Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

Berichten van 1 februari 2013 tot 28 februari 2013

Een gedicht van C.P. Tiele 1830-1902

VROEG IN D' OCHTEND.

Vroeg in d' ochtend wringt de roze
zich uit de enge zwachtels los,
Eenzaam, wijl nog alles sluimert,
tooit zij zich met purpren dos;

En zij zendt haar eerste geuren,
met haar Schepper nog alleen,
Op de wiek der morgenkoelte
dankbaar naar de hemel heen.

't Is te laat, als straks de wandlaar
ze afplukt, door haar schoon bekoord,
Als de vlinder, als het bijtje,
rustloos steeds, haar rust verstoort.

Zó in heilige ochtendstilte,
vrij van elk bespiedend oog,
Rijze, als frisse rozengeuren
ook uw eerste bede omhoog.

Als de nijvre zwerm der mensen
gonzend, straks de cel verlaat,
Of als de engel Gods u wegrukt,
dan, mijn kind, dan is 't laat!

1854.

Gemengde gedichten

schrijver

Geschreven door Dora om 14:10 Reageer op dit bericht

voorjaar

Een gedicht van Jan Campert 1902-1943

Voorjaar

De lente nadert en daarmee de lieve dromen;
het licht blinkt op het koel en vochtig gras.
Ik meen hieraan kan toch geen sterveling ontkomen,
alles wordt weer gelijk het altijd was.

De paarlemoeren lucht, de broze wiegel-twijgen
en na de regen het geuren van de grond,
de luwe voorjaarswind en het verrukte stijgen
der sterren aan het doorzichtig hemelrond.

Men kan zich daaromtrent bezwaarlijk meer vergissen,
want het ontvanklijk hart kent zijn bestemde tijd.
Het heeft een winter lang de warmte moeten missen,
waarnaar het hunkert, en het weet zich thans bereid.

schrijver

Geschreven door Dora om 10:54 Reageer op dit bericht

repos

Een gedicht van Liewe Schipper 1808-1870

REPOS-AILLEURS

Als de baren u vervaren,
Op de onstuime zee,
Laat de hoop uw geest bedaren,
Op een stille ree;
Schoon de noodstorm u onthutst,
Elders rust.

Pelgrim, door de dorre zanden,
Van dees rampwoestijn!
Laat de dorst uw keel verbranden,
Doet de tocht u pijn,-
Eéns wordt al uw leed gesust,
Elders rust.

Ja, het leven is doorweven,
Met veel smart en rouw;
Maar Gods woord is ons verbleven,
En Gods woord is trouw;
Worde ook 's levenslamp geblust,
Elders rust.

De liereman (1844)

schrijver

Geschreven door Dora om 14:05 Reageer op dit bericht

gouden

Een gedicht van Herman de Gorter 1864-1924

De gouden aarde

De gouden Aarde is vol en vast en klaar,
De Hemel welft zich donker en zacht blauw,
Het Heelal is die donkerzachte dauw,
Alleen de Zon en de Aarde zijn zichtbaar.

Van die twee samen, van dat jonge paar,
Is de Zon de algoudene flambouw,
En de Aarde de liggende landouw.
In goud en groen beide volkomen baar.

En in het zachte en volkomen blauw
Is de Zon een Man met een gouden regen
En de Aarde een wijde groene Vrouw,

Genietend 't stille geluk van die zegen.
Zon, Aarde en Heelal zijn één lach
Rondom de Mensheid heen. Dit is haar Dag.

schrijver

Geschreven door Dora om 12:13 Reageer op dit bericht

op

Een gedicht van Heiman Dullaert 1636-1684

Op Maria Magdalena.

Hoe laat zij in het nat de schone lokken slingeren!
Hoe stilt een regenvlaag nu die gekrolde zee!
Zij is niet meer het spel van spiegel, strik en vingeren.
Haar maakt nu ander vocht als reukrig vocht, gedwee.

Of zou van ieder haar hier wel het zilver glijden,
Waar mede d'ouderdom het sterflijk hoofd bekruipt,
't Geen met dit buigzaam goud eerbiedig niet wil strijden,
Maar vloeiende in kristal uit elke vlecht verdruipt?

-------------------------------------------
slingeren - hangen
stillen - glad maken
gekrolde zee - krullende, golvende haar
hier - op het door Dullaert beschreven schilderij
wel - misschien
zilver - het grijs van de ouderdom
goud - het blonde haar
verdruipt - weg druipt

Les van dit gedicht: de schoonheid van Maria Magdalena blijft als symbool van haar volmaakte berouw over haar zonden.

Gedichten

schrijver

Geschreven door Dora om 14:38 Reageer op dit bericht

zandschippers

Een gedicht van Salomon Bonn 1881-1930

ZANDSCHIPPERS

In 't donkre schipje
wroeten de paren,
de vader en moeder
het kind met kind
de bruine wroeters
die 't zand vervaren
die drijven met water
en wind.

En waar zij komen
werpen hun armen
met klekkende schokken
het zand omhoog:
een vel om wat benen
een maag en wat darmen
een dof, gebroken en
hooploos oog.

In 't ruimpje
als een dodenkot
daar bukken zij samen
als regen giert,
een lampje schijnt er,
de lucht is er rot
en vocht is er veel
en afzichtlijk gediert.

In 't donkre ruimpje
sterven er velen
- die niet in het donkere
water vergaan -
zij eten, slapen,
vechten en telen
hun leven is vroeg
heel vroeg gedaan.

Dan komt het zand
het gele, droge,
en plompt met schokken
over hen henen:
dan is 't voor 't eerst
dat ze rusten mogen
en hongerangsten
niet schrenen.

Znagen van hoop (1919) Beeldende liederen.

schrijver

Geschreven door Dora om 13:48 Reageer op dit bericht

van sterven

Een gedicht van Victor A. dela Montagne 1854-1915

Van sterven

Gestorven zijn is niets. In vrede, 't oog geloken,
stil sluimren onder geurend mos,
van alle leed ontlast, alle aardse zorg ontdoken,
alle aardse kommer los,

en zalig, onbewust zelfs van 't bedrijvig leven
geen klank meer horen, ver of dicht,
van 't eeuwig schaduwfloers, als van een wade, omgeven,
blind voor het aardse schitterlicht,

de lang gewenste rust, de zoete rust erlangen,
waarnaar vergeefs hier werd getracht :
in 't zwijgend hart geen wens, geen onvoldaan verlangen
meer voeden en in 't hoofd geen foltrend weggedacht...

Maar sterven is de zaak. Maar langzaam af te teren
en matter iedere dag op 't blanke kussen 't hoofd
te voelen zinken, en niet kunnen af te weren
de macht die u beknelt en 't bloed uws harten rooft...

Maar traag in uw gebeent een angel voelen boren,
daar aan 's beds voeteneind het grijnzend doodspook zit,
wijl 't vale waslicht blaakt, een doffe stemme horen
die, over u, het „De Profundis" bidt...

Maar rond u heen geknield, zij die u dierbaar waren,
in bijgelovige angst en vrees,
u, door hun tranen heen, zien siddrend aan te staren
alsof in u het beeld des Schrikkens hen verrees,

de druk der ijzren hand gevoelen om uw leden,
die 't bloed verstijft en naar het Niet u medesleurt —
dat is een zware stond: haast wordt der laatre vrede
daarmee te veel, te veel verbeurd !

Gedichten (1913)

schrijver

Geschreven door Dora om 13:35 Reageer op dit bericht

van Gogh

Een gedicht van Helene Swarth 1859-1941

Vincent van Gogh

Galgroen, de lucht, de bomen, groen als slangen
Een stormgefolterd graanveld, waar, rouwzwart,
Neerstrijken raven uit een hemel, hard
En dreigend blauw — als vlammen van verlangen,
Vreemdpaarse bomen, in hun vaart verstard,
Zelfs bloesemtuinen lijken droefheidzangen
De kamer grijnst, of lag daar angst gevangen.
Felgeel een bloemtuil gilt een kreet van smart.

Eenzame en goede, van uw tragisch leven,
Zo arm, zo rijk, hoe mild uw schoonheid geven!
Kon géen u lieven? kon u géen verstaan?

O had ik mogen aan uw voeten knielen,
U brengen troost van u verwante zielen,
0 gij, die moest in waanzin ondergaan!

Sorella (1942)

schrijver

Geschreven door Dora om 12:37 Reageer op dit bericht

't leven

Een gedicht van Willem Bilderdijk 1756-1831

´T LEVEN

Breek, ô mens, uw sluimer af,
Dank aan ’t graf!
Leer u-zelve recht beschouwen:
’t Leven weet geen stand te houen,
Maar ’t ontsnelt ons in zijn draf.
Haast genaakt u ’t ogenblik
Dat u aller schepslen schrik,
In een blinde hoek verscholen,
Aangestapt op wollen zolen,
Onzacht toeroept: Hier ben ik!

Ach, wat is des werelds lust
Ras geblust!
ô Hoe vluchtig is ’t genoegen!
Welk een bron van angstig zwoegen!
Hoe verwoestend voor de rust!
Achten we ieder morgenrood
Als een bode van de dood,
´t Tegenwoordige als verleden,
Elk genot voor reeds ontgleden,
Eer het nog de kiem ontsproot!

ô Bedrieg’ de Hoop ons niet!
Wat ze ons bied’,
’t Is een schaduwschim van dampen,
Die, wanneer men ze aan wil klampen,
Door de lege vingers schiet,
Ja het leven stort zich uit
Met een stroom, door niets gestuit,
In de Oceaan der tijden,
En voert droefheid en verblijden
Der vergetelheid ten buit.

Wat dan ziet men om naar vreugd!
Wat ´s de Jeugd?
Ach, een dauwdrop uit de hoge
Door de zon haast op te drogen!
Wat is Grijsheid? ongeneugd!
Zwakheid, onlust, kommer, pijn,
Onvermogen en gekwijn!
Zo dit kwellingvolle leven
Ons voor eeuwig waar gegeven
Hoe rampzalig ware ons z ij n !

De dichtwerken XIV (1859)

schrijver

Geschreven door Dora om 12:48 Reageer op dit bericht

Een gedicht van Albert Verwey 1865-1936

CRITICUS

Mijn vriend, uw versjes zijn niet goed.

DICHTER

Dat kan mij weinig schelen.
Die maak ik niet om goed te doen,
Die maak ik om wat spelen.

Zó, als je een kind een zakdoek geeft,
Dan knoopt het er een kop aan;
Als de slippers dan lange kleren zijn,
Heeft 't kindje d'r een pop aan.

Dat kind doet best, al wou jij wel,
Dat het een and're keus dee,
En zijn zakdoek als 'n groot mens gebruikt
Zo’n mens snuit er zijn neus mee.

M ij n zakdoek, dat 's mijn kleine taal;
Daar kan ik je niets mee leren,
Dan hoe je met knoop en slippen maakt
Een kindje in lange kleren.

Zeg jij nu: daar 's de taal niet voor,
Die dient om je neus in te snuiten; -
Dan zeg 'k: ja, jij bent een groot mens,
En kunt daar dus niet buiten;

Maar ik ben een klein kindje en kan
Niet zonder spelletje zoet zijn...

CRITICUS

Nu ja, dat 's mooi en wel, maar ik
Zeg toch dat je versjes niet goed zijn.

Verzamelde Gedichten (1889)

schrijver

Geschreven door Dora om 09:45 Reageer op dit bericht

eens

Een gedicht van Frans Bastiaanse 1868-1947

Eens en Nu.

Wel ben ik blijde om 't Leven, maar de extase
Der Jeugd was nu sinds lang niet meer voor mij,
Gegaan ook 't nauw doorworsteld noodgetij,
Waarmee der wereld stormen om ons razen!

En 'k zie het Leven als door koele glazen:
Een blauwe stroom, een zonbeglansde wei,
Waar 't bruine paard en blanke koeien grazen,
En een wit zeil drijft, achter 't groen, voorbij.

Maar, dankbaar om het schoon, dat is gebleven,
Zie ik der jaren staêge wisselingen,
't Najaar in goud, de Lente in bloesem staan,

Niet wetend, of ik lééfde of eerst gíng leven,
En of de storm'ge dagen, die vergingen
Wel schoner waren, dan dit nieuw bestaan.

Gedichten (1919)

schrijver

Geschreven door Dora om 16:08 Reageer op dit bericht

wijken

Een gedicht van Giza Ritschl 1869-1942

Voor geen koning wil ik wijken

Voor geen koning wil ik wijken,
Voor geen prins of rijke vorst,
Ik wil tonen, ik wil bereiken,
Ik, die vroeger nimmer dorst.

Voor geen machten wil ik zwichten,
Met geheven hoofd steeds voorwaarts treen,
Voor geen strijden, voor geen richten,
Voor niemand deinzen, neen, neen, neen!

Voor niemand buigen, voor niemand beven,
Voor niets, al is het ook sterk in macht,
Maar leven, leven, mijn eigen leven,
In mijn eigen licht, in mijn eigen kracht.

De Beweging jaargang 10 (1914)

schrijver

Geschreven door Dora om 13:47 1 reactie Reageer op dit bericht

hart

Een gedicht van J.H. Leopold 1865-1925

 dromend hart, kies u een nieuw vertier

O dromend hart, kies u een nieuw vertier
in vrouwenwang en purpren eglantier;
licht als kwikzilver vlieten onze dagen,
de pracht der jeugd zinkt als een bergrivier.

Oostersch I, 16

schrijver

Geschreven door Dora om 13:08 Reageer op dit bericht

liefde

Een gedicht van Gentil Antheunis 1840-1907

Kom! De liefde lacht

Lenteliedje wees niet bang,
Kom maar vrij naar buiten;
Alles vraagt naar klank en zang
Als de bloemen spruiten.

Beken ruisen immervoort,
En de schone rozen
Neigen 't kopke over boord,
Spiegelen zich en blozen.

Jeugd en liefde wandelen stil
Hand in hand en dromen;
't Vogelijn bouwt, naar lust en gril,
't Nestje in de bomen.

Kom, de liefde wacht naar u,
Blijf niet langer binnen;
Kom, de liefde lacht naar u,
Zing van 't zoete minnen.

Uit het hart! (1874)

schrijver

Geschreven door Dora om 13:20 Reageer op dit bericht

sneeuw

Een gedicht van Constantijn Huygens 1596-1687

Aan de sneeuw

Droog water, koele wol, wit roet, gehakte veren,
Wees welkom boven op mijn beste hoed en kleren,
Ik zie niet hoe men u met reden haten zou,
Die ons van boven brengt de warmte met de kou.

schrijver

Geschreven door Dora om 11:17 Reageer op dit bericht

letterklever

Een gedicht van Prudens Duyse 1804-1859

Letterkliever

0 letterkliever, spel naar luim en gril,
Maar schrijf een letterwerk, dat alleen moog' verrukken,
En laat dan 't nageslacht 't onsterflijk werk herdrukken,
Ook in de spelling, die het wil .

schrijver

Geschreven door Dora om 14:16 Reageer op dit bericht

sterven

Een gedicht van Carel Charten

HET SCHONE STERVEN

Als in de stemm'ge stad het herfst-tij weeft
Zijn gouden waas over de oude grachten
En onder 't gulden loof een stemming zweeft
van sterven in deze oude en gouden prachten,—

Dan denk ik, hoe 'k de dood graag zoude wachten
Gelijk een herfstdraad die in 't goud-licht beeft
En henenzweeft in de eerste koude nachten
waarin alleen één zilvren stemklank leeft:

De stem, die in de hoge eenzaamheden
Zingt en weerklinkt en zingend meet de Tijd
En aan de hemel aarde's Schijn doet horen,

Terwijl de ziel, in 't eeuwig Zijn verloren,
Het torenlied een laatste glimlach wijdt
En lichtende verglijdt in 't tijdloos Eden.


Utrecht 1916

Verzen

schrijver

Geschreven door Dora om 14:18 Reageer op dit bericht

sneeuw

Een gedicht van Marie Boddaert 1844-1914

Over de stille, stille sneeuw.

Over de stille,
Stille sneeuw,
Diep uit de verte,
Onder de lage
Malv'-witte luchten
Nadert het tinklen
Tinklen, tinklen,
't Gulzilvrig rinklen
Aanzwellend, klankwellend,
Uitschuddend, zwierend
Een sleep van geluidjes:
Schelklikke klankjes,
Pretdolle zangkjes,
Rap, druk, uitvierend
In vreugdvlugge schatering
Bellekens-klatering,
Speldronken gierend
't Open gekamert der stille oren in,
't Hoofd soezensvol van het blij-hel geting;
't Ledig der stil-zware lucht, 't zwijgend veld
Vleugligsnel vol van klankvlindertjes, spatjes,
Vonkjes van dartelheid, veel duizend tikjes
Van lachjes, snikjes
Van dolheid, helzilvrig ontweld
Aan het voortsproeiend, wegspoeiend
Rinklen, rinklen,
Tinklen, tinklen,
Lustigjes, luchtigjes,
IJler en fijner
Over 't stille... stillere...
Sneeuwlome... veld...

Serena (1898)

schrijver

Geschreven door Dora om 11:57 Reageer op dit bericht

Een gedicht van Abraham van Collem 1858-1933

Hoogste leven is de liefde leven

Hoogste leven is de liefde leven,
Liefde is het willig zich begeven,
Naar gemeenschap, om te zijn een deel
Van het eeuwig zingend algeheel.

Liefde is u weten aangedreven,
En u voelen door het ruim geheven
Als een vogel, hij duikt op en neer,
Aan de luchten hangt hij in zijn veer.

Liefde is het onophoudlijk reiken
Naar het onbereikbare en wijken,
Met dit wijkende, tot gij zijt,
In de sferen der oneindigheid.

Liefde is de onrust van het rusten,
Het bewuste van het onbewuste,
In de liefde die zich zelf herkent,
Ruisen aarde, zee en firmament.

Bloemlezing uit de gedichten van A. van Collem (1932)

schrijver

Geschreven door Dora om 13:00 Reageer op dit bericht

gezang

Een gedicht van Wilhelm G. Forquenbroch 1640-1670

Gezang

Indien gij u zegt te branden
Door een lonkend aangezicht,
Of door twee ivoren handen,
Vriend! zo is u 't hoofd te licht:
Want de min heeft geen vermogen,
Noch in handen, noch in ogen.

Liefde krijgt alleen haar luister,
Uit het schoon en glinstrend goud;
Zonder dat zo is zij duister,
En geheel verflauwd, en koud.
Had Cupied geen gouden schichten,
Waar zou hij zijn vuur mee stichten?

Boog en koker kan niet maken,
Zo zijn pijl niet is verguld.
't Goud dat kan het hart maar raken,
Maar de pijl heeft nimmer schuld.
Trof een pijl van lood uw zinnen,
Gij zou haten, en niet minnen.

'k Weet nochtans wel wat voor banden,
Dat aan mij de schoonheid geeft,
Gouden lokken, paarlen tanden,
Indien die een juffer heeft,
Met een koffer vol dukaten,
'k Zal die minnen en niet haten.

'k Wil geen schat noch vreugde zoeken,
Van Parnas, maar van Peru;
Al de rest wil ik vervloeken,
Want wat 's deugd en schoonheid nu?
Zo een juffer rijk is, deze
Zal ook schoon, en deugdzaam wezen.

Thalia, of geurige Zang-Goddin, Tweede deel (1668)

schrijver

Geschreven door Dora om 15:07 Reageer op dit bericht

dagje uit

Een gedicht van Cornelis Honigh 1846-1896

Een dagje uit

Zo, eindlijk ben je kant en klaar,
Al had je 't niet gedacht.
Ga nu maar gauw naar Grootmoe heen,
Die zeker je al verwacht.

Dag, meisjes! Goed nu opgepast,
En maak maar heel veel pret.
Zeg, Anna, denk als oudste er om,
dat je op Marietje let.

En jij, mijn drukke Janneman,
Mijn kleine Spring-in-'t-veld,
Grootmoeder is al oud, dus vrind!
Maak niet te veel geweld.

En trek de poes niet bij de staart,
Laat ook Fidel met rust,
En denk er om, dat je, als je gaat,
Grootmoe bedankt en kust.

Nu, kindren ga, maar wacht, Marie,
Kom nog eens even hier:
Die strik zit helemaal al scheef.
Zie zo - nu veel plezier.

Loop gauw nu heen, me dunkt, ik ruik
De lekkere wafels al.
Wat dat weer voor een smulpartij
Bij Grootmoe wezen zal!

Nieuwe kijkjes in 't rond (1882)

schrijver

Geschreven door Dora om 11:23 Reageer op dit bericht

terug-blik

Een gedicht van Hendrik Jan Schimmel 1823-1906

TERUG-BLIK

'k Ben er wedergekeerd,
Waar mij 't eerst werd geleerd:
Min de Heer en de naaste als u-zelve;
Waar ik 't eerst, mij bewust,
Door mijn moeder gekust,
Het azuur van de hemel zag welven.

Ik herkende geen kluis,
'k Vond een vreemde in mijn huis,
En 't omsloot eens zo veel wat ik minde,
'k Vond geen schaâuw in de tuin,
Want geknakt was de kruin
Van de aloude, van Grootvaders linde.

'k Vond geen vriend in de stoet,
Die ter kerke zich spoedt.
En voorheen kende ik voornaam en have.
Maar de grijze zonk neer,
En de knaap van weleer,
Buigt het hoofd nu als grijze ten grave.

'k Heb de rustplaats gezocht
Voor mijn oudren gewrocht,
Op de vruchtbare akker der doden;
Maar de plek was mij vreemd,
Want de terp werd een beemd,
Overdekt door een dekbed van zoden.

'k Hief weemoedig het oog,
Maar daar tintelde omhoog,
In haar glans door de Tijd niet te doven,
De immer vriendlijke ster
Die me als kind reeds, van ver,
Zo vaak sprak van de woning daarboven.

Verspreide gedichten (1852)

schrijver

Geschreven door Dora om 11:49 Reageer op dit bericht

februari

Een gedicht van J.J.A. Goeverneur 1809-1898

Februari

De dagen worden langer al,
Al is 't ook een klein beetje;
Maar, lieve vrindjes, weet-je,
Een beetje is meer als niemendal:
Elk beetje brengt ons voet voor voet
Weer 't lieve voorjaar te gemoet.

Komt, laat ons eens naar buiten gaan,
Naar 't bos en naar het veld;
Daar zien wij nergens bloemen staan,
Maar 't is er naar gesteld.
Die arme kinders in het bos
Slaan op de dorre takken los
En rapen van het droge hout,
Want ach, 't is bitter guur en koud,
En als men thuis geen vuurtje had,
Waarbij men zich kon warmen wat,
Hoe akelig was dat!

Daarbij zit dood op zijn gemak,
Gestoken in zijn zwarte pak,
De raaf hoog boven op een tak
En roept: Kras, kras,
'k Wou, dat het zomer was!

De tuinlui werken op hun land
Met zware schoppen in de hand,
Terwijl een boertje vergenoegd
Met zijne paardjes 't veld beploegt,
En men soms eens een jager ziet,
Die eenden schiet in 't hoge riet.

En in de stad, hoe is het daar? -
't Jong volkje is er soms eens blij
En houdt dan vrolijk met mekaar
Een kleine danspartij,
Springt lustig in de rij
Of heeft op andere manier
Pret en plezier.

schrijver

Geschreven door Dora om 16:24 1 reactie Reageer op dit bericht

zeer

Een gedicht van Roemer Visscher 1547-1620

Zeer

God heeft geschapen alle mensen gelijk,
Maar d’een zeer arm, en d’ander zeer rijk,
D’een zeer scherpzinnig, en d’ander zeer bot,
D’een zeer klein, en d’ander zeer groot,
D’een zeer stout, en d’ander zeer blood,
D’een zeer wijs, en d’ander zeer zot;
Van al dit heb ik een onbeklagelijk lot;
Dan, omdat ik zonder zeer niet zou wezen alleen,
Zo gaf mij de goede God een zeer been.

Brabbeling (1614)

schrijver

Geschreven door Dora om 11:16 Reageer op dit bericht

Een gedicht van P.J. Heije 1809-1876

ONDER DE SNEEUW

De witte vlokken stuiven,
Die 't veld met dons bekleen;
Geen grasje of geen spruitje
Dringt weer door 't dekkleed heen:
Maar 't groeit, hoe diep bedolven,
Toch fris en krachtig voort,
Tot het, o Lente! uw stemme
Weer suizend fluistren hoort.


Laat de Ouderdom de lokken
Met rijm en sneeuw belaan,
De Liefde blijft er groeien
In vrome Jeugd ontstaan:
In stramme borst besloten,
Nauw merkbaar voor het oog,
Toeft zij op schoner Lente
En Bloeitijd — hier omhoog!

Door velden en dreven

schrijver

Geschreven door Dora om 19:17 Reageer op dit bericht

eerde

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899

De eerde doomt

De eerde doomt, de biezen leken
van de vroege morgenbrand,
die, in 't Oosten opgesteken,
bijt in 't baardig weideland.
Grauw is 't over nacht gevrozen ;
over dag, van 's morgens vroeg,
viert en vonkt het zonneblozen
fel, maar nog niet fel genoeg,
om het koele graf te ontsluiten,
waarin 't zaad geborgen ligt,
wachtende, om opnieuw te spruiten,
Lente, naar uw zonnelicht.


-------------------------------------
doom: damp, mist, nevel

schrijver

Geschreven door Dora om 19:30 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten