Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

Berichten van 1 oktober 2016 tot 31 oktober 2016

vriend

Een gedicht van Jacob Israël de Haan 1891-1924 

Aan een, die mij ‘vriend’ noemde

Uw vriend? Werd ik uw vriend, die graag een smader,
Een hater van zijn eigen Volk eens was,
Die blij verleid, op zoetste zonden ras,
De zegen schond, van Moeder en van Vader?
Hoe zalig troost mij dat woord: ‘Onze Vriend’
Voor al mijn dwalingen, mijn smaad en smart
En drift, die tergend al tucht heeft getart,
Maar 'k vraag beschaamd: ‘Waarmede is het verdiend?
Met mijn lied, dat niets meer deed, dan herzingen
Wat ons Volk leed, sinds het door overmacht
Zijn macht gebroken vond, zijn Stad verbrand?’
Mijn Lied: overdroef van herinneringen
Vinde uw stem eens blijder volte in de kracht,
Die ons hart drijft naar eigen Stad en Land.

Het joodsche lied. Tweede boek (1921)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:44 Reageer op dit bericht

angst

Een gedicht van Piet Rensen 1902-1936

ANGST

Omdat het schoon was, was het gauw geschonden –
Wie mocht het schenden, o mijn harde Heer!

Omdat het nog maar nauwlijks was gevonden –
Wie mocht het nemen, al zo spoedig weer!

Het oud gemis heeft mij opnieuw gebonden
En trekt mij naar de diepte, als weleer...

In déze liefde was geen zweem van zonde.
Geef mij het heil van deze liefde weer.

Chaos (1928)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:57 Reageer op dit bericht

bouwval

Een gedicht van W.J. Hofdijk 1816-1888

 

De bouwval

De laatste glimp van 't avondrood
Vloeit langs de strakke muur,
En schuchter duikt de maanschijf op
Aan 't bleek en fijn azuur

Wat wekt ge, sombre steenkolos!
Die van uw glans verviel,
En eenzaam op de rotspunt rust,
Wat wekt gij in mijn ziel?

Versteende stem van vroeger tijd!
Wat spreekt gij tot mijn hart,
En wekt er droevig echo's op
Van weedom en van smart?...

't Is van van een vroeger lustpaleis
Z e l f sombre puinhoop thans,
En slechts herinrings avondrood
Ontgloeit het nog met glans.

Verspreide gedichten (1861)



schrijver

Geschreven door Dora om 23:21 Reageer op dit bericht

leven

Een gedicht van Jan Brester 1805-1862

LEVEN

Wij reppen onze schreden,
En scherpen ons gezicht,
En zoeken hier beneden
Wat verre vóór ons ligt; -
Verzuimen en verzaken,
Wat ons omringt, wel niet,
Maar hijgen toch en haken   
Naar vrolijker verschiet.   
Lacht ons een heuvel tegen,
Met welig groen beplant, - 
Wij vinden steile wegen,
En distels in het zand; 
En lokt het dal beneden          
Ook door zijn dicht gewas,- 
Dáár smoren onze treden   
In loos bedekt moeras;  
En als met minzaam vleien 
Der bergen top ons trekt, -                 
Wij vinden woestenijen
Met dichte sneeuw bedekt.
Een dwaalspoor vóór de schreden,
En de eindpaal ongewis, -
Zoo zoeken wij beneden
Wat niet beneden is.
Tot we eindlijk, duizendwerven,
Bedrogen en misleid,
Vermoeid zijn van het zwerven
Om niets dan ijdelheid.
Dan slaan wij 't oog naar boven,
En zien der heemlen pracht,
Vertrouwen en geloven,
Dat dáár het heil ons wacht.
Dan bidden we om genade,
Ons zelven niet genoeg. -
De dwaze doet dit spade;
De wijze doet het vroeg.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:46 Reageer op dit bericht

jan zonderling

Een gedicht van Nicolaas Beets 1814-1903

JAN ZONDERLING.

De zucht naar grootheid, die mij prest,
Doet mij betreden paden vloeken.
Ik kan niet b e t e r doen dan best,
Zo wil ik ’t dan bij a n d e r s zoeken.

Gemengde gedichten, deel 3 (1905)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:43 Reageer op dit bericht

bloei

Een gedicht van E.J. Potgieter 1808-1875

Bloei

De bogaard vloeit over
Van rood en van wit,
Waar plaats was voor lover
Nam bloesem bezit;
En zwaarhoofden duchten,
In weelde zo groot,
't Verstikken der vruchten
Uit wit en uit rood!

De jong'ling omzweven
De vreugd en de min,
Voor d'ernst van het leven
Geen zweemsel van zin;
En boetpreêkers schild'ren
Het blakend geneugt,
Als dreigde verwild'ren
In minne en in vreugd!

Och, wacht maar! - fluks komen
De storm en de smart,
Tot redding dier bomen,
Ter lout'ring van 't hart:
Een blaad'renzee wiegelt
In spijt van de worm,
En zielsadel spiegelt
Uit straffere vorm!

Wat dunkt u verloren?
Wat acht ge verkwist?
De lent' heeft gekoren,
De liefde beslist:
O heerlijk ontbloeien
In vruchten volend,
En heiligend gloeien
Dat opwaart zich wendt!

De Werken II Poëzy (1896)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:31 Reageer op dit bericht

vertrouwen

Een gedicht van Gerrit Bruggencate 1803-1858

Vertrouwen

Zo de storm ons treffen mocht,
Hij toch hield u op uw tocht
Meest voor bui en vlaag geborgen;
Meer, ja meer dan moedermin,
Meer dan vaderlijke zorgen
Had Zijn liefde voor u in.
Wis de traan dan uit het oog
't Biddend harte dan omhoog,
Als ons leed en smart omringen!
Ja, vertrouwen wij ons lot,
Bij des levens wisselingen,
Broeders, steeds geheel aan God!

schrijver

Geschreven door Dora om 21:36 Reageer op dit bericht

twee

Een gedicht van Edgar du Perron 1899-1940

Twee Filmsirenen

Fatale fletsheid, die met klamme geuren
het witte zeil in iedre stand doorhangt,
maar super-kappers in je netten vangt,
te overvloedig om het te betreuren -

't model van doodshoofd door je vel omprangd
mag men in elke scheurkalender speuren,
en voor een prik, Greet, kan dus wie 't verlangt
zijn slaapsalet er veelmaals mee befleuren.

En jij, Marleen, die met gekruider sauzen
van blikken, stem en benen de eetlust stijft,
je clientèle groeit, want zonder rauzen
werd ieder wijfjesdier door je overwijfd -

Doe voort! Veel roem en rijkdom! En mijn ziel
moog' dieper snurken bij dit sex-appeal.

Parlando (1941)

schrijver

Geschreven door Dora om 18:48 Reageer op dit bericht

de vrouw

Een gedicht van Jan Jacob Slauerhoff 1898-1936

DE VROUW AAN HET VENSTER

Nooit opent zich de poort. 't Raam is zo hoog
Dat zij eerst de aarde ziet in wijde verte:
De stroom omarmt het bos in blauwe boog;
Door 't groen gaan rode vogels, ranke herten.

Niets weet zij van het levensspel daartussen;
Maar het moet schoon zijn, want zij mist het zeer.
Zij wil omhelzen, vindt niets om te kussen
Dan de eigen schouder, rond en koel en teer.

schrijver

Geschreven door Dora om 19:45 Reageer op dit bericht

zwervers

Een gedicht van Jan van Nijlen 1884-1965

De zwerver

Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
Tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van ‘t avonddorp, dat daar verlaten ligt.

Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.

Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
Er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
Dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.

Verzamelde gedichten (1948)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:51 Reageer op dit bericht

wierook

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899

WIEROOK 

o Wierookgraan,
     geronnen traan
van ceder- en van lorkenstammen,
     gebedenbeeld,
     daar ‘t vier in speelt,
en ‘t vonkelen van ‘s herten vlammen.

     Geen gave van
     fijn goud en kan
mijn hand de Heer, geen myrrha bieden,
     maar wierook zal,
     en overal
en allen dag, Hem dank bedieden.

     o Wierookgraan,
     in ‘t vier gedaan,
en rokende uit mijns herten midden,
     van aards en grauw
     wordt hemels blauw:
gaat, wierookgraan, de Here aanbidden!

15/2/1897

schrijver

Geschreven door Dora om 22:29 Reageer op dit bericht

keukenmoeder

Een gedicht van J.P. Heije 1809-1876

Keukenmoeder.

Sappig vlees en sappig ooft,
Schat van kruiden vers en fleurig,
Alles wordt nog éens zo keurig,
Als ons Moedertje ze stooft:
'k Wed, ze kon een harde kei
Murrew maken als pastei.

Wilt ge weten, lieve kind,
Waar de kunst in is gelegen?
Als ge letten wilt ter degen,
Ben ik zeker, dat ge 't vindt!
Maar ge wordt door haar verkloekt,
Als ge 't in het Kookboek zoekt.

Of begeert ge, dat ik zèg,
Hoe 't recept wel is geheten?
't Heet - och! wil het niet vergeten:
'Zindlijkheid en overleg;'
En voor Saus (geloof me vrij)
Doe er maar wat Honger bij!

Al de volksdichten (1865)

schrijver

 

Geschreven door Dora om 22:06 Reageer op dit bericht

stille

Een gedicht van W.L. Penning 1840-1922

Mijn Stille Dicht Nu en Voorheen

Gemoedsgetuig'nis af te leggen
Verbiedt mij 't onverzoend gemoed;
Wat mij zijn dicht-stem vóór komt zeggen,
Verga als ijd'le klank - eer 't and'ren luist'ren doet.

Mijn jeugd zei vaak haar verzen over,
Schreef ze op, maar deed haar schrift te niet;
Teloor gaan deed zij knop en lover
En bloesem uit de tuin van 't onbesnoeide lied.

Tien jaren lang dacht ze aan geen kansen
Op meegevoel, des dichters krans!...
Dicht mijner jeugd - hoe arm aan glansen,
Vast blij-gedurfd en fris-luid zeggen wou 'k u thans!...

Och arm, alsof ik baat zou vinden
Bij stem uit onbezorgd voorheen;
Wàt baat me? o immer meer beminde!
Wier dood me aan al uw leed blijft binden,
Wier nagedacht'nis vraagt - of weldoend lied of geen.

De Beweging jrg.6 (1910)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:23 Reageer op dit bericht

bitterheid

Een gedicht van Jacqueline van der Waals 1868-1922

Bitterheid

Het woord, dat mij met kracht omgordde,
     En vrede en vreugd gaf,
Is alsem voor mijn mond geworden,
     En voor mijn ziel een straf.

De naam, die al mijn onrust stilde...
     Het fluisterzachte woord,
Waarop ik eenmaal pleiten wilde,
     Staande aan 's Hemels poort -

Die Grote Naam, zal ik niet noemen,
     Die grendels open schoof,
Vraagt God de grond, waarop ik roeme?
     'Heer, op mijn ongeloof.'

Nieuwe verzen (1909)

schrijver

Geschreven door Dora om 18:57 Reageer op dit bericht

najaarsvensterke

Een gedicht van Alice Nahon 1896-1933

Najaarsvensterke
Tussen 't naakte, rood geraamte
Van een wilde wijngaardrank,
Hing 'n scheefgezakte venster
In de gevel, blauwig blank.

Op de grauw-arduinen rijchel,
Hier en daar vergroend van mos,
Lagen enk'le wingerdblâren,
Dronken van d'oktoberblos.

Onder 't venster, waar het muurke
Door de tijd gebersten was,
Stonden triestig te verdrogen,
Uitgeblomde dahlia's.

Een verneuteld vrouwke schikte
't Wit-en-rood geblokt gordijn;
't Was..., alsof heur rimpels zegden
‘'t Zal 'ne kwaaie Winter zijn’...

Vondelingskens (1926)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:43 Reageer op dit bericht

knaapje

Een gedicht van Jacob van Lennep 1802-1868
AAN EEN VADERLOOS KNAAPJE.
Wis toch die traantjes uit uw oog,
Arm weesje! schrei niet meer:
Uw vader heeft het goed omhoog,
Bij onze lieve Heer.
God-zelf wil u een vader zijn,
Geen vader is zo goed.
En doet Zijn hand u somtijds pijn,
Hij weet wel wat Hij doet.
Want u vergeten kan Hij niet,
Hoe ver ook de afstand zij;
Zijn troost is u in 't bangst verdriet
Het allerdichtst nabij.

De nachtegaal en het lijstertje (1854)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:02 Reageer op dit bericht

Dit geschreven naar aanleiding van de door de regering bekend gemaakte plannen...hulp bij zelfdoding wanneer men het leven voltooid vindt!

Leven

Is uw leven dood of saai
Het gevoel is niet meer als vroeger
Het leven lijkt wel afgedaan
Zo moet een mens op gevorderde leeftijd
Elke morgen weer opstaan
Er komt een lange zucht
Die geeft ook geen lucht
Weer zo’n nare lange dag
Niemand die tegen mij lacht
Ik zit in een volkomen nacht
Maar weet u, u heeft te lang gewacht
Om Hem te zoeken
Want alleen gaan door het leven
Doet u voor de ouderdom in
eenzaamheid beven
Maar gelooft die nieuwe wetten niet
Die zeggen ga maar zacht dood
Dan heb je niet meer dat verdriet
Zij trekken u in een totale doodsheid
Ver weg van Hem die leeft van
eeuwigheid tot eeuwigheid!
Ga niet alleen door het leven
Die last is u veel te zwaar
Ja, dan komt u met maar
Is dat eigenlijk allemaal wel waar
Uw lijden is bij Hem bekend
Maar als U hem geen blik waardig keurt
Dan blijft u innerlijk dood en verscheurd!
Hij is het die u kan troosten
En u kan verlossen van alle aardse pijn
Als u maar wilt geloven
Dat God in Christus dicht bij
elke oud mens zou willen zijn!
Geschreven door Dora om 21:40 Reageer op dit bericht

libera

Een gedicht van Geerten Gossaert 1884-1958

LIBERA NOS, DOMINE!

De wind woei om het eenzaam huis
In 't laatste avonduur;
Toen lichtte een vreemde de klink der deur
En zat bij 't open vuur.


Ik dierf niet vragen wie hij was
En hij gaf teken noch taal;
En ik noodde hem niet, maar hij zat aan
Naast mij aan 't avondmaal.


Mijn lippen trilden en in mijn hart
Laaide hittige haat;
Maar hij glimlachte en hief tot mij
Zijn bitterschoon gelaat.


En 'k sprak en zei: Ik ken u niet!
Wat, aan mijn haard, zoekt gij?
Doch hij antwoordde niet, maar hief zijn hand
En brak het brood met mij.


En ik herkende ...; 's morgens vroeg
Is hij weer heengegaan...
Maar 't laatste van dit bitter lied
Zal God alléén verstaan.


-----------------------------------------
-----------------------------------------
Libera nos, Domine - Bevrijd ons, Heer

Experimenten (1911)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:23 Reageer op dit bericht

vogels

Een gedicht van Aart van der Leeuw 1876-1931

VOGELS.

Zij gunnen mij gaarne 't geheim hunner tale,
De roodborst zijn snoeren van bloedkoralen,
De merel haar zang als betinkte bokalen,
En vinken hun klink-slag op eedle metalen.

De duif doet de zoetheid van 't troostende kirren
Zacht druipen om voorhoofd en lippen als mirre,
De nachtegaal roert door haar smachten tot tranen,
En hel schalt de wekroep der vlammende hanen.

Ik heb slechts die tonen in ritmen te schikken,
Dit blinkende kwarts tot briljanten te bikken;
Maar ach, hij is stémloos die mij moet vertolken,
De sperwer, de sterke, die vonk in de wolken.

Her scheppingen (Bekentenissen) (1916)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:47 Reageer op dit bericht

lenteliedje

Een gedicht van G.H.J.E. Boswel 1830-1874

LENTELIEDJE

Daar zweeft de lieve Lente weer
Bezielend door de dreven;
Zij daalt als uit de hemel neer
En roept weer de aard ten leven;
Zij tooit alom de dorre baan
Met bloemen en met kruiden,
En waait van uit het zuiden
Ons zoete geuren aan.

"Daar komt de lieve Lente weer!"
Zo juichen veld en akker;
Ze is gul en vriendelijk als weleer
En zingt de vooglen wakker.
De Lente is daar! de liefde kweelt!
De schepping lacht ons tegen1
De hemel drupt van zegen,
Die hart en zinnen streelt!

Daar zweeft de lieve Lente weer
Bezielend door de dreven;
Het zaad viel om te sterven neer,
Riep zij het niet in leven.
Zij strooit de bloesems op 't geboomt,
Zij kust de knoppen open...
En doet weer vaster hopen
Waar stil de ziel van droomt.

In één bandje, M. J. Visser, 's-Gravenhage(1863)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:45 Reageer op dit bericht

de bie

Een gedicht van Prudens van Duyse 1804-1859

 

De bie en de roos.

Een bietje vloog een roosje toe:
‘Lief bloemtje, kijk eens: blij te moe
Snel ik naar u op lichte vlerk,
Opdat ik aan mijn honig werk.’

‘Wees welkom, bietje, sprak de bloem;
Uw vlijt verdient, dat elk haar roem'.
Put uit mijn schoot al wat ge kunt:
Het is van harte u vergund.’

En zie, voor 't einde van de dag
Viel 't roosje neer; maar, als 't daar lag,
Herdacht het stil de honigschat,
Eens in haar geurge schoot bevat,
Die mogelijk in ziekte en pijn
De mens tot laafnis zoude zijn.

Gedichtjes voor kinderen (1849)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:39 1 reactie Reageer op dit bericht

trek-os

Een gedicht van Jacob Winkler Prins 1849-1907

 

TREK-OS

Uit koele kalme schaduw van het bos,
Treedt langzaam-aan kopschuddend-schomlend, de os;

Treedt op het blinkend zandpad, dat gevlekt
Met tak- en bladeren-schauw, is overdekt

Van brandend zonlicht, zomer-zon-gegloor
De hele dag, van vroeg tot 's avonds, door.

Hij keert naar stal en ziet het open hek...
Een korte ruk aan 't leidzeel... Uit zijn bek

Valt vlokkig schuim, en eensklaps staat hij pal,
De voerman roept... Daar zijn de kindren al!

Ze klimmen naast hem, allen rood en ros,
Op 't kleine bankje, naast hem met geklos.

Dan weer een rukje aan 't leidzeel rond de bek
En langzaam-aan gaat 't weer vooruit, trek, trek.

Gedichten. Verzameld en van een inleiding voorzien door Joannes Reddingius. Amsterdam,z.j.

schrijver

Geschreven door Dora om 18:55 Reageer op dit bericht

graf

Een gedicht van Gerrit ten Bruggecate 1803-1858

Bij het graf mijns vaders.

Dierbre vader! met een bloedend harte
Ging ik u geleiden naar het graf,
En de traan der kinderlijke smarte
Gleed mij telkens van de wangen af;
't Viel mij bang, toen ik de kist zag zinken,
Die uw stoflijk overschot bewaart,
En de doffe nagalm hoorde klinken
Van de daarop neergeworpen aard'.

Nimmer, dacht ik, ziet mijn oog hem weder,
Die mijn steun, mijn leven was en vreugd;
Hem, wiens liefde steeds zo trouw en teder
Voor mij waakte sinds mijne eerste jeugd;
Die zo gaarne 's levens moeite en zorgen
Torste, indien dit mij verlichten mocht,
En steeds rustloos, van de vroege morgen
Tot de avond, mijn genoegen zocht;

Die me als knaapje 't kwaad reeds leerde vlieden,
Mij als jongling op de Heiland wees,
En 't genot, dat deugd en godsvrucht bieden,
Uit ervaring dikwerf roerend prees;
Die, de knieën in het stof gebogen,
Daar hij de ogen biddend opwaarts sloeg,
Menigmaal de Vader in den hogen
Ook voor mij om zijne zegen vroeg.

Zo zo dacht ik, onvergeetbre vader!
Toen uw stof in 't donker graf verzwond;
En wanneer ik uwe rustplaats nader,
Voel ik steeds, wat band mij aan u bond:
Nauwer nog dan door het bloed verenigd,
Waart ge mij de trouwste vriend op aard'!
Wat dan is er, dat mijn droefheid lenigt,
Zo mijn oog op uwe groeve staart?

Maar aan Hem, die ge als Gods Zoon gehuldigd
En zo vurig steeds hebt lief gehad,
Is ons hart de dierbre leer verschuldigd,
Die in 't leed den besten troost bevat:
Onze blik mag eindloos verder zweven
Dan het graf, waarop hij is gericht;
Jezus toch, de Heer van dood en leven,
Bracht de blijde onsterflijkheid aan 't licht.

Moge ons hart dan om uw afzijn rouwen,
Zitten wij in weemoed neer en druk,
Uw geloof verwisselde in aanschouwen;
Uwe hoop in storeloos geluk;
Nu, van allen last der aarde ontheven,
En verlost van zonde, ziekte en pijn,
Looft gij Hem, die, door dit wisslend leven,
Steeds zo trouw uw Leidsman wilde zijn.

Nu hervindt gij ze in des hemels gaarde,
Al de dierbren hier door u betreurd;
Ook de brave vrouwe, die mij baarde,
Ons, helaas! zo vroeg van 't hart gescheurd
Nu, nu stemt gij met haar in de koren,
Die het lied ter eer van 's Vaders Zoon
Door het ruim der hemelen doen horen,
Neergeknield voor 's Allerhoogste troon.

Zouden dan, bedrukte weduwvrouwe!
Die voor mij de beste moeder zijt,
Immer aan die diepgevoelde rouwe
De ons geschonkene uren zijn gewijd?
Zouden wij de dierbren steeds betreuren,
Of ons gene hope bleef op aard'?
Neen! wij willen 't hoofd weer opwaarts beuren,
Schoon ons oog op zijne groeve staart.

Neen! wij willen (moge God dit geven!)
't Voetspoor drukken, hier door hem betreèn,
En naar deugd en reine godsvrucht streven,
Zo als dit de dierbre deed voorheen.
Eenmaal toch vliedt zorg en smart daarhenen,
En de baan des levens loopt ten end';
Dan zal God ons daar met hem herenen,
Waar men rouw noch bange scheiding kent.

Almelo, december 1840.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:03 Reageer op dit bericht

kus

Een gedicht van Willem Bilderijk 1756-1831

DE WARE KUS

Voorzeker, ’t is een teedre lust,
Wanneer men ’t blozend roosjen kust
Op lieve maagdenwangen!
Voorzeker, ’t is een dierbaar pand,
Een lieve Maagdelijke hand
Met lip en mond te prangen!
En ’t kusjen is verrukkend zoet,
Wanneer ge ’t stookvuur van uw gloed
Op ’t tintlend oog moogt wreken;
Of als men op een schone borst
Een wederzijdse minnedorst
Met kussen aan mag steken!
Maar kus of borst, of hand, of oog,
Of wat men immer kussen moog,
De kus is zonder leven:
De mond, de lieve mond alleen,
Heeft kusjens in vol zaligheên,
En weet ze weer te geven.

Die zoete balsem der Natuur,
Die 't blaakrend wee van 't minnevuur
zo strelend kan verzoeten
Die puurt men op de lieve mond;
Daar kust zich ’t kwijnend hart gezond,
En mag zijn honger boeten.
De mond, de toegang tot het hart,
Is de echte tolk der boezemsmart,
De troon der mingenuchten‚
Daar kleeft, daar mengt een minnend paar
Hun beider zielen aan elkaar,
In wellustvolle zuchten.
Daar drinkt ene onverzaadbre min
Het levende genoegen in,
Met onuitputbre togen.
Daar wordt in elke ademtocht
Een nieuwe zaligheid gewrocht,
En brandende ingezogen.

Dan vliegen, onbeschrijflijk teer,
De vlugge geesten heen en weer
Tot d'oorsprong van het leven:
Verdubblen, door hun zacht gewoel,
De schokken van  het fijnst gevoel,
En doen de boezem beven.
Dan hijgen op der lippen boord,
In hete kussen halfgesmoord,
De vlotgeworden zielen:
Dan smelten, vlieten ze onder één,
In de onbeschrijfbre zalgheên.
Waarvan de kusjens krielen.
Dan, overzaadlijk moegekust
In de overstelping van de lust,
En van de weelde dronken,
Bezwijmen ze, in de machtloosheid,
Die de allerhoogste lust verbeidt,
Amechtig weggezonken!

O, Ongelijkbre Minnegod!
Zeg, is er tederer genot
In uw geheimste schatten? —
Gij grimlacht! - O hoe zalig dan,
Die slechts het minste deel daar van
Naar waarde kan bevatten!

schrijver

Geschreven door Dora om 22:35 Reageer op dit bericht

toneel

Een gedicht van Joost van den Vondel 1587-1679

OP  HET  TONEEL

De wereld is een speeltoneel,
Elk speelt zijn rol en krijgt zijn deel.

1638, Gysbreght van Aemstel(1637)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:17 Reageer op dit bericht

winde

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899

DE  WILDE  WIND

Door ‘t haaghout raamt
     de wilde wind,
          verblind,
zijn reuzensprongen:
     en al dat ooit
     hem tegenstaat
          verlaat
hij, losgewrongen.

     Gebogen hier,
     gebroken daar,
          malkaar
de bomen schenden;
     die, scheurende uit
     de gronde, huis
          en thuis
de gruw inzenden.

Nu maalt hij hout
     en stof en steen
          dooreen,
en roert daaronder,
     met gramme, en al
     te hol, te dol
          gegrol,
zijn stemmendonder.

Hij steent gelijk
een stier, die raast
          en blaast;
die, al ten bloede,
     zijn hoornen in
     de bomen steekt,
          en breekt,
van louter woede.

     Hoe schommelt en
     hoe rommelt hij,
          voorbij
de bos, gebezen!...
     Wie durft er, als
     zo'n wilde wind
          begint
onwaakzaam wezen?

-------------------------------------------------------
bijzen (bees, gebezen)- schommelen, stormen, vliegen

Rijmsnoer I (1887)

schrijver

Geschreven door Dora om 20:04 Reageer op dit bericht

morgens vroeg

Een gedicht van Jan van Brabant 1253-1294

EENS  MEIENS MORGENS  VROEG

Eens meiens morgens vroeg
was ik opgestaan,
In een schoon boomgaardekijn
zoud' ik spelen gaan.
Daar vond ik drie jonkvrouwen staan.
d'Ene zong vore, d'ander zong na:
Harba lori fa,
Harba, harba lori fa,
Harba lori fa.

Toen ik verzag dat schone kruid
in de boomgaardekijn,
End' ik verhoorde dat zoete geluid
van de mageden fijn,
Toen verblijdde dat herte mijn
Dat ik moeste zingen na:
Harba lori fa,
Harba, harba lori fa,
Harba lori fa. 

Toen groette ik die allerschoonste
die daar onder stond,
Ik liet mijn armen al omme gaan
ter zelfder stond.
Ik woude ze kussen aan hare mond.
Ze sprak: 'laat staan, laat staan'!
Harba lori fa,
Harba, harba lori fa,
Harba lori fa.

Geschreven door Dora om 20:00 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten