Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

Berichten van 1 mei 2018 tot 31 mei 2018

de reiziger

Een gedicht van Jopie Breemer 1875-1957

De Reiziger

De reiziger reist heen en weer
Van Amsterdam naar Wormerveer
En ook wel eens naar Krommenie
Naar Beetsterzwaag en Middellie.
Hij leest zijn krant in de coupé
En neemt altijd zijn koffer mee
Hij draagt een witte hoge boord
En als hij zit zegt hij geen woord
Hij praat nooit met een ander heer
De reiziger reist heen en weer.

Geschreven door Dora om 21:43 Reageer op dit bericht

lied

Een gedicht van J.W.F Werumeus Buning 1891-1959

 

LIED

Eens heb ik rouw gedragen
Om die ik had bemind;
Toen waren al mijn dagen
Tot droevigheid gezind.

Daarna werd mij in dromen
Een helderheid bekend,
En mij werd afgenomen
Al zorgen en ellend.

Al na een duistere avond,
Ter helle middernacht.
Mocht ik een lied vernemen
Dat gaf mij nieuwe kracht.

Ik hoorde een engel blazen
Op zijn kleine trompet;
Ik zag een engel blazen
Op een kleine trompet.

Al in een groenen morgen
Ontwaakte ik, mijn bed
Was tussen bloem en palmen
In helder licht gezet.

En was het wel de morgen?
Ik sluimerde weer in,
Dit slapen zonder zorgen
Was mij een nieuw begin.

En toen ik dan ontwaakte
Vond ik een nieuw gebed
De klank was in mijn oren
Dier hemelse trompet.

Al wat ik u kan zingen,
Het is maar een klein lied.
Wie kleine engelen horen,
Kennen een ander niet.

Ik weet, God zal nog spreken
Met grotere trompet.
De engelen des hemels
Zijn daartoe neergezet.

Maar ik, die de grote trompet niet ken,
Zing met een zalig oor
Naar de kleine trompet wier vreugd ik ken,
En waaraan ik mijn leed verloor.

1926

Geschreven door Dora om 22:03 Reageer op dit bericht

voor

Een gedicht van Frans Bastiaanse 1868-1947

VOOR U ALLEEN

't Is zoet te schrijven, als het licht
      Des zomers op mijn handen daalt
      En 't rijm zijn blijde plicht verricht
      En wat mijn hart voelt U verhaalt.

      Mijn handen beven van genot;
      Zij dragen de gewijde schat,
      Die 'k diep in mijne ziele tot
      Nu toe voor elk verborgen had.

      Zij zetten bevend woorden neer
      Tot de avond-late zon verbleekt,
      En woorden glanzen rein en teer
      Als paarlemoer, waar 't licht in breekt.

      En toch, hoe mooi die woorden zijn,
      Die vingen 't licht aan alle kant,
      Zij hebben slechts een zwakke schijn
Van 't licht dat in mijn binnenst brandt,

      Omdat er altijd in het woord
      Iets is, dat is van iedereen,
      En ik wou geven iets dat hoort
      Aan U, voor wie ik leef, alleen.

      Maar toch is 't zoet, wanneer het licht
      Des zomers op mijn handen daalt
      En 't rijm zijn blijde plicht verricht
      En wat het kan vertaalt.

Geschreven door Dora om 19:05 Reageer op dit bericht

heimelijk

Een gedicht van P.C. Boutens 1870-1943

Heimelijk verlangen

Die man lijkt mij godengelijk te wezen,
Die van tegenover gezeten toehoort
Hoe gij vlak nabij in uw zoete stemval
Over en weer praat

En verlangenstekelend lacht, wat noodschiks
In mijn borst het hart mij in angsten opjaagt;
Immers amper zie ik U aan - geen woord meer
Laat zich verklanken,

Maar mijn tong blijft star en gebroken; aanstonds
Onderloopt een sijpelend vuur mijn leden,
Niet meer kan ik zien uit mijn ogen, gonzend
Suizen mijn oren;

't Vocht breekt me alzijds uit, en van top tot tenen
Vangt mij beving, valer dan gras verbleek ik;
Nog een ogenblik, en in alverbijstring
Voel ik mij sterven.

Geschreven door Dora om 22:22 Reageer op dit bericht

starting

Een gedicht van Jan Campert 1902-1943

Starting all over again

Niet om de dromen, die ook ik vergeefs heb moeten dromen
en om de woorden niet door mij daaraan verdaan,
noch om de herfst, die over deze landen is gekomen
met slaande regens, nevel, werveling van blaên,
maar om het overnieuw en allengsaan meeslepend stromen
des bloeds, waartegen hier geen weerstand kan bestaan,
ben ik bevreesd om nog eenmaal te worden opgenomen
in deze staat, die harten in evenmaat laat slaan.

Maar 't bonzen van het bloed kent hier geen mededogen
en ook haar handen niet, vervuld van tederheid,
noch hare mond, begeerlijk, warm, bereid,
en onweerstaanbaar als de helle brand der ogen,
die stervelingen noopt tot duurzaam onvermogen
èn hen schatplichtig maakt in alle eeuwigheid.

 

Geschreven door Dora om 21:55 Reageer op dit bericht

lente

Een gedicht van Nicolaas Beets 1814-1903

Lente

Had ik uw adem, Nachtegalen!
Uw zilvertoon,
Langs alle heuvlen, alle dalen,
Zou ik uw smeltend lied herhalen,
Zo vol, zo schoon!

Ik prees die God in mijn gezangen,
Die veld en woud
Weer 't groene kleed heeft omgehangen
Na zoveel maanden van verlangen
Zo blijde aanschouwd.

Ik zou die grote Schepper loven,
Die, ongezien,
Zijn troon gevestigd heeft daar boven,
En wie de bloempjes onzer hoven
Hunne offers biên.

Mijn zangtoon zou des morgens stijgen,
En 's avonds laat.
Met u, zoude ik des nachts niet zwijgen,
Daar 't maantje, glurend door de twijgen
Ons gadeslaat,

En ’t oog dat nimmer wordt gesloten
Dat alles ziet,
De kleine zanger en de grote,
Wier lofgezangen samenvloten,
In gunst bespiedt.

Mijn lied zou vrome zielen treffen,
Daar ’t woorden gaf
Aan wat zij kennen en beseffen,
En logge geesten opwaart heffen
Uit stof en draf.

Ik ware een priester in die tempel,
Die thans alom
Van liefde en almacht toont de stempel —
Nu zink ik zwijgende op de drempel
Van ’t heiligdom.

Dichtwerken III (1876)

Geschreven door Dora om 22:41 1 reactie Reageer op dit bericht

wit

Een gedicht van J.A. dèr Mouw 1863-1919

Wit hing en stil...

Wit hing en stil de dauw over de weiden. –
Onwereldlijk, onwezenlijk, een schim,
Stond, hoog, in ’t west wit licht boven de kim. –
Niets werk’lijks was er meer, niets dan wij beiden.

En op die heuvel, op die bank van ons,
Boven de dauw, zaten we als op een eiland;
En ’t wit doorschijnend licht, het witte weiland
Leek stilte; en de stilte was als dons.

Boven de wereld zaten we; en we schrokken,
Als om ons in besliste vaart een tor
Een kromme draad trok van donker gesnor,
Wegbuigend in dempende nevelvlokken.

Jouw haar, rood in de schem’ring, aaide ik glad:
Mijn ziel was in mijn lippen en mijn handen,
En deed mijn handen en mijn lippen branden
Op jou, die ik het diepst heb liefgehad.

Geschreven door Dora om 21:28 Reageer op dit bericht

laat me

Een gedicht van Karel van de Woestijne 1878-1929

Laat me, vijver, waar ge ontwaakt

Laat me, vijver, waar ge ontwaakt,
- daar, ten dagerade aan 't rozen,
naar uw nacht de morgen naakt, -
laat mijn aanzicht, week en naakt,
eigen bleekheid tegen blozen.

o, 't En is een scheemlen maar;
maar, in 't stijgend morgen-scheemlen,
zie 'k ten vijver, minder klaar
maar te dieper naar ik staar,
schoonre hemel dan ten heemle...

- Nog van nachtlijk aarzlen bleek,
maar gerézen uit de nachten;
blozend naar 'k me schóner bleek,
- vóor de glore om zelf-betrachten:
laat me staren thans, gedachte,
waar ten vijver, naakt en week,
diepre schoonheids-weelden wachten...

II De gloeiende asch (Boschvoorde 1907 - 1908)

Geschreven door Dora om 22:33 Reageer op dit bericht

huis

Een gedicht van Albert Verwey 1856-1936

Het verlaten huis

Als in een huis in de onderwereld, waar
De stille vader en het stomme kind
Elkander aanzien - zó zit ik gebukt
Over mijn boeken in dit donk're huis.
En tegenover me aan de tafel zit
Dat stomme kind der sombere gedachte,
Mijn stille weemoed met het bleek gelaat,
Mijn stomme weemoed met het donker oog,
Die niemand ziet dan ik, - maar áls ik opzie,
Dan voel ik dat zij mij heeft aangezien,
Maar 't niet wil weten om die grote smart; -
En als verschrikt buig ik dan weer het hoofd
Achter mijn boeken en ik durf niet spreken
Tot haar, schoon ik gedenk aan vroeg're vreugd.
En als gevoelloos, werk ik al de dag
En zie niet op noch om, omdat ik vrees
De grote smart, die 'k zien zal in dat oog.
Want zij was éens zo schoon, mijn jonge weemoed,
Toen alle bloemen blij ons tegenbloeiden
En vogels spotten met ons jeugdig leed.
Maar weggedoken zit de laatste vogel
Thans in de takken en door de enge spleet
Der halfgesloten blinden valt het licht
Op ons, die treuren in 't verlaten huis. –

Persephone en andere gedichten (1885)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:35 Reageer op dit bericht

meizang

Een gedicht van Jan van Droogenbroeck 1835-1902

Meizang

Daar komt de blijde lente weer,
Met jong en jeugdig kruid!
Geen ruwe vorst, geen koude meer
De nachtegaal reeds fluit.
De zonne schijnt, het beekje vliet,
De bloemen komen uit,
Het windje wiegelt in het riet
Met aangenaam geluid.

Een aangenaam en zoet geluid
Door gans de velde zwiert;
De leeuwrik spreidt zijn vlerkjes uit
En stijgt en tiereliert;
Het bieken zingt in 't rond en bromt
Dat het de lente viert;
De zwaluw, die van elders komt,
Hier weder ommezwiert.

Nu weer de zwaluw ommezwiert
Waar onze wonen zijn.
Nu weer de schepping hoogtijd viert
In helle zonneschijn.
Hoe blauwe verft de hemel schoon,
Zo blauw als blauw satijn!
Hoe rood de morgenzon haar woon,
Zo rood als karmozijn.

Bij dageraad, als karmozijn,
Druppelt de dauwe neer.
Daar plooit de grijze mistgordijn;
Ontwaakt is 't vooglenheer.
En als daarna het klokje luidt,
Dan kniel ik biddend neer,
En 'k juich: daar is met bloemenkruid
De blijde lente weer.

Makamen en Ghazelen (1866) onder het pseudoniem Jan Ferguut

 

 

Geschreven door Dora om 00:00 1 reactie Reageer op dit bericht

vrij

Een gedicht van J.P. Heije 1809-1876

SPAARBANK: VRIJ WIJN.

Waar men Gode een tempel wrocht,
Sticht, (het is een vond der helle!)
Sticht de duivel een kapelle,
Of hij zieltjes vangen mocht:
Hier een Spaarbank... daar, Vrij Wijn!
Mannen! zeg: waar moet ge zijn?

Dáar is 't alles pret vandaag,
Hier is 't vreugd van daag en morgen; —
Hier heeft vrouw noch kind zorgen,
Dáar krijgt vrouw en kinderen slaag!
Hier een Spaarbank... dáar, Vrij Wijn!
Vrouwtjes! waar zou 't beste zijn?

Zeven centen borrelgeld,
Als gij 't dagelijks wilt sparen,
Maakt, in vijf en twintig jaren,
Duizend Gulden: wel geteld!
Hier een Spaarbank... daar, vrij Wijn!
Mensen! zeg: waar moet ge zijn?

Al de volksdichten (1865)

schrijver

Geschreven door Dora om 17:23 Reageer op dit bericht

ontmoeting

Een gedicht van Jan Jacob Slauerhoff 1898-1936

Ontmoeting

Onder lichtend vonkgedierte
Komen algen tot bezinking.
Diep is 't stil; langs lange slierten
Wier trekt walm op van ontbinding.

Plots doortrekken van de polen
Alle kringen huiveringen;
Reeds gezonken drenkelingen
Drijven uit hun onderholen

Los en zij bewilligen
In een doodse farandole,
Tot het schip moet stilliggen
Op hun saamgedrongen scholen.

Daar schokt mij herinnrings schrik!
Gij, gehate, kunt hier dolen:
Voor een maand verging uw brik.
'n Kleine golf grijnslacht verholen

Waar uw gelaat verrees.
't Schip kreunt. Ik ril van afschuw.

De spaak waarmee ik afduw
Boort in 't vermolmde vlees,
En 't schip zinkt aan een schaduw
Naar verrotting onderzees.

Eldorado (1928)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:26 Reageer op dit bericht

schilderen

Een gedicht van Jacob Winkler Prins 1849-1907

SCHILDEREN AAN HET STRAND

Zwart en wit, de tuben uitgeknepen,
Mengt de schilder op het bruin palet;
Voor de jeugd wat ongewone pret,
Nu ze toekijkt, de ogen half genepen!

Ach, dat schilderen heeft men ras begrepen ....
Hier een veegje en ginds een pik, een spet,
Hoedjes, die hij vlug op hoofdjes zet,
Boven boezelaars: witte kronkelstrepen.

Toch, de pink heeft, meent men, groene boorden,
Hij maakt grijze; dan in strik en lis
Hangen kabeltouwen: — hier zijn 't koorden.

Ook de kleur der starren vindt men mis...
Maar het blijven woorden, woorden, woorden
Voor de schilder, die een vreemdeling is!

Gedichten (1910)

schrijver

  

Geschreven door Dora om 21:15 Reageer op dit bericht

het geld

Een gedicht van Bernard van Meurs 1835-1915

Het geld is louter slijk

De leerspreuk zegt: het geld is louter slijk;
Maar de praktijk: 't brengt zoden aan de dijk.
De leerspreuk zegt: de wijze alleen is rijk;
De rijke alleen is wijs, zegt de praktijk.
Wie heeft gelijk?

Pepermuntjes (1888)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:03 Reageer op dit bericht

de haan

Een gedicht van Jan van Droogenbroeck  1835-1902

DE HAAN

Ziet gij hem op den mesthoop staan
De fiere haan? 
Zijn staart, - hij schittert als een vlam;
En rood als bloed, - zo is zijn kam.
De lange sporen 
Zijn scherper dan een doren;
Zijne ogen branden in de kop,
Hij zet een krop, 
Als wou hij zeggen: "Pas hier op,
Of: klop!"

Dit zijn zonnestralen (1873)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:39 Reageer op dit bericht

huis

Een gedicht van Laurens van der Waals 1885-1968

Het oude huis

Nu zou ik willen slapen in een stille,
Heel donkre kamer diep en dromeloos...
Hoe kan ik slapen, als de maan zo schijnt,
En heel mijn kamer vult met toverglans?
Hoe kan ik slapen in dit felle licht,
Terwijl mijn ziel, ook met de ogen dicht,
Het maanlicht voelt, dat buiten staat en wacht?
Hoe kan ik slapen in zo klaar een nacht,
Terwijl mijn ziel verlangt naar duisternis?

Wie heeft dit oude huis zo vreemd gebouwd,
Dat boven alle woonvertrekken zijn,
De slaapvertrekken in het onderhuis?
Laag zijn de vensters en de ramen slaan
Wijd open in de maanbeglansde nacht.
Waarom is niets gedaan tot veiligheid
Van wie dit huis bewonen?  Waarom zijn
De vensters niet, als 't kelderraam, getralied?

De dwaze bouwer! Zo hij hier gestaan had
In zulk een nacht als deze, bij het raam,
Van waar men, 's nachts niet slapend, onbemerkt
Het slapend watertje bereiken kan,
Hij had het hoofd verborgen in de handen,
Hij had gebeden, vuriglijk gebeden,
Dat nooit een moede, nooit een slapeloze,
Die wonderbare vreugde aanschouwen mocht.

Nieuwe Verzen

 

Geschreven door Dora om 21:48 Reageer op dit bericht

liedje

Een gedicht van Albert Verwey 1856-1936

 

EEN LIEDJE VOOR HANSJE

Hij is in 't midden van de mei
Geboren en een dichter zei:
Dit is een kind dat zingen zal,
Dat de mensen 't horen óveral;
0, wat een zeldzaam mei-geval:
Hij is in 't midden van de mei
Geboren.

Hij mag een lelijk mosje zijn
Wie horen wil naar liedjes fijn,
Die zoekt de mooiste vogel niet:
Van de lelijkste vogel is 't mooiste lied;
De mensen horen maar zien hem niet:
Hij is in 't midden van de mei
Geboren.

De mei, dat is het zingenstij;
Mei-kindertjes zijn ik en jij;
En nu zing ik het eerste lied,
Maar zeker zing ik het mooiste niet:
Van Hansje komt bet mooiste lied.
Hij ook is midden in de mei
Geboren.

Verzamelde gedichten (1901)

schrijver

Geschreven door Dora om 17:07 Reageer op dit bericht

ultra mare

Een gedicht van Jan Jacob Slauerhoff 1898-1936

Ultra Mare

Hier is de wereld niets dan waaiend schuim,
De laatste rotsen zijn bedolven
Na de verwekking uit de golven,
Die breken, stuivend in het ruim.

Het laatste schip wordt weerloos voortgesmeten,
Het zwerk is ingezonken en asgrauw.
Zal ik nu eindelijk, vergaan, vergeten,
Verlost zijn van verlangen en berouw?

Een eerlijk zeemansgraf (1936)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:53 Reageer op dit bericht

wachten

Een gedicht van Helen Swarth 1859-1941

WACHTEN

Héél die morgen stond ik blij te dromen,
Bij de gele roozlaar, op 't balkon.
Koele woudgeur woei van verre bomen,
't Gouden zandveld stuivelde in de zon.

'k Dronk mij zalig aan de zoele aromen.
't Blauw omvloeide me als een weeldebron.
Heden, stralend, zou de liefste komen!
't Ware leven sprookjesmooi begon.

Turend meisje met je azuren ogen,
't Blonde haar doorwoeld van zomerwind,
'k Zoek je alom — Waar ben je heengetogen?

'k Dool, vervreemd, door 't stratenlabyrint.
Wáár bleef 't huis — heeft de aarde 't ingezogen? —
't Huis van jeugd, waar 'k was dat dromenkind?

Morgenrood (1929)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:47 1 reactie Reageer op dit bericht

wereld

Een gedicht van Gentil Antheunis 1840-1907

 

Wat is de Wereld

Er liep een dierken op mijn hand,
Zo kleen, zo bitter kleen!
Hoe was het daar wel aangeland?
Waar wilde en mocht het heen!
't Liep onder, boven, hier en daar,
En 't stropte dikwijls aan een haar,
En 't weerde en 't woelde zich half dood;
Dan riep het eindlijk in zijn nood:
‘Och God! och God! wat is de wereld,
Wat is de wereld toch groot, toch groot!’

Uit het hart! (1874)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:46 Reageer op dit bericht

loverhout

Een gedicht van A.C.W. Staring 1767-1840

DE ISRAËLITISCHE LOVERHOUT.

Wie smalend tot Uw Hutje kwam -
Niet ik, gij Kind van Abraham!
Ik schenk, uit een oprecht gemoed,
De drempel mijne vredegroet!

Gij viert uw Feest en zit getroost,
Te midden van uw talrijk kroost,
In schaduw van uw lovertent,
Als Mozes u heeft ingeprent.
Judea's wijnstok groent hier niet;
Olijf noch vijg teelt ons gebied;
Gij gaardet hier, in rauwer lucht,
Min weeldrig blad, min zoete vrucht;
En toch, gij zit, uw lot getroost,
Te midden van uw talrijk kroost;
Uw Feesthut staat bij ons geplant,
Als eens in 't Palestijnse Land.

Drieduizend malen kwam de zon
Terug, waar zij uw jaar begon,
En nog bouwt gij uw lovertent,
Als Mozes u heeft ingeprent.

Jeruzalem ligt diep verneêrd;
Des Tempels grondslag omgekeerd;
Verduisterd blijft die gloriedag,
Toen Isel beider grootheid zag;
Maar eeuwig jong herrijst uw t e n t,
Bij aller volken tal gekend;
Zo vaak de schaal, aan 's hemels boog,
Der dagen maat weer effen woog.

W i  j - tasten rond, in 't ongewiss';
Op o n z e  wieg ligt duisternis;
De stond, dat ons Gods wil hier bracht,
Bleef ongevierd; werd niet gedacht!

Maar U heugt, dertig eeuwen door,
Dat u Jehova uitverkoor;
Dat, als 't geweld u vluchten deed,
Een reddend spoor het diep doorsneed;
Dat, zonder huisdak, levenslang,
Uw schaar zwierf, op haar kronkelgang;
Waar Vuur- en Rookzuil voor haar toog,
En 't Man haar spijsde van omhoog.
G i j viert het, tot op deze tijd,
Dat zo Gods arm u heeft bevrijd.

Dies breng ik, met oprecht gemoed,
Uw Hutje mijne vredegroet.
Wie smalend tot de drempel kwam;
Niet ik, gij Kind van Abraham!

schrijver

Geschreven door Dora om 21:34 Reageer op dit bericht

moederschap

Een gedicht van Barend Klijn 1774-1929

Moederschap

Aan mijn moeder

Wie toch is er op deze aarde die meer recht heeft op mijn dank?
Wie behoort mijn eerst gevoelen en mijn eerste citerklank?
Wie toch zal mij niet versmaden, noch de wrevel in zich voên,
schoon ik van ontelbre schatten
slechts een penning af kan doen?

Wie dan gij, mijn lieve moeder! heeft meer schuldbewijs op mij?
Maar wie is er meer inschikklijk en zo ras voldaan als gij?
Daarom wijd ik u deez' zangen - doch het kinderlijk gemoed
voelt wel dat dit nietig kleinood nooit de heilige schuld voldoet;
't voelt wel dat geen vloed van woorden
moederlijke trouw vergeldt;
maar het voelt toch dat uw liefde in deez' zangen waarde stelt.

Ja! die liefde was de bronwel waaruit al mijn vreugde vloot;
was de grond waaruit voor 't harte
menig eedle vrucht ontsproot;
was de groeikracht die mijn leven
met haar sappen heeft doorvoed
en het thans nog blijft verkwikken,
en niet werkloos kwijnen doet.

Dit herdenken, dit gevoelen is voor mij de schoonste plicht;
't lenigt mij des levens kwelling, 't maakt mij elke onspoed licht;
't strooit nog bloemen langs het voetpad
'twelk ik vaak met smart betree
en vertroost nog als mij 't lijden
kluistert aan mijn legerstee.

Neem dan met een hart vol liefde 't needrig kinderoffer aan!
Laat een oog van welgevallen over deze blaadren gaan!
Lees en vind daarin het goede 'twelk gij mij hebt ingeprent,
én duld dat mijn hart hier dankbaar,
openlijk uw liefde erkent!

Gedichten (1815 - 1819)

schrijver

 

Geschreven door Dora om 22:51 Reageer op dit bericht

liefde

Een gedicht van Jan Jacob Slauerhoff 1898-1936

Landelijke liefde III

Het regende in de avond, zacht en tergend.
Overgebleven bloesems bezwijmden.
Wij gingen samen, verlangens verbergend
Nog niet beleden, niet meer geheim,

Los van elkander, toch gedurig
Toenaadring zoekend - uit de wijde
Onzekerheid ontstond geen vurige
Plotslinge ontroering die ons bevrijdde;

Ingenomen bij 't gaan in de nevel
Door een vege betovering
Die onvervuld bleef en overging
In een verzwegen, verbeten wrevel.

't Was of angstwekkend snel en schril
Liefde in onze zielen dorde.
Zij nam haastig afscheid, dacht: ‘Ik wil
Liever nog niet gelukkig worden.’

Nu is het te laat, waarom toen niet door
Onverhoeds aanrakende monden
En armen om bevende schouders gewonden
't Geluk ontbonden, nu voorgoed teloor?

Saturnus (1930)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:44 Reageer op dit bericht

liefde

Een gedicht van Jan Jacob Slauerhoff 1898-1936

Landelijke liefde II

Op de golven vindt de zon verstrooiing,
Langs basaltblokken en sloepen voor
Anker trekt de vloed een vage voor,
Zacht schuim spoelt tegen de stenen glooiing.

Achter moerbeiboomen ligt haar huis,
Een hardstenen, hoogbegroeide hoeve.
Door de moestuin naar de lage oever
Daalt een pad van blinkend schelpengruis.

In de gevelspits heeft zij haar kamer:
Schuins verloopt de zware bruine balk
Naar een muur van schilferende kalk.
Kamerrozen staan voor beide ramen.

'k Weet haar levenswijs: namiddags laat
Ligt zij stil in de omsloten zwoelte
En geniet zich in ontblote koelte,
Of verwisselt langzaam van gewaad.

Ik hoor tonen, ver, als door een kier;
Zit ze niet van Sylvia te zingen
Met die stem van herfst en schemeringen
Voor het langzaam en ontstemd klavier?

Wonder zou dit zijn: haar weer bezoeken,
'n Andre, of de vroegre weer te vinden:
Grillig droef of innig onverschillig.
Nam ze 't leven, wacht ze nog gewillig?
Ik zal het geluk maar liever zoeken
Achter de einder, in de verte, in den blinde.

Saturnus (1930)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:43 Reageer op dit bericht

liefde

Een gedicht van Jan Jacob Slauerhoff 1898-1936

Landelijke Liefde I

Wij stonden gebogen over de vliet;
Daaronder leken onze gezichten
Ziende uit een toekomst, toen een lichte
Rimpeling ons glimlachen liet:

Ons spiegelend zoals wij niet
Meer konden zijn. Nooit meer? Ik vroeg haar:
‘Laat alles worden zoals vroeger.’
Zij gaf geen antwoord. Haar voetje stiet

Een steen in 't water en terstond
Verdwenen we. Zo was het altijd:
Verschijnen, verdwijnen, weerzien, afscheid,
Zoeken in elkaars ogen en mond.

Een zoen, niet bij machte kortstondige weelde
Te geven, die alleen het voorgevoel
Van het wellicht voor 't laatst te doen
Een zekere ernstige wellust verleende.

Saturnus (1930)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:30 Reageer op dit bericht

aan zee

Een gedicht van Aart van der Leeuw 1876-1931

AAN ZEE

0 voorjaarszee, de hyacinthe,
Dit strand, het zuidlijk warm getinte, 
Hier moesten Griekse vrouwen gaan, 
Diepzingende op de cimbels slaan, 
En roepen of het kindje kwam,
Druifpurper op een brandingskam, 
Herboren Dionysos,
Die lente brengt naar Argos.

Zij wisten, wachtend voor het water,
Haar vreugd van nu, haar dorst naar later,       
Haar smachten naar bevrediging
Een vorm te geven, lieveling
En god, die aan haar moederhanden
Naakt in zijn wiegje wilde stranden. 
Ik kan het beeld niet vinden,
Om mijn verlangst te binden.

Leeg strek ik de armen - dampen dekken, 
Blozend en dicht als rozenhekken, 
De poorten van de horizon; 
Daarachter welt wellicht de bron, 
Waaruit de wonderen ontspringen, 
Die aan mijn kloppend hartedringen 
De klare vrede geven
Van hun ontraadseld leven.

Is het een vrucht, zijn 't vreemde bloemen, 
Een zucht waarin de bijen zoemen? 
Of, van Cythera losgewoeld,
Een eiland, dat naar hier gespoeld, 
Het gloeien zijner lustpriëlen
In weerschijn op de zee doet spelen, 
En vol van vogelstemmen
Groen naar de kust komt zwemmen?

Of roeien uit de mist meerminnen 
Haar peerlend lijf op koele vinnen?
Of blijft mijn wens gestalteloos,        
Iets zilts, jets zonnigs, mateloos
In alle ruimten uitgegoten,
En hoef ik enkel mij te ontbloten,        
Mijn borst en mijn verlangen,
Om deze schat te ontvangen?

Herscheppingen (1911 - 1916)

schrijver

 

Geschreven door Dora om 22:13 1 reactie Reageer op dit bericht

bruid

Een gedicht van Karel van de Woestijne 1878-1929

De bruid zegt:

Hoe wordt mijn lippe week
van honig-smaak?
– ’t Is of ‘k met tanden-reek
uw tanden raak...

Hoe zijn uw ogen klaar
van vreemde schijn!
‘k Zie er me lévens-waar
spíeglend in zijn...

‘k Hou mijne leden, als
ware ik beschaamd…
– Uw adem, om mijn hals,
die zoelig aêmt...

- Is het een lente-gloed
die door me gaat?
Hoe toch uw strak gelaat
me rillen doet...

…’k Voel me zo vreemd, – zo vreemd
bevángen zijn…
Uw stille stemme fleemt
als zoete wijn.

Stille zangen

schrijver

Geschreven door Dora om 22:08 Reageer op dit bericht

redding

Een gedicht van Barend Klijn 1774-1829

Redding

Redding! zaligend verblijden!
Redding! zegen van het lijden,
die de borst van vreugd doet slaan;
door uw diepe zielontroering,
door uw zalig hartontsnoering
roepen wij met geestvervoering:
‘Wat God doet, is welgedaan!’

Redding! wellust na de smarte!
O hoe schokt gij thans ons harte,
en ontwringt ons traan bij traan!
Al dat eindloos zielverschrikken
schijnt thans 't leed van ogenblikken,
wordt de bron van 't hoogst verkwikken:
‘Wat God doet, is welgedaan!’

Ja, de gruwlen zijn gewroken;
de aard, niet meer in 't stof gedoken,
ziet verrukt de hemel aan;
hoort de jubeltonen schallen;
naast hun honderdduizendtallen
moest geweld en heerszucht vallen;
‘Wat God doet, is welgedaan!’

Plekje gronds ons allen heilig!
Plekje gronds waar eenmaal veilig
wieg en bakermat mocht staan!
Vaderland! uw gruweldagen,
al uw jammren, al uw plagen
zag gij van uw bodem vagen...
‘Wat God doet, is welgedaan!’

Vaders! Moeders! al uw wenen,
al uw zielangst is verdwenen,
dankend ziet ge uw kroost weer aan;
in uw tranen, angst en zorgen,
aangegroeid bij ieder morgen,
lag wat u thans streelt verborgen;
‘Wat God doet, is welgedaan!’

In de losgebarsten stormen,
in hun aarde en lucht misvormen
lacht ons nieuwe leefkracht aan;
't vruchtbaar veld eist moeilijk ploegen;
zielrust volgt het drukkend zwoegen;
uit de vrees ontkiemt genoegen;
‘Wat Goed doet, is welgedaan!’

Ja, mijn vrienden! wat in 't leven
ons doet hopen, ons doet beven,
of ons moedloos stil doet staan;
hoe gedrukt door 't naar ontberen,
of verblijd om 't lot verkeren,
altoos zal ons de uitkomst leren:
‘Wat God doet, is welgedaan!’

schrijver

Geschreven door Dora om 22:11 Reageer op dit bericht

nacht

Een gedicht van Jan Luyken 1649-1712

Op 't hoogste van de nacht

Op 't hoogste van de nacht, na 't zinken en voor 't krieken
Des dageraads, wanneer de slaap die 't al verblindt,
Met Mankop om de kruin drijft op zijn vale wieken,
En d' ijdle dromen, door een fluisterende wind
Ten olm-boom uitgejaagd,
Door al de wereld vliegen,
Om al wat hersens draagt,
Met schaduw te bedriegen,
Met list te domplen in een treur- of vreugde-stroom,
Toen viel mijn geest te beurt deze allerschoonste droom.

Mijn Laura, die ik min, kwam in mijn slaapzaal treden,
Met liefelijk gelaat en moedernaakte leên,
Een kleedje alleen bedekte haar heupen naar beneden,
't Hing al van melk en bloed en maagdenwas aaneen:
Een windje op haar verliefd,
Ten venster ingeslopen,
Bedreef een stoute dieft
En spreidde 't kleedje open,
Daar zag men dat een mens, hoe koud, zette in een vlam:
Men zegt, dat Venus zo weleer ten oordeel kwam.

Zij naderde mijn koets; wat hart was niet bewogen
Geworden, door zo schone en goddelijk een zwier?
De liefde bliksemde uit haar bruine en draaiende ogen
En zette al de zaal in lichte vlam en vier;
Zij lachte en greep mijn hand,
Mijn boezem sloeg aan 't beven;
't Hart zwoegde door de brand;
Ik zwijmde en blies het leven
Op rozenlippen uit; maar och! hoe onverwacht,
Vond ik mij toen gewaakt in ene donkre nacht!

Duytse lier (1671)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:50 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten