Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

winde

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899

DE  WILDE  WIND

Door ‘t haaghout raamt
     de wilde wind,
          verblind,
zijn reuzensprongen:
     en al dat ooit
     hem tegenstaat
          verlaat
hij, losgewrongen.

     Gebogen hier,
     gebroken daar,
          malkaar
de bomen schenden;
     die, scheurende uit
     de gronde, huis
          en thuis
de gruw inzenden.

Nu maalt hij hout
     en stof en steen
          dooreen,
en roert daaronder,
     met gramme, en al
     te hol, te dol
          gegrol,
zijn stemmendonder.

Hij steent gelijk
een stier, die raast
          en blaast;
die, al ten bloede,
     zijn hoornen in
     de bomen steekt,
          en breekt,
van louter woede.

     Hoe schommelt en
     hoe rommelt hij,
          voorbij
de bos, gebezen!...
     Wie durft er, als
     zo'n wilde wind
          begint
onwaakzaam wezen?

-------------------------------------------------------
bijzen (bees, gebezen)- schommelen, stormen, vliegen

Rijmsnoer I (1887)

schrijver

Geschreven door Dora om 20:04 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

morgens vroeg

Een gedicht van Jan van Brabant 1253-1294

EENS  MEIENS MORGENS  VROEG

Eens meiens morgens vroeg
was ik opgestaan,
In een schoon boomgaardekijn
zoud' ik spelen gaan.
Daar vond ik drie jonkvrouwen staan.
d'Ene zong vore, d'ander zong na:
Harba lori fa,
Harba, harba lori fa,
Harba lori fa.

Toen ik verzag dat schone kruid
in de boomgaardekijn,
End' ik verhoorde dat zoete geluid
van de mageden fijn,
Toen verblijdde dat herte mijn
Dat ik moeste zingen na:
Harba lori fa,
Harba, harba lori fa,
Harba lori fa. 

Toen groette ik die allerschoonste
die daar onder stond,
Ik liet mijn armen al omme gaan
ter zelfder stond.
Ik woude ze kussen aan hare mond.
Ze sprak: 'laat staan, laat staan'!
Harba lori fa,
Harba, harba lori fa,
Harba lori fa.

Geschreven door Dora om 20:00 Reageer op dit bericht

zoeken

Een gedicht van Piet Renssen 1902-1936

Wij zoeken God

Wij zoeken God, die niet dan in geluk
Gevonden wordt, in angst en ongeluk.
Van dag tot dag, om onze weg te korten,
Maakt God het leven, onze weerstand, stuk.

Opwaartsche wegen, jrg 9 (1931-1932)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:00 Reageer op dit bericht

simplicitas

Een gedicht van Pim Scheltema 1921-1947

SIMPLICITAS

Ik denk bij de regen
slechts aan een paraplu, 
want ik ben heel simpel,
simpeler dan U.

Zout is voor mij oorzaak   
van een bruine huid,  
want ik leg de dingen   
erg simpel uit.   

Ik vind socialisme 
zonder meer verkeerd, 
want ik ben nu eenmaal   
ongecompliceerd.

Praat ik over liefde,
dan denk ik slechts aan vlees,
want ik moet bekennen,
dat ik niet veel lees.

Ken wel wat manieren:   
mes en vork opzij –
maar ik zou willen zeggen:  
d’r zit niet veel bij. 

Toch komt wel mijn vader 
uit een goed milieu  
en ook voor mijn moeder  
is het reuzesneu.

Chansons, Gedichten en Studentenliederen (1948)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:52 Reageer op dit bericht

slagveld

Een gedicht van Albrecht Rodenbach 1856-1880

OP HET SLAGVELD.

Door de kruitwolk en des slagvelds gruwelen,
zoekend stapt de Non waar hulp en troost biên.
Bloedig stort alom de krijgsman neder.

Lijk een engel komt zij toegevlogen,
knielt, verzorgt hem, biddend of met zoete
woorden hem vertroostend, helpt hem sterven...

Ginter verre donderen de kanonnen,
spuigend. - Stervend stort de maged neder. -
Ruiters stormen henen, lijken trappelend. -

Meer dan ene name zal men roemen,
meer dan ene held na 't bloedig kampen;
U niet, Vrouwe, groter dan de krijgsheld!

Och, 't is waar, wie kent uw name, Nonne,
en of gij eens arme werkmans kind waart
of der ridders die ter kruisvaart togen?

Gedichten (1909)

schrijver

Geschreven door Dora om 10:50 Reageer op dit bericht

lichaam

Een gedicht van Piet van Renssen 1902-1936

Ons lichaam rust wanneer wij eindlijk slapen

Ons lichaam rust wanneer wij eindlijk slapen,
Maar meer de ziel van het langdurig waken.
Dan rijst zij traag uit haar kortstondig thuis
Om tot de droom, die leven heet, te ontwaken.

Opwaartsche wegen, jrg 9 (1931-1932)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:56 Reageer op dit bericht

herfst

Een gedicht van Karel van den Oever 1879-1926

Herfst

Het beukenbos is bruin als oud-geroest ijzer
en er staat een eik vol gouden munt,
de bewaasde vijver ligt vol puin van blâren
gelijk in mijn hart 't verdriet van de dag.

En er zit een mus eenzaam op een tak
zoals ik-zelf woon in dit land.

O mijn hersens, verkankerd van 't verdriet,
en mijn bloed verouderd in mijn lijf...

De vliegzwam gloeit als een bloedvlek in 't bos
en 't bos ruikt als een lijk;

mijn voeten gaan over 't mollig mos
als over week, rot vlees...

En ik denk aan Jezus-Christus, mijn God,
die stierf op een dood hout uit 't bos,

o, Jezus-Christus!...

Verzen uit oorlogstijd (1914 - 1919)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:39 Reageer op dit bericht

slaap

Een gedicht van Piet van Renssen 1902-1936

In onze slaap gaan wij tot God terug

In onze slaap gaan wij tot God terug.
Ontwaakt, begrijpen wij opnieuw te zwerven.
Het leven houdt ons tegen tot wij sterven.
Dan keren wij voorgoed tot God terug.

Opwaartsche wegen, jrg 9 (1931-1932)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:45 Reageer op dit bericht

vagebond

Een gedicht van Willem de Merode 1887-1939

De vagebond

De dagen zijn te lang, en krap mij toegemeten
De dove rust des slaaps, van dalend licht tot licht
Zo spoedig kan ik niet verdromen en vergeten.
'k Ontwaak, een zieke gloed op 't benig aangezicht.

En elke dag, als nu, zet ik mijn doelloos zwerven,
Mij zelve honende, opnieuw en immer voort.
Mijn hart slaat jachtiger, hoe meer mijn krachten sterven,
En 'k jaag, als waar 'k een dier, mij aan met tierend woord.

Ik liep vandaag genoeg, ik kan geen pad meer treden.
De korte klinkerstraat ter deur is haast te veel.
Mijn handen zijn te slap om 't smekende gebeden
Brood uit de bedelzak te brengen naar de keel.

In 't half gedempte licht ten deel der boerenhoeve,
Sterk' mij een beter maal, de matte melodij
Van trieste zang zij 't loon; men verge van den droeve
Geen luchtiger dan die: zijn vreugde is zelfs niet blij.

Bij 't dampbeslagen licht der kleine stallantaren
Brengt men mij tinnen kroes en toegedekte teel.
En wat hun zatheid mij verachtelijk wou sparen,
Wordt tot een koningsmaal, zo uitgezocht en êel.

De knechten korten mij, wijl ik vol statie tafel,
Den tijd met groven scherts en goedgemeende raad.
Ik duld hun spotternij op vodden en gerafel,
Als een goedmoedig vorst zijn hofnar kallen laat.

Wat zou hun schalke jok mijn rustigheid verstoren,
Daar ik mij zelve kwets en altijd dieper wond?
Gehoord, vergeet ik 't reeds, maar nimmer gaat verloren,
Waarmee 'k de ellendigheid der eigen ziele schond.

En nooit ontsnapt mijn mond de bitterheid van 't leven:
Heel de aarde tot bezit en nergens heul en rust.
Doch weegt het leed tè zwaar, dan glimlach ik maar even,
En hun nieuwsgierigheid is weer in slaap gesust.

Dan klim ik, als een prins, ten geurige alkove
Van hooi een paardendek als zachte peluw mee.
En als 'k mijn kleumse leên tot milde warmte stove,
Schikt aan mijn voeten zich de goede hond gedwee.

Zo sluimer ik een wijl. Als 't licht de kim komt roden,
Lekt reeds zijn lauwe tong de slaap van mijn gezicht.
En zuchtend rijs ik weer, en ga, en dank de boden.
Doch, brommerig en slaaps, slaan zij de deuren dicht.

O wijde wereldrijk, weer zwerven mijne voeten,
Weer ga 'k, met tranend oog, uw wijde einder toe.
Och, mocht 'k dees avondstond die diepe rust gemoeten,
Die nimmer einde neemt: ik ben zo moe, zo moe.

Gestalten en Stemmingen (1911-1915)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:40 Reageer op dit bericht

graan

Een gedicht van Aart van der Leeuw  1876-1931

HET GRAAN

Zon en wind zijn de gezellen
Van de helle vreugd,
Die hun moedwil op doet wellen
In de bloem der jeugd —

Waaiend haar, gekreukte kleedren
En een losse strik,
Zelfs de ziel draagt lichte veedren
Als een leeuwerik. -

Maar zich 's middags neer te vleien
In het warme graan,
Al die gouden arenrijen
Rond zich te zien staan,

En het wonder te begrijpen
Van het nauw verbond
Tussen hun geduldig rijpen
En de trouwe grond,

Zal dit niet een weelde blijken
Voor de wandelaar,
Die zichzelf mag vergelijken
Met een vruchtbaar jaar?

Zon en wind zijn de gezellen
Van de helle vreugd,
Doch de zoete korrel zwellen,
Liefde, doet Uw deugd.

Opvluchten (1921)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:55 Reageer op dit bericht

korenwanner

Een gedicht van Heiman Dullaert 1636-1684

EEN KORENWANNER  AAN DE WINDEN

Ik offer vermiljoene rozen,
En leliën en violetten
En bloemen vers geplukt, die blozen,
Waar op de dauw haar paarlen zetten;
En strooi ze met gewassen handen
Op uw altaar, o lichte veugels!
Gebroederen, die alle landen
Der wereld met uw snelle vleugels
Doorreist, en met een duislig ruisen
Het schaduwrijke loof beweegt,
Waar door gij zachtjes heen komt bruissen,
Wanneer gij al de vlakten veegt.
Ei, azem met uw droge asem
In 't winterkoren dat ik wan,
Opdat de lucht met vochte waassem
Mijn dorsvloer niet beschaden kan!

------------------------------
veugels - winden
duislig - zacht-speels

Mengeldichten

schrijver

Geschreven door Dora om 21:36 Reageer op dit bericht

verlangen

Een gedicht van Helene Swarth 1859-1941

Verlangen.

In de nachtlijke stilt' van mijn dromen,
Als geen windeken ruizen in 't groen,
Als geen vogelken fluit in de bomen,
Wekt mij telkens hetzelfde visioen.

Langs de ronding der reuzige bogen,
Stort haar zilveren stromen de maan,
Op de golven, zich heffend ten hogen,
Waar de sterren te vonkelen staan.

Ach! de maan is zo hoog aan de kimme!
Ach! zo laag, in haar bedding, de zee!
Hoe zij smacht', hoe zij tracht', hoe zij klimme,
Onverhoord blijft haar brandende beê.

En zij kán tot haar liefste niet komen
En haar liefste niet dalen tot haar...
- In de nachtlijke stilt' van mijn dromen
Stijgt mijn ziel met de ziedende baar.

Doch al rijze ook mijn zwellend verlangen,
Als de wellende golven der zee,
En al stapele ik zangen op zangen,
Ik bestijg er mijn hemel niet mee!

Beelden en stemmen (1887)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:04 Reageer op dit bericht

moeheid

Een gedicht van Hans Lodeizen 1924-1950

spinnenwebben van moeheid

spinnenwebben van
moeheid dragen over
grandioze zeeën zijn
ellendig hart. en toch
zal alles zo blijven

Gedichten 1948

schrijver

Geschreven door Dora om 10:11 Reageer op dit bericht

oord

Een gedicht van Emanuel Hiel 1834-1899

Huiverig oord.

De bloemen, die slank daar rijzen,
zijn bleek gelijk de dood;
ene enkle staat in 't midden,
als bloed zo vurig rood.

Doch kuste haar niet de zonne:
nooit zag zij die stralengloed,
de bloeme is de aarde ontsproten
en die dronk mensenbloed...

Dietsche Warande,  jrg 5 (1892)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:36 Reageer op dit bericht

op een

Een gedicht van Hendrik Tollens  1780-1856

Op een zelfmoorder.

Hij dacht zich door een korte dood
Te redden uit zijn bange nood:
Hoe heeft hij zich bedrogen!

Hier stak hij, achter struik en heg,
Zich voor het oog der mensen weg;
Daar boven staat hij moedernaakt:
En wat hem 't hier heeft bang gemaakt,
Is derwaarts met hem heengetogen:
Hoe heeft zich de arme dwaas bedrogen!

Gezamenlijke dichtwerken,  delen 7-9 (1856)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:47 Reageer op dit bericht

handen

Een gedicht van Alice Nahon 1896-1933

Onze handen

Eenvoudig als onze handen zijn
bij vaal verdriet en gulden feest
zo zijn wij, lieve, met elkaar
zelden geweest.

Tussen der woorden hovaardig spel,
onze handen, zij alleen,
die wisten van elkander wel
’t geheim van ons getween.

Die hebben ’t schoonste deel gekend
van ’t heimwee waar een mens in mint;
die wisten niet waar waken endt
of waar de droom begint.

En wijd van alle valse schijn,
zo zonder teken, zonder woord,
hebben ze, zuiver als ze zijn,
elkander toebehoord.

Mijn jongen, toen uw leste kus
vaarwel zong door mijn blonde haar,
deden ons beider handen nog
van ’t komen schoon gebaar.

En toen de leste trein vertrok,
wuifden zij elkander toe;
die zwijgend hebben liefgehad,
die minnen elkaar voorgoê.

Och, mochten, moe van dool en pijn,
wij eens aan avondraam,
eenvoudig als onze handen zijn
zwijgend tesaam.

(postuum 1936)

schrijver

Geschreven door Dora om 15:01 Reageer op dit bericht

niet

Een gedicht van René de Clercq 1877-1932

NIET MET ELKENDEEN

Sluit niet tegen uw geweten,
om de macht een slecht verbond.
Die uit elke teil kan eten,
is een echte hond.

Die naast elke knie kan knielen,
heeft een slavenaard.
Slechts een volk van hoge zielen
is der vrijheid gaven waard.

De Noodhoorn (1932)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:07 Reageer op dit bericht

lied

Een gedicht van J.W.F Werumeus Buning

LIED

Eens heb ik rouw gedragen
Om die ik had bemind;
Toen waren al mijn dagen
Tot droevigheid gezind.

Daarna werd mij in dromen
Een helderheid bekend,
En mij werd afgenomen
Al zorgen en ellend.

Al na een duistere avond,
Ter helle middernacht.
Mocht ik een lied vernemen
Dat gaf mij nieuwe kracht.

Ik hoorde een engel blazen
Op zijn kleine trompet;
Ik zag een engel blazen
Op een kleine trompet.

Al in een groenen morgen
Ontwaakte ik, mijn bed
Was tussen bloem en palmen
In helder licht gezet.

En was het wel de morgen?
Ik sluimerde weer in,
Dit slapen zonder zorgen
Was mij een nieuw begin.

En toen ik dan ontwaakte
Vond ik een nieuw gebed
De klank was in mijn oren
Dier hemelse trompet.

Al wat ik u kan zingen,
Het is maar een klein lied.
Wie kleine engelen horen,
Kennen een ander niet.

Ik weet, God zal nog spreken
Met grotere trompet.
De engelen des hemels
Zijn daartoe neergezet.

Maar ik, die de grote trompet niet ken,
Zing met een zalig oor
Naar de kleine trompet wier vreugd ik ken,
En waaraan ik mijn leed verloor.

1926

Dagelijksch Brood (1940)

schrijver

 

 

 

 

Geschreven door Dora om 21:38 Reageer op dit bericht

stad

Een gedicht van Karel van de Woestijne 1878-1929

Stad

Verloren tijd, hoe schoon vind ik u weer,
waar elk herinnren wordt een nieuw verlangen.

o Steden-laan, wat zijn uw meisjes schoon.
Eens was ik jong, en 'k ben niet jong gebleven...

Ik wandel bij de bomen die mijn jeugd
beveiligd hebben en haar jonge liefde.

Water is de adem van een meisjes mond
De stad is heet en droog als een begeerte.

Er is, tussen de dubble glans der laan,
er is een maan, er is een andre maan.
De een is de maan; de andere is gene maan.

Het paard wringt als een zilvren vis. En de ijlte is rood
maar roder zet de galm des voermans de ijlte uit.
Hitte.

Mijn vriend, gij hebt de geur der grote magazijnen.
Zo zijn er meisjes, schraal en met een witte neus.

Leeg schelpje aan nachtlijke ebbe: ik; maar de stad
in duizend dake' als duizend diamanten.

Ik scheer de muren; - als een rechthoek ligt
naast mij mijn schaduw als een vals gedicht.

Menigte, uw geur bijt mijne lippen stuk.
o Menigte, gij doet mijne woorden bloeden.

Waarom te wenen in dit stenen woud?
Gij zult regeren als gij weet te lachen.

Jaag naar huis, o hart: gij vindt er
volle schotelen aan leed.

Stad: eind-punt; vierkant; rust en zekerheid.
'k Zet me op een paal; ik wacht de roep der ijlte.

Substrata (1924)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:40 Reageer op dit bericht

vreugde

Een gedicht van Paul van Ostaijen 1896-1928

VREUGDE

Onder de gloedende zoen van mijn levenscheppende vreugde ligt de stad;
vreugde in mij, niet om welke oorzaak ook, maar om zich zelf:
zo is elke grote liefde. Mijn vreugde is een absolute liefde.
Dat weet ik: ik ben een schepper die een warme golf over de stad laat varen.

Op schaliedaken ligt maanlicht dol in vreugde, goud-gelukkig.
Ik weet: moest de verzoeking mij op een hoogte brengen
van al de schaliedaken zou ik maanlicht stromen zien:
een ziedende zee van zilveren golven uit licht lopend goud.

Veni Creator van het leven: vreugde om de vreugde!
Voel ik nu niet rusten de lippen van mijn geliefde op mijn mond?
Alles stroomt naar mij toe, - gelijk het maanlicht schept een zee: haar eigen leven, -
nu ben ik een beeld der volle vreugde.

Mijn moeder heeft mij tans bekeken met haar warmste ogen;
nooit was de handdruk van mijn vriend hechter als deze al is mijn vriend ook ver,
en nooit zoende mij zó een geliefde als deze die ik niet ken.
Van de avondlike bomen valt licht vol schittering.

Een koets zou over mijn lichaam kunnen heenrijden,
dit zou mijn vreugde niet even kwetsen.
Mijn vreugde zou gaan en het klingelen der sukkel-belletjes
door het geschal van bazuinen vertalen.


16 februarie 1918

Ik en de stad

schrijver

Geschreven door Dora om 22:07 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten