Een balhoofdplaatje is een logo van de fabrikant of het merk dat is aangebracht op de balhoofdbuis van een fietsframe. Balhoofdplaatjes werden al eind 19e eeuw toegepast en waren vaak gemaakt van metaal. Ter bevestiging aan de balhoofdbuis kunnen daarin nagels of schroeven zijn gebruikt. Bij moderne(re) fietsen kunnen tevens, al dan niet met lijm, balhoofdplaatjes van kunststof zijn aangebracht. Ook kan een balhoofdbuis voorzien zijn van een transfer/sticker.
La Fileuse is een historisch merk van fietsen gemaakt in Cholet. La Fileuse onstond in de jaren 1920 en kende toch wat glorierijke dagen, ze kenden ook hoogtijdagen met hun professioneel wielerteam.
La Fileuse betekend spinster. Cholet is een gemeente in het Franse departement Maine-et-Loire in de regio Pays de la Loire.
Genoemd als fabrikant in de Bottin du cycle 1959. Syphax produceerde fietsen en bromfietsen. In 1957 werd het merk Syphax gekocht door het merk Mimo.
Syphax was een Algerijnse koning twee eeuwen voor onze jaartelling. Het embleem van het merk is geïnspireerd op deze antieke esthetiek. Syphax geboren rond 250 en gestorven rond202 v.Chr. was een Berberse koning van westelijk Numidië (van ongeveer 225 tot 203 v.Chr. ), wiens hoofdstad Siga (het huidige Oulhaça El Gheraba ) en Cirta (het huidige Constantine ) in Algerije was . Zijn verhaal wordt verteld door Titus Livius , in Ab Urbe condita libri .
Cité comme constructeur dans le Bottin du cycle 1959. Syphax a produit des vélos et des mobylettes. En 1957, la marque Syphax a été rachetée par la marque Micmo. Syphax était un roi algérien il y a deux siècles avant notre ère. L’écusson de la marque s’inspire de cette esthétique antique.
Phébus -- maison Lucas & Underberg 7 rue de Coulmiers in Nantes. Vervolgens Suresnes in Parijs.
"Phoebus" is de Grieks/Latijnse naam voor de god van de zon (Apollo), een symbool van licht / vooruitgang, wat goed paste bij een merk dat werd benadrukt door de reclame van die tijd. Phébus is de naam die Apollo kreeg nadat hij de zonnewagen had verslagen en door Zeus was veroordeeld om ermee te rijden, waardoor hij de zonnegod werd.
Geschiedenis en algemene context
Het merk Phébus werd in 1889 in Nantes opgericht als fabrikant van velocipedes. Al snel bleef het merk niet beperkt tot eenvoudige fietsen: het ontwikkelde gemotoriseerde driewielers (en later vierwielige modellen) onder de naam Phébus, met het bedrijf Noé Boyer & Cie in Parijs / Suresnes. Deze motoren gebruikten in sommige modellen Aster- of De Dion-motoren.
Phébus exposeerde zijn driewielers en quadris op de Salon des Tuileries (Parijs) in 1899.
Het merk heeft in de loop van de tijd samengewerkt met industriële fusies met Gladiator (en anderen). Wat lichte auto's onder de naam Phébus betreft, de activiteit stopte rond 1906, na 4-cilinder of 6-cilinder modellen.
"Klassieke" fietsen: Oorspronkelijk produceerde Phébus alle soorten fietsen: herenfietsen, damesfietsen, kinderfietsen, stads- en "landfietsen", zelfs "ceremoniële" modellen. Hun catalogus getuigde van deze diversiteit.
Er zijn echter maar heel weinig "gewone" Phoebus-fietsen bewaard gebleven. De overige exemplaren zijn zeldzaam.
De eerste fabriek stond in Nantes. Na fusies (met Gladiator in het bijzonder) werd de productie verplaatst naar Suresnes / Parijs, met een showroom aan de Avenue de la Grande-Armée in Parijs.
De firma Noé Boyer & Cie was actief van ongeveer 1898 tot 1906.
Phébus is tegenwoordig vaak beter bekend om zijn zeer esthetische reclameposters dan om zijn machines zelf. Op deze posters, vaak Art Nouveau / Belle Époque, zijn gevleugelde vrouwen, engelen, zonnestralen etc. te zien.
Zo maakte de kunstenaar H. Gray (alias Henri Boulanger) rond 1896 beroemde affiches "Cycles Phébus"
Onder de adelaar op het merkplaatje zien we de woorden NEC PLUS ULTRA. “NEC PLUS ULTRA” is een Latijnse uitdrukking die letterlijk betekent: “Niets verder voorbij” of “Niets meer daarboven.” Betekenis in context: Letterlijk: Het verwijst naar iets dat de uiterste grens aanduidt — er is niets beters of verder dan dit. Figuurlijk: Het wordt gebruikt om het hoogtepunt, het beste of het ultieme van iets aan te duiden. Oorsprong: De uitdrukking komt van de legendarische inscriptie “Non plus ultra” (“niet verder”) die volgens de mythe op de Zuilen van Hercules stond — het einde van de bekende wereld in de Oudheid. “Nec plus ultra” is een variatie daarop en wordt vaak ironisch of als lof gebruikt.
Fabrique de cycles Maxime Aumon, 113 Rue du General Buat, Nantes, France
Téléphone 121.36
Seul propriétaire des brévets des pédaliers Tilhet à deux vitesses et bicyclettes spéciale unijambiste.
Spécialisé dans la fabrication de cycles, Aumon possédait un esprit d’innovation qui le démarquait de ses concurrents. Inventeur du pneu ballon, il a également conçu de nombreux appareils pour faciliter le quotidien des personnes en situation de handicap.
Enige eigenaar van de brévetten van het Tilhet-crankstel met twee versnellingen en speciale eenbenige fietsen. Aumon was gespecialiseerd in de vervaardiging van fietsen en had een geest van innovatie die zijn fietsen onderscheidde van zijn concurrenten. Als uitvinder van de ballonband heeft hij ook veel apparaten ontworpen om het dagelijks leven van mensen met een handicap gemakkelijker te maken.
Stella ----Ets. Fonteneau fabricant de cycles & machines à coudre- 21 Chaussée de la Madeleine te Nantes - Loire Atlantique----- France/Frankrijk
Het verhaal begon in 1919 wanneer Pierre Fonteneau zijn fabriek oprichtte in Nantes, aan de Chaussée de la Madeleine
Stella was een merk die zich vooral in de wielrennerij onderscheidde, in 1948 werd Louison Bobet in het team aangenomen. Louison Bobet won onder andere zijn eerste twee Tours de France (1953 en 1954) op Stella-fietsen en zijn wereldkampioenschapstitel in 1954.Gekroond met deze glorie werden ze ingewijd als de fietsen van de kampioenen. Het professionele wielerteam werd in 1948 opgericht door Pierre Fonteneau. Hij was een perfectionistische ingenieur met een sterk karakter, een vakman verliefd op mooi vakmanschap, een autoritaire en visionaire baas wiens bedrijf de eeuwwisseling van de jaren 1970 niet overleefde. Ze werden het kleine team die de grootte wielerploegen van fietsfabrikanten zoals Gitane of Alcyon bang maakten. Stella had 12 renners, terwijl grote ploegen als Mercier er wel 30 konden hebben. De renners waren goed voorbereid, hadden een echte teamspirit en werkten echt voor elkaar. De goede uitslagen volgden zich op. Zonder de renners Guénard, Barbotin en Bobet zou Pierre Fonteneau een kleine fietsenfabrikant gebleven zijn.
Maar nu was Pierre Fonteneau niet langer tevreden zijn met de verkoop van Stella-fietsen in het Westen. Hij richtte zijn pijlen op Indochina en Algerije. Later zouden het de Verenigde Staten zijn. Hij zou de eerste zijn die in supermarkten verkocht, daarna in catalogi. Het was ook om zijn bedrijf te promoten dat Pierre Fonteneau besloot om in 1952 met zijn ploeg deel te nemen aan de Ronde van Algerije. Pierrot Barbotin was niet enthousiast om deel te nemen. Na twee koersen in Algiers en Oran, en voor de start van de ronde , nam de Stella agent hen mee naar een kleine haven waar ze oesters aten. De volgende dag kon Barbotin de eerste etappe, Algiers-Medea, niet uitrijden! Hij had een darmontsteking. Hij keerde terug naar Frankrijk, maar Fonteneau was woedend. Hij was ervan overtuigd dat Barbotin zonder reden had opgegeven... Hij wilde hem laten betalen voor het vliegticket voor de terugreis... Pierre Fonteneau was zeker niet de gemakkelijkste.
Het avontuur van het Stella-team eindigde in 1954. Bobet vertrok naar Mercier. Barbotin, naar Saint-Raphaël. Het was de tijd dat merken die niets met wielrennen te maken hadden begonnen investeren in wielerploegen. Martini contacteerde Fonteneau, maar hij weigerde. Samenwerken met iemand die niet uit de wielerwereld kwam was voor hem ondenkbaar. De "fietscouturier" Pierre Fonteneau bleef een ambachtsman in de nobele zin van het woord. Elke werknemer had zijn werkbank, de fietskaders werden gemaakt in de rue Laennec, en ze werden gemonteerd in de chaussée de la Madeleine. Deze productiemethode was niet aangepast aan de Amerikaanse markt, naar waar Stella in zijn hoogtijdagen 300 fietsen per jaar naar exporteerde. Het was een cruciale tijd, ze hadden naar een industriezone moeten verhuizen, geld moeten lenen om een fabriek te bouwen. Maar mijn Pierre sprak geen Engels, en is nooit naar de Verenigde Staten gegaan, hij had geen juridische en boekhoudkundige opleiding... Pierre Fonteneau was voor de techniek en de innovatie.
In de jaren 1950 rustte hij de fietsen van zijn renners uit met een versterkte achterbuis, dat was om prestatieverlies te voorkomen bij het trappen als een danser. Twee decennia later, in het ouderlijk appartement waar de eettafel als tekentafel gebruikt werd, stond hij om vijf uur 's ochtends op en maakte zijn echtgenote wakker met de woorden: “Ik heb het gevonden”.”Wat gevonden?” “De vouwfiets”. De plooifiets waarvan het stuur naar beneden werd geklapt en die in een koffer paste. De pocket-bi. Het was niet genoeg om het Stella-bedrijf te redden. Een Amerikaanse importeur deelde eind de jaren zeventig de genadeklap uit.
PETIT BRETON -----Vélos Petit -Breton ---- Mr. Lodenos-- 21 rue de Bitche à Nantes, Loire Atlantique France
Het was in een advertentie dat de naam van de in Nantes gevestigde fabrikant Pierre Lodenos, fabrikant van Petit-Breton fietsen, verscheen. De bijnaam Petit -Breton van wielrenner Lucien Mazan werd na zijn dood gebruikt voor een fietsmerk, dit zowel om zijn nagedachtenis te eren evenals voor reclamedoeleinden, weerstand en loyaliteit waren het motto van het merk. Meer dan de fabrikant, waarvan ons alleen nog de naam overblijft, is het de wielrenner die genoemd moet worden.
Lucien Petit-Breton (pseudoniem van Lucien Georges Mazan) (Plessé, 18 oktober 1882 – Troyes, 20 december 1917) was een Franse wielrenner. Bekendheid verwierf hij vooral doordat hij als eerste renner de Ronde van Frankrijk tweemaal op zijn naam wist te schrijven, namelijk in 1907 en in 1908.
Mazan werd geboren als zoon van een horlogemaker. Op 8-jarige leeftijd vertrok hij met zijn ouders van Bretagne naar Buenos Aires, de hoofdstad van Argentinië. Dit gegeven zou hem later tijdens zijn wielercarrière de bijnaam de Argentijn opleveren. Zijn wielercarrière begon toen Mazan op 16-jarige leeftijd een fiets won in de loterij. Hiermee ging hij fietsen op de wielerbaan en al spoedig besloot hij om baanrenner te worden. Dit was zeer tegen de zin van zijn vader, die graag had gezien dat zijn zoon een 'fatsoenlijk' beroep had gekozen. Om die reden besloot Lucien Mazan om op zijn wielerlicentie de achternaam Breton (= inwoner van Bretagne) te laten vermelden in plaats van zijn echte achternaam. Later werd hier het 'Petit' nog aan toegevoegd om verwarring met een andere coureur, die ook de naam Breton droeg, te voorkomen. Lucien Petit-Breton bleek aanleg te hebben voor het wielrennen en al snel werd hij kampioen van Argentinië op de baan. In 1902 keerde Petit-Breton terug naar Frankrijk, omdat hij zijn dienstplicht moest vervullen.
Ondertussen was Lucien Petit-Breton ook gaan deelnemen aan wedstrijden op de weg. In 1905 reed hij voor de eerste maal de Ronde van Frankrijk, waarin hij als vijfde eindigde. Zijn eerste grote overwinning op de weg boekte Petit-Breton in 1906, toen hij zegevierde in Parijs-Tours. De meest succesvolle jaren uit de wielercarrière van Petit-Breton waren 1907 en 1908. In beide jaren wist hij de Ronde van Frankrijk te winnen en daarnaast werd hij winnaar van klassiekers als Milaan-San Remo en Parijs-Brussel. Hoewel Petit-Breton na 1908 niet echt aansprekende overwinningen wist te boeken, wist hij in die jaren nog wel diverse ereplaatsen te behalen. Tijdens de Ronde van Frankrijk van 1912 gold hij als een van de favorieten, maar tijdens de tweede etappe kreeg hij een aanrijding met een rund en moest hij de strijd staken. Lucien Petit-Breton trouwde op 24 november 1908 met Marie-Madeleine Macheteau, dat was na zijn tweede overwinning in de Tour de France. Ze kregen drie kinderen, Lucie, Yvonne en Yves.
Het begin van de Eerste Wereldoorlog betekende het einde van de wielercarrière van Petit-Breton. Hij nam dienst in het elfde legerkorps en vocht mee aan het front, waar hij meerdere keren gewond raakte. Op 20 december 1917 kwam Petit-Breton op 35-jarige leeftijd om het leven bij een auto-ongeluk: in zijn functie als ordonnans reed hij aan het front bij Troyes frontaal op een tegenligger. De twee broers van Lucien Petit-Breton, Paul en Anselme, waren ook renners. Deze laatste, die deelnam aan de Tour de France van 1907, stierf ook tijdens de Eerste Wereldoorlog, terwijl Paul Mazan de titel van amateurkampioen van Frankrijk won.
VELOS PETIT BRETON
Zijn weduwe registreerde het merk Petit-Breton in 1920 om fietsen te gaan produceren in de rue des Olivettes 2. Een andere werkplaats werd geopend in de rue Sévigné 7. Pierre Lodénos, een rijwielhandelaar in Cholet, nam het merk in 1924 over en verhuisde de ateliers naar 2 en 3 rue de Bitche Nantes en 13 rue de Fleurus in 1927 naar de jamateliers "La Chareuse". Het bedrijf heeft tot 150 werknemers in dienst en produceert meer dan 20.000 fietsen per jaar.
Zijn zoon Pierre nam in 1964 de teugels van het bedrijf over tot het in 1971 werd gesloten. De wielerbaan van Nantes-Durantière werd in 1924 tot velodroom Petit-Breton omgedoopt, dat als eerbetoon aan een van de eerste legendes in de geschiedenis van het wielrennen.
De wedergeboorte van de fietsindustrie in Nantes
Sinds enkele jaren heeft de terugkeer van het fietsen geleid tot de oprichting van verschillende bedrijven die gemeen hebben dat ze innovatief zijn terwijl ze verschillende wegen inslaan. Zo heeft Robin Cojean in 2020 het merk "Petit-Breton" nieuw leven ingeblazen door de krachten te bundelen met de familie van de voormalige managers van het bedrijf. Met behulp van knowhow uit de luchtvaart vervaardigt hij op maat gemaakte frames van koolstofvezel.
Lucien Petit-Breton trouwde op 24 november 1908 met Marie-Madeleine Macheteau, dat was na zijn tweede overwinning in de Tour de France. Ze kregen drie kinderen, Lucie, Yvonne en Yves. De twee broers van Lucien Petit-Breton, Paul en Anselme, waren ook renners. Deze laatste, die deelnam aan de Tour de France van 1907, stierf ook tijdens de Eerste Wereldoorlog, terwijl Paul Mazan de titel van amateurkampioen van Frankrijk won.
Femina (...1901/1937…) cycles -- Manufacture Cartallier & Cie .- Usine de l'Allée à Augerolles - ----Puy de Dome ---- France/Frankrijk.
Er is niet veel informatie beschikbaar over Femina-fietsen; het lijkt erop dat de fabriek van Louis Cartallier. in Augerolles (Puy-de-Dôme) in 1931 werd gesloten. De fabriek brandde helaas af in 1935 of begin 1936, en de eigenaar overleed een jaar of twee later. Femina-fietsen hebben meerdere keren deelgenomen aan de Tour de France.
Op het einde van de 19e eeuw installeerde de mecanicien Michon uit Clermont-Ferrand zich in de rue Blatin n° 55, te Clermont-Ferrand. Naast zijn werk, het herstellen en het verhuren van fietsen, bood hij zijn cliënteel ook grote fietsmerken aan, zij hadden o.a. de keuze tussen Peugeot- en Clévelandfietsen maar ze konden ook kiezen voor een speciaal fietsmerk waarvan hij zelf alle stukken monteerde en ze een significante naam gaf : “ La Gergovia”. Dit merk van M.A. Michon zou een glorieuze ontwikkeling kennen. Op het plaatje zien we een beeltenis van Vercingetorix.
Gergovia was een Gallische stad gelegen in de huidige regio Auvergne-Rhône-Alpes, in het bovenste deel van het stroomgebied van de Allier en in de buurt van het huidige Clermont-Ferrand. Het was de hoofdstad van de Averni. De Arverni ( Gallisch : Aruernoi ) waren een Gallisch volk dat tijdens de IJzertijd en de Romeinse periode in de huidige Auvergne woonde. Ze behoorden tot de machtigste stammen van het oude Gallië en betwistten de heerschappij over de regio met de naburige Aedui.
De stad Gergovia had sterke muren en lag op een fameus verhoogd plateau omringd door heuvels. Het was de belangrijkste stad (oppidum) van de Arverni en ook de locatie van de Slag bij Gergovia in 52 v.Chr. De strijd werd er uitgevochten tussen een leger van de Romeinse Republiek, onder leiding van proconsul Julius Caesar, en Gallische troepen onder leiding van Vercingetorix. Caesar trok met zes legioenen naar het zuiden om de heuvelstad Gergovia in te nemen maar de Galliërs wonnen de slag. Door deze zege kreeg Vercingetorix meer cavaleriesteun voor zijn campagne en de toekomstige veldslagen. Dit was voor Caesar en het Romeinse leger in Gallië een belangrijke fiasco.
VERCINGETORIX (ca. 80 – 46 v.Chr.) was een Gallische koning en leider van de Arverni-stam. Vercingetorix was de zoon van Celtillus de Arverniër, leider van de Gallische stammen. Vercingetorix kwam in 52 v.Chr. aan de macht, dat na zijn officiële benoeming tot leider van de Arverni in het oppidum Gergovia.
Hij wou de Galliërs verenigen in een revolte tegen de Romeinse bezetter. Hij sloot onmiddellijk een alliantie met andere Gallische stammen, nam het bevel over, bundelde alle strijdkrachten en leidde hen in de belangrijkste Keltische opstand tegen de Romeinse overheersing. Hij won de Slag bij Gergovia tegen Julius Caesar! In die slag sneuvelden er enkele duizenden Romeinen en medestanders van de Romeinen, de Romeinse trokken legioenen zich terug. Maar uiteindelijk zou Vercingetorix toch het onderspit delven, Caesar slaagde erin om de interne verdeeldheid van de Galliërs uit te buiten om het land te onderwerpen. Uiteindelijk kwam Vercingetorix' poging om alle Galliërs te verenigen tegen een Romeinse invasie te laat kwam.
In de Slag bij Alesia , ook in 52 v.Chr., belegerden en versloegen de Romeinen zijn strijdkrachten. Om zoveel mogelijk van zijn mannen te sparen, gaf hij zichzelf over aan de Romeinen. Hij werd vijf jaar gevangen gehouden. In 46 v.Chr. werd hij, als onderdeel van Caesars triomftocht, door de straten van Rome gestuurd en vervolgens geëxecuteerd door wurging. Vercingetorix is vooral bekend door Caesars Commentarii de Bello Gallico (Commentaren op de Gallische Oorlog). In Frankrijk is hij nog steeds een volksheld, en dat vooral in de Auvergne , zijn geboortestreek.
TENDIL / TENDIL CYCLES - cycles Origine -- Standart of Sport -----Nîmes --- Frankrijk
In 1919 besloot mijnwerker Elie Tendil in Alès in de Gard een fietsenwinkel te openen en werd zo distributeur van Automoto-fietsen. (Gard is een Frans departement, gelegen in de regio Occitanie. De prefectuur is Nîmes.)
Gebruikmakend van de aanbiedingen van de vele grossiers van fietsonderdelen, die gevestigd waren in de regio Saint-Etienne, begon hij al snel zelf met assembleren. Het handelsmerk Tendil werd onmiddellijk geregistreerd. Heel snel werden er ongeveer 20.000 fietsen geproduceerd en gedistribueerd in heel Zuid-Frankrijk.
Eind jaren twintig assembleerde het merk ook enkele 250 en 350 cc motorfietsen. Door de geografische ligging van Alès werd de ontwikkeling van de kleine werkplaats, door transportproblemen, belemmerd. Elie Tendil besloot om zich in Nîmes te gaan vestigen en werd er fabrikant, hij ging er ter plaatse frames vervaardigen, wielen monteren, spuiten en chromeren.
In 1951 bracht het merk zijn eerste bromfiets uit, een 50 aangedreven door de VAP 4-motor, de Tendilet. Deze rijwielen kregen dan respectievelijk de namen Ventoux en Types Aigoual. Van 1955 tot 1960 werden er ongeveer 5.000 machines per jaar gebouwd, waarbij er ongeveer 50.000 fietsen moeten worden opgeteld. Het merk vormde zelfs een regionaal wielerteam (in 1951, eerst onder de naam Tendil, daarna Tendil/Hutchinson) dat deelnam aan de Tour de France, in 1955 werd zelfs een showtruck voor de karavaan besteld. Les Cycles TENDIL was een kleine constructeur die van 1935 tot 1953 wielrenners uitrustte.
Het materiaal van de racefietsen die de werkplaats verlieten (met uitzondering van speciale bestellingen) bestond standaard uit: de derailleurs en hun bedieningselementen, het dubbele kettingblad en de snelspanners waren van het merk Simplex, de handvatten, kappen en remmen van het merk CLB, het zadel was van het mek Perjohn. De emailverf was in Italiaanse stijl.
En voor de toerfietsen was er Simplex voor de versnellingen, Cyclo voor de kettingbladen, Mafac voor de remmen en Pearl voor de zadels.
Begin jaren zestig hadden kleine fabrikanten het ten opzichte van Motobecane, Peugeot en Velosolex moeilijk. In 1962 besloot Elie Tendil, die nog steeds aan het hoofd van de fabriek stond, samen met zijn zoon André om de productieactiviteiten stop te zetten (inmiddels waren ze toegetreden tot de VAP SA-groep). De fabriek waar ongeveer honderd mensen werkten werd gesloten, alleen de winkel die eind jaren veertig werd geopend bleef behouden en werd een Motoconfort-dealerschap. Deze winkel bestaat nog steeds en wordt nu gerund door Elie's kleinzoon, Patrick Tendil.
Een haan illustreert het merk Tendil.
Ik sluit deze korte samenvatting af met de mededeling dat het geen zin heeft om contact op te nemen met de huidige winkel. Er zijn geen documenten of onderdelen meer beschikbaar die betrekking hebben op dit merk.
Ik ben Delameilleure Philippe
Ik ben een man en woon in Preshoekstraat 145 - 8510 Marke - België (België) en mijn beroep is Gepensioneerd.
Ik ben geboren op 27/09/1960 en ben nu dus 65 jaar jong.
Mijn hobby's zijn: Wielrennen - Verzamelen van fietsmerkenplaatjes (balhoofdplaatjes) .