Een balhoofdplaatje is een logo van de fabrikant of het merk dat is aangebracht op de balhoofdbuis van een fietsframe. Balhoofdplaatjes werden al eind 19e eeuw toegepast en waren vaak gemaakt van metaal. Ter bevestiging aan de balhoofdbuis kunnen daarin nagels of schroeven zijn gebruikt. Bij moderne(re) fietsen kunnen tevens, al dan niet met lijm, balhoofdplaatjes van kunststof zijn aangebracht. Ook kan een balhoofdbuis voorzien zijn van een transfer/sticker.
Het woord Protecta heeft een Latijnse oorsprong. Het komt van het Latijnse werkwoord protegere, wat betekent: bedekken, beschermen, verdedigen.
In het Latijn bestaat ook het woord protectus (voltooid deelwoord van protegere), wat betekent: beschermd. “Protecta” zelf kan in het Latijn een vrouwelijke vorm zijn van protectus (bijvoeglijk naamwoord), en betekent dan: de beschermde of beschermd (vrouwelijk).
Bovenaan het plaatje in de circel zien we een AQUILA. De aquila was het adelaarssymbool op de standaard van een Romeins legioen.De aquila (Latijn voor adelaar of voor arend (in het Nederlands wordt een onderscheid gemaakt tussen symbool en dier)) was het belangrijkste veldteken van een Romeins legioen. De standaard werd gedragen door de aquilifer, wat letterlijk adelaarsdrager betekent, hij bevond zich in het eerste cohort van het legioen. Het vertegenwoordigt de Aetos Dios (Adelaar van Zeus), waarbij Jove de 'Vader van de Romeinse staat' is.
Geschiedenis
Het symbool van de adelaar voor het veldteken werd in 105 v.Chr. door de Romeinse generaal Gaius Marius ingevoerd. In vredestijd werden de veldtekens bewaard in de Tempel van Saturnus in Rome. Elk legioen had slechts één aquila; daarom was het een grote schande voor het desbetreffende legioen wanneer deze standaard verloren ging. Wanneer het legioen een onderscheiding had gekregen, werd er aan de vleugels van de aquila een eikenkrans gehangen. Bij verlies betekende het zelfs het feitelijke einde van het betreffende legioen. Dit lot ondergingen onder andere het 17e, 18e en 19e legioen na de nederlaag in de Slag bij het Teutoburgerwoud in het jaar 9 n.Chr. Tussen 14 en 16 n.Chr. werden onder leiding van Germanicus Julius Caesar een aantal expedities uitgezet om de verloren adelaars (aquilae) terug te krijgen.
TURIJN-BRUSSEL / GROTE PRIJS VAN HET EEUWFEEST - 1930
De wielerwedstrijd “Turijn – Brussel” 1930 was een bijzondere historische etappekoers die niet tot de reguliere klassiekers of bekende rondes zoals de Tour de France of de Ronde van Vlaanderen behoort.
In 1930 bestond België honderd jaar. In elke provincie stonden er indrukwekkende festiviteiten gepland, van internationale sportmeetings tot wereldtentoonstellingen in Luik en Antwerpen. Wie hield van optochten, vuurwerk en koud bier, ging een topjaar tegemoet …
De Koninklijke Belgische Wielrijdersbond wilde uiteraard ook al dat gefeest niet missen. De Ligue Vélocipédique Belge (LVB), zoals de toen nog sterk Franstalige organisatie ook bekend stond, was een baken van Belgisch nationalisme en koningsgezindheid. Het eeuwfeest was voor haar de ideale gelegenheid om zich op dat vlak nog meer te gaan profileren én haar werking in de kijker te plaatsen.
Trouwens, want wat was een Belgisch feest toen zonder een velokoers? De wielerbond wilde weliswaar verder gaan dan de razend populaire kermiskoersen die toen in elk dorp en in elke stadswijk plaatshadden. 100 jaar België moest en zou gepaard gaan met spectaculaire wedstrijden.
Om dat te verwezenlijken, had de LVB de juiste man in huis: sportjournalist Alban Collignon. Hij was de oprichter en directeur van Les Sports, de voornaamste sportkrant van Franstalig België. Sinds 1929 stond hij aan het hoofd van het machtige comité administratif van de wielerbond. Collignon was een geboren organisator, die ambitieuze wedstrijden als de Ronde van België voor onafhankelijken of de Omloop van de Slagvelden uit 1919 op zijn palmares had staan.
In de aanloop naar de Belgische verjaardag kwam Collignon met het idee van een uniek en bijzonder ambitieus wielerevenement: de Grote Prijs van het Eeuwfeest of Turijn-Brussel, zoals de rittenwedstrijd al snel genoemd werd. De duizend kilometer tellende velokoers moest voor heel Europa de wielerkwaliteiten van België nog eens in de verf zetten. De koers zou plaatsvinden tussen 18 en 23 juli en zou drie ritten tellen. Die etappes zouden samen een groot stuk van West-Europa bestrijken. Van startplaats Turijn naar het Zwitserse Zürich in de eerste etappe, om vervolgens via Zwitserland en Frankrijk verder te gaan naar Luxemburg-stad in de tweede, en naar eindpunt Brussel in de derde en finale rit. Collignon verwierf de steun van zowel de Italiaanse als van de Zwitserse, Franse en Luxemburgse wielerbonden voor zijn organisatorisch meesterstuk.
De organisatie was niet alleen ambitieus, ze was ook wel symbolisch. Dat ze net in Italië startte, had te maken met een gebeurtenis die in de eerste dagen van het jubeljaar had plaatsgevonden. Op 8 januari 1930 was de Italiaanse kroonprins, Umberto van Savoie, getrouwd met de Belgische prinses Marie-José. Het koninklijk huwelijk kreeg in Turijn-Brussel zijn sportieve tegenhanger en moest de band tussen beide landen verder aanhalen. Het was daarom niet toevallig dat de start in Turijn lag. Prins Umberto was niet alleen de officiële beschermheer van de koers, hij was ook hertog van Piëmont, de regio waarvan Turijn de hoofdstad was.
De Belgische sportpers was lovend over het initiatief. De timing was wel een uitdaging, want eind juli was immers ook het moment dat de Ronde van Frankrijk gereden werd… en dat zag men dan ook in het deelnemersveld. Er waren wel genoeg ingeschreven renners, maar weinig echte toppers. Onder de 69 deelnemers zaten bijvoorbeeld geen Belgische vedetten zoals een Georges Ronsse of een Jef Dervaes. Beiden hadden zich op het laatste moment teruggetrokken. Luxemburger Nicolas Frantz, als tweevoudig Tourwinnaar wél een grote naam, zat dan weer in de nadagen van zijn carrière. Een andere vreemde eend in de bijt was Maurice De Waele. De Lovendegemnaar had een jaar eerder nog de Ronde van Frankrijk gewonnen. Een topper dus, maar wel een die in 1930 geen deel uitmaakte van de Belgische Tourselectie. Had Henri Desgrange hem persona non grata verklaard? De doodzieke De Waele was tijdens de finale van 1929 namelijk zodanig veel geholpen door zijn ploeggenoten, dat de Tourbaas vond dat een lijk de koers had gewonnen.
Ondanks het tekort aan wielervedetten lieten verschillende Belgische sportkranten het niet na om verslag uit te brengen van Turijn-Brussel. Zo was Sportwereld prominent aanwezig met Willem van Wijnendaele (zoon van Karel)en oudgediende Constant Cleiren. Beide journalisten waren meteen onder de indruk van de eerste etappe, die zat zo vol met spektakel dat ze het relatief beperkte deelnemersveld snel vergaten.
Tijdens de 395 kilometer van Turijn naar Zürich moest er flink worden geklommen in de Alpen, het hoogtepunt was de Gotthardpas. Nog voor het peloton aan die laatste beklimming begon, barstte er een hevig onweer los. De wedstrijd veranderde in “één eindenlooze tocht…van last en miserie en lijden”, aldus van Wijnendaele junior. Terwijl de regen met bakken uit de lucht viel, strompelden de verkleumde renners te voet omhoog. De ene na de andere gaf op. Alleen de Italiaan Allegro Grandi deed zijn voordeel met al die ellende. Hij was nog voor de Alpen weggevlucht uit het peloton en slaagde erin om zijn voorsprong tot het einde te behouden. Maar zelfs hij kwam pas toe in Zürich toen het al donker was. Met zijn winst legde Grandi meteen de basis voor zijn eindoverwinning. De twee volgende etappes waren namelijk niet half zo spannend als de eerste. De rit van Zürich naar Luxemburg passeerde dan wel via de Franse Vogezen over de gevreesde Ballon d’Alsace, maar het uitgedunde peloton had niet veel zin meer om te koersen. Met Michele Mara was het terug een Italiaan die won. Hetzelfde rustige tempo zette zich door in de slotetappe, de eindstreep lag in het Brusselse park van Laken. De Belg Emile Joly won er in de sprint. Op het eindpodium stond jammer genoeg geen enkele Belg. Grandi won Turijn-Brussel en een flinke som prijzengeld, de Oostenrijker Max Bulla en Nicolas Frantz namen plaatsen twee en drie in.
De Belgische wielerbond was lyrisch over het eindresultaat. Volgens haar was Turijn-Brussel een nieuwe illustratie geweest van de sport als een school van morele en sociale kwaliteiten. Nog belangrijker was echter dat ze erin geslaagd was ‘haar’ wielersport in een bijzonder vaderlandslievend licht te plaatsen. Met kroonprins Leopold was de koninklijke familie prominent aanwezig geweest bij de aankomst van de laatste etappe, samen met de minister van Landsverdediging. Ook de randactiviteiten die Alban Collignon had georganiseerd in het park van Laken, in afwachting van de aankomst, blonken uit door hun patriottisch karakter. Zo was er een nationaal wielerkampioenschap voor militairen én een Marche de l’Armée, een wandelwedstrijd waarbij meer dan dertig legerregimenten het tegen elkaar opnamen.
In de sportkranten waren de reacties wat gemengd, er was zeker ook lof voor de vlotte organisatie door Collignon en de sportieve spankracht van de koers. Maar er was ook wat ontgoocheling over de magere Belgische prestaties in wat toch ook een toonbeeld voor de Belgische wielerkwaliteiten had moeten zijn.
In Sportwereld toonde Willem van Wijnendaele zich blij dat toch een Belg de laatste etappe had binnengehaald. “Want anders zou de Groote Prijs van het Eeuwfeest niet alleen gewonnen zijn door een Italiaan, maar ook de drie ritten zouden naar drie vreemdelingen gegaan zijn. En dat ware toch wat al te triestig geweest!" Tegelijk ergerde hij zich aan de "Italiaansche pretentie.” Hij erkende dat Grandi een sterke wedstrijd reed, maar hekelde het feit dat zowel de andere Italiaanse renners als de Italiaanse volgauto’s hem vaak ostentatief uit de wind hadden gezet.
Dat alle Italianen op twee en vier wielen aan hetzelfde zeel hadden getrokken, was nochtans niet zo verwonderlijk. Hoewel wielrennen niet het propagandamiddel bij uitstek was voor het fascistische regime – daarvoor was de sport té volks – greep het wel elke kans aan om Italië als een sterk en succesvol sportland te tonen. Een overwinning in Turijn-Brussel was daar ideaal voor. In het eerstvolgende nummer van Lo Sport Fascista, het geïllustreerde sportblad van het fascistische regime van Benito Mussolini, kreeg winnaar Grandi heel wat loftuitingen toegegooid.
Cycles Alléluia------ Pierre Benoist---------- Surenes----------------France/Frankrijk
La Société de Cycles Alléluia werd in 1912 opgericht door Pierre Benoist, de fabriek bevond zich in Surenes. Suresnes is een gemeente in de Hauts-de-Seine, in de westelijke voorsteden van Parijs, op 9,3 km van het centrum van Parijs. De winkel was in Parijs.
Alléluia Cycles heeft veel adreswijzigingen ondergaan! Hier is het eerste adres dat gevonden is, uit 1913 , aan de Rue des Acacias in het 17e arrondissement van Parijs. Tijdens de jaren van de Eerste Wereldoorlog verscheen Alléluia niet of maar weinig meer in de pers en publiciteit, het merk verscheen weer in de pers in 1922, toen op het adres 34 rue Saint-Ferdinand in Parijs. In 1926 werd het merk blijkbaar nieuw leven ingeblazen nu bevond het zich op 12 rue Port-Mahon in Parijs. In 1929 werd het hoofdkantoor van het bedrijf verplaatst naar Puteaux . In 1932 was het nieuw adres; 154 avenue Parmentier, Parijs 10e arrondissement. Nog het zelfde jaar, in 1932, werd het bedrijf ontbonden, met wederom een ander adres: 3 rue Buffault (waarschijnlijk in het 9e arrondissement van Parijs).
Het merk ALLÉLUIA had ook een wielerploeg.
Het merk verscheen voor het eerst in de Ronde van Frankrijk in 1914. Van 1920 tot 1923 leverde het materiaal aan de beroemde Vélo Club de Levallois, een kweekplaats voor grote kampioenen, Het rustte ook het team uit dat Paul Ruinart had voorbereid voor de Olympische Spelen van 1920 in Antwerpen en de Olympische Spelen van Parijs 1924.
In 1922 won Alléluia, met zijn team van professionele renners, de Polymultipliée de Chanteloup. Het bedrijf ging in september 1931 failliet. Dit werd bekendgemaakt net toen de Australiër Opperman Parijs-Brest-Parijs in een sprint had gewonnen! Hij vernam bij de finish dat zijn prijzengeld niet zou worden uitbetaald!
Hoewel het bedrijf in 1931 failliet ging, bleef het merk bestaan, want het exposeerde nog steeds op de Wielerbeurs van Parijs in 1955. Net als andere grote merken produceerde Alléluia in de jaren 50 fietsen en bromfietsen.
Ajax --- Société Industrielle d'Albert ---- Albert/Parijs ------- France/Frankrijk
AJAX is een merk van SIA, het handelsmerk Ajax werd geregistreerd op 20 november 1906 onder nummer 98740 door de Société Industrielle d'Albert.
SOCIETE INDUSTRIELLE D’ALBERT (S.I.A.) 27, Avenue de la Grande-Armée, Parijs
FABRIEKEN ALBERT (SOMME)
De SIA (Société Industrielle d'Albert) was vóór de Eerste Wereldoorlog een belangrijke fietsenfabrikant. Het bedrijf had een zeer geavanceerde structuur, die deed denken aan een soort bedrijfsstad, met tekenaars, voormannen, werknemers en ingenieurs die frames, reserveonderdelen, accessoires en banden produceerden.
De SIA was dus een samenwerkingsverband van onafhankelijke bedrijven (Hurtu, Rochet en vele anderen) die fabrieken, apparatuur en hun expertise deelden, met als doel de productie te stroomlijnen.
Hoe deze bundeling van productiemiddelen precies functioneerde, is onbekend, aangezien het industrieterrein tijdens de Eerste Wereldoorlog volledig door de Duitsers werd verwoest en ook de archieven van de SIA verloren gingen.
La Société Industrielle d'Albert:
Bij het Albert-concern waren veel fiets- en motormerken aangesloten. Vóór de Grote Oorlog waren dit Hurtu , Rochet, Hippolyte Petit, Georges Richard (Trèfle), Max Richard (Ajax), Henri Pagis (Régina), Excelsior, Roland, Viator, Cycles Pensée, Cycles Francia, Bischoff et Cie, Paul Bruneau et Cie, en Tours.
Société Industrielle d'Albert, fabrieken in Albert (Somme); Les bicyclettes Albert. Burelen in Parijs, afdelingen in Albert, Angers, Lille (Rijsel), Lyon, Nancy, Rennes, Toulouse. Société Industrielle d'Albert.
AJAX --- FÉLIX-MAXIME (MAX) RICHARD
Félix-Maxime (Max) Richard, de oudere broer van Georges Richard, was mogelijk de oprichter van het fietsmerk Ajax, gevestigd aan de Rue St. Maur, waar de familie Richard woonde. Het handelsmerk Ajax werd op 20 november 1906 geregistreerd onder nummer 98740 door de Société Industrielle d'Albert.
Richard, die de titel Ridder in de Orde van het Legioen van Eer droeg, was enige tijd voorzitter van de Chambre Syndicale de l'Automobile (Automobilistenvereniging) en een deskundige voor de burgerlijke rechtbank. Bovendien was hij de oprichter van de AGA (Association Générale Automobile - Algemene Automobilistenvereniging).
Ajax of Aias, van het Latijnse Aiax, Oudgrieks: Αἴας, was in de Griekse mythologie een van de belangrijkste helden in de Ilias van Homeros. Hij was een zoon van Telamon en wordt de grote Ajax genoemd, in tegenstelling tot Ajax, de zoon van Oileus, een andere held uit de cyclus rond de Trojaanse Oorlog, die de kleine Ajax wordt genoemd. Zij worden samen de Aianten genoemd.
Cycles Yllus ---- Sully- sur – Loire ------ France/Frankrijk
Sub merk van HELYET.
YLLUS is een anagram van SULLY (-sur – Loire)
Sully-sur-Loire is een gemeente (stadje) in Frankrijk, gelegen in het departement Loiret in de regio Centre-Val de Loire in het noord-centrale deel van Frankrijk. Het ligt aan de linkeroever van de rivier de Loire, ongeveer 42 km ten zuidoosten van Orléans (de hoofdstad van Loiret) en ongeveer 133 km ten zuiden van Parijs.
O.M.C. - -- sub merk van groothandel ERIOL --- Charlieu & Roanne-----France/Frankrijk
Op het merkplaatje van O.M.C. staat St. Etienne vermeld, Charlieu & Roanne liggen in de regio van St. Etienne, waarschijnlijk werden de fietsen daar aangekocht.
ERIOL : Eriol verdeelde fietsen in de groothandel, maar ook roomseparatoren, naaimachines en kinderauto's. Eriol was dus geen fabrikant.
Terzijde: het woord Eriol is een anagram van het woord Loire.
Van 1914 tot 1922 waren de gebroeders Martin fietsenhandelaren aan de Rue Nationale in Charlieu, Loire.
In 1927, nog steeds in Charlieu, richtten de gebroeders Martin het merk ERIOL op, waarmee ze fietsen, motorfietsen, roomseparatoren, naaimachines, kinderwagens en accessoires in de groothandel verkochten. (Fietsgids 1927)
In 1930 breidde het familiebedrijf zich uit met de merken REILLA (Allier achterstevoren gespeld) en Selecta.
In 1932 werden de catalogi gedrukt met het adres in Charlieu, maar handmatig aangepast met het nieuwe adres in Roanne.
In 1935 werden Eriol-fietsen geproduceerd aan de Rue Elisée Reclus 9 in Roanne door "Martin frères et Cie".
In 1938 reden de lokale wielrenners op Eriol-fietsen.
In 1943 was Eriol gevestigd aan de Rue Maréchal Pétain 43 in Roanne.
In 1950 was de Eriol-fabriek gevestigd aan de Rue Jean Jaurès 43.
Eriol verkocht fietsen onder de sub merknamen: REILLA, EFMR, OMC, CITERNE, LA RENAISON, LE RHINS, LE PIC DE ROCHEFORT, LA CROIX DU SUD
ERIOL
ERIOL est effectivement le mot Loire en "verlan"
De 1914 à 1922 rue Nationale à Charlieu dans la loire les frères MARTIN sont marchand de cycles.
En 1927 toujours à Charlieu les frères Martin ont crée la marque ERIOL cycles, motos, écrémeuses, machines à coudre, voitures d'enfants et accessoires en gros. (Le bottin du cycle 1927)
En 1930 la famille s'agrandit avec la marque REILLA (Allier à l'envers) et Sélecta.
En 1932 les catalogues sont imprimés avec l'adresse de Charlieu, mais modifiés a la main avec la nouvelle adresse à ROANNE
1935 les cycles Eriol sont fabriqués 9 rue Elisée Reclus à Roanne par: "Martin frères et Cie"
1938 les coureurs cycliste locaux sont sur des bicyclettes Eriol
1943 Eriol 43 rue Maréchal Pétain à Roanne
1950 les établissements Eriol fabrique au 43 de la rue Jean Jaurès.
Eriol vendait sous les marques: REILLA, EFMR, OMC, CITERNE, LA RENAISON, LE RHINS, LE PIC DE ROCHEFORT, LA CROIX DU SUD
CONTINENTAL------ Les établissements Goujon------- Angers------France/Frankrijk
GUILLEMARD, PELTIER ET CIE / CYCLES CONTINENTAL / ALESIA / L'ANGEVINE / BULLDOG / REJA
Georges Goujon en zijn twee broers openden rond 1889 een fietsenfabriek aan de Rue Lenepveu en registreerden het merk 'L'Angevine' in 1893. De fabriek verhuisde in 1898 naar de Rue du Mail en vervolgens in 1910 naar grote werkplaatsen aan de Rue Duboys en de Rue Bertin.
Het merk 'Continental', dat beroemd zou worden dankzij grote wielerkampioenen zoals Mourand, verscheen rond 1900. Het werd geregistreerd in 1904, gevolgd door het merk 'Alésia' in 1911. De Goujon-vestigingen handelden ook in naaimachines. In november 1919 ging het bedrijf over naar Pierre Guillemard en Louis Peltier, die in 1926 de motorfietsenproductie aan hun fietsenactiviteiten toevoegden. In 1927 werd een vestiging in Vannes gekocht.
Het bedrijf Goujon speelde een belangrijke rol in de popularisering van het fietsen in Maine-et-Loire, dat begin jaren twintig de derde plaats bekleedde onder de Franse departementen wat betreft het aantal fietsers. Fietsen in gebruik. "Continental"-fietsen werden in heel West-Frankrijk verkocht. Bijna 10.000 exemplaren werden in 1923 geproduceerd door 50 werknemers. De fabriek leverde ook alle fietsaccessoires en reserveonderdelen. "Continental Cycles, de beste", "Vergeet de pedalen op Continental-fietsen": deze slogans bleven tot ongeveer 1960, het jaar waarin het bedrijf zo te zien zijn activiteiten staakte.
Het merk CONTINENTAL vinden we ook terug in België: CONTINENTAL --- Deprez-Joassart ---- Herstal ----- Belgique/ België
Het merk CONTINENTAL vinden we ook terug inDuitsland: zie boek van Frank Papperitz.
Ik ben Delameilleure Philippe
Ik ben een man en woon in Preshoekstraat 145 - 8510 Marke - België (België) en mijn beroep is Gepensioneerd.
Ik ben geboren op 27/09/1960 en ben nu dus 65 jaar jong.
Mijn hobby's zijn: Wielrennen - Verzamelen van fietsmerkenplaatjes (balhoofdplaatjes) .