere Augusta Merita, gesticht door keizer Augustus in 25 voor Christus. Mérida groeide uit tot de culturele en economische hoofdstad van Lusitanië, een van de grote Romeinse provincies. Het werd bij manier van spreken het Spaanse Rome. Wij komen er aan in de vroege namiddag. Er is weinig volk op straat. Het is het uur van de siësta.

    Ons hotel ligt buiten het centrum maar vlak bij een winkelcentrum. De dame aan de receptie heeft een scherpe gebogen neus en een ietwat hese stem. Ze is commercieel functioneel gedienstig en geeft ons de kamersleutels. De wagen kunnen we laten staan op de ruime parkeerplaats van het hotel.

    Nog geen half uur later wandelen we over de bijna 800 meter lange Romeinse Brug, de Puente Romano, naar het centrum. De brug is verkeersvrij en plant haar eeuwenoude bogen over de Guadianarivier. Mérida heeft slechts 60.000 inwoners, maar is een van de belangrijke steden in Extremadura. Wij passeren de Residencia de la Junta de Extremadura en slenteren door de Calle Santa Eulalia. De heilige Eulalia is de patrones van Mérida. In 304 werd ze op 13-jarige leeftijd gemarteld onder de vervolging door keizer Diocletianus. Plots staan we voor de Basílica de Santa Eulalia. Het is een heel oud gebouw, van oorsprong visigotisch en achteraf herbouwd in romaanse en gotische stijl. We duwen een kerkdeurtje open. Binnen vult een religieuze stilte de wijdingsvolle tempel. Eerbiedig bewonderen wij het altaar, het kerkmeubilair, de ingetogen heiligen. Slechts enkele vrome kaarsenvlammetjes maken een aarzelende beweging. Hier kan men tot rust komen, of men gelovig is of niet. Weldoende is dat. Wij genieten van de stille rust. Opeens zwaait in de muur van een zijbeuk een deur open en een overvloed van licht en vrouwenstemmen buitelt hals over kop de kerk in! Al het hemelse wijkt voor dit aardse indringen. De plaatselijke parochiale vrouwenbeweging is daar in een zijzaaltje druk aan het koffiekletsen! En alsof dat niet genoeg is, bonkt ineens een van de kerkdeuren open en een bende jongens en meisjes van een jaar of tien stormt de kerk binnen. Gestommel en gerommel, geduw en geroep. Tot een geestelijke, die vanuit het niets ineens opgedoken is, zijn stem en zijn armen verheft, en alles wordt stil. Dan begint het aanleren en repeteren van liturgische gezangen. De baritonstem van de priester zingt de lof van de Heer voor en de zangertjes schreeuwen uit volle borst hun instemming daarmee uit. De gewijde stilte is kapot, weg. De heiligen tegen de muren ondergaan dit alles onverschillig. Wij verlaten het gebouw.

    Mérida is rijk aan monumenten uit de Oudheid. Morgen bezoeken wij het Romeinse Theater, een van de best bewaarde in de hele Romeinse wereld. Wij slenteren door de straten, en bezoeken het Circo Romano. Tot 60.000 toeschouwers konden daar in de Oudheid de paardenrennen en andere sportevenementen volgen! Dan duiken we een bar binnen. Onze ogen moeten even wennen aan het donker. We bestellen een wijntje, en als de sexy dienster de glazen voor ons op het tafeltje schuift, bestellen we nog tapas erbij. Gracieus worden de snuisterijen voor ons neergezet.

    Het avondmaal in het hotel wordt slechts vanaf 20 uur opgediend. Ik heb nog twee uur tijd over en ga even rondwandelen in het winkelcentrum naast het hotel. Er is zelfs een “Carrefour”, zoals bij ons. Ik loop erin rond en blijf hangen in de afdeling literatuur. Ik koop er een lijvige thriller, “El último Catón”, van de successchrijfster van het ogenblik, Matilde Asensi. Twee weken lectuur voor wanneer ik terug thuis ben.

    Het diner is goed, doch de keuken in Extremadura is niet te vergelijken met wat wij, Bourgondische genieters, verwachten. In de bar laten we ons door een stijve kelner een paar biertjes serveren. We laten de avond niet verder groeien en gaan naar onze kamers.

    De nacht is droog en warm; jammer dat het lawaai van het verkeer me mijn vensterdeur op het balkon doet sluiten. Toch slaap ik lekker, tot de receptie mij telefonisch wekt.

    Ik braak een verwensing naar dat hatelijk rinkelende ding, slaapwandel tot aan het raam en vloek binnensmonds: het is aan het regenen! Ik heb zin om mij weer onder de lakens te verschuilen, maar ik mag Tom niet laten wachten. Een ochtendlijke douche kan wonderen doen en warempel, onder de stortbui begin ik te zingen! Toreador, la la lala lalaa... Water werkt ook therapeutisch.

    Na het ontbijt stappen we op een stadsbus en een kwartier later staan we voor het Romeins Theater. Het heeft opgehouden te regenen maar waterplassen weerspiegelen lucht, zuilen en kapitelen. Stil bewonderend zitten we op de trappen van het halfrond en in verbeelding zie ik reeds lang in het schimmenrijk verblijvende acteurs bewegen. Dit theater werd in 15 voor Christus opgericht en getuigt van de vroegere praal en het belang van Mérida. Doorheen de eeuwen werd het gebouw voor verschillende doeleinden gebruikt, maar na een grondige reconstructie is het nu de plaats waar de “Festivales de Teatro Clásico” plaatsvinden.

    Wij wandelen dan naar het Romeins Amfitheater dat naast het theater ligt. Het is een grote ellipsvormige kom, maar de tand des tijds heeft hier lelijk aan geknaagd. Toch blijft de constructie indrukwekkend. Gebouwd in het jaar 8 voor Christus bood het plaats aan 15.000 toeschouwers.

    Wij klimmen op de trappen, doen de ronde van het geheel. Mijn aandacht wordt getrokken op een eigenaardige stenen bank met een rij uithollingen en gaten vooraan en bovenaan. Tom zegt me dat het de vroegere openbare toiletten waren! Men kon er met zijn zessen gezellig naast elkaar zitten... Door een ingenieus systeem werd het water van de helling eronderdoor geleid en zo werd wat niet meer gewenst werd weggespoeld. Knappe kerels, die Spaanse Romeinen, of moet ik zeggen die Romeinse Spanjaarden?

    Het begint weer stilletjes te regenen. Wij lopen langs dikke muren en onder bogen tot aan de uitgang.

    Aan de overkant van de straat staat het Museo de Arte Romano. Het is het werk van architect Rafael Moneo. Het gebouw is nog tamelijk recent, want het werd slechts in 1986 ingewijd. Het museum, in zacht oranje-bruine baksteen, is al een kunstwerk op zichzelf; vooral de binnenkant maakt op mij een verrassend goede indruk. Wij wandelen de rest van de voormiddag door de galerijen en verzadigen ons aan al wat er is uitgestald, vakkundig en mooi: beeldhouwwerken, prachtige mozaìeken, altaren, grafstenen, huishoudelijke voorwerpen, sieraden, munten, zilverwerk, vazen, potten enz. Het is een schatkamer voor archeologen en geschiedkundigen.

    Wij hebben zin gekregen in een hapje en stappen de bar naast het museum binnen. Het hoge plafond en de muren zijn donkerrood geschilderd met, bij wijze van afwisseling, hier en daar een grijs profiel van een of andere oude Romein. Naast de gelukte harmonie van het museum is dit goedkope kitsch. Doch het wijntje en de tapas smaken.

    Wij praten nog wat door en wachten tot het heeft opgehouden met regenen. De lucht trekt open en de zon begint ergens in het zuiden zwakjes te glimlachen.

    De namiddag brengen we verder in de stad door. We bekijken nog enkele Romeinse overblijfselen en wandelen rond het solide versterkt Moors kasteel. Het dateert van rond 835, is gebouwd in een nagenoeg perfect vierkant, is 135 meter breed en heeft 25 torens!

    De avond brengen we door in de eetzaal en de bar van het hotel. Morgen rijden we verder.

    Nog geen 100 km verder naar het noordoosten toe ligt Trujillo: “un grito de la tierra hasta el cielo”, een kreet van de aarde naar de hemel toe! Het is dezelfde hemel als die van de Apocalyps, wordt wel eens beweerd. Het is een stad van steen, gebouwd op een granieten rots.

    Onder de Romeinse overheersing kreeg dit vroegere Turgalium strategische betekenis daar het lag op het traject Mérida-Toledo. Eeuwen later werd het een Moorse versterkte plaats vooraleer het door de christenen werd veroverd. Doch zijn echte betekenis kreeg Trujillo in de 16de eeuw. In die tijd stonden daar verschillende beroemde conquistadores op onder wie de bekendste: Francisco Pizarro, de veroveraar van Peru. Krijgslustig zit hij op de Plaza Mayor op zijn bronzen paard, het zwaard uit de schede getrokken. Maar waar hangt de schede? Kleine vergetelheid van de beeldhouwer?

    Het Plaza Mayor is in al zijn ongelijkheid en verscheidenheid tot een harmonisch geheel uitgegroeid. Enkele gevels zijn het bekijken meer dan waard. Wij lopen over ongelijke stenen door de stoffige oude en smalle straten, bewonderen de vele gebeeldhouwde hoekbalkons, bekijken enkele kerken ook vanbinnen, bezoeken het geboortehuis van Pizarro en klimmen dan de heuvel op naar het fort van Trujillo. Prachtig is het uitzicht over de hele streek als je boven op de muren onder de wolken staat uit te waaien.

    We nemen onze intrek in de Parador. Het is een historisch gebouw, door de staat tot een hotel omgebouwd, luxueus en verzorgd. Goedkoop is het wel niet, maar het is onze laatste vakantiedag hier in Spanje, toch voor Tom die jammer genoeg niet langer vrijaf kon krijgen. Ikzelf heb nog een paar dagen in Madrid gereserveerd.

    's Anderendaags rijden we langs de autoweg richting Madrid en dan verder tot de luchthaven Barajas, waar Tom nu en ik overmorgen het vliegtuig zal nemen. De rit duurt een goede drie uur. We leveren onze huurwagen in en nemen van elkaar afscheid. De pendelbus brengt mij tot aan het stadscentrum en ik neem mijn intrek in een hotel, niet ver van de Puerta del Sol, het centrum van Madrid, en voor echte Spanjaarden ook het centrum van de wereld. Ik voel me goed; ik kan zelfs van de stadsdrukte genieten. Ik ga hier in Madrid niet veel uitrichten, maar ik weet dat ik overmorgen met een koffer boeken en onnodige hebbedingen naar huis zal vliegen. Ik ga het Prado bezoeken en het Museo Reina Sofia, ook het koninklijk paleis, ga Don Quichote en Sancho Panza eer betuigen, ga in de Fnac boeken en cd's kopen, zal gaan eten in een Museo del Jamón, waar de hespen met honderden tegen de muren te drogen hangen. En wellicht nog veel andere dingen.

    Twee dagen vliegen zo voorbij zonder dat je het merkt. Ik stap in het vliegtuig. Ik heb een plaatsje naast een raampje en maak het voornemen gedurende de reis een rustig dutje te doen. De plaats naast mij is vrij zodat ik minder gestoord zal worden. Goed zo. Ik laat mij een beetje uitzakken en sluit de ogen. Het vliegtuig zal binnenkort opstijgen; de laatste passagiers komen binnen en de deuren worden gesloten. Ik hoor de motoren ronken en kijk door het raampje naar de startbaan en de vlieghavengebouwen. Naast mij komt er een persoon plaatsnemen. Kleine pech. Toch niet, een dame. Ik kijk op en krijg een schok.

    - Carmen, roep ik, harder dan nodig is. ¡Qué coincidencia! Wat een toeval!

    Twee vrolijke donkere ogen kijken naar mij en een lachende mond beaamt: De verdad, qué coincidencia.

    Het bloed stijgt naar mijn hoofd, ik word warm van in mijn benen tot in mijn nek. Ik ben ineens klaar wakker. Ik span mij in om mijn beste Spaans te spreken, maar ik struikel vaak over mijn woorden. Mijn lieve gezellin zit stilletjes te glimlachen. Na enkele tijd zegt ze mij guitig in onvervalst Antwerps dat ze het wel zeer waardeert dat ik Spaans spreek, maar dat ze geen bezwaar heeft tegen Nederlands. Mijn mond blijft openhangen en ik kan ineens niets meer zeggen.

    Carmen is een echte Vlaamse, maar haar grootouders en haar moeder zijn afkomstig uit Spanje. Vandaar dat ze vlot Spaans spreekt. En ze was met vakantie bij een vriendin uit Madrid.

    De vliegtuigreis duurt veel te kort. In Zaventem hoop ik dat onze bagage lang op zich zal laten wachten. In Brussel-Centraal nemen wij afscheid van elkaar.

    Het is nu tien maanden later. Straks komt Tom bij mij voor ons maandelijks etentje. In de keuken is Carmen druk in de weer. Ik ruik de heerlijke geuren van Spaanse gerechten!

    28-08-2005 om 00:00 geschreven door padre


    >> Reageer (0)
    01-08-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Impressies uit de wereld

    IMPRESSIES UIT DE WERELD

    Mijn wereld is klein. Neen, toch niet zo klein als je misschien denkt.

    Ik interesseer me voor alles wat er overal gebeurt. Maar reizen doe ik
    in een beperkt gebied, en dat ligt ruwweg genomen tussen de Vlaamse
    Kust, het Rijnland, Tirol en de Elzas.

    Toch waren er ook wel enkele uitschieters.

    Ooit voelde ik boven mij de
    Eiffeltoren in Parijs, ik keek op naar de slagen van Big Ben in Londen, bewonderde de Acropolis in het licht van Athene, liet mij al biddend overweldigen in de Sint-Pieters te Rome, dronk de koppige Heuriger in Wenen, was op mijn hoede voor maffiosi in Palermo, vroeg me af in Madrid welke visioenen de edele Don Quichote nu weer had, en kwam even
    tot inkeer in het Anne Frankhuis in Amsterdam.

    Niet zo slecht, zal je denken. Natuurlijk heb je gelijk. Doch verder
    dan dit stuk Europa was ik lijfelijk nooit aanwezig.

    Ik heb de kaap van zeventig al een tijdje achter de rug. Met de jaren
    relativeer je meer en meer : wij hier verschillen echt niet zoveel van onze Australische broer of Afrikaanse zus, van onze Amerikaanse oom of
    Chinese tante.

    Zalig is het telkens als ik na een reis mijn vertrouwde omgeving
    induik: ik ruik de geur van de boeken in mijn werkkamer, ik zie hoe het onkruid in mijn tuin tijdens mijn afwezigheid zich ondeugend heeft gedragen, voel hoe mijn zetel mij omarmt, verwonder er mij over dat het televisiescherm zoveel groter is dan die in de hotels waarin ik verbleef, voel hoe de lakens in mijn eigen bed mij liefkozend
    omvatten...

    Impressies. Ja, het zijn ook reisimpressies, want ze zijn een gevolg
    van een reis.

    Leven is ontwikkeling. Mijn reisimpressies leven ook: ze veranderen
    steevast. En dat begint al op het moment dat ik thuiskom. De gedane reis herkauw ik gedurende de volgende dagen en weken: het mooie wordt mooier, het minder aangename vervaagt in vergetelheid. Onbewust ben ik al bezig met een volgende reis: ergens tussen Oostende, Keulen, Sankt Johann en Straatsburg.
    Misschien doe ik toch nog eens een grotere reis. Wie weet?

    Ik hou van dit stukje Europa, van dat Germaanse moederland dat zoveel
    vreemd zaad tot eigen cultuur heeft verwerkt.

    In Keulen kijk ik naar de onrustige Rijn en verbeeld mij hoe rond 1300,
    twintig generaties eerder, mijn rechtstreekse voorvader Godard daar eveneens naar de geheimen van dit water raadde. In Tirol spreken de boeren met zinnen waarvan de melodie mij even zangerig klinkt als die van het dialect dat ik in mijn jeugd heb leren spreken. De Elzas wentelt zich in wijn en tooit zijn stoere vakhuizen frivool met Franse bloemen. En in Wenduine wiegt onder de winden eeuwig de zee op en neer
    over het lijdzame Noordzeestrand.

    En overal daarboven lucht en wolken, steeds variërend, steeds anders en
    altijd opnieuw gelijk.

    Lang geleden, toen ik nog maar 24 was, zag ik voor het eerst de zee...
    Reizen was toen niet zo vanzelfsprekend. Toch niet bij ons thuis. Tussen Oostende en Middelkerke reed de tram langs de boord van de ronde
    oceaan. En ja, in de verte waren er twee echte zeeschepen!

    Onvergetelijk.

    Aan de halte in Middelkerke stond mijn verloofde op mij te wachten. Zij
    kon mijn reisimpressie niet verdringen. Door haar werd ze nog mooier.

    01-08-2005 om 00:00 geschreven door padre


    >> Reageer (0)
    01-07-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.ELEKTRONISCH CAPRICE

    ELEKTRONISCH CAPRICE

    Lang geleden, in 1966, “experimenteerde” ik af en toe met woorden en klanken. Een klank riep toen (en nu nog in zekere mate) een kleur in mij op. Zo komt a bij mij overeen met rood, e met geel, i met wit, o met zwart en u met blauw… Hoe dat komt weet ik niet.

     

    Woorden roepen vaak beelden op, kunnen zich daarmee zo vereenzelvigen dat het beelden zijn… Maar beelden worden niet altijd gekoppeld aan woorden. Daarvoor moet ik een kleine inspanning doen. Het geziene beeld moet vertaald en aangekleed worden in een woord.

     

    Hangt dat samen met het feit dat ik voor woorden vooral een visueel geheugen heb? Als ik een inspanning moet doen om mij te herinneren hoe iets heet, vind ik het meestal sneller als ik het in verbeelding geschreven zie. Maar hoe verklaar ik dan het feit dat ik een melodie zonder inspanning kan onthouden en gemakkelijk kan nazingen of op de piano reproduceren? Dat wijst dan weer op een auditief geheugen.

     

    Dit alles belet niet dat men met klanken en woorden kan spelen en er “gedichtjes” mee kan componeren. De schikking van woorden en zinnen is daarbij een betekenisvol bestanddeel van de indruk die de tekst teweegbrengt. Met wat verbeelding creëert en beleeft ook de lezer dan onverwachte dingen.

     

    Ik wens je bij de lectuur van dat “caprice” veel genoegen.

     

    ******************************

     

    André G. VANSTRAELEN

    ELEKTRONISCH CAPRICE
    -----------------------------------

    woorden zijn beelden
    beelden geen woorden

    Dilbeek, juni 1966


    1

    avond

    avond omhult en vult de straat
    maanlicht groeit
    gebroken
    bloemen
    en paarden
    zijn vreemd voor elkaar
    maanavond vult en licht in de straat

    2
    landelijk alledaags

    waterval
    van klotsend zingen
    snakkend wegen
    vele tranen
    over heide
    over land en
    zee
    kom
    rust
    vlieg de weg op
    over muren
    in de hoek van mijn kamer
    een stoel
    daarop
    o, ja
    krant, reclame
    bocht

    3
    stilleven

    in vier hoeken van mijn kamer
    hoggard’s company and co
    want anders gaat het niet meer door
    kijk, bromberen vliegen
    muizen en katten
    in de pijp op de doos
    in de hoek van mijn kamer

    4
    roekeloos

    vertikaal
    hangt
    de spin
    aan de draad
    van haar leven

    rustig
    doende
    bemeestert ze
    ‘t leven

    spin
    bezin je
    over je dood

    daar
    een knip
    en je bent er geweest

    5
    abstrakt

    driemaal horizontaal
    en vertikaal
    daarop
    zwevende strepen die beven
    LEVEN
    alles kapot !
    vier kant komt cirkel vorm lood
    recht


    6
    beweging afgebakend

    schuine strepen schuiven
    over witte vlekken
    ronde lijnen lopen
    laag
    flitsen hoog recht
    vertikaal
    zeeën golven vogels varen
    verre schepen wolken baren
    golven klieven rollen meeuw

    in een kader
    twintig op dertig
    afgebakend leven
    vlak

    7
    vakantie

    avondrood in gulden bloemen
    blauwe schepen verre waters
    zeven zeeën varen voort
    open
    gaan bomen
    gaan pijpen
    en violen
    roken
    zacht rollen baren
    weg in de nacht
    licht op het strand
    lacht
    lucht
    lief...


    8
    tinteling

    tin schalen
    kristal leven
    asse boven lage wever
    gras met wolken, wee, rand
    land, zand
    op scheepsrelingen zomerjurk
    hoeden stoten loden
    twee
    een van drie maal
    rechts 
    is voorrang
    ballon gegeven
    rustig laven
    meeuwen spreken
    laten laten laten
    LATEN !!!


    9
    zee

    zeeën zweven verre voor ons open blik
    vogels varen vrolijk over open zee
    vuur en water, zon en zout op open zee
    zalig zweven lachend lief de vissen mee

    vrome schepen schuiven vredig verre heen
    zeeën dragen zuiver vis en baren mee
    vissen, vogels, schepen, zweven, zout op zee
    schuimend lachen lief de zwevend’ vissen mee


    10
    element

    vliegende vogels
    golvende water
    verre gevaren
    open
    zeven grote sloten
    diep duik
    alleluia !
    licht lacht
    lief leven
    glimmende glijden
    varende wolken
    golvende water
    zwierende zweef
    zacht
    zacht
    zacht

    11
    klokje

    klokje klinkklankt over daken
    trillen lucht en harten
    luisteren
    vogels
    fluiten
    klokje langzaam
    sterft klank in
    lucht
    harten beven
    trillend weer groene leven
    spiegelt boten over rood gelaat
    in blauwe ogen
    grijs gelach van zee
    matrozen
    klokje stormt en klokt en bonkt
    storm !
    nat
    vergaan


    12
    wee

    voorbije vormen vreemd
    lachende gebaren
    steken
    harten op twee vorken
    zeven lagen aarde
    diep
    wolkendek op water
    flits gebroken lucht
    rommel
    slapen lagen liegen
    over baren water golven
    zacht steeds zucht steeds
    zucht


    13
    aan shakespeare

    shakespeare
    kom hier
    lach
    op de geesten
    der verdorvenheden
    had je hamlet niet geschapen
    was de moor niet in de haven
    was je pen niet scherp genoeg
    shakespeare
    boef

    14
    othello

    othello
    vreemde vorst
    vorstelijke gebaren
    vol
    o vreugdig avontuur
    diepe ellende
    afgrond en pianogetokkel
    vreemd vervelend laf
    zelf moord

    achter lege handen vegen
    schuiven schimmen wee

    15
    mozart

    sol do re mi fa mi re
    mozart
    apart geluid
    mijn fluit
    piano snaren zingen
    elysische violen
    over dingen
    strelend beven
    sol do re mi fa mi re
    mozart
    dolen over bassen
    tonen dromen
    in ‘t spinet


    16
    muziek

    ik speel viool
    en fluit
    op mijn piano
    luister naar die stem
    der muze
    die zingt
    in mijn oor
    ik zie
    je gelaat
    o patrimonia
    o dolce musica
    o cara mia

    17
    kinderziel

    mama
    kamion hebben
    vasthouden
    koekje hebben
    patatata
    dikke dakke daa
    juke spelen
    juke-box leren
    boem boem boem boem
    BOEM !!!


    18
    kindertaal

    papa, kijk !
    vogels vliegen
    gras, water, vis
    daar, heel hoog
    zon !
    schijnt
    licht, licht !
    stoeltje hebben
    hondje hebben
    autootje hebben
    nog een vogel
    papa, kijk !

    19
    idylle

    een jongetje langs het gras
    honden aan de leiband houden
    en in het zand
    speelt marietje
    met rood en geel en blauw
    en in de lucht
    vol schaapjeswolkjes
    een auto
    een vliegtuig
    en
    regen langs de ruiten
    van mijn hart
    o marietje !


    20
    ver

    avond sterren jongetje
    sterren jongetje maan
    jongetje maan oneindigheid
    poëzie
    muziek
    alomtegenwoordigheid
    o rust en stilte
    avondmuziek
    jongetje op sterren
    loop en zing
    oneindigheid

    21
    voorbijgaand


    we hebben de vogels te werk zien gaan
    goden en godinnen
    diluviaal
    avond zonder er iets van te weten
    kussen om morgen weer te vergeten
    en een bloem
    in haar hemd
    staat te zingen
    van de dingen
    die seringen
    onbekend zijn

    zweven wij
    minne !
    pijn !!
    vruchteloos...
    en een kind
    met een mondharmonika


    22
    ye-ye-children

    ye-ye-boy
    you-you-girl
    dansende heupen
    paardestaart
    en kussen
    wandelen springen
    compromis
    weg met de bourgeoisie
    weg met het oude
    van voor dertien jaar !
    ye-ye-boy-girl
    you-you-girl-boy...
    schade jammer leven roes blind ach !

    23
    wurging

    bijna gratis
    omhelzing
    mijn pijp
    breekt stuk
    doch erger is er niet
    dan geen
    wurging
    in je armen


    24
    orgie

    gek en dol en patatataa
    boem en klink en bommelledaa
    lachende wijven
    vrienden die kijven
    vrouwen die zuipen
    kinderen kruipen
    SCHREEUWEN !!
    eeuwen en eeuwen
    door

    25
    stadsbeeld

    ‘s morgens als ik naar mijn werk toe ga
    toeterende auto’s
    tingelende tramgieren en brommen
    aas
    daar
    is weer het licht
    rood !
    dood !
    stop
    een boevengezicht
    in de zon
    een agent
    die schrijft
    enzovoort, enzovoort, enzovoort


    26
    consolatrice

    o, lieve geit !
    hoe tenger en smal
    sta je daar
    op de wei
    zeven grote sloten springen
    open
    barst
    in de maan
    twee stukken
    trompet
    o, geit
    zag je dat niet
    neem iets
    van ons verdriet


    27
    tijd

    de tijd in de almanak
    kruipt
    maanden verbleken
    blaadjes vallen
    sonnetten klinken
    in oude klaslokalen
    vuile muren
    stof
    banken stoelen
    de jeugd romantisch
    schept zich een wereld
    ziet sterren
    hoog


    28
    ideaal

    zalige dromen
    weg kruipt de tijd
    dunner mijn almanak
    wit-zwarte herinneringen
    dikker mijn foto-album
    gedoemd tot vergelen
    later een oud man
    wiens ogen strelen
    en wenen...

    29
    ontwikkeling

    rijp
    niet de tijd
    niet wij
    maar die komen
    schimmen groeien open
    rijzen toren
    hoog
    vol vlamt de vlag
    vuur voor de verte
    overwinning
    van de jeugd
    oud spel
    vloeiend water weg
    ebt ebt ebt
    nul

    30
    tijd-ruimte

    zeven weke dagen klagen
    ‘s morgens op mijn oorkussen
    lange nachten blijven vragen
    open zeeën
    vrije oorden
    een gevangenis van staal
    hard in de nacht
    licht
    steekt in de dag
    en de zon is een ballon
    waarin je prikt
    sterren wemelen, spatten uiteen
    en de maan
    blijft staan


    31
    modern

    hoogovens, staal
    hard
    en grijze wolkenslierten
    vingers grauw
    in de afval des hemels
    open muilen
    spuwen
    zwart
    vegen klevend de aarde
    vuil
    miserie en roet
    kopersulfaat
    zorgwekkend oog
    en een kind
    speelt


    32
    toekomst

    omhoog !
    snel in de lucht !
    raketten brullen
    de apen smullen
    zucht

    rap
    vuur en kracht
    macht
    zwevende tuigen
    rond de aarde
    over de maan
    en nog
    verder
    waar ? waar ?
    waarom ?


    33
    landing

    raket op maan
    landing
    drie poten
    in zee der stormen
    ogen spieden
    speuren
    titititi
    beelden
    scherm storing ronk
    flits fluit toon-oon-oon


    34
    schijn

    schijn
    maan-zon
    lachen ween lief
    voor lomp lief lood
    raak
    vals gezag verloren maandag
    stel verdorven
    vroom geprevel
    hypokriet
    loom gefezel
    ach
    zwart verdriet verdoken
    onder plooien
    plat gestreken
    ora pro nobis
    amen


    01-07-2005 om 00:00 geschreven door padre


    >> Reageer (0)
    01-06-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Kleine bloemlezing - Van 1960 tot 1990

    Kleine bloemlezing - Van 1960 tot 1990 



     

    De wereld was niet dood maar sliep

     

    De wereld was niet dood maar sliep

    in winterse eenzaamheid,

    en wist niet dat de lente riep

    vanuit een komende tijd.

    De toekomst haakte dag na dag

    vast op het barre kleed,

    trok langzaam met een warme lach

    de kou weg en het leed.

    Toen stak een warme zomerstraal

    haar arm in mijn gemoed,

    gaf licht en vreugde allemaal

    en zon in overvloed !

    11 juni 1960


    *****

    LIEBESTRAUM

                                                     Voor MT

    Ik droom naar jou : als ‘t avondrood

    Dat vredig over verre velden

    Een nieuwe zonnedag voorspelde

    Voordat ik moe mijn ogen sloot.

    Dan zie ik weer je lief gelaat

    En voel je mond nog, die zo zacht

    Het mooiste meldde ; en de nacht

    Staat stil en luistert in de straat.

    Nu kom ik weer naar jou, zo teer,

    En geef je al mijn liefde weer,

    Ja steeds opnieuw, wel duizend keer

    En meer - dit is mijn groot begeer.

    3 december 1960 


    *****

    Voor mijn collega Daniël M.  († 1.1.1967)

    Het nieuwe jaar gaat weldra open.

    Jij weet niet dat je tijd

    Maar juist tot in het nieuwe reikt.

    In deze winterzon

    Zong lente luid haar lied bij jou

    Beloftevol het leven

    Met rijpe zomervruchten

    En milde gaven van de herfst...

    O fata morgana 

    Naar ‘t ander licht spoed jij je heen

    Wij blijven nog in duisterheen.

    Het nieuwe jaar is nu ontloken

    Wij weten gauw

    Dat rouw de eerste dag omboordt.

    6 januari 1967


    *****

    NA DE SCHEIDING

    O zaalge dagen die we eenmaal zagen,

    Die ons de kommer van bestaan

    Vergeten deden, vol van frele avondgeuren,

    Bloesems, zacht op onze wegen

    Gevlogen ; en in d’ogen

    Zachte schijn van stil geluk,

    Gekoesterd warm in ‘t hart,

    Gedeeld met ‘t wezen dat beminde...

    Om al die weelde terug te vinden

    Bestaat geen tijd noch daad.

    We hebben teer de beelden van weleer

    In ons bewaard, een schrijn

    Waarin het lachend leven

    Verstild, onwezenlijk bleef zweven.

    O konden wij nog eens een uur tesamen gaan !

    Hoe zouden wij in die vervlogen weelde

    Wellustig wentelen en teder geven

    Die overvloed, vergeten in ‘t verleden,

    Wat zacht een vlijm in onze levens steekt.

    2 april 1968


    *****

    Dichterlycke versuchtinghe

          

         Dichterlycke versuchtinghe

         eener philoloogischen siele

         by het verswinden

         syns dicken ghesellen

    van dale, och, waer bestu bleven ?

    mi lanct na di, gheselle myn !

    ic soeck een woort, ghi naempt de beenen...

    dat was gheselscap goet ende fyn,

    haest elcken dach moestc in u sien ;

    nu bestu cweetniwaer ghebleven

    maer tsal op gheen goe plaetse syn,

    en dan sult ghi wel wat beleven !

    van dale, och, waer bestu bleven ?

    mi lanct na di, gheselle myn !

    ic soeck een woort, ghi naempt de beenen...

    nu sit ic hier besorght te beeven,

    wanneer sal ic u noch eens sien ?

    van dale, vruechde van myn leven ;

    indien ghi snel sult weer verscien,

    wil ic u ghans myn herte bien.

    van dale, och, waer bestu bleven ?

    mi lanct na di, gheselle myn !

    ic soeck een woort, ghi naempt de beenen...

    * * * * * 

    Toelichting voor schoolgebruik :

    1. nieuw middeleeuws gedicht, onlangs ontdekt.

    2. y als ie uit te spreken.

    3. bleven en beenen zijn wel geen volrijmen, maar toch assonanties.

    4. ingetogen voor te dragen.

    26 januari 1971


    *****

     

    in niets-oneindigheid

             in niets-oneindigheid

    de aarde-cel zit schommeldraaiend

        in spiralen jam-melkwegen

                is haar perpetuum

                  mobile te stijf

           en wordt ze starre steen

           die onder druk van kernen

           vloeibaar klotst en kookt

                            spat

              in niets-oneindigheid

    9 februari 1973


    *****

    12. DE LEVENDE DODE

    Ik ben de man die niet sterven wil.

    De dood zal ik verdrijven

    Van ‘t kerkhof dat aan hem behoort

    En waar hij heerst, nog ongestoord.

    Ik doe de notaris komen,

    Koop de graven, lanen, bomen,

    Aarde, planten, muur en hekken !

    Heel dit rijk wil ik onttrekken

    Aan de macht van Piet de Dood.

    Ik ben de man die niet sterven wil.

    De dood zal ik verdrijven.

    ‘k Koop nog enkele percelen

    En dan kan ìk hier bevelen.

    Juich ! Ik ben van ‘t kerkhof heer ;

    Neen, de dood keert er niet weer !

    Meester ben ik van zijn rijk ;

    Nooit maakt hij van mij een lijk.

    ‘k Heb de macht van Piet de Dood.

    Ik ben de man die niet sterven kan.

    De dood heb ik verdreven !

    Het kerkhof is totaal van mij ;

    In ‘t rijk der doden heers ik vrij.

    Hoera ! Ik bouw hier een paleis.

    Met reden ik mij zalig prijs.

    Léven zal ik, altijd léven,

    Want aan mij is nu gegeven

    Macht over mijn Knecht de Dood !

    23 maart 1970 

    *****

    DIE AVOND WAREN WE MET VELEN

     

                                                                          (Bij de viering van 50 jaar HHC)

    Die avond waren we met velen.

    Tweehonderd hongerige kelen

    Waren gezellig saamgekomen

    Om onder ‘t maal luidop te dromen

    Van wat er vroeger was geschied

    En wat er lag in ‘t nieuw verschiet.

    Eten doet men niet aleen;

    Langs de maag wordt men gemeen

    Met ziel en geest van disgenoten.

    ‘t Is goed dat meestal wordt besloten

    Een viering feestelijk af te ronden,

    Met wat ervaren meesters konden

    Op onze borden doen verschijnen

    Langs onze mond te doen verdwijnen.

    Als al dit goeds met rood en goud

    Gedrenkt wordt - ach de wijn, zo oud -

    Dan gaat de ziel, in hoge sferen

    Een donkere koffie fel begeren.

    De tongen zijn al losgekomen

    En niemand is meer in te tomen,

    Totdat kristalgeklingel schril

    Meldt dat er iemand spreken wil

    Tot het gezelschap, dat hem hier

    Het oor zal lenen met plezier.

    Vierhonderd oren luisteren graag

    Naar wat de spreker ietwat traag

    En plechtig glunderend wil vertellen.

    Wij allen zijn nu zijn gezellen,

    En op het einde komt van allen

    Hun sympathie hem overvallen.

    Luidruchtig klappend zijn de handen,

    De monden lachend, en de tanden

    Vriendelijk bloot. Zo gaat het feest

    Zijn gang. ‘t Is altijd zo geweest

    Dat stof en geest hier op onze aarde

    Alleen verenigd krijgen waarde.

    En als daarna, in ‘t moede bed,

    Men in gedachten weer de pret

    Van de voorbije dag herleeft,

    Dan dankt men Hem die alles geeft,

    En vraagt dat in nabije dromen

    ‘t Genoten geluk eens weer mag komen,

    Dat tikkeltje gelukzaligheid,

    Dat splintertje van eeuwigheid.

    3 november 1989


    *****

     

    ELF MEI 1990

     

    (Bij een schoolreis met de stoomtrein)                                                               

    Het is vandaag een dag vol vreugd’

    Wij gaan op reis, wij zijn de jeugd!

    En de fanfare, met kaken bol,

    Strooit alles feestelijk klankenvol.

    Zeshonderd lachende gezichten

    Met ogen waarin lampjes lichten

    Gaan vol verwachting door de straten.

    De wereld is van ons! Wij praten,

    Kijken naar ‘t publiek dat blij

    Achter de ramen wuift, en wij

    Vinden de wereld mooi en goed

    Zoals hij altijd wezen moet.

    De schooltrein dieselt naar De Panne.

    ‘t Is daar dat wij dan onze plannen

    Ten uitvoer brengen, op het zand,

    In bos, op water, dijk en strand.

    En door de wolken komt nieuwsgierig

    De zon eens loeren naar ‘t plezierig

    Leventje beneen, en zie

    Ze warmt ons met haar sympathie.

    Dan wordt het tijd om weer te keren.

    Doch, helaas, met natte kleren

    Stormen wij allen in de trein

    Die staat te wachten op het sein

    Om ons terug naar huis te rijden.

    Wij kijken naar de Vlaamse weiden,

    Steden, dorpen, wegen, straten.

    Niemand houdt nog op met praten.

    Dan in de streek van Aalst gekomen,

    Zijn wij haast niet meer in te tomen:

    Daar staat hij stampend stoom te stuwen, 

    De stoomtrein in 't station. En luwen 

    Doet onz’ geestdrift niet; we staan

    Met platte neuzen tegen ‘t raam.

    Zijn fluit gooit gillen in de lucht.

    Hij stoomt voorbij met een gerucht

    Van ratelende grote wielen.

    Wat kan de jeugd nog meer bezielen!

    Nu trekt de trein ons voort, en kucht

    Zijn zwarte wolken rook de lucht

    In van de wakkere lentedag.

    ‘t Volk blijft kijken met een lach

    In het groen’ Pajottenland.

    Langs het spoor staan ze aan de kant

    En wuiven met verbaasde hand

    Naar wat ze morgen in de krant

    Gedrukt, gefotood zullen zien.

    En als we een paar uur nadien

    Onz’ avonturen gaan vertellen

    Aan huisgenoten en gezellen,

    Gaan we in gedachten weer op reis.

    En iedereen heeft het bewijs

    Voorhanden dat zo’n mooie dag

    Er zeker nog eens wezen mag.

    Zo viert men ook de vijftig jaar

    Vol jeugd en idealen, maar

    Herinnering zal blijven leven

    Zolang ons hart is jong gebleven.

    11 mei 1990


    *****

    CONTACTAVOND                                                                 

    Vanavond staat wat te gebeuren,

    ‘t College opent weer zijn deuren

    Voor ouders en sympathisanten.

    Ze komen aan van alle kanten

    Om met het leraarscorps te spreken

    Over de deugden en gebreken

    Van hun geliefkoosd nageslacht.

    Ja, wie had het ooit gedacht,

    Dat zoonlief de laatste weken

    Weer zoveel gemene streken

    Met genoegen heeft verricht!

    Is het dan niet ouders plicht

    Om aan leraren te vragen

    Of het hun wel zou behagen

    Streng naar de erfgenaam te kijken,

    Opdat later moge blijken

    Dat hij goed is opgevoed.

    Hopelijk wordt hij zo goed

    Dat we niet worden gedreven

    Hem voor heel zijn verder leven

    In het onderwijs te steken,

    Want hij heeft zoveel gebreken

    Dat hij voor niets anders deugt.

    Wat een jeugd toch, wat een jeugd!

    Dochterlief stond straf te vrijen

    En zich heerlijk te verblijen

    Op het hoekje van de straat.

    ‘t Was al donker en wat laat.

    Doch papa kwam heel toevallig

    En hij zag hoe welgevallig

    ‘t Meisje zich wist te gedragen

    Bij haar vriend, die zonder klagen

    Zijn vereerde lief aanbad...

    Wel, mijnheer de leraar, had

    U het in mijn plaats gezien,

    Zou U dan ook niet misschien

    Ferm uw dochter meegenomen

    Hebben, om haar uit die dromen

    In de werkelijkheid te zetten?

    Want er zijn toch eenmaal wetten,

    Jongelui moeten studeren,

    Werken moeten ze en leren

    Om veel punten te behalen!

    ‘t Is toch waar, mijnheer Vanstraelen!

    Zeker, zeker, beste mensen,

    Alles is niet lijk we ‘t wensen.

    Maar het is toch ook wel waar

    Dat wijzelf voor zoveel jaar

    Ook niet altijd even goed

    Handelden zoals het moet.

    Toch beklagen wij ‘t ons niet.

    Geef daarom de jeugd krediet.

    25 november 1990

    01-06-2005 om 00:00 geschreven door padre


    >> Reageer (0)
    01-05-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen. Vijf kleine verhaaltjes



    Vijf kleine verhaaltjes





    1. WIT EN ZWART
         Er was eens een stad waarin maar één straat was. Deze was zeer lang; men kon er het begin en het einde niet van zien. Aan de ene kant waren de huizen allemaal wit en aan de andere kant waren ze allemaal zwart. Rijke mensen woonden in de grote witte huizen, armen in de kleine zwarte. De enen vierden elke avond feest, terwijl de anderen honger leden. De mensen van de witte kant keken met verachting neer op dezen van de zwarte, die deden of het het niet zagen.
         Op zekere dag kwamen ze tegen elkaar in opstand. Hevig werd er gevochten, maar toen men zag dat daardoor de vijandschap niet opgeheven zou worden, hielden ze op en besloten in het midden van de straat een zeer hoge muur te bouwen. Samen deden ze dit en wanneer na lange arbeid dewitten van de zwarten waren gescheiden, heerste er aan beide kanten rust en stilte. Doch tevreden was men niet. Alles werd nu zo eentonig. Niets dan wit, niets dan zwart. Ze dachten weer aan de tijd toen ze samen werkten aan hetgeen hen scheidde...
         En op een dag nam iemand van de witte kant een ladder, beitel en een hamer en ging ermee naar het midden van de muur. Zo deed ook iemand van de zwarte kant. Ze kapten elk een steen los en gooiden hem naar beneden. Toen kwamen al de anderen en weldra was er van de muur geen spoor meer over.
         De witte huizen werden door de tijd donker en vuil en de zwarte vielen in. Men bouwde er nieuwe maar ze waren ditmaal grijs


    1955 11 05

    2. APEN

         Er waren eens drie apen. “De ene aap is even aap als de andere,” zegt men, maar deze hier waren toch niet aan elkander gelijk. De eerste was drie jaar eerder op de wereld gekomen dan de tweede, terwijl deze laatste weer drie jaar ouder was dan de derde. De oudste was het kleinste en de jongste was het langste. Natuurlijk had de oudste het meeste ondervinding, zodat hij, de kleinste, eigenlijk toch de grootste aap was. Gewoonlijk waren ze bijeen en sleten hun jaren op een wijze die al hun soortgenoten tot voorbeeld strekken kon.
         Op zekere dag meenden ze dat hun leven te eentonig was; absoluut zouden ze iets moeten doen om dat alledaagse te breken. Maar wat? Hun apenverstand begon te werken. Ze piekerden veel en dachten nog meer na. Wanneer na enige tijd de oudste voorstelde een wedstrijd te houden, stemden de twee overigen daar direct mee in. Doch nu wisten ze nog niet waarover ze zouden kampen. Dat was een moeilijke vraag en alle drie begonnen ze weer te peinzen, lang. 
    Eindelijk meende de tweede het gevonden te hebben en zei: “Wel, laat ons eens zien wie de mooiste lelijke gezichten kan trekken”. “Mooi zo!” riepen dadelijk de twee anderen en ze waren blij een zo goede oplossing gevonden te hebben. Ze wilden beginnen, doch, er was geen scheidsrechter. Voor de derde maal heerste er onder hen een lange, ernstige stilte. Plots meende de jongste het te weten en met instemming van zijn broeders ging hij hun buur bijhalen, vroeger een zeer slimme papegaai, die nu echter wat onnozel geworden was maar toch nog uitstekend van dienst kon zijn. Deze was dan ook zeer blij dat hij zijn taak met plezier kon opnemen.
         De apen gingen naast elkaar op een dikke tak van een sterke boom zitten; meester papegaai bevond zich vlak tegenover hen. Hij gaf teken dat de wedstrijd begonnen was, maar geen drie tellen later moest hij zich omdraaien, wilde hij van het lachen geen breuk krijgen en vloog even een tiental meter verder. Ons drietal, als het dat zag, gewoon na te apen, sprong hem lachend achterna en, pardaf, daar lagen ze op de grond.
         En als ze nog niet opgestaan zijn, dan liggen ze daar nu nog.

     1956 01 04

    3. VAN TWEE EZELS
         Er waren eens twee ezels. De ene was een slimme ezel, de andere was een domme ezel. De eerste was klein en zwak, de tweede was groot en sterk. Ze hadden allebei even lange oren, want ezels zijn nu eenmaal ezels; en ze zullen het altijd blijven. Er was ook nog dit verschil: als de kleine iets beval, voerde de grote het uit, immers, de zwakke was slim en de sterke was dom, en het past dat de geest heerst over de stof. Zo ging alles goed.
         Op zekere dag was de grote ezel het beu steeds de dienende funktie te moeten uitoefenen en hij meende dat het niet meer dan juist was dat de rollen eens zouden omgekeerd worden. Hij stelde het aan de kleine voor, doch deze wou daar absoluut niet van horen. Hoezeer deze ook trachtte te bewijzen dat zulke situatie niet opging, de grote bleef bij zijn besluit en zou het desnoods met geweld ten uitvoer brengen. En toch wilde de kleine niet toegeven. Betrouwend op zijn geestelijk overwicht slingerde hij de grote domme ezel een stortvloed van geleerde woorden en zinnen naar het hoofd, maar deze werd daarop zo kwaad dat hij de kleine morsdood sloeg. Nu was hij alleen heerser en hij waande zich een held.         Zo gaat het in de wereld van de ezels.
     1956 02 22

     4. VAN TWEE DOVEN

    Er waren twee doven ; ze hadden elkaarVoor het eerst ontmoet op de markt in de schaarVan lachende mensen en schreeuwende liên.Ze konden alleen maar het schouwspel bezien,Als anderen tevens ook hoorden de praatVan roepende venters en mannen op straat.Ze wandelden samen in ‘t park op en neer,Ze spraken geen woord maar begrepen steeds meerWat roerde in ‘t diepste van hun zuiver hart :De vrolijke vreugd’ en de sombere smart.Hun eerlijke ogen, ze spraken een taalDie woorden, noch zinnen, noch prachtig verhaalBehoefde ; de doven, ze waren niet doofVoor stemmen die innerlijk schoonheid, geloofAan ‘t goede op aarde, en liefde verkondden,De zalige zoetheid, gezegd door geen monden.Het volk naast hen liep aan het mooie voorbij,Het hoorde te veel, daarom was het niet blij ;Want luisteren moest het nog leren van dezenDie doof zijn doch kunnen de harten genezen.

    1956 03 06

    5. UITVINDERS !
         Lang, heel lang geleden, leefden de mensen in bossen en holen.  In de zomer was het zeer warm, maar in de winter was het erg koud.  En tevreden was men niet.
         Op zekere dag stond er iemand op en zegde: “Ik ga het vuur uitvinden.”  Dan ging hij zitten en dacht na, lang.  En hij vond het vuur uit, heet, grillig en lichtgevend.  Alle mensen waren toen verheugd en prezen de man die zulke daden stelde.  Ze konden nu vuur maken zoveel ze wilden en hadden het niet meer koud in de winter.
         Vele jaren verliepen en de mensen werden immer slimmer en beschaafder.  Doch tevreden was men niet meer. 
         Op zekere dag stond er weer iemand op en zegde: “Ik ga een rad uitvinden.”  Dan ging hij zitten en dacht na, lang.  En hij vond een rad uit, rond, beweeglijk en van hout.  Alle mensen waren toen verheugd en prezen de man die zulke daden stelde.  Ze konden nu raderen maken zoveel ze wilden, boorden er middenin een gat en verbonden ze met een stok.  Daarop hechtten ze een kist vast en zo ontstond de eerste wagen. 
         Vele jaren verliepen en de mensen werden immer slimmer en beschaafder.  Doch tevreden was men niet meer. 
         Op zekere dag stond er weer iemand op en zegde: “Ik ga de oorlog uitvinden.”  Dan ging hij zitten en dacht na, maar niet lang.  En hij vond de oorlog uit, wreed, gevaarlijk en moorddadig.  Alle mensen waren toen verheugd en prezen de man die zulke daden stelde.  Ze konden nu oorlog voeren zoveel ze wilden, moordden en brandden, vernielden en verwoestten, steeds meer en meer, zonder ophouden, maar altijd door...
         Er waren geen beschaafde mensen meer.
    1956 11 21

    01-05-2005 om 00:00 geschreven door padre


    >> Reageer (0)
    01-04-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Vingeroefeningen : 6 x

    Vingeroefeningen : 6 x 

     

    1. DE KLEINE GELE STER     

         Er was eens, in een zeer ver land waar de zon altijd schijnt, een student die zeer hard studeerde. Men was zeer tevreden over hem en iedereen was ervan overtuigd dat hij later een groot geleerde zou worden. Alles ging naar zijn wens tot op zekere dag, toen hij op zijn kamertje zat, vanuit de spiegel van zijn kleerkast ineens een vuile vaalgrijze damp omhoogsteeg. Wanneer hij opgetrokken was, stond een afzichtelijke, lelijke heks voor hem. Twee kikvorsgroene ogen met bloedrode puntjes erin staarden hem aan; daartussenin een lange gekromde neus bezaaid met weerzinwekkende knobbels. De student was zeer verschrikt, doch hij vermande zich en wou juist vragen wat dat allemaal betekende, wanneer de oude toverkol hel en schril begon te lachen dat het door merg en been snerpte. Terwijl ze met een knokige klauwvinger naar hem wees, zei ze slechts dat ene raadselachtige zinnetje: “Weg is het, haahahahaaa!” en verdween. De student dacht dat hij gedroomd had en begon weer ijverig te blokken. Doch hoe hij zich ook inspande, het ging niet meer. Er was iets in hem veranderd en hij wist niet wat. Hij vroeg overal raad doch, helaas, niemand kon hem helpen.

        

         Op een avond toen hij mistroostig in zijn bed lag en niet in slaap kon geraken, zag hij in de donkerste hoek van zijn kamer een kleine gele ster lichten. Toen hij goed toekeek, na zich even in de ogen gewreven te hebben om zich ervan te overtuigen dat hij niet sliep of droomde, werd ze groter en stralender. Een mooie lieflijke fee kwam erui gezweefd en zette zich op de rand van zijn bed. Hij richtte zich overeind, doch voordat hij iets kon zeggen sprak ze: “Raak me niet aan, maar luister. Bekijk me en telkens wanneer je aan mij zult denken, zal ik voor je geest verschijnen en alles zal zeer wel gaan.” De student kon zijn blik niet van haar afwenden en toen ze al lang terug verdwenen was, zat hij nog immer in dezelfde houding, verrukt door hetgeen gebeurd was.

      

         ‘s Anderendaags en de volgende dagen in de les, zweefde haar zoete beeld hem steeds voor de geest. Alles ging terug zeer goed en hij vond er weer plezier in de lessen bij te wonen. Zijn vooruitgang in de wetenschap vorderde met grote schreden.

        

         Op een dag, toen hij rustig op zijn kamer zat, stond de oude valse toverheks terug voor hem. Met een gezicht vol vlammende haar kwam ze naar hem toe. De student dacht direct aan de fee en daar stonden plots twee bovenaardse machten tegenover elkaar. Voordat de heks van haar verbazing bekomen was, had de goede fee ze met haar toverstokje aangeraakt. Het gedrocht slaakte een afgrijselijke gil en verdween om nooit weer te keren in de spiegel, die in duizend stukken sprong. Toen zei de wonderbare fee dat ze voortaan niet meer nodig was, doch de student had daarover een zo groot verdriet dat ze beloofde steeds bij hem te blijven. 

        

         Vele jaren later was er in het land een man, zeer hoog van aanzien. In zijn schild voerde hij een kleine gele ster.

    1956 01 05

    **********

    2. DE PAASEIEREN VAN DE PRINS                        

        

         Er was eens, lang, heel lang geleden, in een zeer ver land een mooie dappere prins. Hij was gelukkig en had alles wat zijn hart maar kon verlangen. Zijn vader, de koning, was heer en meester over zeer veel mensen en werd om zijn wijs beleid door al zijn onderdanen bemind. Hij was zo rijk dat hij niet genoeg gebouwen had om zijn schatten in onder te brengen en daarom liet hij maar de paden van zijn lusttuinen bestrooien met goud en zilver, parels en diamanten. Kommerloos en vrij van zorgen leefde de prins tussen al die schitterende pracht; alle dagen wandelde hij rond in de rijkversierde zalen van het paleis en in de tuinen vol van de mooiste planten en bloemen, terwijl in de wiegende bomen de kleurrijkste vogels hun verrukkelijk lied zongen.

         Op zekere dag toen hij afgedwaald was tot in een van de verste uithoeken van een grote lusttuin, hoorde hij een zacht geroep om hulp. De prins bleef staan en keek rond maar zag niets.

         - Heeft daar iemand geroepen? vroeg hij.

         - Ja, ik, de elfenkoning, antwoordde de stem.

         - Ik ken je niet, waar ben je? vroeg de prins.

        - Hier,  in de holte onder de boom waarvoor je staat; haal me er asjeblieft uit en red me! smeekte de elfenkoning.

         De prins bukte zich en warempel, tussen de wortels van die eeuwenoude boom zag hij in een opening een klein doorschijnend wezen met een schitterende gouden kroon op het hoofd, en het hield een fonkelende diamanten scepter vast. De prins stak zijn hand in de holte en tastte voorzichtig naar de elfenkoning, doch hij kon hem niet te pakken krijgen. Het was alsof hij in het ijle greep; telkens vloeide het bovenaardse wezen door zijn vingers en ontsnapte hem. Doch het sprak:

         - Blaas in de opening.

         De prins blies; het kleine ding kwam eruit gezweefd en was verlost. Toen zei de elfenkoning:

         - Neem nu aarde en demp de holte.

         De prins deed wat hem gevraagd werd. Daarna zei het wondere kleine wezen:

         - Ik zal je belonen voor hetgeen je voor mij gedaan hebt. Ik ben zeer machtig en...

         - Maar als je zeer machtig bent, viel de prins hem in de rede, hoe komt het dan dat je niet daaruit kon geraken?

         - Mijn grootste vijand, de sluipende nachtgeest, legde de elfenkoning uit, kon mij maar op één enkele plaats overwinnen. Maar ik wist niet waar dat was. Toen ik gisteren te middernacht  hier voorbijgewandeld kwam, werd ik ineens verraderlijk in die holte gezogen. Ik wist dat, als ik daar tot vandaag middernacht zou moeten blijven, het met mij en mijn rijk gedaan zou zijn. Maar gelukkig ben jij gekomen.  Niet alleen heb je mij verlost, doch doordat je mijn gevangenis vol aarde gestopt hebt, is mijn vijand ook vernietigd. Want wij streden een strijd op leven en dood.  Nu wil ik je belonen. Zeg mij al wat je verlangt en je wens zal vervuld worden.

         - Ik heb alles wat mijn hart verlangt, zei de prins, maar omdat ik zo van mooie dingen hou, toon mij eens iets prachtigs dat ik nog nooit gezien heb.

         - Het zal je geworden, zei de elfenkoning, en ineens zag de prins in de stam van de stoere boom een wondermooie prinses. Ze was bedroefd en tranen rolden over haar wangen.  Toen keek ze hem smekend aan en in haar ogen kwam een hoopvolle glinstering. De prins, verrukt en door medelijden bewogen, liep naar haar toe, doch toen hij bijna bij haar was, stiet hij tegen de ruwe boomschors en het wondere beeld verdween.

         - Ach, zuchtte de prins ontgoocheld, hoe graag zou ik alles wat ik heb willen geven om bij haar te zijn en haar blij en gelukkig te maken.

         Toen antwoordde de elfenkoning:

         - Je bent zeer edelmoedig, prins; dat strekt je tot eer.

         - Wat moet ik doen om bij die mooie prinses te komen, waar kan ik ze vinden? vroeg de verlangende prins.

         - Als je geduld hebt totdat het Pasen is, antwoordde de elfenkoning, zal je grote wonderen zien gebeuren. Het ga je wel, prins! Ik blijf steeds bij je!

         Daarna verdween hij.

         Nog lang stond de prins op dezelfde plaats verbaasd door wat hij gezien en gehoord had en hij merkte niet dat de avondzon reeds op de horizon rustte. Langzaam ging hij terug naar zijn kamer. Doch alles leek hem zo mooi niet meer te zijn als vroeger en hij voelde zich eenzaam en moedeloos. Maar alles wat de elfenkoning hem gezegd hed geloofde hij. Geduldig wachtte hij.

         Al de volgende dagen wandelde de prins naar de plaats waar hij de elfenkoning ontmoet had. Echter alles bleef er stil en onveranderd. En als hij dan een poosje daar verwijld had, slenterde hij dromend verder en trachtte zich te verstrooien met te luisteren naar het wonderlijke gezang van de vrolijke vogels, of keek naar de zilveren vissen in de diepe vijver waarin de wolken van de hemel zachtjes verder schoven. De dagen verliepen eentonigheid en elke avond voordat de prins zich te slapen legde, zag hij op de almanak hoe lang hij nog zou moeten wachten.

         Pasen kwam en natuurlijk ook de klokken van Rome. Na een lange strenge vasten werden de mensen die morgen door hun blijde tonen uit het bed gejubeld en de kinderen van de hele wereld liepen naar buiten om paaseieren te zoeken. De prins schoot wakker van het vreugdevol gelui, en benieuwd vroeg hij zich af wat er nu zou gebeuren. Hij was blij en angstig tegelijkertijd. Toen hij  de eetzaal binnenkwam zag hij op zijn bord ineens drie eieren vallen: een wit, een groen en een rood. De prins was erdoor verrast, en verheugd omdat de klokken hem niet vergeten hadden, nam hij het witte ei. Het zag er smakelijk uit. Hij brak de schaal met een gouden lepeltje, doch ogenblikkelijk daarop vervulde een witte mist, zo dik dat men geen hand voor de ogen kon zien, de ganse zaal. Plots hoorde de prins een stem die zei:

         - Neem het groene ei in je linker en het rode in je rechter hand.

         Zodra hij gedaan had wat hem bevolen werd, voelde hij zich ineens opgenomen en snel als een pijl zoefde hij, door onzichtbare handen gedragen, door de lucht en kwam na enkele ogenblikken aan in een ver land. Hij vloog tot aan een groot versterkt kasteel en daalde toen zachtjes naast een dikke toren neer. Daar stond hij nu, alleen en verlaten. Wat doen? Hij keek omhoog en zag achter een getralied raam de wondermooie prinses! Ze weende en was bedroefd. De prins vroeg haar naar de oorzaak van haar verdriet.

         - De boze graaf, die mijn vader en mijn moeder vermoord heeft en zich van hun rijk heeft meester gemaakt, houdt mij hier gevangen omdat ik niet met hem wil trouwen; doch ik sterf nog liever dan dit te doen, antwoordde prinses.

         -Troost je, lieve prinses, zei de prins, ik zal alles doen wat ik kan om je te bevrijden; dan neem ik je mee naar mijn land. Daar zullen we gelukkig zijn.

         De prinses was zeer blij toen ze dat vernam, doch ze vroeg:                                                                                                             - Hoe zal je dat kunnen, dappere prins? Voordat je mij kunt bereiken moet je door zeven sterke poorten; op elke poort zijn er zeven grendels en ervoor staan zeven gewapende wachters. Men zal je doden voordat je in het kasteel bent; vlucht als je je leven wilt redden!

         Doch de prins antwoordde:

         - Neen, prinses, voor jou heb ik alles over; de gedachte aan jou zal me kracht geven.

         Nauwelijks had hij dat gezegd of hij hoorde weer dezelfde geheimzinnige stem:

         - Werp het groene ei tegen de muur stuk; gedurende een uur zal je onkwetsbaar zijn en doorheen alles kunnen gaan zonder gehinderd te worden. Niets zal je in de weg staan en al wie je bij de hand neemt zal zijn gelijk jij.

         De prins gehoorzaamde en wierp het ei met kracht tegen de muur. Een hevige donderslag weerklonk, de grond trilde en beefde en rond het kasteel vormden zich zeven groene ondoordringbare ringen, die het van de buitenwereld afscheidden. De wachters kwamen buitengelopen, zagen de prins en stormden op hem af, doch hij ging ongedeerd recht door de muur en verdween voor de ogen van de onthutste bewakers, die meenden met een geest te doen te hebben en zich plat ter aarde wierpen. Dan klom hij beslist de trappen op, naar boven; niemand kon hem tegenhouden. De soldaten voor de gegrendelde deuren sprongen naar hem toe, stieten met hun lansen, houwden met hun zwaarden, doch de prins was onkwetsbaar en zonder enig letsel kwam hij aan bij de prinses.  Geweldig blij viel ze hem in de armen. Toen gaven ze elkander de hand en gingen dezelfde weg als de prins gekomen was, en niemand kon hen nog hinderen.

         Als ze buiten de wallen gekomen waren klonk voor de derde maal de stem die hem geholpen had:

         - Werp het rode ei naar omhoog en loop eronder door!

         Zo deden ze. Toen het achter hen stuk viel werd alles ineens rood rondom hen en ze zagen niets meer dan elkaar. Een harde knal weerklonk daarna en het rijk waaruit ze vluchtten ging in vlammen op. Plots zoefden ze door de lucht en voordat ze het wisten bevonden ze zich in de prachtige koninklijke lusttuin, vlak bij de boom waar de elfenkoning uit verlost was. Wat waren ze gelukkig! Ze omhelsden en kusten elkaar. Vrolijk en blij als maar twee verliefde koningskinderen konden zijn huppelden ze naar het paleis. Daar vertelde de prins aan al wie het horen wilde zijn wonderbare avonturen.

         Er werd besloten dat een grote bruiloft zou worden gehouden. En het hele land zou meevieren.

         Zo geschiedde.

         Na de dood van de oude koning volgde de prins hem op. Hij en zijn lieve prinses, die nu koningin geworden was, regeerden wijs en verstandig. Door iedereen werden ze bemind. En ze leefden lang en gelukkig en hadden vele kinderen.

    1956 01 29

    **********

    3. EEN EXEMPEL VAN ONZE-LIEVE-VROUW

         Lang geleden, toen de zomers nog op tijd door malse regendroppels gezoend werden, hing er van oudsher ergens tegen een muur een oude vergeelde prent.  Daarop was een wondermooie Lieve-Vrouw afgebeeld, staande op een wereldbol die tussen watten wolken zweefde.  Zelfs de oudste lieden van de streek hadden ze daar altijd weten hangen en niemand wist vanwaar ze kwam.  En wanneer de mensen daar voorbij kwamen, bezagen velen haar, en sommigen zegden dan: Ave Maria.

         Op zekere dag kwam er een jongeling voorbijgewandeld.  Plots bleef hij staan voor de Lieve-Vrouw, en verrukt door haar uitzonderlijke schoonheid en buitengewone lieftalligheid, besloot hij de prent los te maken en ze mee te nemen.

         Toen hij ze ‘s avonds op zijn kamer vastgespeld had, bleef hij er nog lang naar kijken.  Daarna legde hij zich te bed en sliep in.

         Als hij ‘s anderendaags ontwaakte, gingen zijn blikken als vanzelf naar de prent aan de wand.  Maar hoe schrok hij!  Om er zeker van te zijn dat hij niet droomde, wreef hij zich eens in de ogen.  Maar alles bleef onveranderd.  Wel hing de prent nog op zijn kamer, doch Onze-Lieve-Vrouw was weg.  Verdwenen.  Als verdwaasd sprong hij in zijn klederen en liep naar buiten.

         Op straat schenen de mensen precies in ongewone doening.  Weldra vernam de jongeling wat er gebeurd was.  Waar vroeger de prent gehangen had, verscheen nu alleen de beeltenis van Onze-Lieve-Vrouw.  Toen hij dit vernam, werd hij zo bleek als was en begon te beven over al zijn leden.  De mensen dachten dat hij ziek werd en vroegen wat er scheelde.  Dan vertelde hij aan de omstaanders wat hij gedaan had.

         In stoet werd de wonderbare prent terug naar haar oude plaats gedragen.  Toen men ze wou vasthechten verdween plots de alleenstaande Mariabeeltenis en ze kwam weer op haar vroegere plaats te staan.  En sindsdien komen daar dagelijks vele bedevaarders aan Onze-Lieve-Vrouw vragen dat haar beeltenis nooit uit hun zielen zou verwijderd worden.

         Mocht u daar ooit voorbijkomen, vergeet dan niet te zeggen : Ave Maria.

     1957 08 05 Orval

    **********

    4. HEER WILFRIED

     

         Reeds was de kaalkop van de ronde maan achter de golvende heuvels verschenen.  ‘t Was langzaam avond geworden en de zwarte bossen verzwonden meer en meer in de duistere lucht.  Zo snel de donkerte het maar enigszins toeliet, galoppeerde Heer Wilfried over paden en wegen, door velden en wouden.  De zachte avond versterkte het gedempte geklop van de paardenhoeven op het dikke veerkrachtige tapijt van dennennaalden, en de scherpe geur van hars was met priemende manestralen doorweven.  Het ganse land scheen reeds tot rust te zijn gekomen.  Een na een doofden de flauwe lichtjes in de verre zeldzame hutten uit en boven de bossen loerde de nieuwsgierig stijgende maan door de stille boomtakken naar de haastige eenzame reiziger. 

         Opeens hield deze zijn paard in.  Een wijde, geleidelijk naderende, serene muziek klonk door de spichtige boomstammen.  Stap voor stap reed hij verder.  Plots stond hij voor een mild beschenen open plek vol schimmen, die dansten in een kring op de maat van hun betoverend meeslepend gezang.  Verschrikt wilde Heer Wilfried zijn paard de sporen geven, doch een van de dampige geesten was al tussen de anderen uitgekomen en reikte hem sierlijk de hand.  Op een geheimzinnige wijze werd Heer Wilfried van zijn paard getild, en toen hij verbaasd op de grond stond, zei zacht een lieflijk vleiende stem:

         - Welkom, Heer Wilfried, waarom zou je vluchten?  Kom, treed in de rei en dans met mij.

         - O neen, zei Heer Wilfried, dat mag ik niet doen ; ik moet immers thuis zijn voor morgen noen.

         - Heer Wilfried, als je met me dansen wil, geef ik je een kroon van schitterend goud.

         - Mijn vrouw en mijn kinderen wachten op mij; ben ik snel bij hen, dan zijn ze snel blij.

         - Heer Wilfried, als je met me dansen wil, geef ik je een zwaard met edelstenen bezet.

         - Dat mag je houden, ik heb het niet nodig ; mijn zwaard heeft nog nooit gefaald in de strijd.

         - Heer Wilfried, als je niet met me dansen wil, zal je dwalen en zwerven, waanzinnig en wild.

         Daarop sloeg de schim hem op zijn borst en op zijn hoofd en verdween gillend in de slingerende kronkelende rij.

         Heer Wilfried werd woedend en sprong op zijn paard.  Hij vervloekte de geesten en zwaaide dreigend zijn zwaard in de lucht.  Doch een honend gelach steeg op uit het ganse woud, en de dennen kregen ogen en grinnikten woest.  De bulderende donder begon te ratelen en bliksemschichten splitsten de bomen.  In de verte luidde een noodklok met dringende akelige tonen.  De plassende regen striemde tergend naar beneden en een hevige wind huilde toetend en suizend over de aarde.  Heer Wilfried rende over paden en banen, door velden en wouden, met schel gelach, en hij holde steeds verder, steeds verder, door de wilde waanzinnige donkere nacht...

    1958

    **********

    5. HET VROUWTJE VAN STAVOREN

                                                                      

                                             Vrij naar een oude Friese sage

        

         Bulderend nam de zee een aanloop en sprong op de kust van Stavoren. De bedrijvige handelsstad duwde haar echter als met de hand achteruit en werkte verder.  Doch de zee kwam steeds weer, maar werd telkens verdreven.  En dat duurde zo al dagen, maanden, jaren.  De lieden van Stavoren hielden haar in bedwang en lieten honderden schepen over haar rug naar verre landen glijden.  Dan grolde de zee soms en bewoog zich gevaarlijk.  Maar ze bleef geketend.

         In die stad op een hoogmoedig kasteel woonde er eens een rijke weduwe.  Neen, geen koper was het dat daar overal blonk, maar wel het fijnste en zuiverste goud.  De vloeren waren bedekt met gouden tegels, gegoten in een zilveren rand, aan de muren hingen de prachtigste schilderijen in fijn bewerkte gouden lijsten, en de deurknoppen waren als kronen, helemaal omgeven en versierd met schitterende parels en geslepen diamanten.

         Fier was de rijke weduwe van Stavoren over haar bezit en verachtte iedereen.  Haar vele schepen zond ze naar alle delen van de wereld om er het schoonste en rijkste wat er te vinden was te gaan halen.  Ze had immers geld genoeg.

         En nu stond ze op de hoge toren van haar kasteel en zag ginder in de verte over de blinkende rilling van het gladde zeevel haar vloot aangeschoven komen.  Ze haastte zich naar beneden en toen de schepen aanlegden wandelde ze plechtstatig langs de kust, zonder de mensen, die haar eerbiedig groetten, een blik te gunnen.  Vol ongeduld wachtte ze op haar kapitein, die haar zou komen melden wat hij allemaal meegebracht had.  Het kostelijkste wat er rondom de Oostzee te vinden was moest hij meenemen had ze hem bevolen.

         Ze wandelde nog een weinig verder en zag toen haar zeekapitein aangestapt komen.  Deze boog zich tot aan de grond.

         “O waardige vrouwe,” zegde hij, “het edelste wat wij vonden hebben wij meegebracht: tarwe, rijk en overvloedig, zoveel wij laden konden.”

         “Wat ?” gilde ze als waanzinnig.  “Tarwe, dat laag gewas !  Het edelste wat jullie gevonden hebt!  Het edelste...  Werp het in zee !  Snel!  Ogenblikkelijk!”

         En met een woedende blik, vol verachting, keek ze de bevende kapitein na.

         Helaas, het heerlijk graan werd in de zee geworpen.

         Een grijsaard uit het nabije dorp stond dit alles te bekijken.  Wat verder zat de rijke vrouw, voldaan daar alles volgens haar wil geschiedde.  Langzaam schreed de grijsaard naar haar toe en zei met vermanende stem:

         “Beef, o vrouwe, beef.  Misschien zal U eens gebrek lijden.  Ik hoop dat deze daad U nooit zal berouwen.”

         “Zwijg, grijze gek,” antwoordde ze met een hoogmoedige lach.  Ze bekeek hem minachtend, trok een overschone ring van haar vinger af en wierp hem weg in de golven.

         “Daar, dwaze sul, kijk!” riep ze.  “Nooit zal ik arm worden voordat de zee mij die ring zal teruggegeven hebben!  Hahahahaha...  Nooit, nooit!”

         En ze ging heen.

         Acht dagen later werd op haar verlangen een grote vis binnengebracht om bij een feestmaal opgediend te worden.  Toen hij werd opengesneden begon de rijke vrouw plots over al haar leden te beven, en sidderend zonk ze neer...  Want de ring die ze weggeworpen had lag nu voor haar.  En op hetzelfde ogenblik trad een dienstknecht binnen en meldde haar de droevige boodschap dat in een hevige storm al haar schepen verzwolgen waren.  “Gods wraak rust op Stavoren.”

         Wenend van spijt, woede en razernij om de verloren weelde begon ze God te lasteren en te vervloeken.   Dreigend begon de hemel te grollen en de regen zwiepte door de lucht.  Bliksemschichten flitsten, donders kraakten en plots: de toren van het kasteel werd getroffen en splitste in twee.  Met een donderend geraas viel hij in en beschadigde de overige gebouwen.  Een grote vlam steeg op en van tussen de puinen gilde een scherpe stem:

         “O God!  Heb medelijden!”

         Toen de weduwe terug tot het bewustzijn kwam, was alles doods en stil.  Al haar bezittingen waren door de vlammen verteerd.  Ze stond op en liep met haar gescheurde klederen de stad in.  Doch er was niemand die haar wilde helpen.  De spottende en verachtende blikken van de mensen troffen haar als giftige pijlen, en ze vluchtte weg, ver, heel ver...  en stierf in grote ellende...  het vrouwtje van Stavoren.

         En telkens als de wind doorheen de regen huilt, ziet men in grijze nachten nog op ‘t strand waar lege korenhalmen buigen, een witte schim die klagend zoekt naar haar verloren goud.

    1958 09 30

    **********

    6. MIJN ONTMOETING MET JEF PETAT                   

        

         Wanneer de winter pas zijn koude snuit over de wereld gewreven heeft en met zijn kille adem over het land blaast, uit puur plezier dat zijn intrede met een zalig kerstfeest zal gevierd worden, is het soms wel eens aangenaam er voor een namiddag op uit te trekken. Op de dag voor Kerstmis hangt er een heel andere sfeer dan gewoonlijk in de lucht, en wanneer men dan in het open veld komt, voelt men door de koude heen de blijde verwachting van een vredige kerstdag. Ja, het is zoals pater Cassendorius onlangs nog zegde: “Als Onze-Lieve-Heer met Kerstmis op de wereld komt, dan voelen de mensen dat er iets wonderbaars gebeurt; en omdat het Kindje Jezus zo stil en nederig naar ons toekwam, zijn de meesten beschaamd dit grote feest met vuurwerk en knaleffecten te vieren.” Daar is wel iets van aan, niettegenstaande dat het leven in de stad rond die tijd drukker dan gewoonlijk is. Maar naarmate men zich uit de bevolkte centra verwijdert, vermindert de zenuwachtigheid van het volk. Op het platteland is het leven eenvoudiger. Dit was vroeger nog meer dan nu het geval, want sinds enkele tijd heeft men de knobbelige weg die door de dorpen kronkelde, verbreed en gebetonneerd. Daarbij, om het uur snort er ten minste een dreigend gevaarte van een grollende autobus over, en dan roept de stilte pijnlijk om rust. Om die reden sla ik gewoonlijk een veldweg in en ploeter maar door de modder verder. Als de mist niet te dik is kan men de schaduwen van de drie torens van de stad dicht bijeen zien staan. Op wisselende afstanden daarvan steken andere torennaalden hun vinger in de lucht.

         En het was op zulk een dag voor Kerstmis, toen ik in de velden wat rondslenterde, dat ik Jef Petat voor het eerst in levenden lijve heb ontmoet. De eerste keer, en ook de laatste keer...

         Het kon zo ongeveer vier uur in de namiddag geweest zijn. Een fijne mist legde langzaam zijn kille hand op mijn schouders en kroop achter mijn opgezette halsboord. In de verte vermoedde ik de stad en om het half uur klepte ergens een klokje. Op de weg, een kleine halve kilometer achter mij, gromde een autobus en gleed als een stuk speelgoed tussen de kale bomen en hagen door. Naast mij lag het wijde veld, leeg en ietwat golvend. Ik stapte verder en lette erop dat ik mijn voet niet in het diepe karrenspoor omsloeg. Bah, wat een modder! Van mijn schoenen kon je de kleur al niet meer herkennen. Maar ginder lag er nog een dorp; daar was de weg weer goed.

          Aan het eind van de papperige weg zat er een ineengedoken figuur tegen een scheve boom. Hij zag eruit als een landloper, een bedelaar, een stroper.  Zijn handen leunden op een ruwe wandelstok; daarboven rustte zijn kin. En een vuile hoed hing tot op zijn oren. Ik kwam naderbij en bekeek hem als een soort curiosum dat men voor het eerst te zien krijgt. Hij wendde zijn hoofd naar me toe en bekeek me met moede ogen.

         - Goeiendag, gromde hij.

         - Dag, zei ik.

         Hij trok zich recht en kwam naast me lopen. Geen van beiden zei gedurende enige tijd een woord. Ik voelde me onbehaaglijk met zo iemand naast mij. Ik kreeg bijna schrik, misschien was die kerel naast mij wel een dief of een moordenaar... Doch ik kon toch niet zo maar ineens wegrennen. Neen. Daar had ik trouwens ook geen reden toe, alhoewel... Toch hield ik hem wantrouwig in ‘t oog.

         - Maar een kil weertje hee! begon hij.

         - Inderdaad.

         Ik had snel en met half toegeknepen stem geantwoord. Ik had misschien toch wel wat schrik; maar neen, ik hàd geen schrik... natuurlijk niet... Ik voelde me zelfs niet eens ongerust naast die lugubere figuur... - geloof ik. Ik bekeek hem van terzij. Neen, hij zag er toch niet uit gelijk een gangster. Zijn voorhoofd was vol diepe rimpels. Met zijn mouw veegde hij een druppel aan de punt van zijn neus weg.

         - Ook op wandel? ging ik verder om iets te zeggen.

         Het is soms erg vervelend wanneer men door een stilte gescheiden wordt. Jef Petat bekeek me even met een zekere verwondering in zijn blik, maar zijn gezicht viel gauw terug in zijn gewone, bijna uitdrukkingsloze en toch zo weemoedige plooi.

         - Hm, ja... Ik wandel al dertig jaar.

         - ???

         Weer zwegen we beiden. De eerste schemering rustte op de lucht en filterde heel langzaam naar omlaag. Ik hoorde de adem van mijn gezel langs me gaan. Kleine dampwolkjes ontsnapten ons uit mond en neus. Ginder lag de grote weg.

         - Je gaat toch ook naar de stad? vroeg ik na enkele tijd.

         - Ja... lijk ieder jaar.

         - Ieder jaar? Ben jij dan niet van de stad? Je spreekt toch dit dialect.

         - Ja... Vroeger heb ik daar gewoond... Nooit horen spreken van Jef Petat?

         Ik dacht even na, en schudde ontkennend het hoofd.

         - Dacht ik wel, zei Jef Petat, je bent nog jong, hee.

         Hij keek me een ogenblik aan en liet zijn blik peinzend voor zich uit dromen.

         - Ik ben ook jong geweest, ging hij verder, maar als ik toen wist wat ik nu weet... Maar kom, ik zal wel niet meer zo lang leven...

         - Hoe oud ben je?

         - Achtenvijftig.

         - Maar dat is toch nog zò oud niet!

         - Nee... Maar het zijn niet de jaren die een mens oud maken... Het leven knaagt aan de ene mens meer dan aan de andere.

         - Dat zal wel zo zijn, zei ik en keek naar hem. In zijn ogen lag er zulk een vreemde glans en - ik weet niet waarom - toen begon hij mij een stuk uit zijn leven te vertellen.

         - Ja, jong, ‘t is curieus dat ik altijd tegelijkertijd blij en toch niet blij ben als ik mijn geboortestad weerzie. Daar heb ik wel de gelukkigste jaren van mijn leven gekend...Maar dat is al zo lang geleden.

         We waren de weg opgestapt. Een kleine sportwagen ritste suizend aan ons voorbij. We veegden beiden het modderwater van ons gezicht.

         - Verdomme, jij razende zot! blafte Jef Petat de auto achterna en stak zijn vuist omhoog. Op zijn gezicht kwam een toornige plooi, maar ze vervaagde en weer verscheen die weemoedige blik.

         - Die doodrijders! riep hij. Ik kan ze niet lijden! ‘t Is er zo een die mijn Marieke doodgereden heeft... Maar dat zal je misschien niet interesseren. Het is al zo lang geleden gebeurd. Doch ik zeg je, nietwaar, nooit was er op de hele wereld een liever en mooier meisje... En als ze je bekeek, o, dat was echt zo een blik gelijk... ja, zoiets gelijk dat Lieve Vrouwke in het kribbetje bij de paters.                                                Hij keek recht voor zich uit. De donkerende stilte telde onze passen.

         - Zie je ginder dat huisje? Daar, waar aan de linkerkant die grote hoeve staat? Hewel, daar woonde zij. Wij stonden op het punt te trouwen. En toen werd ze op zekere dag door een auto gegrepen. De chauffeur was dronken. Nog twee dagen heeft ze geleefd, mijn mooi en goed Marieke. Jef, zei ze, als ik in de hemel ben, houd ik je een plaats vrij... naast mij... Dan is ze zachtjes gestorven. In mijn armen. Het was twee weken na Allerheiligen. En dat is nu al dertig jaar geleden, of misschien al langer.

         Ik luisterde eerbiedig en zag bij Jef Petat een ooghoek vochtig worden. Hij wreef met zijn ruwe vingers in zijn ogen.

         - Dat is van de koude, lachte hij.

         - O ja... Het wordt koud.

         We gingen door het dorp. Jef hoestte pijnlijk.

         - Ik geloof dat ik kapot ga, zei hij. Ik ben overal zo... ja, ik weet niet hoe... Pater Cassendorius zal me wel een warme kop koffie geven.

         - Pater Cassendorius?

         - Ja... Ken je hem soms?

         - Heel zeker.

         - Wel, ik ga alle jaren naar hem. Hij weet dat ik kom. Wij stellen samen het kribbetje op. Dat is al jaren lang de gewoonte. Pater Cassendorius is een goede mens. Niemand heeft me zo getroost als hij, toen mijn Marieke gestorven is. Maar ik kon toch niet in de stad blijven, het ging niet, alles was zo leeg... En ik houd ervan met hem het kribbetje op te timmeren. ‘t Kan misschien maar een gedachte van me zijn, maar dat Lieve Vrouwke lijkt verbazend fel op mijn Marieke zaliger.

         We stapten verder. Ik kon zijn gezicht niet meer goed zien. De lucht was donker als mat glas. Ergens luidde het.

         - En wat doe jij dan zo gedurende het jaar? vroeg ik.

         - Wel, ik zoek zo een beetje overal mijn werk. Een mens moet toch leven...

         - Dat is zo.

         We waren aan de eerste huizen van de stad gekomen. Aan een kruispunt scheidden we van elkaar. Zwaar leunend op zijn stok verdween Jef in de donkerte... Ja, men kan zich soms wel vergissen wanneer men de mensen naar hun uiterlijke verschijning beoordeelt.

         En Kerstnacht kwam, en de klokken wierpen hun vreugde over de stad. En de mensen kwamen terug van de nachtmis. Overal was er vreugde, feest en geluk.

         ‘s Morgens ontmoette ik toevallig Pater Cassendorius. Ik wenste hem een zalig kerstfeest. Hij drukte me zachtjes de hand en bleef me half dromend en droevig aanstaren.

         - U ziet er zo triestig uit, pater.

             En toen vertelde hij me. Gisteren had Jef Petat hem het stalletje helpen optimmeren. Toen dat gedaan was, baden we samen het rozenhoedje, zoals ieder jaar,al meer dan dertig jaar lang... Bij het laatste tientje zegde Jef ineens: Pater, kijk, daar is mijn Marieke... Ik moet naar haar toegaan. Hij greep naar zijn hart, en zakte ineen. Jef. Dood... tegen mijn borst.

         Ik bekeek stilzwijgend pater Cassendorius. En over zijn wang zakte zwaar een zilveren traan.

    1958 11 24

     

    01-04-2005 om 00:00 geschreven door padre


    >> Reageer (0)
    01-03-2005
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.21 dichtoefeningen uit de jaren'50



    21 dichtoefeningen uit de jaren'50

    ***************************

     



    1. Aan de maan

    O lieve maan, die helderglimmend

    Aan d’nacht’lijk’ hemel staat,

    De altijd maar, opnieuw beginnend,

    Uw zelfde bane gaat,

    Hoe vorst’lijk glanst gij middenin

    De mooie sterrenwacht,

    Die als een trouwe gezellin

    Met u op d’aarde lacht.

    O zilv’ren, zoete, zacht maan,

    Zend zalvend uwe stralen.

    Laat ze maar door de ruimte gaan,

    Dan zal uw roem nooit falen.

    oktober 1952

    2. Sonnet

    De zon ligt reeds geheel in ‘t bed der aarde,

    En ook de kleuren die de lucht bewaarde,

    Verdwijnen straks met ‘t licht en ‘t purper schoon

    Achter de horizon, hun ruime woon.

    Een kleine welving, ginder, draagt een molen ;

    De wieken, die zo vaak de wind ontstolen

    Een weinig kracht, gaan langzaam op en neer ;

    Het mooie silhouet betovert zeer.

    De Heer, die alles wonderprachtig schiep,

    Opdat ‘t getuigen zou dat Hij het riep

    Tot stempel van zijn eigen godd’lijk beeld,

    Bemint datgene wat de ogen streelt,

    Door vele schoonheid ons aan stof onthief.

    O verre molen, gij zijt Gode lief !

    5 november 1955

    3. De koninklijke leeuw

    De koninklijke leeuw, die boven op de rots,

    De manen in de wind, het hoofd zo fier en trots

    Omhoog geheven, stond, heeft onlangs tot zijn spijt, -

    En worst’lend wroet nu in zijn binnenste de nijd, -

    Hij, die geen enkel dier tot dan kon evenaren,

    De macht van een die sterker is moeten ervaren.

    Verzet ! Het baatte niet. Naar zijn gebieder zag

    De leeuw toen woedend op. Doch met een stille lach

    Gans vol van waardigheid en vorstelijke macht

    Bedaarde de geheime overwinnaar zacht

    Het ziedende gemoed en wraakvervulde geest,

    De bliksemende blik van ‘t forse fiere beest...

    december 1955 

    4. O wilde en onvervalste pracht

        

    Parodie op Gezelle:                                               

    Alre creature sake ende yersticheyt.  Ruusbrouck, Bruloft.                     

    O wilde en onvervalste pracht

    der porren, in een zomernacht !

    Hoe geren zie ‘k, in ‘t licht der maan,

    u, mijn geliefde, naast me staan !

    Geboren arg- en schuldeloos,

    daar God u eens te willen koos,

    daar staat ge ; en, in de zonneschijn

    al dat gij doet is blode zijn !

    ‘t Is ‘t wezen, ‘t geen mijn oog aanziet,

    ‘t is waarheid, daarvoor lieg ik niet ;

    en gij, die steeds mijn hert verblijdt,

    hebt nu nog niets gezegd, o meid.

    Hoe stille is ‘t ! ‘t En verwaait med al

    geen bladje, dat ons storen zal ;

    geen rimpel in uw lief gelaat

    dat spijtig gans vol sproeten staat ;

    geen zucht, geen woord: rondom gespreid

    al schaduwe, stilzwijgendheid !

    Maar diep in ‘t harte is ‘t niet koud,

    geeft plots een kus die niet berouwt.

    En priemend hier en daar vergaat

    een langgesponnen manedraad.

    Hoe eerbaar, edel, schoon en fijn

    kan toch een enkele porre zijn,

    die al med eens, en zorgloos, uit

    gaat varen met me in de schuit ;

    en ik met arme mensenhand

    mag roeien naar een sprookjesland ;

    doch nu, op dezen ogenblik

    ben ik alleen ; dien troost heb ik

    dat, porre, gij mij blokken doet

    en wezen zo ik wezen moet :

    aanschouwende en bevroedende in

    elk uur van bittere tegenzin

    voor heel de kursus, uw beleid.

    O porre, wees gebenedijd !

    5 januari 1956

    5. Rijmpje

    Wanneer de natuur met de lente gaat vrijen

    En jonkvrouwe Mei het heelal komt verblijen,

    Dan ziet men vaak onder de bloeiende bomen

    Een jongen of meisje, dat daar zit te dromen.

    Een peinzende blik staart heel ver over ‘t land,

    Verlangende ogen aanschouwen de rand

    Waar hemel en aard’ in elkander vervloeien,

    Een schouwspel dat steeds de genieter blijft boeien.

    Wanneer plots de zon met haar heldere lach

    ‘t Weemoedig gelaat van de eenzame dag

    Met vrolijke stralen komt zoenen en strelen

    Verdwijnen opeens al de pijnen bij velen.

    Maar dromend zit onder de bloeiende boom

    Een mens die alleen is, hij voelt zich zo loom,

    Verlangen en weemoed, zo vaag, onbepaald,

    Ze blijven totdat zijn gemoed is gestaald.

    7 maart 1956

    6. Ik wist niet dat het lente was

    Ik wist niet dat het lente was

    En dat de boomgaard bloeit,

    Ik wist niet dat het veldgewas

    Reeds boven d’aarde groeit.

    Ik wist niet dat de bloempjes langs

    De wegen reeds ontluiken,

    Ik wist niet dat de wereld toch

    Zo jong en fris kan ruiken.

    Ik wist niet dat het windje nu

    Soms lief en zacht kan strelen,

    Ik wist niet dat de blijde zon

    Met alles graag wou spelen.

    Ik weet niet wie me zegde dat

    De lente is gekomen,

    Ik weet niet of dit waar is of...

    Ben ik alleen aan ‘t dromen ?

     29 maart 1956 

    7. Jochei  

    Een knaapje in de wei,

              jochei !

    Het sprong zo lustig blij

              en vrij

    Daar in de groene wei,

              hei, hei,

              jochei !

    O, speel een keer met mij,

              jochei !

    Gij, knaapje in de wei,

              dat blij

    Zijt in de mooie mei,

              hei, hei,

              jochei !

    7 april 1956

    1. Roosje lief, wat sta je fleurig

    Jong en bloeiend, fris en geurig,

    Tussen al dat welig groen !

    Zacht bedauwd en hemels teder

    Buigt je kopje voor me neder,

    Juist lijk schuchtere meisjes doen.

    Zeg eens, roosje,

    Waarom bloos je

    Zo voor mijn bewonderend oog ?

    En ik zou graag willen weten

    Waarom jij je kopje boog.

    Roosje lief, ik kom je plukken :

    Ai ! Je doorntjes steken fel

    En je diamanten tranen

    Vallen zalvend op mijn handen.

    Neen, ik zal je niet ontrukken,

    Neen, ik wil met jou geen stukken,

    Blijf maar op je stengel staan ;

    ‘k Zal mijn baan alleen wel gaan.

    Roosje, blijf daar bloeien heerlijk,

    Al ben je toch zo begeerlijk.

    11 november 1956



    9. Een oude boom stond stoer en stevig

    Een oude boom stond stoer en stevig

    Aan de oever van een beek.

    De winden waaiden fel en hevig

    Tot een ogenblik het leek

    Dat hij kraken zou en vallen.

    Maar de boom stond stoer en stevig

    Aan de oever van de beek.

    Enkel dorre takjes vielen

    In het zeer gerimpeld water,

    Maakten kringen wondermooi

    En verdwenen dan voor eeuwig.

    Doch de boom stond stoer en stevig.

    Sneeuw en water kwamen stormen

    Tegen ‘t fiere hoge hoofd

    Van de boom, die wel wat boog,

    Echter stevig stond en pal,

    Nooit beleefde hij een val.

    19 november 1956

     

    10. Kerstlied


    Sint-Jozef geleidde de heilige Maagd 
    Naar Betlehem, zoals het God heeft behaagd. 

    ‘t Was koud en het winterde over de streek, 
    De sneeuw viel met vlokken en ‘t land was heel bleek. 

    Daar ginds in het dal door de donkere nacht, 
    De lichtjes van Betlehem pinkelden zacht. 

    Maria, heel zoet, leunde bij Jozef aan, 
    Ze rilde van kou en was moe van het gaan. 

    Sint-Jozef ging overal kloppen en luid 
    Vroeg hij of er plaats was voor hem en zijn bruid. 

    Men antwoordde ja, als ze hadden veel geld, 
    Op bedelaars was men geheel niet gesteld. 

    De sneeuw was verdwenen uit de hoge lucht, 
    Sint-Jozef ging verder en zei met een zucht : 

    “Maria, we zullen dan maar verder zoeken 
    Langs hagen en wegen, in kanten en hoeken.” 

    Toen kwamen ze aan in een ned’rige stal, 
    En daar werd geboren de Maker van al. 

    De engelen zongen met hemelse pracht 
    Een mooie muziek door de wondere nacht. 

    Heel hoog in de lucht schoot een schitt’rende ster 
    Die meldde ‘t mysterie aan wijzen van ver. 

    De volkeren knielden aanbiddend terneer, 
    Ze dankten en loofden toen God, onze Heer.

     21 december 1956

    11. O, laat me in dromen mij verliezen

    “O, laat me in dromen mij verliezen,

    De werkelijkheid is veel te hard,

    O dromen, o laat me u steeds kiezen,

    Want al het andere tart en sart.”

    Zo sprak ik vroeger, als het leven

    Schijnbaar scherp vijandig was,

    Ik wist nog niet dat dit een zegen

    Voor mij, onervarene, was.

    De donkerte van smart en kommer

    Persten ‘t zonlicht uit mijn hart,

    Niets dan duistere schaduw, lommer,

    In mijn hart, gesard, getart.

    Doch daarboven scheen onmetelijk

    ‘t Helder licht der vurige zon,

    Die haar liefde onvergetelijk

    In mijn leven brengen kon.

    22 februari 1957



    12. Je liefde is als zuiver goud

    Je liefde is als zuiver goud

    Dat in de vlam van mijn verlangen

    Gewillig gloeiend blijft gevangen

    En steeds zijn zuiverheid behoudt.

    Je liefde is als zonneschijn

    Die in de schaduw van mijn leven

    Een licht van hoop me heeft gegeven

    En stralend klaar blijft, edel, fijn.

    Als wijn, door gouden zonneschijn

    Omhuld, zijn diepste rood laat pronken,

    Zo zal mijn liefdegloed ook vonken,

    Gedompeld in je minne rein.

    28 augustus 1957


    13. De verliefde nar

    “‘k Ben zo verliefd ; dat is gekomen

    Onverwachts, lijk soms in dromen

    ‘t Somber beeld verdwijnen moet

    Voor zonnestralen, blij en zoet.

    Want gisteren zag ik - wat een pracht ! -

    In ‘s konings tuin een jonkvrouw, zacht,

    Bevallig, zoals nooit voorheen

    Een wezen voor mijn oog verscheen.

    ‘k Ben langzaam naar haar toe geslopen,

    Heb met een groet haar aangesproken,

    En met bewondering aangeboden

    Een donkerrode roos.

    De juffrouw keek verrast en bloosde,

    Dankte met een lieve lach

    Vol zuivere sereniteit.

    Toen boog ik voor die majesteit

    En ging snel heen.

    Steeds zag ik weer die zachte ogen,

    Woelig werd mijn hart bewogen,

    Badend in een vreemd venijn.

    ‘k Bleef de ganse dag weemoedig,

    Stil, verlangend terug te zijn

    Bij haar die zo overvloedig

    Schenken kon geluk en pijn.

    Doch nu, in narrenpak gestoken,

    De zotskap rinkelend op mijn kop,

    Het hart door onrust haast gebroken,

    Stap ik naar de feestzaal op.

    Seffens zal men mij ontvangen

    Met gejuich, gelach, zeer blij.

    Och, dit is niet mijn verlangen...

    Maar snel, de koning wacht op mij !”

                        

                      *******

    De nar sprong buitelend in de zaal ;

    De hoge gasten allemaal

    Verblijdden bij dit zot gezicht.

    De vorst temidden schitterend licht

    Van zeker honderd kandelaren

    Zat bewonderend te staren

    Naar de roekeloze held

    Die kronkelend werkte voor wat geld.

    Wat verder zat daar, elegant,

    Die mooie juffrouw, hand in hand

    Met ridder Koenaert, vol van moed,

    En smolt bijna in liefdegloed.

    De nar hield op, bekeek hen beiden,

    Geen vermoedde toen het lijden

    Dat groeide, groeide in zijn borst.

    Hij leste schijnbaar kalm zijn dorst

    Met vurige wijn.

    Op de tippen van zijn tenen

    Trad hij aarzelend naar het paar,

    Speelde boeman !  Ze verschoten,

    Ruw gewekt uit Amors rijk.

    Met een blik vol van verachting,

    Bitterzuur, vol leedvermaak,

    Sprak zij : “Dwaze nar, voortaan

    Kom je enkel op mijn teken ;

    Speel alleen je dwaze streken !”

    De nar zonk neer in eindeloos ach...

    De zaal schoot in een schaterlach !

    15 november 1957




    14. Toen zijn we beiden weggegaan


    Toen zijn we beiden weggegaan,

    Die andere en ik.

    De lichten staken door de nacht

    Hun harde koude blik.

    En in mijn hoofd hoor ik heel wijd

    Nog steeds die ruwe bons ;

    Uw deur blijft immer voor mij toe,

    ‘t Is uit tussen ons.

    De lichten staken door de nacht

    Hun harde koude blik.

    Alleen wij beiden gingen daar :

    Mijn schaduwbeeld en ik.

    13 januari 1958

    15. Zeg, weet je nog 

    Zeg, weet je nog dat eerste woord,

    Zo’n onverschillig spreken,

    Dat elk van beiden heeft gehoord ?

    ‘t Bleef in ‘t voorbije steken. -

         Je weet misschien niet meer, doch ik,

         Ik zal het niet vergeten.

    Zeg, weet je nog dat tweede woord,

    Zo sidderend gefluisterd,

    Dat elk van beiden heeft gehoord ?

    Je oog heeft toen geluisterd. -

         Je weet misschien niet meer, doch ik,

         Ik zal het niet vergeten.

    Zeg, weet je nog dat laatste woord,

    Zo hartelijk beleden,

    Dat elk van beiden heeft gehoord ?

    Het is niet lang geleden. -

         Je weet misschien niet meer, doch ik,

         Ik zal het niet vergeten.

    14 januari 1958

    16. Een jongen had een ideaal

    Een jongen had een ideaal,

    Verheven, goddelijk groot,

    Dat als het hoge stergepraal

    Een zuiver uitzicht bood.

    Doch afgunst en kleinzieligheid

    Vertroebelden zijn licht

    En deden groeien duisterheid.

    O, doffer ogenlicht !

    Helaas, het leven is vol nijd

    Op alle verhevenheid. -

    Wij bergen lijdzaam onze spijt

    In holle vrolijkheid.

    6 april 1958

    17. Ik wil niet meer beminnen

    Ik wil niet meer beminnen.

    Wel, lief, ga nu maar weg ;

    ‘k Ben meester van mijn zinnen,

    En ‘t laatste wat ik zeg

    Is dat ik je niet meer wil zien

    Zolang ik leef, nooit meer wil zien ! !

    Ja, snik en ween en snotter maar,

    Het kan me niet meer schelen.  Daar !

    Adieu, vaarwel, genoeg gevrijd !

    Ik was bijna mijn vrijheid kwijt.

    3 mei 1958

    18. O lente ! Jij werd mij voorspeld

    O lente ! Jij werd mij voorspeld

    Door ‘t kleine vogeltje in ‘t veld

    Dat hoog op bomen tierelierde

    Toen sneeuw de wijde landen sierde.

    Wel, vogel met je kwinkelend lied,

    Wat wil je zeggen ? - Hoor je ‘t niet,

    De lente komt ! Nog wat geduld ;

    Kijk hoe de zon de dagen vult.

    Haar stralen glijden met een zoen

    En streelgebaar over het groen.

    De bloemenknopjes tonen blij

    Hun lieve blaadjes in de wei.

    Vreugde in ‘t hart maakt het leven heel schoon,

    Eeuwige lent’ heeft er immers haar woon.

    Lente, mijn bruid, laat met weeldrige hand

    Vloeien je weldaden over het land.

    4 mei 1958



    19. De moede avond

    De moede avond sluipt geruisloos door de tijd

    En legt zijn zachte hand, die donkere stilte spreidt,

    Die alles langzaam toedekt en met nacht omhult,

    Ook op mijn hete hoofd, dat rust zoekt en geduld.

    Waarom die droeve vrees, die mij onrustig maakt

    Dat vroeger lief geluk me nooit meer terug genaakt ?

    Het oude jaar vervaagt, dort in vergetelheid -

    Bij mij alleen een pijnlijke verlatenheid.

    En ongeduldig steekt verlangen in de nacht

    Naar ‘t volgend nieuwe jaar - vervuld van vreugd of klacht ? -

    Maar mild vol zoete troost en glinsterend door een traan

    Valt door mijn vensterraam de glimlach van de maan.

    20 oktober 1958



    20. Een liedje aarzelend

    Een liedje aarzelend over ‘t graan

    1.  In de lucht de maan.

    En zacht in zoete zomertoon

    Zingt langs het land een vogel schoon :

         Olla dana danidia.

    Een flonkerzilverig lichtgepraal

    Als druppels in een gouden schaal.

    En tarwekopjes blinken blij

    Al wiegend met geruis als zij :

         Olla dana danidia.

    ‘t Gefluister van een stille zucht

    Stijgt lichtgevleugeld door de lucht,

    En wil ‘t verrukkelijk vog’lenlied

    Vervoegen, als het water riet.

         Olla dana danidia.

    ‘t Geklater van een goudfontein

    ‘t Geborrel van een bron vol wijn.

    En rood en goud vermengd met zang

    Verhaalt de klare vogel lang :

         Olla dana danidia.

    ‘t Geschuifel schuift langs scheve straal

    Op schuine scheepjes.  Dit verhaal

    Neemt snel een einde.  ‘t Ging te ras,

    Dit vloeien van dat klankglas.

         Olla dana danidia.

    Een liedje aarzelend over ‘t graan

    1.  In de lucht de maan.

    En zacht in zoete zomertoon

    Zong langs het land een vogel schoon :

         Olla dana danidia.

    1958 11 07

    21. Dood begeren

    Was ‘t spijt om uw verloren blik,

    Om ‘t missen van kristalgeflonker,

    Verkeerd in  matte schijn en donker

    Uitgedoofd, dat ik

    Een ogenblik verdwaasd en dwaas

    Gemeend heb dat geen hoop, helaas,

    Meer was noch wezen zou ?

    Hoe scheen de wereld gans in rouw !

    De dikke lijnen van de tijd

    Zijn zacht over mij heengevleid...

    Na dagen lang heb ik geschreid

    En mij van mijn verdriet bevrijd.

         O levensliefd’ en -lust,

         Ik kan u nooit verleren !

         Van andere liefde blijft in mij

         Alleen maar dood begeren.

    18 oktober 1959

    01-03-2005 om 00:00 geschreven door padre


    >> Reageer (0)





    keer al werd dit blogje geopend en bekeken




    Blog als favoriet !

    Archief per jaar
  • 2018
  • 2016
  • 2015
  • 2014
  • 2012
  • 2011
  • 2008
  • 2005

    Willekeurig SeniorenNet Blogs
    spegelaereliliane
    blog.seniorennet.be/spegela

    Blog tegen de regels? Meld het ons!
    Gratis blog op http://blog.seniorennet.be - SeniorenNet Blogs, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!