Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

Berichten van 1 april 2015 tot 30 april 2015

wind

Een gedicht van G.W. Lovendaal 1847-1939

Stil van wind.

Daar lei een scheepje gemeerd in het Diep.
De wind was ter ruste, het watertje sliep
En 't scheepje moest liggen tot later;
Het spiegelde intussen voor tijdverdrijf
Zijn mast en zijn want en zijn ranke lijf
In 't klare kristal van het water.

Geputst had de schipper, gegutst had het nat
En gangboord en stuurboord en alles was glad
En fris van het stromende water.
Toen floot hij een deuntje en draaide gezwind
Een zon uit zijn zwabber en keek naar de wind,
Maar 't wimpeltje druilde: - tot later!

Kindergedichten  (1914) 

schrijver

Geschreven door Dora om 21:46 Reageer op dit bericht

ziel

Een gedicht van Albert Verwey 1856-1936

Licht mijner ziel

I

Licht van mijn ziel! ik zag u steeds van ver,
En wist wel dat gij eindlijk komen zoudt; -
Woorden, die ik niemand heb betrouwd,
Gaan uit als bleke vlammen, - als een ster,

Die in 't azuur, maar blanker, lieflijker,
Zie 'k in uw lokken liggen 't licht gelaat;
't Mysterie van veel leeds, maar nooit van haat,
Droomt in uw ogen; - 'k zag het steeds van ver.

Ik zal u zien, mijn Licht, zo zie gij mij:
In één zoet waas van gloed, waar ieder woord
Doorheenvlamt van de lippen en saamglijdt

Met andere tot één lichtende enigheid -
En elk van ons droomt in een glorie voort,
En andre glorie gaat ons stil voorbij.

Van de liefde  die vriendschap heet

schrijver

Geschreven door Dora om 22:18 Reageer op dit bericht

zingende

Een gedicht van J.H. Leopold 1865-1925

Zingende lucht

ZINGENDE lucht
zingende wind -
en binnen in,
binnen de struiken
ligt uitgegoten
een donkere vijver
en luistert en hoort,
hoort stil verloren
en denkt en peinst...
Want van lente, van lente,
Het zingt al van lente en zonneschijn.

Vroege gedichten

schrijver

Geschreven door Dora om 22:19 Reageer op dit bericht

perzik

Een gedicht van Willem de Merode 1887-1939

TE VROEG BLOEIENDE PERZIK

Het voorjaar kwam zó vroeg
Met zon en luwe winden,
Dat ik in een verblinde
Verrukking bloemen droeg.

Ik kon de vaste tijd,
Door U besteld, niet wachten.
't Hunkren van mijn gedachten
Werd teedre werklijkheid.

0, de eerste morgen, dat
Mijn bloei zich openbaarde,
In de verdorde gaarde,
Hebt Gij mij liefgehad.

Toen, voor mijn weligheid,
Waarvan de twijgen rillen,
Hebt Gij mij gekastijd,
En mij omhuld met stille

Huiven van sneeuw, en dauw
Die stierde tot kristallen;
Nu sta ik star en grauw
Tussen de bloei van allen.

Maar wie mijn doodheid laakt,
Gij weet, dat ik kàn bloeien.
En uit verholen gloeien
Gij bloem en vruchten maakt.

Och God, Uw lente prijkt -
Wie weet - nog vele jaren.
Laat 't hart Uw gunst ervaren,
Tot het in bloei bezwijkt.

De donkere bloei (1923 - 1925)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:09 Reageer op dit bericht

niet goed

Een gedicht van Victor A. dela Montagne 1854-1915

Het is niet goed.

Het is niet goed, door 't leven te gaan,
met hoofd en blikken omhoog gericht,
omhoog, - ter glanzende starrenbaan,
ter eeuwig stralende lichtsfeer.

Het is niet goed op een hoogte te staan,
wel vele duizenden in 't gezicht,
hoog boven het slijk, midden storm en orkaan,
waar de kiem van worstelen en strijden in ligt.

Want zij die daar gaan door de schemernacht,
vrijwillig, - naar geest, en hart en gemoed,
vergeven het niet, dat u 't licht begroet;
en wee! - het zijn er velen.

Want zij, wie de kracht tot hoger ontbreekt,
die baggren ontzenuwd in modder en slijk,
vergeven ze u niet, de verhevene wijk:
en wee! - het zijn er velen.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:04 Reageer op dit bericht

geen

Een gedicht van Karel van de Woestijne 1878-1929

Er is geen tijd

Er is geen tijd. Wat gistren was
is wat vandaag me een liefde wijst.
Herdenken: ongedronken glas
dat morgen laaft en spijst.

Wat is me droeve scheppings-daad
en baren in 't gelaat der dood?:
een kindje dat aan 't schaatren slaat
daar 't wemelt in mijn schoot.

Welke is de krankheid die me pijnt
bij dreigend komen en vergaan?
Wij zijn, daar ze onbeweeglijk schijnt,
een sterre aan hare baan.

Wij reizen, en uit ieder punt
verrijst een einde, ontrijst begin;
waar alles wat het leven gunt
verlies is, en gewin.

En komt eens de ongenode Gast
ons scheemren in 't vervaald gelaat,
o Dood, met avond rijk belast:
dàn wordt het dageraad.

schrijver

Geschreven door Dora om 17:10 Reageer op dit bericht

liedje

Een gedicht van C.S. Adama van Scheltema 1877-1924

Liedje

voor de geestelijke middenstand

Neem gij het leven
Zoals het is -
Een beetje onrechtvaardig,
Een beetje boosaardig,
Maar ook wel eens aardig
En soms lang niet mis!

Leef gij het leven
Zoals het gaat -
Niet al te opzichtig,
Niet al te gewichtig,
Een beetje voorzichtig
Dan is 't niet zo kwaad!

Houd gij het leven
Bedaard in het oog -
Toon gij u krachtig,
Uw doel steeds gedachtig,
Nooit onwaarachtig,
En dan: kop omhoog!

Zingende stemmen (1914)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:48 Reageer op dit bericht

dernier refuge

Een gedicht van Dop Bles 1883-1940

DERNIER REFUGE

Vrouw, ik wil wel met u leven,
treed mijn open kamer in,
mijn bezit zij u gegeven,
doch verzwijg mij voze min.

De juwelen van een Carmen
zijn de zonde, die verwondt,
ik wil liggen in uw armen,
met uw adem op mijn mond.

'k Stoot dan 't hoge venster open
op de neergevelde nacht,
waar verdoemde zielen lopen
in een onbegrepen pracht.

En de uren zal ik proeven
als een geurend gift-likeur,
en uw leven blijve toeven
tussen 't venster en mijn deur.

En de maanden en de dagen
gaan ons ongekend voorbij;
alle bloesems die zij dragen
zijn gewenst door u noch mij.

En de nachten zullen groeien
en ons leven zal vergaan,
't lege hart zal stil verbloeien
in een zelf bedachte waan.

Nu gij 't leven dorst verspelen
afgestompt voor vreugd en pijn,
wil ik wel met u nog delen
dit bestaan van zielloos zijn.

Parijsche verzen Bussum 1923

Geschreven door Dora om 21:57 Reageer op dit bericht

maannacht

Een gedicht van Th. van Ameide 1877-1955

Maannacht.

Een lichten en een wuiven
ging door het wakend woud
in ruisend, schittrend stuiven
door het bebladerd hout;
de volle takken hingen
te zwieren en te zingen
in zilvren flikkeringen
op 't feest van wind en maan.

De wijde, heldre hemel
blonk rijk in elk verschiet,
waar 't fijnere gewemel
zijn glans een doortocht liet,
en luistervolle ronden
van gulden misten bonden
de stralen, die zij vonden
vervloeien door de boog.

En waar de maan in 't hoge
hing heerlijk aan de lucht,
veel grote wolken vlogen
hun snel-gejaagde vlucht;
maar als hun ijl gevaarte
vlood langs de ontzagbre klaarte,
versmolt zijn laatste zwaarte,
in 't machtig licht vergaan.

De hoge wind liet rustig
de dichtomgroeide gang,
maar schudde sterk en lustig
der kronen bladervang:
het was een deinend neigen,
een zinken en een stijgen,
een vleien en een dreigen
van allen onderéén.

Het licht viel neer in plassen
op de verschrokken grond,
of ging een boom verrassen
waar hij te dromen stond
en weefde door zijn lover
een stille vonkentover,
of speels vergleed weer, pover
hem latend als hij was.

Toen zagen wij de vlugge
nimfen uit oud verhaal
aanschimmen en terugge
duiken in loverzaal,
hun schijnig blanke leden
opeens hun lokking breden,
dan in de heimlijkheden
verdwijnen weer als damp.

Wij voelden als die ouden,
die uit hun hoop en vrees
zoo in hun duister bouwden
het beeld dat ons verrees;
in wisselender schijnen
ontbloeien en verkwijnen
het stoeien en verdwijnen
zagen van god of geest.

Wij zijn, ach, zoveel wijzer,
weten van maan en wind;
ons hart is zoveel grijzer,
zo helemaal geen kind:
de nimfen zijn gevloden
met woud- en watergoden,
geen schemering bergt boden
meer uit een andre weerld.

Maar 't oog, dat groot kan schouwen,
ziet strakker, sterker schoon
dan wat zich kindren bouwen:
op aarde een tover-woon.
Ons was dit woud niet ledig,
de wind, het maanlicht vredig
maakte' ons zo zacht en zedig:
wij meenden te verstaan.

Wij voelden zonder windsel
van beeld en woord en waan
't mysterie als beginsel
van heel ons aards bestaan:
rondom en in ons zelven,
te dieper, naar wij delven
al dieper de gewelven
van onze wetensgang.

Mysterievol blijft bloeien
ons leven als voorheen:
't geweetne gaat vermoeien,
laat leeg ons en alleen,
maar in deez' weerld van wonder
gaat onze ziel niet onder,
zij ziet zich zelf er, zonder
te wèten wat zij ziet.

Een woud in licht aan 't wieglen
is vol van haar beweeg,
zij mag zich zelf er spieglen,
ook zij niet zwart en leeg
noch weemlend van fantomen,
maar als een woud van dromen,
doorbruist in helste stromen
door storm en gloed van God.





 

Geschreven door Dora om 21:56 Reageer op dit bericht

maan

Een gedicht van V. de Meyere 1873-1931
De hoog-geslegen maan glimt door de twijgen.

De hoog-geslegen maan glimt door de twijgen.
waaraan de witte bloesems bottend hangen,
en giet mijn weelde in rijzende gezangen,
die als een wijdend lied ten hemel stijgen.

In zilvren luister, de oude kruinen neigen
hun geel-bedroomde schaûw, wijl roerloos, bange
ontbloeit, rond hen, mijn tros-gebouwd verlangen,
zachtkens verruisend tot een heilig zwijgen.

Langs 't rustend blauw, met mijmer-blond omweven,
voel ik mijn ziel langs klare tonen zweven,
opbeurend in wijd-klinkend koor gedragen.

En in de bladerstille lucht, met trage
glinsters, lichtend-gestrooide sterren blinken,
wijl Nacht en Vrede in 't zwellend harte zinken.

bron: Van Nu en Straks jrg 2 (1894)  

schrijver

Geschreven door Dora om 22:45 Reageer op dit bericht

bloemen

Een gedicht van C.S Adama van Scheltema 1877-1924

Bloemen

Ach, heb toch altijd ergens
Een beetje bloemen staan -
Zij doen toch altijd wel even
Een beetje gelukkig aan!

Een stil liedje van kleuren,
Een fijne, blij-mooie tint -
Even een kleine ontroering,
Als de lach van een lief kind.

Alles, alles neemt het leven,
Het laat ons ieder eenmaal berooid -
Maar het geluk van een beetje schoonheid
Dat ontneemt het ons nooit!

De keerende kudde (1920)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:55 Reageer op dit bericht

ploert

Een gedicht van Adriaan Loosjes 1735-1813

De ploert.

Wijs: Ach hoe lekker is het zoenen.

A g n i e t.


Kijk daar gaat die grootse jongen!
Kaatjebuur! kijk over deur,
'k Heb mezelve daar bedwongen,
Dat 's de kleinzeun van de Fleur.
De oudjes leefden zo bedaardjes,
Pieter is een schand op straat,
Zie zijn hoed staat op drie haartjes,
En hij kijkt als een soldaat.

Misselijk zijn al zijn trekken
Hij mag stappen als een pauw.
Foei die rooie en blauwe plekken!
Lippen als lazuur zo blauw.
't Is net of er eens een regen
Puisten op zijn wezen viel,
'k Loof hij het te bleek gelegen
Kaatje! 't is zo'n slechte ziel.

K a a t j e.

Wel kwam jij me wat vertellen,
Had je dit dan maar gespaard,
Want hij slaat met zijn gezellen
Menigmaal de kreuple waard.
Hij kan zelf de wacht bedriegen,
't Is met hem geheel niet pluis,
Als de vledermuizen vliegen,
Krijgt hij vrouwvolk aan zijn huis

Laatst, daar wij nu van hem praten,
Kreeg 'k een reekning aan mijn huis.
Toen 'k de man had ingelaten,
Zei ik al: jij hebt abuis.
Maar de karel wist wel beter.
Oele! zij was net voor Piet.
'k Zag toen, hoe hij in Czaar Peter
Menig maaltje geven liet.

't Was veel meer als honderd gulden.
Kees de snijer zei dees dag,
‘ô Hij het zijn naars vol schulden
En zijn kleren zijn als rag.’
Nou pronkt hij met zijen kousen,
Die hij kocht bij Franse Lot.
ô Hij leent het geld van smousen,
Schielijk raakt achter slot.

Volks lieden-boek  (1785)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:04 Reageer op dit bericht

avondstilte

Een gedicht van Hugo Verriest 1840-1922

Avondstilte

’t Wordt laat, en ’t zwijgen zinkt met stille avond neder,
En stille, de avond dringt me in ’t eindloos diepe hert,
En ’t eindloos herte, moe van ’t wentlen weg en weder,
Staakt ’t wentelen en rust in stille zoete smert.
O smert, geen zoetheid kan aan ’t rustend zoet genieten,
Het zoet genieten van uw ijdele eindloosheid,
Uwe ijdele eindloosheid die ’t dromen vol kan gieten,
Het stille dromen van des avonds enigheid.
’t Is eens en avond, en de duisternissen dalen
In halve duisternis doorschijnend in de nacht,
Waar schijnend heldre sterren aan de hemel pralen,
De hemel licht doorlaaid in heldre sterrenpracht;
Die sterrenpracht die ginds oneindig wendt en wiegelt;
Oneindig wendt en wiegt in ’t meteloos gespan,
En meetloos in de klene klare dauwdrop spiegelt,
De dauwdrop, mijne ziel, die ’t eindloos spieglen kan.
Het eindloos hangt daar hoog en ligt hier neer te dromen,
Te dromen in de vlakte en in het zwijgend woud,
Het woud dat zwijgend rijst met halfverlichte bomen,
Die bomen vormeloos die schijnen eeuwenoud:
Want eeuwenoud is ’t al en meteloos te samen
Als samen stilte ligt en nacht op de natuur,
Natuur, onroerbaar stil waar blad noch bomen aâmen,
Noch de adem van de tijd waait in de drijvende uur.
De drijvende uur ligt stil op roerloze bomen,
En roerloos voor de bos strekt ’t ongemeten land,
Het ongemeten land dat donkre verten zomen,
Die verten meteloos lijk zeeën zonder strand.
En zeeën zonder strand van stille zoete smerte,
Van smert onroerbaar, kalm en vrij van bitterheid,
Onroerbaar liggen, kalm, in ’t zwijgend einloos herte,
Met ’t eindloos gevoel der eeuwige eendloosheid.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:02 Reageer op dit bericht

zon

Een gedicht van Hendrik Marsman 1899-1940

De zon hing laag.

De zon hing laag.
tussen de witte muren
verbloedde goud en zwart
het avondrood.
hij, van zijn hoog terras,
volgde de lange strepen,
het vluchtig zog
van nooit geziene
nooit gedroomde schepen
door het gemarmerd
zilver van de zee.

de huiveringen
van 't geschubd metaal,
door 't stijgend maanlicht
rimpelend beschenen,
waren die nacht op zee
het enig teken,
dat twintig eeuwen
ademloos verstreken
en in zijn hart
antieke vrede
was gedaald.

Tempel en Kruis (1940)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:45 Reageer op dit bericht

liefde

Een gedicht van Adriaan van der Hoop 1802-1841

Geen liefde is de eerste min gelijk.

Geen liefde is de eerste min gelijk,
Hoe men zich zelf misleidt,
Geen is zo zuiver, geen zo rijk
Aan onbaatzuchtigheid.
Ach, schoon men mij van liefde spreek'
'k Gevoel het diep in 't hart,
Het beeld van hem, die van mij week,
Diens liefde baart mij smart.
Geen liefde is de eerste min gelijk,
Geen dieper hartenwond,
Dan als, ná 't eerste liefdeblijk,
Men ontrouw ondervond. -
Al toon ik soms een blij gezicht,
En opgeruimde zin,
In 't binnenst van mijn boezem ligt
Altijd nog de eerste min.

Geen liefde is de eerste min gelijk,
Hoe men ook de andre roem:
Is 't lieflijkst waar deze aard mee prijk:
Niet de eerste lentebloem?
Klinkt de eerste toon niet dubbel schoon
Van 't nachtegalenlied;
Is de eerste min, hoe snel gevloôn,
De teerste en eêlste niet?

schrijver

Geschreven door Dora om 16:38 Reageer op dit bericht

ogen

Een gedicht van P.C.Boutens 1870-1943

Ogen

De schemer die gestadig
Over mijn ogen dicht,
Breekt als een wolk weldadig
In dauw van aldoorvloeiend licht.

Of door de strakke weiden
Van zonneblinde lucht
De blonde bloei zou breiden
Van dagverloren sterrenvlucht,

Zo uit zijn luwe dekking
Mijn oog verhelderd ziet
In lentelijke ontwekking
De diepe tuinen van 't verschiet...

O horizon van ogen,
Op Gods onpeilbaarheid
In ommegaande bogen
Uitzicht ondeelbaar saamgereid

Uit watereêlste stenen,
Elk in zijn zuivre kleur,
In lachen en in wenen
Tot vensteren doorschenen
Op alle goddelijk gebeur...

De heemlen schijnen binnen
In 't schaduwbloede hart,
Der ziele vleuglen zinnen
In onbegrensd beminnen
Gaan op in lichtste vreugd en smart...

Niets kan van u ontluistren
Mijn overvloed en nood,
O ogen niet te duistren
Door 't leven en niet door de dood!

Bezonnen verzen (1931)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:36 Reageer op dit bericht

klaaglied

Een gedicht van W.J. van Zeggelen 1811-1879

Klaaglied van Jan Chagrijn.

'k Ben niet wat ik eertijds leek:
Zo gezond en krachtig;
'k Dut soms bij de schoonste preek,
Kijk, het spijt me machtig!
'k Lig te waken in mijn bed,
'k Droom heel naar of sidder;
'k Haat gezelschap, schuw de pret,
'k Dwaal als dolend ridder;
'k Heb een hekel aan 't kantoor,
'k Maak er duizend bokken;
Stelt men mij iets deeglijks voor -
'k Gooi het in de stokken.
'k Heb het land aan mijn viool
Die men me eens benijdde;
Als 'k in mijn lectuur verdool,
Roept me een vriend ter zijde.
Let maar op: het weer is slecht
Als ik zal gaan vissen;
Wat ik zoek, komt nooit terecht;
Wat ik vind, kan 'k missen.
Wie ik liefst ontwijken wil
Kom ik 't eerste tegen;
Als ik graag mijn kooplust stil -
Ben 'k om geld verlegen.
Krijg ik wijn - ik heb geen dorst;
Als ik speel - verlies ik;
Vraag ik kip - men geeft mij worst;
Onder 't scheren - nies ik;
Meld ik nieuws - men kent het al;
'k Word al stug en stugger;
Vraag 'k een dame voor het bal -
Andren waren vlugger.
Als 'k met smart op brieven wacht -
Krijg ik.... rekeningen;
Heb 'k een aardig lied bedacht -
Buurman gaat het zingen;
Moet ik uit - mijn linnengoed
Is bevlekt of pover;
Eist mijn billet-doux veel spoed -
'k Smijt er d' inktpot over;
Geef ik iets mijn maaklaar op -
Hij verspeelt mijn renten;
Schrijf ik versjes - op mijn kop
Trommlen recensenten;
Is mijn weetlust opgewekt
Voor een stal van boeken -
Och ja wel! ze zijn defect
Waar 'k iets na wil zoeken.
Als 'k op reis ben en gejaagd -
Blijft de spoortrein steken;
Ben 'k op een diner gevraagd -
'k Las dan liever preken.
Drink ik thee en wens ik zwart -
Groene moet ik slikken;
Speel ik een partij biljart -
'k Beef als 'k mooi zal mikken.
Zo 'k eens op de jacht wil gaan,
Moet ik uit begraven;
Lacht een lekkre vrucht mij aan,
'k Mag me er niet aan laven.
Als ik liedjes zingen zou,
Ben ik dood verkouën;
Waar ik me op het ijs vertrouw -
Kan 't me niet meer houën....
En toch lachte ik dol van pret
Bij die zielensteken,
Was mijn lieve SIENE-BET
Niet voor mij verkeken.
Ach, wat troost me in al 't chagrijn?
Wijs me toch het klooster!
Of, zo daar geen plaats mocht zijn....
Word ik ziekentrooster!


1849.

De dichtwerken (1868)

schrijver

Geschreven door Dora om 16:20 Reageer op dit bericht

voorjaar

Een gedicht van Nicolaas Beets 1814-1903

Voorjaar.

Mijn hof ontwaakt, wordt groen, wordt wit
Van bloesems aan de twijgen:
Reeds zoo veel malen zag ik dit,
Maar kon er nooit bij zwijgen.

Het blijft een wonder in mijn oog,
Zoo wonderschoon te aanschouwen,
Dat krachtig opwijst naar omhoog,
En aanspoort tot vertrouwen.

Hij leeft nog, die het leven geeft
En weergeeft uit de doden!
Hem lieve en loov' wat adem heeft,
En zoek' hem in zijn noden!

schrijver

Geschreven door Dora om 21:48 Reageer op dit bericht

avond

Een gedicht van Johan Danser 1893-1920

IN DE AVOND

Des avonds buigt mijn lome mijmring over
Naar haar, mijn lief, en naar haar stil gemoed:
Zo nijgt een boom soms wel zijn bronzen lover
Over het koele water aan zijn voet.

En ik word droef. Want derft mijn ziel de tover
Dier lieve stem die 't wrangst gemis verzoet
Dan welkt mijn trots en ben ik naakt en pover,
Alleen verschroeid door felle hartstochtgloed.

Dan troost mij niets en schrei 'k in bange klachten
De helse pijnen mijner angsten uit,
Dan streelt mijn smart de somberste gedachten,

Tot mij de slaap de brandende ogen sluit
Om eindelijk mijn wezen traag te omnachten
Met zware droom, verscheurd door geen geluid.

schrijver

Geschreven door Dora om 15:13 Reageer op dit bericht

de verrukking

Een gedicht van Johannes Klinker 1764-1845

De verrukking.

Geen grootheid der wereld bekoort mij.
Hoe zinkt gij, ô trotse paleizen,
Wanneer ik, naast Kloë gezeten,
Mijn oog op uw grootheid laat scheemren!
Wanneer op haar zwellende boezem
Mijn rusteloos harte mag kloppen -
ô Vorsten, wat zijn dan uw tronen? -
Daar ginds dwaalt de onlesbare hebzucht;
Verzadeloos hongert zij eeuwig.
De bleekheid bedekt hare wangen,
En de overvloed volgt hare schreden.
De heerszucht, met fonkelende ogen,
Door rustloze driften gefolterd,
Omstuwd van waanzinnige slaven,
Holt blindelings voort om de volken,
De Vorsten en Groten der aarde aan
Zijn ijzeren Rijksstaf te kluistren.

Hoe nietig, hoe klein in mijn ogen! -

Och, Kloë! uw oog wordt veel schoner;
Bekoorlijker worden uw wangen,
Uw boezem wordt blanker dan immer,
Verleidender zijt gij voor mij - als
Mijn oog op de glans van een kroon ziet!
ô Laat het heelal ons vergeten!
Wij minnen, wij minnen mijn Kloë!

Hoe?.... Lacht gij betoverend meisje,
Om dat uw bezit voor mij alles,
En alles, bij u, voor mij niets wordt?
Gij lacht, om die schone verrukking?....
Ik zal die betoovrende roosjes,
Hoe schoon ze op uw kaakjes ook bloeien,
Door zuigende kusjes verbleken,
Die flonkerende oogjes doen kwijnen,

En zo die vermetelheid straffen!
Ik zal ze.... Neen, zegt gij? - Ja zeker!
Mij nu te weerhouden, waar wreedheid,
En kunt gij voor Lykas wel wreed zijn?
Och, laat mij die banden ontstrikken!
Van hier al die schone beletsels!
'k Wil niets dan mijn Kloë omarmen!

- - - - - - - -

K l o ë.

Ach, zinken ook nu nog die tronen,
Mijn Lykas, of klimt hunne waarde?

L y k a s.

Zij zijn mij nog minder dan voormaals!


1786.

Gedichten (1819-1821)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:16 Reageer op dit bericht

sicut filius

Een gedicht van Geerten Gossaert

Sicut filius.

Wel vaak heb ik gezongen,
Voor menig droevig hart,
De melodieuze wijzen
Van 't stille lied van smart:
Maar nu ik heb ontvangen
't Begeren mijner jeugd,
Wil ik nog eenmaal zingen
Het hoge lied van vreugd!

Vroeg uit mijns vaders woning
Dreef mij verlangen uit
De woningen te vinden
Van harts beloofde bruid:
Om liefdes woon te vinden
Wou 't trotse hart voortaan
Wel eigen wegen volgen,
Op eigen paden gaan...

Naar welke woestenijen
Versteeg het dolend pad?
Mijn voeten werden 't stijgen
Mijn ogen 't staren mat.
Toen riep uit zijn ellende
Harts ongestilde nood
Om d' uiterste vertroosting
Van de verlangde dood!

Maar door het dichte lover
Riepen, bij avondval,
Verre verlichte venstren
Terug naar 't veilig dal:
En naderbij gekomen
Herkende ik bos en beemd,
En stond weer, arme zwerver,
Voor 't vaderhuis... vervreemd?

Schuw blikte ik door de ramen;
Daar stond, als tallentijd,
Voor de genoden velen,
Het bruiloftsmaal bereid...
Maar éne plaats was ledig...
Toen heb ik blij verstaan,
Dat ik, in liefdes woning,
Als zóon mocht binnengaan!

------------------------------
Sicut filius - Zoals een zoon

De Gids (73) (1909)

Geschreven door Dora om 21:46 Reageer op dit bericht

onweder

Een gedicht van Jacobus Bellamy 1757-1786

HET ONWEDER.

Hoe natuur zo stil, zo plechtig
Het dartel windje kwijnt,
En lispelt, op een trillend blaadje,
Zijn laatste adem uit!
Geen vogel zingt nu blijde tonen,
Maar zwijgt eerbiedig stil!
De roos, dat sieraad van de maagden,
Hangt treurig naar de grond!
De dag verwisselt zijn gewaden,
Voor 't zwarte kleed des nachts!
De zee kust, kabblend, hare oever
De ganse schepping bidt!
Daar breekt, uit opgepreste wolken,
Een felle bliksemschicht!
Daar rolt de klaterende donder!
De ganse schepping beeft!


Zo schriklijk klaterde de donder,
Toen God de wereld sprak!
Nog beeft de wereld, voor die stemme!
Die schrik is dankbaarheid!
Daar vaart de Godheid, op haar stormen,
Door 't siddrend landschap heen!
Hoe beven honderdjarige eiken,
Gelijk een rillend riet!
Paleizen stuiven, voor haar wielen,
Als nietig stof, daar heen!
Daar storten trots gebouwde torens,
Als smeltend ijs ter neer!
& #8195;
Zo zinkt uw grootheid , wufte vorsten,
Als God, door donders, spreekt!
Als hij, gewapend, met zijn bliksem,
Zijn forse orkanen ment!
Dan werpen de verschrikte golven
Haar lillend schuim  omhoog!
Dan werpen zij de zwaarste kielen
Als lillend schuim, omhoog!

Daar lacht, door de uitgewoede wolken,
Het lieve zonlicht weer
Zo lacht een held, na 't bloedig strijden,
Met tranen in 't gezicht!
Nu dartelt weer een lieflijk windje,
Door 't afgematte bos,
En kust de frisse regendroppen,
Van 't schommlend lover, af!
Nu beuren weer de schone bloemen
Haar lachend hoofd omhoog!
Nu zingen weer de lieve vogels,
In 't bos, een dankbaar lied!
Nu vaart de Godheid, op de geuren
Van 't frisse lentekruid.
Nu durft al 't schepsel haar genaken!
De ganse Schepping juicht!

Gedichten (1844)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:39 Reageer op dit bericht

eiland

Een gedicht van Carel Vosmaer 1826-1888

HET EILAND MELOS.

Kleine smaragd in de kring van de edele stenen, die blinkend
Sieren de golvende plooien van 't kleed der Aigaiïsche waatren,
Ligt er het groenende Melos, het vuurontsprotene eiland,
Waar zich de gloed van Hefaistos in spleten en dampende bronnen
Toont, en dat gips en aluin en de zwavel en 't hout in zijn schoot draagt.
Donkere pijnen, hun kronen verenende, geven de bergrug
't Fulpen gewaad, en olijven haar zilverig loof aan de glooiing.
Waar zich de stromende vlieten een uitweg baanden, verrezen
Beemden met krokos en eppe, die 't nijvere werk van de bouwman,
Zuivrend en ploegend, de vrucht deed dragen der blonde Demeter.
Doch waar Helios rijst en zijn zongloed koestert de helling,
Werden op staken en tralies de ranken geleid van de wijndruif.
Tegen het noorden beveiligd door glooiend gebergte en rotskaap
Holt zich een zeebocht uit, waar 't stormontvlodene vaartuig
Veilige ligplaats vindt of de kleinere boot op het zand rust.

Nanno (1882)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:19 Reageer op dit bericht

lentemergen

Een gedicht van Bernard van Meurs 1835-1915

 

Lentemergen.

God! wâ'n hemels mergenuur!
Uut 'en wolk van goud en vuur
En ik weet nie hoeveul kleuren
Zie 'k de zon heur schiefke beuren.
En umhoog deur 's hemels blauw,
En umleeg ien 't drupke dauw,
Lienks en rechts en wied en zied -
't Is al straolen wâ ge ziet!

Hè! hoe lekker, hoe gezond
Weit het wiendjen ien mien mond!
'k Vuul 'et deur mien borstje dringen,
't Duut mien hart van vreugde springen. -
Plaoggeest, stil, wâ duuje daor,
Zó te stoeien met mien haor?
Wiendje, blaos maor naor 't oe lust,
'k Bin van mergen goed gemutst.

Kiek, dâ kleine grut, och Heer!
't Vliegt en fladdert op en neer,
't Schommelt op de grune rieskes,
't Tjielpt en fluut op alle wieskes.
Och, wâ mag ik graog oe zien!
Toe maor, wês nie bang veur mien:
'k Gaf oe kruumkes van beschuut,
Haolde nooit oew nestjes uut.

't Is van 't jaor 'en vroeg gewas:
Al de weien staon vol gras;
Kiek die bluumkes met hun kupkes
Aorig loeren uut de knupkes!
En die boom as sneuw zo wit -
Teiken dat er vrucht aon zit.
Alles fleurig, alles schoon...
'k Dank God dat ik buten woon!

Lieve moeder, 'k bin zo blij,
Maor oe mis ik nog hierbij.
‘Mietje, ik vuul 't mien iengegeven:
‘'k Zal de meimaond nie beleven!’
Zeide mien nog op 'et lest.
Ach, dâ woord is waor gewêst...
Maor bij Onze Lieven Heer
Is 't toch schoon ook - jao, veul meer!

Kriekende Kriekske (1894)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:04 Reageer op dit bericht

de zaligen

Een gedicht van Willem de Merode 1887-1939

DE ZALIGEN

De gele rozen lichten langs ‘t terras.
In diepe stoelen liggen zij te rusten,
de zaligen, die elkaar gelukkig kusten,
de toekomstlozen; heel hun leven was

een dringen naar de voorgeweten uren,
waar alles eensklaps in vergeten is;
‘t verwaait, nadat het stukgereten is,
hun oud bestaan; en nooit kan iets meer duren

naast dit verzonken zijn, dit niet meer wezen
deze gevaarlijk stille eeuwigheid,
dit weggevaagd zijn en te rust geleid,
waaruit zij langzaam, stil en moe verrezen.

De regen, een grijs kraalgordijn, een poos
zacht tikkelend, laat door zijn lauwe kieren
hen ‘t paradijs nog zien met zijn revieren,
achter de vlammen van de gele roos.

Kaleidoscoop (1938)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:36 Reageer op dit bericht

lente

Een gedicht van P.L. van Kasteele 1748-1810

Lief is de Lente

Lief is de Lente,
Vriendlijk haar aanblik,
Schoon haar gelaat.
Zwangere wolken
Voeren haar schatten,
Zweven haar voor.
Gonzende buien,
Trots als herauten,
Melden haar komst.
Hoe zacht,
Zacht en bevallig,
Treedt zij te voorschijn:
Alles ontluikt.
Duizenden bloemen,
Sieren haar gangen,
Vormen haar stoet.
Vrolijke zonnen
Eren haar wenken,
Doen haar bevel.
Suizende windjens
Strooien haar geuren
Wijd om haar heen.
Bloeiende hoven,
Groenende bossen.
Velden met vee,
Lieflijke kleuren
Zuivere luchten, 
Scheppen de vreugd.
't Aardrijk verheugt zich
Al haar bewoners
Zingen een lied, -
Lief is de Lente,
Rein als de hemel,
Gul als de jeugd!
Goed, als de Gódheid,
Deelt zij haar gaven
Overal rond.
Zelfs op het kleinste
Wemelend wurmpje
Legt zij haar glans,
Allerlei diertjens,
Prachtig van sieraad,
Blinkend van goud,
Zwevend en dartlend,
Eren de Lente,
Vieren haar feest,
't Spartelend visje
Vormt, in de stromen,
Kringen van vreugd.
Duizenden vooglen
Mengen hun tonen,
Vormen, een koor.
Laag in de velden,
Hoog in de bossen.
Hoort men het lied.
't Lied van de Lente
Maakt voor de Steden
't Land tot een feest.
Alles bekoort ons
Geuren en klanken,
Alles verrukt.
Bergen en heuvlen
Schittren van glansen,
Lachen ons aan.
Leven en rijkdom
Vloeit van hun kruinen
Diep in het dal.
Zeeën bedaren;
Bergen en rotsen
Krijgen gevoel.
Lief is de Lente!
't Mensdom bemint zij;
't Mensdom geniet.
Niemand verstoot zij,
Slechten noch dwazen,
Koning noch slaaf.
Balling en vreemde.
Zelfs de verachtste,
Ieder geniet.
De arme schept adem;
Kranken genezen;
De oude herleeft.
Doven en blinden
Rieken, gevoelen;
Ieder geniet. 
Alles wordt schoner,
Hemel en aarde;
Alles wordt nieuw.
Lief is de Lente,
Jesus' verzoening
Balsemt de lucht,
Koestrende warmte,
Tijdige regens
Komen van Hem,
't Aardrijk ontving Hem;
't Was Hem ter woonplaats;
't Wacht Hem weerom,
Vrolijke tongen,
Dankende harten,
Zingen zijn lof.
Vriendlijk is Jesus;
Alles verkwikkend,
Vriendlijk is God.
Duizenden jaren
Zagen de winter
Smelten als was.
Duizenden jaren
Zagen de Lente
Groenen, als nu.
Velden als ijzer,
Stromen als rotsen,
Bergen van sneeuw,
Winterse zorgen,
Morrende harten,
Smolten voor God.

Duizenden jaren
Zagen die wondren
Nog zijn ze nieuw.
Nooit zal het falen;
De Eeuwen getuigen 't
God is getrouw.
Winter en Lente
Volgen zijn wenken,
Zingen zijn lof.
Juichende heemlen!
Sterflijke mensen!
Paar uw gezang
Zie op de wolken!
Hemelse kleuren
Vormen de boog.
't Licht en de regen
Smelten te samen,
Schildren Gods pracht.
't Vriendlijkst verschijnsel
Stilt onze zorgen,
Predikt Gods trouw.
Zinget de Heere,
Priesters der aarde!
God is getrouw.
Bloesems bedriegen,
Bloemen verwelken,
Alles vergaat-,
Hemel en aarde,
Alles verandert;
De Eeuwige niet.
't Leed van de winter
Maakt ons de lente
Lieflijk en zoet.
't Leed van het strijden
Maakt de Overwinning
Heerlijk en groot.
Dor was het aardrijk;
God is gekomen:
Alles herleeft.
't Graf is Gods akkers
Jesus zal komen;
Alles herleeft.

Gezangen (1790)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:18 Reageer op dit bericht

raadsel

Een gedicht van Jan Jaco Slauerhof 1898-1936

 

Raadsel 

Vroeger schreef ik aan een zwaar bureau
Lichtzinnige gedichten;
Nu, met een plankje op mijn knie,
Een lijvige roman.
Ben ik vooruitgegaan? Wie
Kan mij zeggen, of ik het ben
Dan wel de materie
Die ten slotte moest zwichten?

Verzamelde gedichten (II) (Al dwalend) (1947)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:14 Reageer op dit bericht

moederliefde

Een gedicht van Koos Speenhoff 1869-1945

Moederliefde

Hij was 'n zindelijke schooier,
Die altijd kwast met suiker nam.
Zo'n nagemaakte bommengooier,
Die veel in de komedie kwam.
Dan floot ie zachtjes op z'n tanden
Of trommelde wat op de grond,
Soms zat ie lucifers te branden,
Die stak ie gloeiend in z'n mond.

Z'n moeder liep voor 'm te sjouwen,
Wanneer die in de bedstee lag.
Die ouwe kon zo van 'm houwen
Al zei die nooit 's goeie dag.
Ze kookte onderwijl z'n potje
En als ze gauw 'n boodschap dee',
Dan bracht ze 'n gebakken botje
Of boekies om te lezen mee.

Eens was tie bokkig thuis gekomme',
Hij had weer ergens mot gehad,
Z'n moeder die begon te bromme',
Omdat ie vol met modder zat.
En toen ze 'm wat op wou knappen,
Gaf tie 't ouwe mens een haal,
Ze keilde boven van de trappen
En smakte onder in 't portaal.

De buren zouwen 'm vermoorde',
Die smerige geweldenaar.
Een diender keek 's wat ie hoorde
En bracht 'r weg met de brankaar.
Ze werd 't gasthuis in gerejen
En toen ze bij d'r kennis kwam,
Zei ze dat ze was uitgeglejen
Doordat ze nooit de leuning nam.

D'r jongen most maar bij d'r blijven,
Nou dat ze op 't laatste lag.
Ze was z'n handen an 't wrijven,
En zei 'm zachtjes goeie dag.
'Ach dokter, g'loof me toch waarachtig,
Je moet m'n jongen laten gaan,
Ik zweer 't je bij God almachtig,
M'n jongen heeft 't niet gedaan.'

schrijver

Geschreven door Dora om 18:26 Reageer op dit bericht

regenlucht

Een gedicht van Prosper van Langendonck 1862-1920

Regenlucht

En boordevol is 't herte en toch en wil niet vloeien
die staande en stille stroom in klare poëzie
op 't blad, dat 'k o! zoo graag met tranen zou besproeien,
in 't lied, dat wentlen zoude in louter harmonie;

en boordevol is 't herte en niets en kan het boeien,
- geen levensdroom, waarin 'k een wens weerspiegeld zie! -
geen menselijk gevoel 't in eedle drift ontgloeien...
Zo noodloos staat het vol.... genot?.... melancholie?....

zo noodloos in de onverschilligheid der dingen,
bestendig draaiend in hun vast omschreven kringen
en zielloos hangende in die eindeloze nood

van wat?... 'k en weet niet wat...
en boordevol is 't herte,
onledigbaar, - en staat het vol van vreugde of smerte? -
'K en wete....
en zielloos drukt de hemel, zwaar als lood...

Gedichten (1911)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:58 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten