Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

Een kort gedichtje het geeft een zomergezichtje

Vermaak
 
Met de hitte is er weinig vermaak
Alles is teveel
Vlieg het je naar de keel
Maak dan een lied
en je weet dan
Dat jezelf van alles geniet
Ook al zijn het maar een paar regels
Het is beter dan middenin
de zomer bedolven te worden
onder ijspegels
Geschreven door Dora om 19:43 Reageer op dit bericht

1 reactie op dit bericht

Dirk4 juli 2015 om 09:54

Rock zanger The Lau

Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

Een gedicht van Jules Schürmann 1873-1927

Ik heb u niet genoeg bemind...

Ik heb u niet genoeg bemind,
Mijn jonge jaren.
Ik speelde met u, als een kind
Met groene blaren.

Ik wist niet dat in u bestond
Wat ik steeds wachtte
En immer zocht en nimmer vond,
In u verachtte.

Nu ben ik als een die verkreeg
Zonder te weten
Het liefste waar zijn hart toe neeg,
En 't was vergeten.

U die ik niet begrijpen mocht
Vergleden dagen
Gij droeg de schoonheid die ik zocht...
En ik bleef klagen!...

Onze Eeuw, jrg 12 (1912)

Geschreven door Dora om 21:22 Reageer op dit bericht

deuntje

Een gedicht van P.C. Hooft 1581-1647

Deuntje

Op de wijs: Si c’est pour mon pucellage

Als Jan Sijbrech zou belezen
en haar sprak van liefde an,
zei ze: ‘Ja, maar Janneman,
zou het Reine Liefde wezen,
die gij mij geeft te verstaan?
die…verstaan: Reine Liefd’ kan niet vergaan!’

‘Reine Liefd’ van d’allerreinste’,
zeid’ hij, ‘Sijbrech, bolle meid!’
‘Wel’, zei zij, ‘dat’s goed bescheid,
’t huw’lijk is op ’t allerheinste,
Jan, ik wil ’t met u bestaan.
Reine Liefd’ kan niet vergaan!’

Vijftig builen in twee slagen
smeet hem laatst de boze feeks
met een wakk’re sleutelreeks.
Als hij toen begon te klagen,
zei ze: ‘Jan, wat gaat u aan?
Reine Liefd’ kan niet vergaan!’

Zij heeft een zweep ontboên uit Polen,
die ze bij haar kammen hangt.
Als haar dan een lust bevangt,
zegt ze: ‘Jan, licht op uw zolen,
hippel luchtig, onbelaên.
Reine Liefd’ kan niet vergaan!’

Jan bestond zijn wijf te vragen:
‘Was het u al Reine Liefd’?’
Sijbrech zeide: ‘Ja ’t ontdieft!
Daarom moet gij mij verdragen
als ik lust heb wat te slaan.
Reine Liefd’ kan niet vergaan!’

‘Wel, verdraag dan ook mijn smijten’,
zeide Jan, en stelde doe
ook een bos met sleutels toe.
En als zij begon te krijten,
kreet hij daar weer tegen aan:
‘Reine Liefd’ kan niet vergaan!’

Wildij Reine Liefd’ doen duren?
Voegt er Reine Liefde bij,
want de Liefd’ aan ene zij
kan in korte tijd verzuren.
Hangt ze beide zijden aan:
Reine Liefde’ kan niet vergaan!

schrijver

Geschreven door Dora om 22:03 Reageer op dit bericht

liefde

Een gedicht van Prudens van Duyse 1804-1859

LIEFDE

Wat in u mij zo heeft bekoord,
Vóor nog uw ziel in enig woord
Was uitgebroken
Voor gij me nog, met maagdenlach,
Een buiging bood, een goeden-dag,
Zacht uitgesproken;

Wat in u mij het meeste trof,
Als ik u, in dien rozenhof,
Het eerst ontmoette,
En u, met half verwonnen hart,
Met droeve lust, met zoete smart,
Aanschouwde en groette?

Wat anders, dan uw bleek gelaat?
Geen levend wangeninkarnaat,
Geen purpren lippen,
Geen gloeiende ogenflonkering
Deed, aan d'ontroerde jongeling,
Een zucht ontglippen.

Het was die zweem van treurigheid,
Die wang met lelies overspreid,
Die me innig griefde.
0 neen! Geen bruisend driftgewoel
Maar medelij', vol teer gevoel,
Dàt was mij liefde.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:35 Reageer op dit bericht

mijn

Een gedicht van J.Jongbloed-Talen

Mijn Nederland

Ik roem uw vrije blauwe luchten
De vette weiden van uw polderland
Uw zeekust, waar de blonde duinen rijen
En de oude toren blikt op het brede strand
Ik roem uw hofstee in ’t geboomd verscholen
De blanke zeilen op het spiegelend meer
Het vredig landschap met de oude molen
De bongerd met zijn bloesems, fijn en teer
Ik heb u lief mijn land om uw verleden
Ik heb u lief, mijn eigen plekje op aard
En wil een vijand ooit uw grond betreden
Een land als Neerland is ‘t beschermen waard

Geschreven door Dora om 21:45 Reageer op dit bericht

zaadmaand

Een gedicht van Alice Nahon 1896-1933

Zaadmaand.

Daar stond een late zonnebloem
te sterven in de leste zon,
en niemand in de wereld
die haar nog helpen kon.

Van lijve zo belachelijk
gelijk een leuterwijf,
met vuil versleten kleren
om 't uitgedroogde lijf,

Een mensenhand, gerimpeld,
had die haar troost beloofd?
Die sneed van 't mager halsken
dat diep-gebogen hoofd.

En op zijn stramme vingren
woog het van zaden zwaar;
ze hebben elkaar bekeken
en hij werd bang van haar,

en peinsde bij zijn eigen,
voelend zijn groot verval:
‘Zal ik zó prachtig wezen
als God mij plukken zal?’

Dietsche Warande en Belfort, jrg 1926.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:41 Reageer op dit bericht

bergreis

Een gedicht van Albert Verwey 1856-1936

 

De Bergbries

De bergbries rilt door 't water voort
Dat rint door beek en rotsge spleet,
Mos groeit op blok en vochtge boord,
De varen wiegt, de spar stijgt heet
In zon: haar wortel, kronklend, schoort
De rechte stam, het naaldrijk groen,
En eik en beuk hun weidser dracht
In 't bos blinken en welken doen,
Tot waar in dag-doorschimde nacht
De drop weer glinstert en de vaart
Van 't water vonkt plast en bedaart
En schiet langs gladbegroende steen,
Licht in, licht uit, door weiden heen.
En waar de bomen schaduw wuiven
En als kwikzilver 't razend nat
De wiegelende bloem bespat,
Buigt zich de wandlaar warm en mat
Van 't stijgen, knielt en drinkt zich zat
Aan 't leven dat de stroom bevat,
Dat vóór de stroom de wind bezat,
Dat uit de ether hem gegeven
Een vlaag is van het eeuwig leven,
Verschonken voor de moede mond
Van mens die het, verdorstend, vond
En altijd weer en altijd meer
Begeert - wat niemand ooit ontbeer' -
De etherdronk, die ziel van 't Al,
Die bries, die drop, die water-val,
Die vonk van zon-gelijke koelt
Die zilvrig door de wereld spoelt
En kelen trekt en krachten wekt
In 't lichaam dat langs de aarde trekt
En op zijn eeuwig-vreemde reis
Begeert dat hem die vloeistof spijz'
Die meer dan vaste vrucht en dier
Hem vult met aards, en hemels, vier.

De Beweging, jrg 4 (1908)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:34 Reageer op dit bericht

sanctissima virgo

Een gedicht van Jacques Perk 1859-1881

Sanctissima virgo

't Was bladstil, en een lauwe loomheid lag
En woog op beemd en dorre wei, die dorstten;
Zwaar zeeg en zonder licht een vale dag
Uit wolken, die gezwollen onweer torsten.

Toen is het zwijgend zwerk uit-een-geborsten,
En knetterende donders, slag op slag,
Verrommelden en gromden. Vol ontzag,
Look ik mijne ogen, die niet ogen dorsten:

Een schelle schicht schoot schichtig uit den hogen,
En sloeg mij. Ik bezwijmde... ontwaakte, en zag
De lucht geschraagd door duizend kleurenbogen.

Daarboven, in een kolk van licht te pralen,
Stond reuzengroot de Jonkvrouw, en een lach
Voelde ik van haar verengeld aanschijn stralen.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:34 Reageer op dit bericht

vaarwel

Een gedicht van Jacob van Lennep 1802-1868

Het vaarwel.

Vaarwel, witte duinen en Hollandsche kust!
Vaarwel, en voor jaren, Maria, mijn lust!
Maar voere ook het noodlot mij ver van u af,
Het hart blijft u bij, dat ik eenmaal u gaf.
Eer tellen mijn maats al de korlen van 't duin,
Eer legen zij de emmers van vader Neptuin,
Eer ik uit mijn zinnen uw beeltenis stel.
Vaarwel dan, zoet Holland! Maria, vaarwel!

Maria, vaarwel! - kan ons vaartuig vergaan?
Geen plank op het dek, die uw naam niet heeft staan.
Ja, 'k heb, als de maats zich vermaakten beneên,
In stengen en masten uw cijfer gesneên.
Hun spelen zijn mij geen vermaak, maar verdriet,
Mijn vreugd is te zuchten om haar, die 'k verliet,
En o! dan verzoet, onder leed en gekwel,
De hope des weerziens de smart van 't vaarwel.

De hope des weerziens, zij strekt op den plas
De zeeman tot poolster, tot roer en kompas:
Zij leeft in zijn ziel, sinds het uur van 't vertrek:
Zij kort hem de wachten op 't eenzame dek:
Zij straalt hem uit zee met den dageraad aan:
Zij doet hem haar stem in het windje verstaan:
Zij klingelt hem tegen bij 't kleppen der bel:
Het welkom verzoet eens het droeve vaarwel.

Zeemansliedtjens (1852)

schrijver

Geschreven door Dora om 23:03 Reageer op dit bericht

vriend

Een gedicht van Anton L. de Rop 1837-1895

 

De trouwste vriend.

Gij flinke hond, getrouwe vrind
Van jager, reiziger en kind,
Men prijst u vele keren,
Omdat gij zo gehoorzaam zijt,
Zo waakzaam, vol geduld altijd,
En kunstjes ook wilt leren.

Men roemt u als gij in het veld
Het wild, dat angstig henensnelt,
Alras weet in te halen,
En aan komt dragen naar uw baas
Nu met een eend, dan met een haas,
Die 't met de dood betalen.

Men spreekt van u zo dikwijls goed,
Omdat gij uit de diepe vloed
- Vóór ze in de stroom verzinken -
De kindren pakt met sterke tand,
Voorzichtig voorttrekt naar de kant,
En redt, wie haast verdrinken.

Of als gij, door uw kracht en moed,
De Eskimo in 't Noord behoedt
Voor beren, die daar loeren,
En ander hongrend roofgediert;
Gij zult - wordt slechts uw toom gevierd -
Hem wel 't gevaar ontvoeren.

Maar ik roem u het meeste dan,
Wanneer gij d'arme blindeman
Geleidt langs straat en wegen;
Gij zijt voor hem haast meer dan vriend,
En hebt daarvoor een kluif verdiend,
Een grote, ja terdege.

't Is lang geleden  (1893)

schrijver

Geschreven door Dora om 00:00 Reageer op dit bericht

geen

Een gedicht van Jacobus Daniël du Toit

Daar is geen dood

Daar is geen dood.
Wat lewe heet, is net die op en neer
as ons klein skuitjie al maar daal en klim;
en wat ons sterwe noem, is niks nie meer
as ons verdwyning op die gindse kim.

Daar is geen dood.
Ons wat van lae strand dit sien, en speur
hoedat hul vaart die afstand steeds vergroot
ons kan nie sien wat anderkant gebeur,
en daarom noem ons die verdwyning: dood.

Daar is geen dood.
Ons lae standpunt is te laag en ver,
en hul ontseil ons sfeer van ruimte en tyd,
daarom word eindelik ons blik versper
wanneer hul roerpen stuur in die eeuwigheid.

Passieblomme (1934)

schrijver

 

Geschreven door Dora om 22:26 Reageer op dit bericht

lied

Een gedicht van Cornelis ten Hoet 1794-1831

Lied van Gelderland.

Kent gij - dat land, waar ronde gulheid woont;
Eenvoudigheid in taal en zeden troont;
Natuur, vol pracht, in maagden frisheid bloeit;
Een zilvren stroom langs malse beemden vloeit?
Kent gij dat land? - Daarheen - daarheen -
Daar trekt mij 't hart, o mijn geliefde, heen.

Kent gij dat land, vol heuvlen, lachend schoon,
En koele dalen, waar de reine toon
Des nachtegaals bij brongemurmel klinkt,
Als lentes zon aan d' avondhemel zinkt?
Kent gij dat land? - Daarheen - daarheen -
Daar trekt mij 't hart, o mijn geliefde, heen.

Kent gij dat land, waar, op het welig veld,
De gouden vrucht van Ceres golvend zwelt;
Pomona's ooft met keur van verwen gloort,
En door zijn waas 't verlangend oog bekoort?
Kent gij dat land? - Daarheen - daarheen -
Daar trekt mij 't hart, o mijn geliefde, heen.

Mijne Ida, ja, ik ken dit schoon gewest,
Waar gulheid nog en eenvoud zijn gevest,
En waar natuur, met schatten rijk bestrooid,
Gelijk een bruid, aanminnig is getooid:
't Is Gelderland! - Daarheen - daarheen
Trek dáár met mij, o mijn geliefde heen!

Dan klimmen wij die heuvlen vrolijk op,
En staren, diep verrukt, van hunne top;
Dan rusten wij in 't fraaiste bloemendal,
Bij vooglenzang, aan beekjes van kristal.
Mijne Ida, kom! - Daarheen - daarheen -
Trek dáár met mij, o mijn geliefde, heen!

Dan wandlen wij dat golvend graanveld door,
En aadmen bloemengeuren op ons spoor;
Dan lokt Pomona's ooft ons tot genot,
En 't zoet der min bekroont ons heilrijk lot.
Mijne Ida, kom! - Daarheen - daarheen -
Trek dáár met mij, o mijn geliefde, heen!

schrijver

Geschreven door Dora om 19:41 Reageer op dit bericht

wensen

Een gedicht van Johan Michiel Dautzenberg 1808-1869

Mijne wensen.

Vriendschap kwam mij zoetjes strelen
In mijn blijdschap, in mijn leed,
Toen ik bij de kinderspelen
's Levens lentedagen sleet.

Mocht wie in mijn vreugden deelde,
Met een traan mijn droefheid heelde;
Mocht die vriend en speelgenoot
Mij beminnen tot de dood!

Aan een meisje zacht van zinnen
Hechte ik mij met hart en oog.
't Was mijn zuiver, teder minnen,
Dat tot liefde haar bewoog.

Sinds een heilig band ons strengelt,
Vliet ons leven als verengeld.
Steeds bestrooi' met bloem en blad
Reine liefde ons effen pad.

Onze taal was vroeg ontloken,
Aan de frisse Scheldestrand;
Nog wordt zij met klem gesproken
In ons dierbaar vaderland.

Blijv' die taal met ere blinken,
En in 't lied der Belgen klinken!
Blijve ze immer lief en schoon
Boven elke vreemde toon.

'k Trotse, ver van 's werelds razen,
Pennenstrijd en wapenklank.
'k Zit gerust bij volle glazen,
'k Drink de vaderlandse drank,
'k Zing een Vlaams, een lustig liedje;
'k Droom mij zalig in 't gebiedje
Van mijn vrouwtje en mijn vrind;
En sla 't oovrige in de wind.

Gedichten (1850)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:04 Reageer op dit bericht

vreugd

Een gedicht van rené de Clercq 1877-1932

ZON ZIT BINNEN ONZE VREUGD

Zon zit binnen onze vreugd
te stralen.
Het is het vurigst, reinst geneucht:
een ademhalen
in glans en jeugd.

Op aarde schittert geen vermogen
licht als uw ogen.
Geen slag, geen schok, geen ruk
kan liefde scheuren uit de hemel daar wij schijnen.
De ganse wereld mag verdwijnen:
Zon is de kern van ons geluk.

Het boek der liefde (1921)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:39 Reageer op dit bericht

zangers

Een gedicht van Emanuel Hiel 1834-1899

Meester-zangers.

Des morgens, bij het strelend zonnegloren,
Stijgt Meester Leeuwerk uit het dromend koren.
Hel trillend, fel schettrend klinkt zijn zonnezang;
De lovers, heesters luistren bevend... bang
Dat hun een toontje zoude gaan verloren.
Geliefde vogel, ik mocht u aanhoren.
o Leer me zingen, Meester? 'k Zing u dank! -
Bemin, riep hij, want liefde is zoet gezang.

't Is lentenacht, 'k ben in het bos aan 't dwalen,
'k Verneem het roerend lied der nachtegalen.
Mijn hert, betoverd, wil in 't grensloos gaan:
Ik zie der liefde en ook des lijdens traan.
'k Wil liefde met de zielegoedheid helpen,
'k Wil smerten troosten, elke ellende stelpen...
o Meester, leer mij trouw uw wondren klank,
Gevoel, leert hij; gevoelen leert gezang.

Ginds waait de wufte wind door wilgenbomen,
Hoe zalig in hun schaduw diep te dromen!
De wind, stil fluistrend, draagt de bloemengeur
Van wei tot wei, verdrijvend dwaas getreur.
Opééns begon hij breed te blazen, blazen;
Men hoorde bomen bruisen, stromen razen...
o Leer me, wind, uw orglend koorgeklank? -
Denk diep, galmt het, want denken wordt gezang.

Ik sta aan 't duin. Rondom grolt dol de donder,
De baren brullen, buitlen op en onder.
Door dwarlend, huilend, schuiflend stormgedans,
Slingren bliksems hun geelgroene glans.
Ter duine stuift het siddrend zand in wolken;
De wolken barsten bang, als waterkolken.
o Meesters, drijft in mij die driftendrang? -
Vloek 't kwaad, vloek smaad, door uwe stoute zang!

Ik zag een maagd, een schoonheidsengel knielen,
Voor 't outer Gods; een innig rein bezielen
Straalt uit heure ogen; uit de rozenmond
Stroomt hemelzoet gebed, tot vreêverbond
Der mensen. Handen, boezemwaarts gevouwen,
Getuigen van haar zalig Godsvertrouwen.
o Geef, vervoering, mij heur zilvren klank! -
Bid, zong ze teer, want bidden is gezang.

‘Volk op! de rode vane stout verheven!’
Zo tieren zij, door afgunst trots gedreven,
In 't wee der duisternis, door euveldaden rood...
Zij, die op 's volks ellende buitten laf en snood,
Vergeten 't vaderland, met 't vreemde draven...
Doch 't volk, verlicht, veracht die logenslaven,
En zingt een zang, verdelgend vuige dwang.
o Leer mij, Meester Volk, die vrijheidszang!

Ten krijgewaart! De vijands komen... komen!
De Vorst spreekt: reeds vloot 't bloed met stromen, stromen.
Soldaten, op! Uw moed is landes kracht en eer...
Ik snel vooruit met 't zwaard, volg mij ten landesweer!
Ach, hoort men moeders angstig snikken, wenen...
Vooruit! de vijand vlucht verslagen henen...
Daar klinkt een zegekreet, als donderklank! -
Soldaten, leer me fier die heldenzang.

Aan 't wiegje zit de moeder droef te wiegen,
Verjaagt voorzichtig de arge ronkersvliegen.
Het zieke kindje slaapt niet, jammert treurend voort...
Zacht klinkt uit 't moederhert een heilig liefdewoord:
Een liedje door de Schepper ingegeven,
Een moederzang, de reinste bron van 't leven!
En 't kindje sliep... God, zucht de moeder, dank!
Zij leert: o, gans de moeder is gezang.

Gedichten (1895)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:17 Reageer op dit bericht

bij

Een gedicht van P.C. Boutens 1870-1943

Bij een dode

Lief ik kan niet om hem wenen,
Waar hij stil en eenzaam ligt.
In het schoon doorzichtig stenen
Masker voor zijn aangezicht
Dat de dingen er om henen
Met zijn bleke toorts belicht.

Lief ik kan geen tranen vinden
Als mijn hart hem elders peist,
Waar zijn ziel met de beminde
Sterren van de avond rijst
En ons, dagelijks verblinden,
Hoger wegen wijst.

Naar de heemlen van de lage zoden
Stijg' de gouden offervlam!
Wie kan wenen naar de vroeg vergoden
Die de dood ons halen kwam? -
Tranen, lief, zijn enkel voor de doden
Die het leven nam.

--------------------------
Vergeten liedjes (1909)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:39 Reageer op dit bericht

raadsel

Een gedicht van Willem Bilderdijk 1756-1831

RAADSEL.

Met ons beide zijn wij zeven,
Met ons tienen zeventien.
En gij moogt ontelbre keren
Ons verdubblen of vermeeren,
Altijd zult ge ons zeven zien.

Londen, 1796.

De Dichtwerken I (1884)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:31 1 reactie Reageer op dit bericht

man

Eenngedicht van P.C. Boutens 1870-1943

 

Aan de Hermes van Praxiteles

Zoals een man na jaren wedervindt
Oudtere relikie, zijn jonge beeld:
Onder de blonde val van vlossen weeld'
Dat zuiver oog dat God in moeder mint, -

Zo door het floers der eeuwen, dat haar blindt,
En 't wee der wereld, dat haar u verheelt,
Zovaak glimp van geluk de schemer deelt,
Groet ziel van ver u, als die man dat kind:

O ziel, o glans die 't oogeblank gelaat
Omvloeit zoals de eedle steen zijn schijn,
Ondeelbaar als de geur is om de bloem,

Hoe reê vergat mijn ziel de ijdle roem
Van 't luide leven om uw stille staat,
Uw waterklare wijs van niet-te-zijn.

Illustratie: Hermes van Praxiteles

schrijver

Geschreven door Dora om 09:31 Reageer op dit bericht

leeuw

Een gedicht van Johan de Laet 1815-1891

Zwarte Leeuw

Ziet gij de zwarte leeuw niet rijzen,
Zo fier op ’t trotse gouden veld?
Ziet gij zijn forse reuzenklauwen,
Waarvan één slag de vijand velt;
Ziet gij zijn bloedige ogen gloeien,
Beschouwt zijn maan zo breed verward? –
Die leeuw is onze Leeuw van Vlaandren
Die rustend nog de wereld tart!

Hij sloeg zijn klauwen op het Oosten
En ’t Oosterheir vlood siddrend heen,
Zijn blik vernielde d’halve manen
Van d’ongetemde Saraceen.
Dan toog hij weder naar het Westen
En schonk, hun dapperheid loon,
Aan d’onversaagdste zijner zonen
Een konings- of een keizerstroon.

Hij sluimert nu. – Der Walen koning
Beknel’ hem vrij in ijzren band,
Hij sture vrij zijn roversbenden
Tot op der leeuwen Vaderland…
Want zo de leeuw ontwaakt, – gij roovren!
Wordt ge allen door zijn klauw verscheurd,
Dan wordt uw trotse witte lelie
Door hem met bloed en slijk besmeurd.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:24 Reageer op dit bericht

Een gedicht van Jaqueline van der Waals 1868-1922

Avondnevel

O, die blinkend witte nevel over de venen! de uitgestrekte,
Grote, stille nevelzee, wier waatren de aarde bedekten!


Wij liepen des avonds tegen
De tijd, dat de zon onderging,
Samen op stille wegen
Door het moeras en zwegen
Van verwondering.
Slechts hoopjes turf en daken
Van donkere huisjes staken
Zwart uit de nevel omhoog.
Ze was zo stil, zo zonderling,
Die zee, waar niets bewoog.

O, die zwarte, grillige heuvelkust,
Die met haar brede lijn,
Scheidde de blinkende nevelrust
Van 't gloeiende karmijn!
Want boven de donkere landen
Stond vuurrood de hemel te branden
Met onheilspellende schijn.

Ik werd onrustig en ik zocht
Een woord, dat de stilte verbreken mocht.
Ik keek in de zon, in het nevelmeer....
Het zwijgen werd pijnlijk.
De avond, de aarde, mijn leven werd zeer,
zeer onwaarschijnlijk.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:27 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten