Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

Berichten van 1 april 2014 tot 30 april 2014

sapientia

Een gedicht van Johan de Laet 1815-1891

Sapientia

Grau, theurer Freund, ist alle Theorie
Und grün des Lebens goldner Baum.

Goethes’ Faust

Zeg mij waarom, ô Vrienden, wilt ge uw brein
Met allerhande dromerij bevrachten?
Is de geschapene wereld u te klein,
Dat ge immer ijlt naar ’t rijke der gedachten?
Is al ‘t genot dat de aarde bieden kan
Te zouteloos, te smaakloos u, mijn Vrienden?
Waant gij het heil op d’adem van de winden
In ’t ijdle ruim des schimmenrijks te vinden,
Dat geesten voert op tijdloos wolkgespan?

Verheven ja, waarachtig hoog verheven
Is ’t edel doel dat gij bereiken wilt,
Om welk gij steeds en jeugd en rust, en leven,
En waar genot van aardsche wellust spilt.

Verheven ja, en schoon is ’t te beseffen
Hoe de Englen op hun vlerken zich verheffen
En voor de troon des eeuw’ge Jehovah
Met éne stem hem zingen Hosannah!

Verheven ja, en schoon is ’t te gissen
Der zielen g’heim, en door de duisternissen
Des hartes heen te dringen, om het woord
Te spellen dat de Adam heeft bekoord.

Verheven ja, en schoon is ’t te meten
De brede kreits van starren en planeten,
En hunne weg door alle heemlen baan,
Met geestenkracht, onfeilbaar na te gaan

Verheven ja, en schoon is ’t te lezen
Met open boek in gans het menselijk wezen,
Te weten hoe het logge of hete bloed
Het harte slaan en de aadren zwellen doet.

Verheven ja, en schoon is ’t in de kringen
Van hoger aard een harpenlied te zingen,
En aller oor te boeien aan het lied
Dat honingzoet uit uwe gorgel vliedt,

Verheven ja, en schoon is ’t, – aardse wormen!
Uw evenbeeld op Godes spoor te vormen,
En, zo als Hij, te scheppen uit het niet
Een gooch’ling waar ge uw ziele binnengiet.

Verheven ja, en schoon is ’t en verrukkend!
Eens heb ik ook, de zware schedel bukkend,
Mij op het eng en ingewikkeld spoor
Der dromerij en wetenslusts verloren;
Eens heb ik ook het wezenloze voor
Het werkelijk, het stoffelijk verkoren
De beker leeggestort van alle vreugd,
En in het zaligst tijdperk mijner jeugd
De ware bron van menslijk heil gedroogd.

Ô Prometheus, gij eeuwig zinnebeeld
Van ieder wie een God te volgen poogt,
Van ieder wie, om ijdle schimmenteelt,
Het heilig vuur aan Godes hemel steelt,
Rijs op! Rijs op! Getuig aan wie het vraagt
Hoe lang de gier u aan de boezem knaagt
Zeg mij waarom, ô Vrienden, wilt ge uw brein
Met allerhande dromery bevrachten?
Is de geschaapne wereld u te klein,
Dat ge immer ijlt naar ’t rijke der gedachten?

Ô Vrienden, Zeg, Kan u de roem bekoren?
Voelt ge u de zucht om uit de mond der faam
Uw naam als enen onvergangbre naam
Door de eeuwen heen te wedergalmen horen?

Wat is de roem? Een ijdel goochelspel
Dat enkel aan de dwazen mag behagen;-
De wijze kent het leven al te wel
Om al zijn heil aan wat gerucht te wagen.
’t Is heden feest! – Ga, zie, en word gewis
Wat eeuw’ge roem op onze wereld is!
’t Is heden feest! – Europa stroomt te saam
In Antwerps vest geleid door Rubens’s naam.

Kom, Vrienden, kom, doorwandel straat bij straat,
Bemerk het volk dat hupplend, lachend gaat,
En zegt u dan: Ja Rubens’s faam is groot,
Twee eeuwen zijn verdwenen sinds zijn dood,
En zie, hij leeft in ’s volks geheugenis
Als of hij pas van de aard verdwenen is!
Hoe klinkt zijn naam verrukkend stand bij stand
Met vreugdegejuich en drift uit aller mond!

Doch nader niet, wilt gij uw droom bewaren,
Zo dichte dat ’t gemommel van de scharen
U duidelijk, verstaanbaer worden kan,
Want dan verdwijnt het uiterlijke, dan
Leert gij dat Rubens’s naam op aller mond
Sinds lang, – doch nooit in iemands harte stond

Zeg mij waarom, ô Vrienden, wilt ge uw brein
Met allerhande dromery bevrachten?
Is de geschaapne wereld u te klein,
Dat ge immer ijlt naar ’t rijke der gedachten?

Ô Vrienden, zie de waarheid als de schaar,
Ontblind uw oog en neem het leven waar
De schare mint en kent het waar verrukken
Zij mag een kus op vuur’ge lippen drukken,
Zij voelt de gloed des levens en zij vraagt
Zich nimmer toch waarom hun boezem jaagt;
Zij drinkt des levens beker, mint en leeft
En zoekt niet wie ’t al geschonken heeft
De onwetendheid is moeder van de lust
Het streelt mij niet als mij een meisje kust,
En dat ik haar een zoen mag wederbiên
Een aaklig rif door ’t poezlig vel te zien.

------------------------------
Sapientia - Wijsheid

Prometheus - Prometheus, een figuur uit de Griekse mythologie.
Bij de toebedeling van vaardigheden door de Griekse goden was de mens er bekaaid van afgekomen. Overmoedig stal Prometheus het vuur bij de Olympische goden en schonk het aan de mensen die zo hun creativiteit konden ontwikkelen.
Prometheus werd door oppergod Zeus gestraft voor zijn overmoed. Wraak viel hem ten deel: hij werd aan de berg Kaukasus gekluisterd waar adelaar Ethon elke dag zijn lever opat.

schaar - het publiek bij de Rubensfeesten

schrijver

Geschreven door Dora om 21:16 Reageer op dit bericht

praeludium

Een gedicht van Th. van Ameide 1877-1955

Praeludium.

De wisselende lichten van de zon
met schijn en schaduw over wisseling
van aardse vorme' en kleuren, ieder ding
altijd weer anders, altijd weer een bron

van nieuw verheugen, dat komt ongeweten
en weer verdwijnt, verglijdend als het licht:
maar van de geest is, niet van 't wisselzicht
het heilig wezen, dat wij schoonheid heten.

De ziel, die heel de wereld stil beschouwt,
in haar zich-zelf, in zich de dingen spiegelt,
en altijd op die diepe stromen wiegelt
in een aandachtigheid, die nooit verflauwt,

zij voelt soms, of de stugge wederstand,
die het gesloten Zijn haar blikken biedt,
een weinig aflaat, en verlangend schiet
haar vrijer aandacht naar dien open kant.

Zij weet het dan: de wereld is een woon
van rust en stilte, en schijn is al 't gewemel,
zij voelt zich opgetrokken in de hemel
en dankbaar prijst zij alle dingen schoon.

De Gids 72 (1906)

Geschreven door Dora om 21:34 Reageer op dit bericht

kliniek

Een gedicht van Frederik Schmidt Degener 1881-1941

Kliniek

Die bleke wangen, levens laatste schans,
'n vege strijd nog en 't is al gevloden.
Vlucht dan dat ene ook, zo grif geboden,
Schuchter aanvaard - slinkt dan voorgoed haar glans,
als zonk van 't laatste rood de laatste vaan?
Moet ook dat éne - eerst in schroom gemeden
en toen gedeeld en fluisterend beleden -
Met het verwonnen leven ondergaan?
Klinkt weer, ontroostbaar diep, verlangens roep?
Roffelt fluwelig ver een spook-cadans?
Wat wekt opnieuw de afgestreden troep?
Verzet en aanval weten niet van wijken
Nog krampt de hoop zich aan de laatste kans,
Een ijle grens tussen twee koninkrijken.

uit de Suite ‘Liefde’ in Silvedene. Tien suites voor viool en woord (1939)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:55 Reageer op dit bericht

taal

Een gedicht van Willem Ockerse 1760-1826

De taal der liefde.

Aan M.

Wanneer de min in de ogen speelt,
En ieder blik een blikje teelt;
Wanneer, in elke warme zucht,
De ziel naar 't zuchtend liefje vlucht;
Wanneer de min de boezem jaagt:
De ontsloten mond een antwoord vraagt;
Der wangen gloed veel meer verraadt,
Dan ooit in minnebrieven staat;
De hand, zacht trillend, drukjes biedt,
Elk drukje een pijl in 't harte schiet;
Wanneer de liefde 't al bespraakt,
De leden tot haar tolken maakt;
Wen 't zacht gelispel wordt verstaan
Geen fluisterwoordjes 't oor ontgaan,
Wen alles teken is en doel,
Voor het vertederend gevoel;
Zeg, heeft de liefde dan geen taal,
Schoon 't haar aan pen of klanken faal?

schrijver

Geschreven door Dora om 19:36 Reageer op dit bericht

melodie

Een gedicht van Frans de Cort 1834-1878

Russische melodie.

'k Zou geen uurtje langer leven,
Zo ik maar een touwken vond:
Wilde er iemand een mij geven,
Zo verhinge ik mij terstond!
Ja, ja, ja,
Wilde er iemand een mij geven,
Ha, ha, ha!
Zo verhinge ik mij terstond!

Hier! ik zal een touwken geven,
Slinger 't uwe hals maar rond! -
Faalde er nu geen spijker neven,
Zo verhinge ik mij terstond!
Ja, ja, ja,
Faalde er nu geen spijker neven,
Ha, ha, ha!
Zo verhinge ik mij terstond!

Hier! ik zal 'nen spijker geven,
Al wat gij verlangen kont! -
Faalde nu de lust niet even,
Zo verhinge ik mij terstond!
Ja, ja, ja,
Faalde nu de lust niet even.
Ha, ha, ha!
Zoo verhinge ik mij terstond!

--------------------------------------------------------
(Julius Altmann, die Balalaika: Russische Volkslieder.)

Zingzang (1866)

schrijver

Geschreven door Dora om 15:14 Reageer op dit bericht

spade

Een gedicht van Geerten Gossaert
 De spade

Voordat Hij naar Emmaüs ging,
Betrad Hij 't bos, waar Judas hing.
Verward in 't doornige struweel,
Het wurgend touw om purp'ren keel.
Hij zag die wijd-gesperde ogen,
Die smeekten om Zijn mededogen.
Hij sneed hem af en vol erbarmen
Droeg Hij hem henen in zijn armen
Naar een heel stil en vredig oord,
Waar hij kon rusten ongestoord.
Daar vroeg Hij aan een man een spade
En deze sloeg zwijgend gade,
Hoe Jezus in die stille gaarde
Een graf groef in de donk're aarde
En teder hem de ogen sloot,
Wiens kus Hem voerde in de dood.
Toen hij in 't gras was neergeleid
En zacht met aarde overspreid
Toen was het, dat de ander vroeg,
Wat naam of toch die dode droeg.
Maar Jezus plukte uit het gras,
Een halm, die een uit vele was,
En peinzend sprak Hij klaar en kalm:
"Weet gij de naam van deze halm?"
En toen de ander zweeg, zei Hij:
"Wie daar ligt was een mens als wij".
Toen d'ander zich voorover bukte
En uit de grond zijn spade rukte,
Had Jezus hij voor 't laatst aanschouwd
En hield zijn hand een spa van goud.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:30 Reageer op dit bericht

doodsangst

Een gedicht van Jacob Israël de Haan 1881-1924

Doodsangst.

Niet in de winter, wanneer dagen duister
Als nachten zijn, wier zwaarte mij verdrukt,
Maar in de zomer, als de bloei, de luister
Van dag en nacht, het bevend hart verrukt.

Niet in de winter als deuren en ruiten
Kreunen bij 't woedend waaien van de wind
Maar in de zomer, als vogels hoog fluiten
De dag laat eindigt en weer vroeg begint,

Vrees ik de Dood, haat ik hem machteloos,
Ik heb het leven zó lief en het gaat
Buiten mijn macht genaadloos naar één eind.

O, Vriend, lach niet meer. Maar een korte poos
Eer de wrede Dood ons beiden verslaat
En onze Vriendschap in het niet verdwijnt.

Liederen (1917)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:55 Reageer op dit bericht

Het kruis

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899

Het kruis

Het kruis ontliet de mens
uit 's vijands helse banden;
met 't kruise wijden hem,
in 't doopsel, 's priesters handen;
gebiecht, gevormd, berecht,
getrouwd, gezalfd in 't kruis,
nog wijst hem 't kruis de weg
naar hier, zijn laatste thuis.
o kruise, dat daar staat,
och, of zij 't allen wisten,
gij zijt het teken en
de hoop van elke christen:
zo Christus leefde en stierf,
in kruisen en verdriet,
zo zult gij, of ge en volgt
in Zijn triomf hem niet!

Juni 1870

schrijver

Geschreven door Dora om 21:34 Reageer op dit bericht

giften

Een gedicht van J.P. Heije 1809-1876
Twee giften.

God gaf twee hemelse geschenken
De mens, in alle vreugde en smart:
Verstand - om scherp en goed te denken...
Om zacht en goed te doen - het Hart.

schrijver

Geschreven door Dora om 19:37 Reageer op dit bericht

toekomst

Een gedicht van Rosalie Loveling 1834-1875

DE TOEKOMST.

Hij hief aan het feestmaal de beker zo hoog,             
Hij sprak, met verwaande woorden,
Van al zijne voorspoed, van al zijn geluk,
Terwijl zij hem zwijgend aanhoorden.

Hij sprak zonder eerbied noch medelij
Over 't onheil van vreemden en vrienden,
En zei, dat de rampspoed geen wakkeren trof,
En de andren hun onheil verdienden.

Mijn zoon, riep hij ontroerd en fier,
(Men hoorde in de keuken hem wenen)
Die zal in zich met twintig jaar
Al de gaven des levens verenen!

Met twintig jaar! En hij rekende 't uit,
Wat hij op die tijd kon vergaren,
En zei wat hij niet al zou doen,
Zou doen met twintig jaren.

Gij spreekt van de toekomst zo zeker en stout,             
Gij zit daar met wangen die blaken.
Helaas! en wellicht is het hout al gezaagd,
Waaruit men uw doodkist zal maken!...

schrijver

Geschreven door Dora om 21:23 Reageer op dit bericht

troost

Een gedicht van Hendrik Peeters 1825-1893
TROOST.

Zie! somber rolt het wolkgewemel!
Maar 'k weet, een kleine sterre blinkt
Daar achter op ecu blauwe hemel —
Een ster, die hartvertroostend pinkt.
De scherpe doorne geeft soms wonden,
Doch waar de scherpe doorne groeit,
Wordt zeker ook een roos gevonden
Die met de schoonste lachjes bloeit.

Meibloesem

schrijver

Geschreven door Dora om 16:59 Reageer op dit bericht

lelijk

Een gedicht van Nicolaas Beets 1814-1290

Lelijk? mooi?

‘Lelijk!’ zegt gij. - Neen voorwaar!
Veel moge aan dit schoon ontbreken:
De adel van een ziel is daar,
Die van 't schoonste weet te spreken,
En de liefde van een hart,
Dat nooit moe van weldoen werd.

‘Mooi!’ verklaart gij. - Waarlijk niet!
Niets moge aan die schoonheid falen:
Die de koude glimlach ziet
Om gesloten lippen dwalen,
Die de trots voelt van die blik,
Blijft bewondren, maar - met schrik.

Gedichten, deel IV (1905)

schrijver

Geschreven door Dora om 16:54 Reageer op dit bericht

woorden

Een gedicht van Herman de Gorter 1864-1924

Aan u dank ik deez' woorden

Aan u dank ik deez' woorden, zachtste wezen,
geurend en frisser dan de dauw, gij zacht
als de atmosfeer. Gij hebt mijn hart
gewekt tot leven, het gepoetst.
In uwe aanraking heb ik geleerd wat poëzie is.

0 dronkenschap, o heilige dronkenschap,
enthousiasme, lere ik toch steeds beter
uitspreken wat uw heilige dienst mij leert.

Verzen (1903)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:49 Reageer op dit bericht

liefde-zang

Een gedicht van Karel van de Woestijne 1878-1929

LIEFDE-ZANG

Zo gij - de luie laan der zomeren verlaten,
de kudden van uw lust naar laatre stal gemend,
en toé de vrede-deure' en stil het gierend blaten,
en 't zorgen voor het voer der morgenden geláten,
de diepre vreugde van de winter-landen kent;
zo gij geen liefde zoekt in strakke dag-gelaten,
en zelfs geen luistrend oor naar duistre nachten wendt;

zo gij - wier gulz'ge droom zijn weer-glans dacht geboren
ter woel'ge waatren van het hevigst levens-feest,-
thans gaat, gelaten en verlate' in zee, verloren
in 't welvig-wadend spel waar de avond-bare' in gloren,
en uw begoochling aan deze éindloosheid geneest,
en - komt geen adem 't staal der stillende ebbe storen, -
glim-lachend in uw beeld uw eigen broosheid leest;

zo gij  was 't brein nog vol van wonderlijke waken,-
uw oog naar menslijk-deinzende einders hebt gekeerd,
en zaagt met wrange lach de nijd'ge steden blaken:
'wijl uwe lippen de ijdelheid der wanen smaken,
voelt ge in uw hart de wrok om eigen waan vermeerd;
zo gij, de schaamte van uw spijt op gloe'nde kaken,
zelf uit uw hart de wentelende hopen weert;

zo gij - o vrouw, wier vragen van geen ijver beven,
en die geen grootre vreugd dan onbewustheid vraagt, -
in u 't geheim van peilloos-schoon geneucht voelt streven,
maar zult met blijde bitterheid geen leven geven
aan de verborgen vrucht die ge in uw zijden draagt;
en met de striem des trots uw drift hebt uitgedreven,
gelijk een zweep de bronst uit tuchtig' hengsten jaagt

en zo ge, zelfs die trots op eigen grond verwonnen,
niet langer in het huis van eigen-min verwijlt,
maar - eindlijk 't wijze werk der eeuwigheid begonnen, -
uw dag snijdt tot een beeld der mense', en zeer bezonnen,
hem over 't vlakke water van de Tijden keilt:
- kom dan tot mijn gelaat dat zag in véle zonnen,
en thans met schampre rust de diepste nachten peilt...

- Mijn kunde is 't koel paleis na zwoele zomer-lanen;
en, - ben ik goed misschien of ben ik boos wellicht, -
mijn zekerheid is als de vreê die na de orkanen
gelijk een pelle, recht en onbewogen ligt.
En ziet - verzaad, niet-waar? - uw oog geen haat er tanen,
noch liefde, noch de koorts der hunkrende onvoldanen:
zie in mijn rustig oog de smaad om ieder licht.

Mijn lach baant u 't genot der hechtste duisterheden;
en, draagt ge in u 't visioen der schoonste schemering,
gij zult naast mij de eindlijk-rijpe tuin betreden
waar elke beurse waan aan eike heester hing.
Dáar zult ge rijzen in de naaktheid uwer leden,
en breken mogen 't kolder van uw star verleden,
en zwaaien naar uw éigen wil uw levens-kling...

Kom in mijn huis, en zie de spiegelloze zalen;
geen hoog-moed die zijn leed aan eigen beeld verblijdt; -
en zo de waapnen van mijn vroegre drift er pralen,
zij flitsen nog alleen in duister eigen-krijt.
Eet naast me 't sterkend alsem-kruid der dage-malen:
ons beider eenzaamheid gaat doelloos neder-dalen
de koele treden van mijn rijk: vergetelheid.

De kelders van mijn lust dragen geen lege vaten,
en - hoe mijn zatheid ook géen ijdle drank gebruik',
welk goden-wijn moog' stromen langs de levens-straten:
hier wacht op volheid géen weerklinkend-holle buik.
Zo moogt ge, o vrouw, wijl géne liefde mij zal baten,
gerust mijn zwarte wijn uw jonge druiven laten,
en gieten aan mijn last uw laatste levens-kruik.

Kom: de asse van de haard laat gene kool nog branden;
en zo de huivring van 't herdenken door u gaat,
wees stil: mijn woordeloze spot heeft zachte handen,
die 't oude wanen-kleed om uwe schouders slaat.
- Onze onverschilligheid zal dwalen langs de landen,
tot waar het zout van ongenaakbaar-schone stranden,
bijtend, voor ons moede oog de Liefde scheemren laat.

De Boom-Gaard der Vogelen en der Vruchten (1903-1905)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:25 Reageer op dit bericht

de stilte

Een gedicht van Pol de Mont 1857-1931

De stilte trekt, op donzen voeten

De stilte trekt, op donzen voeten,
een stomme schildwacht, gans alleen,
door lege straten... Treurig groeten
de sterren door de nevels been.

Lang was de dag en zwaar van zorgen...
Mijn hart is lam; mijn hersens moe...,
en dubbele zorgen brengt de morgen
misschien...; mijn ogen vallen toe...

En toch, - toch vindt mijn ziel geen ruste! -
Gelijk de zeemeeuw, afgedwaald
bij 't wilde noodweer van de kuste,
waar zij, om te azen, nederdaalt,

op klamme, half doorweekte schachte,
dwars tegen wind en waterslag
in, door- en voortvliegt heel de nachte
en voort- en doorvliegt heel de dag;-

zo wou, wat haar te pletter drukke,
aan laag en grof haar kluistren moog,
mijn ziel het al aan flarden rukken
en vliegen, waar zij nimmer vloog;

zo wou mijn ziel, de wreed geslagene,
ópwiekend hoog uit slijk en slam,
áfwerpen 't al te lang gedragene
slavinnenpak, en - als een viam

óptongend boven mist en wolken,
uitspannen, groots, in 't groots azuur,
tot ogenlust van alle volken
mijn hemeldroom in zevenkleurig vuur. -

schrijver

Geschreven door Dora om 21:42 Reageer op dit bericht

gelatenheid

Een gedicht van Johannes Immerzeel 1776-1841

Gelatenheid

Gelatenheid in 't lot
toont eerbied voor een God
die alles wat Hij geeft
zo wijs berekend heeft.

Ziet zich de onnoozle mens
gedwarsboomd in zijn wens,
zijn wrevel stort zich luid
in zucht en weeklacht uit.
Grimt hem de rampspoed aan,
hij krimpt reeds voor het slaan,
en kermt de echo moe
bij de eerste slag der roe,
alsof hem 't lot te wreed,
te ondraaglijk lijden deed.
Slaat hem het ongeluk
de stugge nek in 't juk,
zijn knieën knakken neer;
geen adem rest hem meer.
Gesmaald door maag en vrind,
schreit hij zich de ogen blind,
en bidt het dove graf
een haastige uitkomst af.

Kortzichtig schepsel! zwijg,
en voer geen dwaze krijg
met de onnaspeurbre Macht,
die kruis bedeelt naar kracht,
die kommer en ellend'
uit hoge ontferming zendt,
opdat de kroes der smart
tot loutring strekk' van 't hart.

De straal vervare u niet
die de onweerwolk ontschiet,
en beef niet voor 't gerucht
dat klatert door de lucht;
maar zie hoe 't hemelnat
weer bloesem, kelk en blad
verfrist, verkwikt en drenkt
en kracht en leven schenkt.
Zie hoe de lucht reeds dunt
en weer de doortocht gunt
aan 't licht, dat goudstof strooit
en om de wolkrand plooit
en nu de donder zwijgt
opnieuw ten wagen stijgt.

Hou tegen alle leed
het hart ten kamp gereed!
Al wat ooit de aarde gaf,
verslenste en viel weer af.
De bloem die 't meest verrukt,
wordt dikwijls 't eerst geplukt;
de plant, die 't weligst groeit,
is meest het eerst verbloeid;
de boom die 't vruchtbaarst tiert,
wordt door het ongediert'
de vruchten 't eerst ontroofd
die 't bloesemblad belooft.
Ook zo is 't met uw lot;
ook zo met elk genot
gij smaakt het, en het vliedt:
gij zijt geen dag, geen uur
gewaarborgd voor zijn duur;
daar meest het eerst verdwijnt
wat u 't bekoorlijkst schijnt.
Hou tegen alle leed
dan 't hart ten kamp gereed!

En treft u 't ongeval,
sta als de steenrots pal,
die tot in 't hart der aard'
met de ijzren wortel vaart,
en 't hoofd biedt aan de orkaan,
hoe fors zijn vlerk moog slaan.
Beur ongeschokt het oog
vanuit de ramp omhoog,
en verg in 't smartlijk lot
nooit rekenschap van God.
Let minder op 't gemis
dan 'tgeen u over is;
wees dankbaar! want hoeveel
blijft nog op aarde uw deel!
Hoeveel voor u ten baat,
dat anderen ontstaat!
Hoeveel nog lacht u aan,
voor andren lang vergaan!
En is uw droef gekwel
niet vatbaar voor herstel?
Almachtig is de hand
die 't wentlend lot omspant,
en zoet en zuur bedeelt,
en wat zij wondt weer heelt!

Vertwijfel in 't verdriet,
kortzichtig schepsel, niet!
Gelatenheid in 't lot
toont eerbied voor een God
die alles wat Hij geeft
zo wijs berekend heeft.

schrijver

Geschreven door Dora om 20:08 Reageer op dit bericht

half april

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899

HALF APRIL

Gij blauwgekaakte wolken daar,
     halfwit, omtrent uw boorden,
die gruwzaam in de hemel moêrt,
     en grimt in ‘t gramme noorden:
hoe lange speelt gij, koud en kil,
     de baas nog hier? ‘t Is half april!

‘t Is onbermhertig koud; en ‘t kan,
     de zonne ondanks, gebeuren,
dat, ‘s morgens, al dat gers is, wit
     geruwrijmd, staat te treuren!
Waar wilt gij, boos geweld, naartoe,
     des winters? Wij zijn wintermoe!

‘t Moet zomer zijn, geen koude lucht,
     die bijt en straalt; ‘t moet open,
dat, wachtende, in de botte zit
     of weer in ‘t gers gekropen,
van schuchterheid, voor ‘t nijpen van
     de hardgevuiste winterman!

Staat op, gij oosters zonnelicht,
     en schiet, bij volle grepen,
uw schichten uit; doorkwetst, doorlijdt
     het graf, daarin, genepen,
de zomer zat: verrijzenist
     des konings kind! Te late al is ‘t!

Hallelu-jah! dan zingen zal,
     dat ‘t wederklinkt alomme,
de gorgel los, de vogel en
     de luidgekeelde blomme;
de klepel zal de klokke slaan
     en kondigen de Koning aan.

12/4/1897

schrijver

Geschreven door Dora om 11:41 Reageer op dit bericht

antwoord

Een gedicht van C.S. Adama van Scheltema 1877-1924

Antwoord

Ach kind: waarheid en leugen
Zijn altijd wat verward,
Want geen van beide deugen
Ze alleen voor 'n mensenhart.

Weef tusse' uw hart en 't leven
Het kleed van schone schijn -
De bloemen daar geweven
Zullen de ware zijn.

Als andren ze anders noemen
Hebben zij ook gelijk -
Het zijn nu eenmaal bloemen
En leugens tegelijk.

Wat deert het of het waar is
Zo 't u wat moois verhaalt -
Als 't kleed ten leste klaar is
Wordt 't toch weer uitgehaald.

Niet gans uw ogen sluiten,
Alleen maar meer of min: -
't Is binnen niet, niet buiten,
Maar altijd middenin!

Uit stilte en strijd

schrijver

Geschreven door Dora om 22:42 Reageer op dit bericht

mensheid

Een gedicht van P.L. van de Kasteele 1748-1910

De voortreffelijkheid der mensheid.

De Vleizucht moog een lofzang zingen,
Als Heerszucht mensenbloed vergiet,
Om volken door haar wenk te dwingen;
Zij schat, onsterfelijk mens! zij kent uw grootheid niet.

Geen troon verheft, geen stulp vernedert;
Het goud versmelt, en de eer is schijn;
Maar 't hart, door eedler smaak vertederd,
Zingt vrolijk; ‘'t Is voor mij genoeg, een mens te zijn.’

Voortreflijkst Schepsel! Heer der Aarde!
Uws Makers liefde! Uws Makers beeld!
Gevoel, als Gods geslacht, uw waarde,
En toon, dat in uw geest de Geest der Godheid speelt!

Zo pronktet ge eens, gelijk een çeder;
Dan ach! nu ligt ge in 't stof geveld:
Gij storttet van uw hoogte neder,
Daar ge, al wat u omringt, hier tot verwoesting stelt.

En nog wil God de mensheid eren:
Gods Zoon werd mens, en stierf op aard,
Leer mensdom, leer uw zelf waarderen;
Zo veel is uw behoud zelfs aan de Godheid waard.

Al moog deze Aarde een handvol schijnen
Bij 't groot Heelal, een stip bij God;
Al ziet ge u op dit stip verdwijnen;
De mensheid van Gods Zoon plaatst mensen naast bij God.

Hij heeft uw schuld op zich genomen,
En is tot ons met 's Vaders Geest,
Tot God met ons rantsoen gekomen:
Hij is een mens bij God, en God bij ons geweest.

Hij heeft de mensheid hoogst verheven,
God zag in Hem, schoon 's Mensen Zoon,
De heiligheid der Godheid leven;
En wij, wij zien in Hem de mensheid op Gods troon.

Daar mag Zij 's Wereld lot bestieren,
Ten nutte van de Broederschaar:
Wij zullen ook eens zegevieren;
De kroon is in de hand van onzen Middelaar.

Wat is het groot, een mens te wezen!
Schoon de Englenrang ons hoger schijn;
Wij, in 't verheerlijkt vlees verrezen,
Wij zullen, meer dan zij, gelik aan Jesus zijn.

Hij, die met ons als broedren handelt,
Liet ons zijn Woord en Geest te pand,
Welaan! zijn voetspoor nagewandeld!
Daar Jesu's mensheid is, daar is ons Vaderland.

ô Mens! hoe Godlijk zijn uw schatten!
Het stof is voor 't gewormt bereid;
Niets eindigs kan uw heil omvatten.
Gods rijkdom is uw schat, uw leven de Eeuwigheid.

Gezangen (1790)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:38 Reageer op dit bericht

spiegelbeeld

Een gedicht van Aart van der Leeuw 1876-1931
HET SPIEGELBEELD.

Vriend, als gij door de wouden dwaalt,     
Zingend Uzelf in 't groen vergetend,
Zingend Uzelf in 't groen vergetend,
Dat mederuisend rijst en daalt
Die broederblijheid welkom hetend,

En gij Uw ziel verliest, verdeelt
In 't duizendvoud gelede leven
Zo gans, dat zelfs de dood een beeld   
Uit dromen lijkt, met loof omgeven,

Mocht dan de zon, of 't rustloos lied
Uw lippen naar een dronk doen dorsten,
Wijl gij daar knielt vol zorg dat niet
Uw hand het kostlijk bronnat morste,

Denk, vriend, dat gij Uw hoofd niet richt    
Voorover boven 't klaar weerkaatsen,
Want schrikken zult ge om Uw gezicht
Als van de aanblik eens melaatsen,

En eenzaamheid zal om U zijn
Als waart gij Naar het laatste wezen,
In 't hout zult gij Uw dodenschrijn
En in het mos Uw groeve vrezen.

Liederen en balladen (1911)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:06 Reageer op dit bericht

zomer

Een gedicht van J.A. van dèr Mouw 1863-1919

Hij wil gaan liggen, uitblazen een poos

Zomer

3.

Hij wil gaan liggen, uitblazen een poos,
En hangt smaakvol in evenwijd'ge bogen
Zijn dweilen uit, om onderwijl te drogen,
Rood, geel, groen, blauw van verf en bloed en roos;

Op 't tekenvuil in 't oosten gooit hij boos
De kop'ren kam, nu helemaal verbogen. -
Pet-blauw, knoop-geel, stuiptrekkend vastgezogen
Veel buit aan kam: hij voelt zich virtuoos.

Daar krauw'len uit de schurft luizen en maaien:
Ze zien verbleken de onschaadlijke dweil,
En machtloos-verre tanden groenig laaien:

Lovend hun luizengod in luizenstijl
Gaan dankbaar ze naar bed, en vroom en geil
Kruipen ze zwetend op elkaar en n.....

schrijver

Geschreven door Dora om 22:00 Reageer op dit bericht

straks

Een gedicht van J.A. dèr Mouw 1863-1919

Straks vieren we Zaterdagavond

Zomer

2.

Straks vieren we Zaterdagavond: Wind
Bezemt en ragebolt met macht van water
De luizen weg, en met rat'lend geklater
Hagelen de eier, droogramm'lend als grind.

Met drie, vier tanden, roestig-groen, begint
De geelkoperen kam haar werk, en slaat er
Op los in roos en schurftgebergte, en staat er
Een luis of teek, knappende dood hij vindt.

De luizen vluchten naar hun stedennesten:
Ze hebben meen'ge Zaterdag doorstaan,
En laten zich door 't nat lawaai niet pesten.

De wind amechtig dweilt langzaampjes aan
Tot wriemelende hoop de tekenresten;
De luizen laat hij: dàt is niets gedaan.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:43 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten