Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

Berichten van 1 februari 2017 tot 28 februari 2017

klant

Een gedicht van Koos Speenhoff 1869-1945

De eerste klant

Er waren twee zoete gelieven,
Die vonden de wereld te klein.
Toen trouwden ze gauw met elkander
Om baas van hun eigen te zijn.
Ze deden het maar op een koopje,
Het zat er niet meer bij hen aan.
En als ze er nu nog aan denken
Dan hadden ze 't nimmer gedaan.

Ze zouden een zaakje beginnen
Een winkeltje buiten de stad;
De buurt was nog nieuw en verlaten
De kalk van hun huis was nog nat.
Ze kochten een wagentje groenten,
Wat kroten en uien en peen.
Die stalden ze uit voor de glazen
Met kropsla en kool er doorheen.

Ze werkten en plasten en stoeiden,
Ze zoenden elkander zo teer.
De vloeren die blonken als spiegels,
Ze boenden hun ruggen op zeer.
Het vrouwtje zat achter de toonbank,
Zij prijsde de mandjes met fruit.
De man nam een kijkje van buiten
En lachte haar toe door de ruit.

Zo leefden ze enige dagen,
Maar niemand had trek in hun sla;
Geen mens kwam de winkel eens binnen,
Er was nog geen cent in de la.
En toen ze geen stuiver verdienden
Ondanks hun gewerk en getob,
Toen aten ze maar van de honger
Hun uien en bloemkolen op.

En toen ze geen groenten meer hadden,
Geen bieten, geen kool en geen peen,
En toen ze elkaar niet meer zoenden
Zoals ze dat deden voorheen;
Toen kwam er een meisje naar binnen
Een briefje van tien in haar hand,
Die vroeg of de baas 't kon wiss'len
En dat was hun enigste klant.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:14 Reageer op dit bericht

het graf

Een gedicht van Barend Nieuwenhuizen 1771-1840

HET  GRAF

Ruis zachtkens om dit graf, verkoelende avondwinden!
Verwaai de sluimrende asse niet
Van hem, die jaren kampte om luttel heils te vinden,
Van hem, wie de aard' niets schonk dan bitter zielsverdriet!

't Is hier, dat hij de dag, die duizend andren vrezen,
De grote dag des oogsts, reikhalzend verbeidt;
Dan zal zijn smarte zaligheid,
En elke druppel gal een druppel honing wezen.

Kleine handschriften, ed. Pieter Johannes Uylenbroek 4, Schalekamp en van de Grampel, Amsterdam(1824)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:39 Reageer op dit bericht

tuin

Een gedicht van Jan Jacob Slauerhoff 1898-1936

Eer de tuin 't vertrouwen vindt

Eer de tuin 't vertrouwen vindt
Zich de volle bloei te geven,
Staan de meisjes er in, beven,
Willen wel, neen nog niet leven
En uit enge angsten streven
Tengre handen tegen wind.

En zij gaan met schuwe voeten,
Als door zwaar gewaad gedrukt,
Traag, bevreesd en toch verrukt,
Houdingen zoekend die zij moeten
Vinden om hun droom te ontmoeten.

(Rilke)

Archipel IV (1923)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:23 Reageer op dit bericht

mutsenmaakstertje

Een gedicht van Pieter Boddaert 1766-1804

Op een zeker mutsenmaakstertje

Ik zag een meisje mutsjes maken:
Zij hield, op hare malse schoot,
Een mutsenbol, zo zwaar als lood,
Mismaakt van mond en neus en kaken,
Een kunsteloze beeldtenis,
Gelijk dat goedje doorgaans is.
Zij kneep en plooide dus haar mutsje,
En, onder 't plooien, schonk ze mij
Een vriendlijk lonkje van terzij,
Dat straks gevolgd werd van een kusje;
Ik lach met haar, ik zoen, ik sol,
En, zo toevallig, onder 't mallen,
Doe ik haar van haar stoeltje vallen,
En zet haar mutsje op mijn bol.

Aan de tedere kunne

schrijver

Geschreven door Dora om 16:11 Reageer op dit bericht

kussen

Een gedicht van Emanuel Hiel 1794-1831

Zoete kussen

Voor hare venster bloeien rozelaren,
en wil zij dat ik heimlijk haar kom kozen
dan smijt ze mij twee purperrode rozen.

Twee purperrode rozen mij verklaren:
twee purperrode lippen zijn zo smachtend,
twee purperrode wangen zijn u wachtend.

Ik ga en kan geen zoete kussen sparen,
ik geef er veel om 't liefje te verblijden,
ja, meer dan dat men mij er kan benijden.

Gedichten  (1861-1862)

schrijver

Geschreven door Dora om 16:44 Reageer op dit bericht

roemerswale

Een gedicht van Fiore della Neve 1849-1934

 

ROEMERSWALE

Daar ligt, zo klinkt een sage van weleer,
Een rijke, trotse stad in zee verdronken.
En waar de gouden torenspitsen blonken,
Daar kabbelt rustig thans het blauwe meer.

Des avonds zit de visser mijm'rend neer.
't Is als werd van het goud, daar lang verzonken,
In golf op golf een scheem'ring hem geschonken...
Maar niets geeft van de schat de diepte weer.

Zo mijne liefde; schoon ge in lied bij lied
Haar lichten schemer telkens blinken ziet,
Als 't gouden schijnsel in de blauwe golven;

Vrees niets, de glans wordt nimmer uitgeblust,
De schat verdwijnt niet, die in 't harte rust,
Maar blijft er, rijk en kostbaar, diep bedolven.

Van eene sultane en andere gedichten, H. Pijttersen Tz, Sneek.(1884)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:56 Reageer op dit bericht

rilt

Een gedicht van Herman de Gorter 1864-1924

Tot in het diepste rilt

Tot in het diepste rilt
Mijn merg, mijn gebeente, als Gij u
Als stip vertoont slechts, Poëzie.
En bleek verwacht ik u in stilt.

Liedjes (1930)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:27 Reageer op dit bericht

scheiden

Een gedicht van J.H. Leopold 1865-1925

Ik scheidde; onverstand was allerwegen

Ik scheidde; onverstand was allerwegen,
van al mijn parels werd niet één geregen.
De dwazen! honderd dingen, nooit beseft
en nooit bereikt, zijn in mij doodgezwegen.

Kwatrijnen

schrijver

Geschreven door Dora om 11:43 Reageer op dit bericht

kapiteinen

Een gedicht van Heiman Dullaert 1636-1684

Aan alle de  KAPITEINEN

Aan alle de KAPITEINEN
In deze zeeslag doodgebleven.

O dierbare Offeren de Vrijheid opgedragen,
In wie een fier gestarnt de krijgslust had verspreid,
Die, zelver nooit versaagd, door wijze moedigheid
De stoutsten voor u deed versagen:

Men kan aan ieder Held geen stoflijk pronkbeeld wagen,
Maar zo de gunst mijn pen door vleikunst niet verleid,
Zal mond nog eeuw uwe eer, wordt 't marmer u ontzeid,
Met uwe beenderen beklagen.

En gij die dit gevaar, doch meer geluk, genoot,
Of trouwloos uwe plicht met onze zege ontvlood,
Kom bij dees brave Doden naderen:

Beloof geen traanziek oog hun tot gedachtenis,                                  
Maar stromen eerlijk bloed uit d'aderen,
Dat aan een Heldenziel de smaaklijkste opdracht is.

Gedichten (1719)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:04 Reageer op dit bericht

Italiaans

Een gedicht van Willem Bilderdijk 1756-1931

Het Italiaans

U minne ik teer, o taal van lust en weelde,
Die 't stug Latijn in dartele ontucht teelde;
Die als de kus op malse lippen smelt,
En 't hart doorstroomt met Liefdes algeweld.
Uw woorden zijn uit zacht satijn geweven,
In toontjes die op donzen vlerkjes zweven;
Uw letters, zoet als Zefirs ademzucht;
En heel uw spraak, één lieve lentelucht.
Maar meer nog u, o vaderlandse tonen,
Waar kracht en ziel en Hemelgeest in wonen;
Die met de zang van Po en Tiber vliet,
En godenlust door hart en aders giet,
Maar rijzen kunt, en onder 't boezemstrelen,
Met godenwil op 't menslijk hart bevelen,
Zijn stormen stilt, zijn ijs in vlammen zet,
En donders voert, en bliksemend verplet.

1822

schrijver

Geschreven door Dora om 22:33 Reageer op dit bericht

vuur

Een gedicht van Julius Vuylsteke 1836-1903

Gelijk een vuur, dat flonkert

Gelijk een vuur, dat flonkert
door dunne nevelen heen,
zo schittert, half verdonkerd,
haar oog onder de ogeleên.

Wilde, brandende ogen,
drijvend in ene vloed
van zachtheid en mededogen:
half water en half gloed.

O toverachtig gemengel
van week gevoel en van drift!
O tolken van 't hart van die engel,
brengt gij mij laving of gift?

Verzamelde gedichten (1887)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:50 Reageer op dit bericht

Schumann

Een gedicht van Alfred Hegenscheidt 1866-1964

 Schumann

Zie, moederlief, 'k lig weer eens aan uw voeten
Als in de tijd toen 'k gans nog was ùw kind.
Laat vloeien 't heimwee naar mijn jeugd met zoete
Zang, die zich gouden door 't verleden windt.

Ik ging de wereld in, opdat ontgind
Wierd, wijze toekomst, die, in wording, wroette
Diep in mijn ziel; door wetens waan verblind
Glimlachte ik dan wel eens bij uwe groeten.

Vergeef me, moeder, indien ik u griefde,
Uitbundig blaakte 't leven toen in mij,
In hoger schoonheid werd mijn ziel eerst vrij;

Wat hare wijsheid mij in 't harte giet,
Hoor ik ook wellen in uw innig lied,
De oerbron van 't leven-in-schoonheid, de liefde.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:40 Reageer op dit bericht

als toen

Een gedicht van Augusta Peaux 1859-1944

Als toen.

Wat blauw en wat wolken die blank staan
stil boven de duinenlijn,
de bogen van duinhelm die rank gaan
rijzen uit wiegend gedein.
In 't voetpad de zandige sporen
van 't karrenwiel, breed en zo diep;
ver over de velden de toren
een wachter en toch of hij sliep.
In greppels het geelbruine water
al wazig van 't kiemende groen....
de wilgen, de velden, het water,
de zon en de wind - zoals toen.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:25 Reageer op dit bericht

avondsterre

Een gedicht van E.J. Potgieter 1808-1875

Avondsterre

Wisselziek in 't zweven
Blijken wind en wolk;
Om naar verre dreven
Wensen mee te geven,
Eise ik trouwer tolk.

Wees gij zelf bodinne,
Hoe mijn harte blaakt,
Schone ster der minne,
Die de westertinne
Rozen strooiend naakt!

Heffe naar uw stralen
't Lelietje in de knop,
't Lelietje der dalen,
Bij haar zoet verhalen
't Hoofdje luist'rend op.

De een roep': ‘liefde en trouwe!’
‘Trouwe en liefde!’ de aêr,
En haar blik aanschouwe
't Luchtslot dat ik bouwe
In de rei der schaar.

Voer haar uit de weelde
Van haars vaders huis,
Die maar half verheelde,
Hoe zich 't hart verveelde
In een kleine kluis.

Schoon haar lage winde
Luttel bloemen bie',
Om haar lokken binde
'k Elke die ik vinde,
En hoe schat zij die!

Eer men ons benijde,
Siersel van de trans!
Als zij blozend blijde
Dartelt aan mijn zijde,
Tempert gij uw glans.

Van zo hel een luister
Houdt geen minnewicht;
Slechts in schemerduister
Wordt het zachtst gefluister
Ons het zoetst gedicht!...

schrijver

Geschreven door Dora om 22:01 Reageer op dit bericht

afbeelding

Een gedicht van Joost van den Vondel 1587-1679

Op mijne afbeeldinge in het klein door Filips de Koning

Zo schildert mij een Konings hand 
In 't klein, terwijl ik 's Konings snaren,
En heilig harpgezang, en trant 
Vast volge, in top van 's levens jaren, 
Eén min dan zeventig. Wat is 't?  
Noch min dan verf, een damp, een mist. 


1664

Illustratie: Joost van den Vondel geportretteerd door Filip de Koning (1665)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:56 Reageer op dit bericht

iemand

Een gedicht van Karel van de Woestijne 1878-1929

Er komt iemand bij mij

Er komt iemand bij mij, die 'k nimmer zag,
en uit-der-mate vriendlijk, die mij zegt:
‘Gij weet, ik berg iemand in mijne woon.
Neen: er verbergt zich iemand in mijn woon.
Ik zie hem niet, maar ben in hem begaan.
Ik ken hem, en hij is mijn liefst bezit...’
- Ik durf niet zeggen dat die vreemdling liegt.
Ik durf niet zeggen dat zijn gast de mijne is. Ach!
ik durf niet zèggen dat hij niet bestaat, misschien.

Want hij bestaat in mij.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:05 Reageer op dit bericht

moeder

Een gedicht van Jacqueline van der Waals 1868-1922

Moeder

Moeder naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zo straks ontvangen
Na de lange scheidingstijd?

Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijne dood?
Zal ik nederknielen mogen voor uw voeten
Met mijn hoofd in uwe schoot……

Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?

schrijver

Geschreven door Dora om 22:30 Reageer op dit bericht

winter

Een gedicht van Herman de Gorter 1864-1924

Reeds is de winter ons voor goed gescheiden

Reeds is de winter ons voor goed gescheiden,
de lente ergens ver, aadmende, wacht,
de rulle sneeuw wordt van wit zwart en zacht,
en komt met ploffen van de daken glijden.

In de prikklende lucht, nu zoel als zijde,
die op de stad hangt als vochtige vacht,
komt nu een storm, die langs de brede gracht
zoet regenwater brengt, alsof hij schreide.

Zoet is de tovering van die droefheid,
waarin zo veel beloften slapend zijn,
in deze storm, van onbewuste vreugde.

De donkre wolk, welks regen de storm teugde,
hangt zwaar, en gaat diep in gezwollen lijn,
terwijl de doffe stad dromende leit.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:39 Reageer op dit bericht

belijders

Een gedicht van P.C. Boutens 1870-1943

De ruchtige belijders van een naam

De ruchtige belijders van een naam
Zijn grif ook tot verloochenen bekwaam.
Die `t onuitspreeklijke niet leert verzwijgen,
Verslingert tussen ijdel woordgekraam.

Hollandsche kwatrijnen

schrijver

Geschreven door Dora om 21:24 Reageer op dit bericht

leer

Een gedicht van Henriëtte Roland Holst-van der Schalk 1869-1952

Leer stil zijn en leer niets doen en leer wachten

Leer stil zijn en leer niets doen en leer wachten:
't geheim der sterken school altijd daarin,
dat zij zich instelden op lange drachte' en
intoomden d' ongestuime dadenzin.

Niet 't wachten der praatgragen zij het onze,
die, sprekend aldoor over wat zal zijn,
intussen inslurpen als grage sponzen,
met lijf en ziel de hete levenswijn,

maar 't dadenrijke wachten van wie maken
wachtend, zichzelve èn het levensveld
anders, wie niet uitstellen het ontwaken
tot een bazuinroep door de heuvlen zwelt.

Zij voor wie alle dage' en alle uren
de eeuwigheid breekt door de tijd
en die houden aldóór bij de kampvuren
zwijgende wacht, te gaan bereid.

Illustratie: Haar portret - een litho van Aart vd Dobben

schrijver

Geschreven door Dora om 21:55 Reageer op dit bericht

Kruis

Een gedicht van Rhijnvis Feith 1753-1824

HET KRUIS VAN JEZUS CHRISTUS.

Der eeuwen eeuwigheid zweve, eeuwig grensloon, voort;
Door hare oneindigheid wordt, Kruis! uw lof gehoord,
En worm en seraf juicht, en rijst door u in waarde,
Waar immer leven werd verspreid,
Verhoogt ge, o Kruis! de zaligheid,
En zonnen tanen bij uw heerlijkheid, o Aarde!

Wat zien wij, stof, van u op onze donkre baan? —
Slechts wat het hart behoeft, om tot zijn God te gaan.
Al 't vorig' blijft ons nacht, een heilig, godlijk duister.
Maar Englen, Serafs knielen neer,
Aanbidden starend eeuwig meer!
En schittren schoner in den weerglans van uw luister.

0, Kruis! gij marteltuig van God en mens vervloekt,
Daar 't zinlijk oog de Slaaf of Booswicht slechts aan zoekt,
Aan u zien wij Gods Zoon, den vlekkeloze, hangen!
Hij, Hij is 't offer, gij 't Altaar -
De wereld hoort verbaasd die maar,
En eeuwig lofgezang heeft Dood en Hel vervangen.

Mijn geest, o wonder Kruis! gevoelt uw majesteit;
Maar beeft en siddert aan de grens der eindigheid,
En zinkt in 't niet terug. — Wat Engel op u staarde,
Geen Engel heeft 't geheim verklaard:
„God, God in 't vlees geopenbaard,
„En stervend voor het heil van een verloren aarde!"

schrijver

Geschreven door Dora om 21:22 Reageer op dit bericht

rust

Een gedicht van Alfred Hegescheidt 1866-1964

Rust.

Heerlijke, donzige nacht 
zinkt op mij neer; zoelig zacht 
smelt in zijn adem 't laatst verlangen, 
wegstervend in een laatste stille klacht.

De suizlende avondwind speelt in de zilvren snaren 
der kinderkalme ziel; en op zijn brede baren 
voert hij, de wijde stilte door, onmeetbre zangen. 
Uw spiegelende ziel, van weemoed plots omvangen, 
ziet lange trillingen statig door d' ether varen.
Gevoelens domen mat, uit tijden die eens waren.

Vertoef nog, vreemde weelde van die kalme nacht; 
naar dees vergetende uur heb ik reeds lang getracht; 
laat om mijn moede ziel uw eeuwge schaduw hangen.



Maart 1893

Van Nu en Straks jrg 2 (1894)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:12 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten