Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

Berichten van 1 april 2017 tot 30 april 2017

dood

Een gedicht van J.H. Leopold 1865-1925

O dood vlies van de torengracht

O DOOD vlies van de torengracht
en wreed gewekte kreet der zwanen,
de angst vloeit klam toe door de lanen
en stolt rondom de pijlerschacht.

O krimpend hart, dat uit de sprong
der wurgende belagers hoog naar boven
omhoog zich worstelde     sloven
aamechtig sinds het zich ontwrong,

walmende lamp, die opgetild
met floersen roet het smeulend gele
verduisterde en wuft het ele
leven des luchters had omhuld.

Gemengde verzen IV

schrijver

Geschreven door Dora om 15:43 Reageer op dit bericht

wens

Een gedicht van Aart van der Leeuw 1876-1931

Wens

Mijn aar zij zwaar,
Als hem de sikkel telt;
Mijn kroon zij schoon,
Als hem de bliksem velt.

De dood brengt nood,
Zo niet vereelt hem reikt
De hand een pand,
Waaruit de dagvlijt blijkt.

Mijn zon, Uw bron
Springt nog voor aardse dorst;
Ach warm, dat arm
Ik niet zal staan, mijn borst.

Mijn aar zij zwaar,
Als hem de sikkel telt;
Mijn kroon zij schoon,
Als hem de bliksem velt.

Herscheppingen - Van de tweede wereld (1916)

schrijver

Geschreven door Dora om 23:20 Reageer op dit bericht

anecdote

Een gedicht van O.C.F Hoffham 1744-1799

Anecdote

Hoe groot, ô Mahomet! zijt ge in mijne ogen,
Door de eedle daad, voorwaar te min bekend;
Daar gij, verplicht om tempelwaarts te treden,
Terwijl uw kat op uwe mantel sliep,
De brede mouw, waarop zij vrolijk rustte,
Veel liever van de purpren mantel sneed,
Dan in zijn sluimren ’t zoete dier te storen!
Gezocht en eindelijk verkregen rust
Aan ’t rustend voorwerp gul te doen genieten;
Haar te beveilgen, en met eigen schaê
Haar te verlengen; ô dit is een offer,
Waarvoor de hoogste deugd slechts vatbaar is!

Proeve van Slaapdichten (1784)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:33 Reageer op dit bericht

koning

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1809

De koning is gekommen!

De grote zon, de zomer is
ten oosten uitgeklommen,
       bezoekende zijn koninkrijk...

De volkeren, de groten en
de klenen, alle lieden
       hem koninklijk begroeten gaan
en blijde inkom bieden.

De mannen zijn veel sterker nu
ten arbeide, en de vrouwen,
       ze slaan wel nog zo dapper, met
de la, de weefgetouwen.

De jongens en de maagden, als
       of ze nog klene waren,
gaan lopen in de lanen, in
       de locht, en spelevaren.

Het kindje, dat geen tonge en heeft,
nu zingen kan; en ‘t aaien
van moeders hand- en mondgebaar
       vriendtoevig tegenkraaien.

De vogels zingen, de aarde zingt,
de kruiden en de blommen...
de zomer is, de grote zon,
de koning is gekommen!

Rijmsnoer (1896)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:10 Reageer op dit bericht

reis

Een gedicht van Jacob van Lennep 1802-1868

's Levens reis.

Met voor-de-wind en gunstig tij,
- Een wonder schoon begin - 
Met volle zeilen streven wij
De wijde wereld in. 
O! mocht op 's levens oceaan,
Zoo kalm als thans de waterbaan,
Van storm en strijd 
En ramp bevrijd, 
Ons scheepje voorwaarts gaan. 

't Zij Oost of West of Zuid of Noord
Het lot ons henen voer', 
Wij zeilen onbekommerd voort,
Zit godsdienst aan het roer. 

Met zulk een stuurman zijn wij klaar;
En woel' of spook' het hier en daar,
Wij volgen blij, 
Van zorgen vrij, 
En vrezen geen gevaar. 

Loei ook de storm bij winterweer,
Of steek' de zonnegloed, 
Stroom' klett'rend soms de hagel neer
En kook' de zilte vloed, 
Het nieuw geschoren lam verdraagt
De wind geduldig, die het plaagt:
Met d' eigen moed 
De tegenspoed 
Verduurd en niet geklaagd. 

Hoor ginds, hoe, in 't ontbladerd bos,
De roodborst zit en fluit; 
Toch viel zijn warme vederdos
Door koude nachtvorst uit. 
Zo houde ook ons, hoe guur het zij,
Een goed geweten warm en blij,
En blijve altijd, 
Het lot ten spijt, 
Ons de opgeruimdheid bij.

Zeemansliedtjens(1852)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:08 Reageer op dit bericht

filosofie

Een gedicht van O.C.F. Hoffham 1744-1799

Praktikale filosofie

Parmenides ontkende de beweging:
Diogenes, om hem te wederleggen,
Sprak niet één woord, maar rees van zijne zetel,
En wandelde slechts voor hem heen en weder.
Doch filosoof Diogenes, op zijn beurt,
Verviel in dwaling tot het andere uiterst',
En loochende de rust: wat groter dwaling!
Zo hij nog leefde, mij de rust ontkende,
Ook ik zou zwijgend zijn systeem weerleggen:
Ik zou alleenlijk voor zijne ogen slapen.

Proeve van slaapdichten (1784)

Illustratie: Diogenes

schrijver

Geschreven door Dora om 11:56 Reageer op dit bericht

lentelied

Een gedicht van J.P. Heije  1809-1876

LENTELIED.

De lucht is blauw, en groen het dal;
Viooltjes bloeien overal
En lelietjes van dalen;
't Is alles geur
En fleur en kleur,
En glans en gloed en stralen.

Wees blijde nu, gij treurend hart!
Al heeft de Lente lang gemard,
Ze is dubbel schoon verschenen:
Geef God, de Heer,
Nu dank en eer;
Uw Winter óok vlood henen!

schrijver

Geschreven door Dora om 20:00 Reageer op dit bericht

bede

Een gedicht van C.S. Adama van Scheltema 1877-1924

Bede

Lichte nacht, die lichter zijt
Dan mijn donker droeve dagen,
Sterrennacht, die groter zijt
Dan mijn kleine hart kan dragen -
Laat mij knielen in het duister,
Waar geen sterveling mij ziet,
En mij bidden tot uw luister:
Doof het licht mijns harten niet!

Zingende stemmen (1916)

schrijver

Geschreven door Dora om 23:21 Reageer op dit bericht

hart

Een gedicht van Duco Vorster 1880-1953

Het hart spreekt

Laat mij door Uw stilten ommedolen,
waar het schendend woord van hen niet is,
dat ik – in een donker woud verscholen –
bij de geur van Uwe bosviolen
word omvat van Uw geheimenis.

Laat mij, als wie uit zijn huis getreden,
ginder in de nevelen verdween -
- nimmer nimmer hoort men zijn gewende schreden –
spoorloos in Uw stilten zijn vergleden,
waar ik eeuwig ben met U alleen.

Op uwen drempel (1926)

schrijver

 

Geschreven door Dora om 21:35 Reageer op dit bericht

mond

Een gedicht van Jan van Brabant 1253-1294

 

Ik zag nooit zo'n rode mond

Lief, mij houdt de liefde voor u
Zo vriendelijk gevangen,
Dat ik met hart en ziel
U onderworpen moet wezen.

Ik zag nooit zo'n rode mond
Noch zulke vriendelijke ogen
Als zij heeft, die mij heimelijk
In het hart heeft verwond.
Toch leef ik nog verheugd en hoop
Voor de smart te worden beloond.
Al doet ze mij minnepijn lijden:
Ze kan me spoedig genezen.

Lief, mij houdt de liefde voor u
Zo vriendelijk gevangen,
Dat ik met hart en ziel
U onderworpen moet wezen.

Ik ben gelukkig als ik bij
Mijn schone vrouwe kan zijn
En haar zuiver gelaat en
Haar gestalte kan schouwen.
God vrijware haar van leed!
Zij is zo fraai gevormd,
Dat ik haar trouw van hart
Tot elke dienst bereid moet zijn.

Lief, mij houdt de liefde voor u
Zo vriendelijk gevangen,
Dat ik met hart en ziel
U onderworpen moet wezen.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:06 Reageer op dit bericht

mode

Een gedicht van O.C.F Hoffham 1744-1799

Aan de Mode

Machtigste verleidster! wufte mode!
Godheid, duivelin! of, toveres!
't Mensdom stort met drift naar uw pagode,
Boeit zijn oor aan uwe orakelles.
Gij verwint elks hart, in spijt der reden,
't Zij ge zulks door macht of list bestrijdt;
En verdedigt alle uitsporigheden,
Daar gij zelf 't uitsporigste wezen zijt

Straks, na de eerste dracht der vijgenblâren,
Wisselde, op uw wenk, der mensen tooi,
Keer op keer, als ongestuime baren,
En in stoffe en vorm, in snede en plooi.
Sinds volgde eeuwige ebbe en vloed uw stander,
Dien gij plantte tot in 't uiterst Rijk.
Schoon zich dwaasheid duizend-werf verander',
Echter blijft zij steeds zich zelf gelijk.

Gij bestond tot slaven u te maken,
Van de huif tot aan den hoepelrok;
Van de grove pij tot aan 't scharlaken;
Van de luijr tot aan de oude stok,
Ja, gij voert ook zelfs nog na ons sterven,
Over onze lijkbus uw bestier;
En gewis begraven ons onze erven
Eenmaal naar de nieuwste mode en zwier.

Onze plechtighêen, vermaken, spelen,
Worden naar uw willekeur bepaald,
Hoge-scholen, kansels en tonelen,
Walen, zo als uw kompasnaald waalt.
Kunst en smaak, en denken en gevoelen,
Wordt van u op zijne prijs gezet;
En journalen, die uw roem bedoelen,
Zijn voor 't kies publiek een stalen wet.

Elk uitheems gebruik, de vreemdste zeden,
Schenkt gij 't burgerrecht van Nederland!
Galliër en Brit bespot met reden,
Onze kinderlijke onverstand!
Gij bestemt ons zingen, snuiven, vloeken,
Onze houding, kleding en frisuur,
Geeft ons honden, paarden, koetsen, boeken,
Maar - helaas! - ook menig zotte kuur.

Oefen vrij voortaan uw alvermogen,
Fop vrij elk, die roem op dwaasheid draagt,
Laat slechts mij, uw guichelspel onttogen,
Gaan en handlen zoo als 't mij behaagt.
Scheiden we onderling in vrede, o Mode!
Hoor mijn opzet, dat ik plechtig staaf:
Nimmer worde ik dwaas uw antipode,
Maar nog min, en dwazer, ooit uw slaaf.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:47 Reageer op dit bericht

veugd en vrede

Een gedicht van Jan van Nijlen 1884-1985 

Vreugd en vrede.

De vreugde is 't gevoel van de nakende morgen
En tooit elke stond met haar innige lach,
Evenals de vrede, na werken en zorgen
De weemoed versiert van de kwijnende dag.

Wie vreugde nooit eenzaam des morgens liet marren,
Hem zijn alle wondren begrijplijk en klaar;
De stilte der aarde, de schoonheid der starren
Maakt vrede des nachts aan ons hart openbaar.

O vreugde, kom 's morgens al dansend getreden,
En wek mij met zangen, dat steeds aan mijn zij
Uw lach moge klinken! Maar gij, zachte vrede,
O ga, als het schemert, mijn huis niet voorbij!

Onze eeuw, jrg. 17 (1917)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:34 Reageer op dit bericht

de slaap

Een gedicht van Jan Brester 1805-1862

De slaap

Wanneer de nacht
Hem tegenlacht,
Die pozing van de arbeid wacht
En stilstand van de zorgen,
Dan rust het lichaam, mat gesloofd,
Dan rust het suf gezonnen hoofd,
Hij slaapt tot aan de morgen.

Maar die de tijd,
Aan 't werk gewijd,
Steeds doel- en nutteloos verslijt,
En d' avond ziet genaken,
Hij, wie verveling plaagt en pijnt,
Hij beeft zodra de dag verdwijnt,
En kan geen ruste smaken.

Wanneer de nacht
Het leed verzacht
Van hem, die deugd en plicht betracht,
Maar worstlen moet met rampen,
Dan daalt op hem de slaap ter neer,
En geeft hem nieuwe krachten weer,
Om met het lot te kampen.

De boze keer'
Naar 't rustbed weer,
Dat hem der wroegings spokenheer
Des morgens deed ontvlieden;
Al heeft hij aanzien, schat en macht,
De slaap, waarnaar hij rustloos smacht,
Wil hem geen laafnis bieden.

Ja, troosteres
En rampvoogdes!
Gij geeft ene onontwijkbre les
Aan luiaards en aan bozen;
Stort ge ook uw giften kwistig uit,
Zij worden nooit des tragen buit,
Het deel van de godlozen. 
Geen ledikant,
In weidse trant
Gebeeldhouwd door des kunstnaars hand,
Of zijden praalgordijnen,
Geen luchtig dons of zachte sprei,
Geen kamerwacht in prachtlivrei
Dwingt u er te verschijnen.

Geen stromatras,
Die d'armen pas
't Vermoeide lijf ten leger was,
Hebt gij dáárom ontweken;
De krebbe, waar de deugd in rust,
Door noeste vlijt in slaap gesust,
Kan van uw goedheid spreken.

Ja, Slaap! kunt gij
(Schoon 't lot ook vrij
Balsturig op de stervling zij)
Des levens zuur verzoeten;
o! Breng mij op uw wieken dan,
Waar ik de ramp trotseren kan,
Die wegduikt aan mijn voeten.

'k Wil, noest en braaf,
Uw diere gaaf,
Wie in 't gareel der ondeugd draav',
In al haar volheid smaken;
Van schoner morgenstond bewust,
Zij kalm eenmaal mijn jongste rust
En zalig 't laatste ontwaken!

schrijver

Geschreven door Dora om 22:06 Reageer op dit bericht

Een gedicht van Louis Davids 18883-1939

Rassenhaat

Bruin is mijn vel, maar blank is mijn ziel,
Hoe sidder ik onder de klappen
Die ons de blanke zo rijkelijk geeft,
De heren die honen en trappen,
Die onder 't mom van beschaving, cultuur,
'n Volk van miljoenen verdrukken.
Bruin is ons vel en dat geeft hun het recht
Ons 't loon van ons werk te ontrukken.

Dat is die bruine kleur
Die ons levensgeluk verjaagt,
Die de rassenhaat kweekt
Tot die éénmaal zich wreekt,
Die de mensen tot dieren verlaagt.

Bruin is mijn vel, maar blank is mijn ziel,
Veel blanker dan Hollandse heren
Die zonder schaamte in 't zonnige land
De inlandse vrouwen onteren.
En wij, de zonen van 't schandesysteem,
Worden bespot en vergeten.
Of als een hond door het gouvernement
Ruw in de kampong gesmeten.

Dat is die bruine kleur
Die ons levensgeluk verjaagt,
Die de rassenhaat kweekt
Tot die éénmaal zich wreekt,
Die de mensen tot dieren verlaagt.

Bruin is mijn vel, maar blank is mijn ziel,
Bruinen en blanken zijn mensen
Die hebben harten en zielen als gij,
Mensen die aad'men en wensen.
Christenen, reik ons de broederhand toe,
Anders zult gij het beleven
Het bruine jong eens de misdaden wreekt
Aan hun moeders bedreven.

Dat is die bruine kleur
Die ons levensgeluk verjaagt,
Die de rassenhaat kweekt
Tot die éénmaal zich wreekt,
Die de mensen tot dieren verlaagt.

1924



schrijver

Geschreven door Dora om 19:29 Reageer op dit bericht

voorrang

Een gedicht van O.C.F Hoffham 1744-1799

Voorrang des slaaps.

De zuigling kent nog niet
De wijn: de grijsaard kent
Niet meer 't genot der min.
De jongling proeft en kwijnt:
De man slechts drinkt en mint.
Maar allen kennen ze,
Genieten ze de slaap.
Ik sliep gewiegd, als kind;
Ik sliep, als jongeling:
Thans slaap ik als een man:
En zal, zo 'k hoop, eenmaal
Als grijsaard slapen. En,
Welk blij vooruitgezicht!
Ik zal een lange nacht
Ten laatste slapen in 't
Gemakkelijke graf.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:05 Reageer op dit bericht

kraanvogels

Een gedicht van A.C.W. Staring 1767-1840

OP HET GEZICHT VAN TREKKENDE KRAANVOGELS

(De trant van Cats gevolgd.)

Laatst, als ik, op mijn eenzaam pad,
Door Wijnmaands bleke lovers trad,
Zo kwam van ver een vreemd gerucht;
Zo kwam een lange Kranenvlucht,
En hield naar 't wijkend avondlicht
Het spitse van haar schaar gericht.

Ontging ze 't volgend oog weldra,
Zij liet me een diep gepeinzen na.
Ik dacht: wat hier omlaag geschiedt,
Des kreunt zich ginds de Vogel niet.
Of bergen siddren op hun voet,
Door 't worstlen van de sulfergloed;
Of stromen steigren uit hun boord;
De Vogel zweeft gelaten voort.

Hem trekt zijn doel, naar 't eind der baan,
Door 't vredig zwerk staag westwaart aan.
Hoe lang zijn tocht ook duren mag,
Hij roert de vleugels dag aan dag;
Hij vult de lucht met blij geschal,
Gedenkend waar hij rusten zal!

Mijn ziel, raap wijsheid aan dit werk:
Streef hoger dan dit aardse perk.
Of, hier beneên, de wereld woel',
Blijf gij gedachtig aan uw doel!
Staar, vrolijk juichend, naar de Kust,
Waar aller Zorgen woeling rust;
Waar Smarte knaagt, noch Twistvuur brandt,
Noch Zinbekoring strikken spant!
Mijn Ziel - daar is uw Vaderland!

1818.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:10 Reageer op dit bericht

Een gedicht van Anthonie Donker 1902-1965

Het zieke meisje

Zij sloot haar ogen voor de wrede zon en
Ontvoer volkomen de aanwezigheid
Der anderen. Zij heeft zich diep bezonnen,
Zij was alleen geweest ten allen tijd.

Achter haar warme oogleden begonnen
De fluisteringen van de eeuwigheid.
Waarom was zij niet eerder overwonnen
En van haar liefde en haar smart bevrijd?

- Toen zij haar ogen eind'lijk opende
Waren er stemmen en zij zocht bevreesd
De zachte streling van een teed're hand.

Zij glimlachte, maar sprak niet van het land
Waarin zij diep verloren was geweest,
Want zij bevond zich weder hopende.

Erts, jrg 2 (1927)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:56 Reageer op dit bericht

clematis

Een gedicht van Geerten Gossaert  1884-1958

Clematis.

Clematis, 'k heb met eigen hand
Voor menig jaar, u hier geplant, 
Clematis, maar nooit heeft mijn jeugd
Uw violette bloei verheugd, 
Clematis, zeg, hoe is 't dan, dat
Ik nu van morgen, op mijn pad, 
Clematis, stil bleef staan,
Daar, tussen blanke acerblâen, 
Clematis, mij uw bloesempracht
Verraste, op 't onverwacht? - 
Zeg, had ál deze jaren lang,
Eer dan vanmorgen vroeg, 
Uw hart niet, als mijn hart tot zang,
Tot bloeien Vréugd genoeg? 
Clematis?

Onze Eeuw, jrg 9 (1909)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:29 Reageer op dit bericht

jong

Een gedicht van Nicolaas Beets 1814-1903

Jong blijven.

Het hart blijft jong en wordt niet oud, 
Wanneer 't zich fris en open houdt 
Om al wat menslijk is te voelen,
Te voelen wat een kind verblijdt, 
En wat er door de geest moet woelen
Eens jonglings, in zijn schoonste tijd.

Die zijn verleden in zich draagt, 
Blijft jong, al is hij welbedaagd, 
En wekt der jonkheid geen mistrouwen.
Veel kan hij hopen, wie veel heugt; 
Veel met zachtmoedig oog beschouwen;
't Herinn'ren is een grote deugd.

Gedichten, deel 3 (1905)

schrijver

Geschreven door Dora om 16:55 Reageer op dit bericht

rozegeel

Een gedicht van Gaston Burssens 1896-1965

In memoriam Paul van Ostaijen

Rozegeel en rozerood
als gij ziet dat zo de wolken zijn
aan de westerkim
grijsgrauw paarsgrauw
zó gij d'avend voelt aan d'oosterkim
aan de westerkim als een gestrande boot
aan d'oosterkim als een gordijn van uw kantoor
niet als een kanten gordijn van uw salon
maar als een vuile store op uw kantoor
neem dan uw voorhoofd in de linkerhand
zoals een denker in de hand een doodshoofd neemt
in de linkerhand het hoofd
in de rechterhand wat ooft
van jonge bomen - als banaal symbool -
en spreid uw sprankelend brein in 't rond

Als dan uw broze brein verbreid is
in 't rond
de ronde stonden van uw eenzaamheid gaan rond
en waar uw eenzaamheid gij eenmaal strooide
van de westerkim naar d'oosterkim
hangt vóór de westerkim het grauwe gordijn van uw kantoor
waarachter uw boot gestrand is

schrijver

Geschreven door Dora om 05:58 Reageer op dit bericht

lied

Een gedicht van Jacob Oosterwijk Bruyn 1794-1876

LIED VOOR DE BRIEVENRIJDER

'k Zie, hoe gij angstig op mij wacht,
En van verlangen brandt;
Ja, 'k geef uw handel klem en kracht,
0 kloeke speculant!

Onzeker ware uw ijvrig werk,
Bracht ik geen tijding en geen merk;
Gij ziet angstvallig naar mij uit,
Eer gij met moed een handel sluit.

Wat mensen help ik uit de droom,
Wier wens mijn komst voldoet!
'k Meld d' een de dood van neef of oom,
Van wie hij erven moet;

'k Breng d' ander 't jawoord van zijn lief;
Die weder 't eerkruis door een brief;
'k Maak velen machtig rijk en groot,
En red bedrukten uit de nood.

Veel draag ik in mijn reiszak mee;
Veel zaken van gewicht;
Het nieuws van oorlog en van vreê,
En 't modes laatst bericht.

'k Bezit, onvatbaar voor verraad,
't Geheim van burger, Vorst en Staat.
Wat nooit een ander wordt ontvouwd,
Is aan mijn zorgen toevertrouwd.

Ja, ieder ambacht heeft zijn kruis;
Maar veel is 't mijne waard;
Ik ruil mijn klapzweep en mijn buis
Voor mijter, kroon, noch zwaard.

Ik steek de horen vrolijk op;
Ik zet mijn paarden in galop;
'k Stoor mij aan wind en koude niet,
En zing, hoezee! mijn vreugdelied.

1829.

De boertige zangster (1837)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:44 Reageer op dit bericht

orgelpunt

Een gedicht van Jan Engelman 1900-1972

Orgelpunt

De man die uwe weelden mint
is weerloos als het kleine kind:
de wereld ging hem vreemd voorbij
als aan zijn borst uw hartslag lei.
Maar wat ons saamgedreven heeft
is wat in kleine bloemen beeft
en gonzend draagt het groot heelal:
't is twee-in-een, en dat is al.

Tuin van Eros (1932)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:26 Reageer op dit bericht

tempel

Een gedicht van Jan.E.F. Celliers 1865-1940

De tempel der reinheid.

(Hollands).

Ik droomde mij in wolken-landen;
het blindend blank der zonnewanden
al zwevend in 't rein azuur,
als lenig marmer reuze-krullend,
de dalen schaduw-purper vullend,
- en goud-gekopt de stapel-muur.

En 'k zag 'n zaal vol schone vrouwen,
het blank en blauw, in lange vouwen
omhangend los de slanke le'en,
in nauwe lijne-sluiting kozend
om malse vormen rose-blozend,
- en blanke voet op marmersteen.

'k Hoor stemmen als kristallen klokjes,
in 't ruim gestrooid als wolken-vlokjes,
bij scherts en blij-zang ongetoomd;
waar vol-geteugd de boezems zwellen,
in 't levend blauw der ether-wellen
- door wijde ramen ingestroomd.

Die vlakte en andere gedigte (1908)

schrijver

 

Geschreven door Dora om 21:54 Reageer op dit bericht

ik

Een gedicht van Louis Couperus 1863-1923

Ik wil de pure, rechte, marmren lijnen

Ik wil de pure, rechte, marmren lijnen;
De stille plooien, week en wit en breed;
De kleuren hèl in klare zonneschijnen,
De aromen, druivenzwijmlend, rozenheet.

Ik wil in steden blank op forumpleinen
De mensen móoi in vreugde en zelfs in leed,
Dat ik àl 't nietig kleine in grote en reine
Tragedies en verrukkingen vergeet.

Ik wil de zielen blijde om 't rijke leven;
'k Wil overvol van passie 't leve' en vrij,
Onder héel blauwe lucht in palmendreven.

De goden wil ik stralend, hoog verheven,
Rechtvaardig over alle', en mij ter zij
Wil 'k je nièt ànders, dan je bent gebleven...

1906

schrijver

Geschreven door Dora om 19:27 Reageer op dit bericht

weet

Een gedicht van Herman de Gorter 1864-1924

Weet iemand wat op aard het schoonste is?

Weet iemand wat op aard het schoonste is,
Het allerschoonste? welks gelijkenis
Hij ziet in alles wat hem vreugde geeft?
Waarom hij lief heeft wat rondom hem leeft?
Waarom diè rijkdom wil en diè een vrouw
En één zichzelf, hoewel ze allen nauw
Weten dat ze iets zoeken dan een woord
Alleen? Weet iemand dit? Wel, hoort.
Het is waarom het kuiken zoekt de hen,
Het kind de moederborst, waarom ik ben
Bang voor de winter en de herfst, de nacht
Van ’t jaar – waarom een jong kind niet de pracht
Der sterren liefheeft, wel een vlam en vuur
Van een wit kaarsje – met een klaar getuur
Ligt hij op ’t kussen wakker, lang, en met
Zijn ogen volgt hij ’t waaiend flikkren, het
Vlammetje brandt nog in zijn dromen voort.
Het is waarom zang en muziek bekoort,
Maar marmer mij verschrikt en witte kleur,
Ik rode rozen liefheb en de geur
Van blinkend fruit en verf van donzig ooft.
Het is waarom een meisje een man belooft
Te stoven in haar armen en verlangt
Naar ’t warme mooie huw’lijksuur, ze dankt
Hem voor zijn liefde, of hij anders kon.
Het is het vuur, de warmte, ’t is de zon.

Fragment uit Mei (1889)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:38 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten