Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

Een gedicht van Abraham van Collem 1858-1933

Hoogste leven is de liefde leven

Hoogste leven is de liefde leven,
Liefde is het willig zich begeven,
Naar gemeenschap, om te zijn een deel
Van het eeuwig zingend algeheel.

Liefde is u weten aangedreven,
En u voelen door het ruim geheven
Als een vogel, hij duikt op en neer,
Aan de luchten hangt hij in zijn veer.

Liefde is het onophoudlijk reiken
Naar het onbereikbare en wijken,
Met dit wijkende, tot gij zijt,
In de sferen der oneindigheid.

Liefde is de onrust van het rusten,
Het bewuste van het onbewuste,
In de liefde die zich zelf herkent,
Ruisen aarde, zee en firmament.

Bloemlezing uit de gedichten van A. van Collem (1932)

schrijver

Geschreven door Dora om 13:00 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

gezang

Een gedicht van Wilhelm G. Forquenbroch 1640-1670

Gezang

Indien gij u zegt te branden
Door een lonkend aangezicht,
Of door twee ivoren handen,
Vriend! zo is u 't hoofd te licht:
Want de min heeft geen vermogen,
Noch in handen, noch in ogen.

Liefde krijgt alleen haar luister,
Uit het schoon en glinstrend goud;
Zonder dat zo is zij duister,
En geheel verflauwd, en koud.
Had Cupied geen gouden schichten,
Waar zou hij zijn vuur mee stichten?

Boog en koker kan niet maken,
Zo zijn pijl niet is verguld.
't Goud dat kan het hart maar raken,
Maar de pijl heeft nimmer schuld.
Trof een pijl van lood uw zinnen,
Gij zou haten, en niet minnen.

'k Weet nochtans wel wat voor banden,
Dat aan mij de schoonheid geeft,
Gouden lokken, paarlen tanden,
Indien die een juffer heeft,
Met een koffer vol dukaten,
'k Zal die minnen en niet haten.

'k Wil geen schat noch vreugde zoeken,
Van Parnas, maar van Peru;
Al de rest wil ik vervloeken,
Want wat 's deugd en schoonheid nu?
Zo een juffer rijk is, deze
Zal ook schoon, en deugdzaam wezen.

Thalia, of geurige Zang-Goddin, Tweede deel (1668)

schrijver

Geschreven door Dora om 15:07 Reageer op dit bericht

dagje uit

Een gedicht van Cornelis Honigh 1846-1896

Een dagje uit

Zo, eindlijk ben je kant en klaar,
Al had je 't niet gedacht.
Ga nu maar gauw naar Grootmoe heen,
Die zeker je al verwacht.

Dag, meisjes! Goed nu opgepast,
En maak maar heel veel pret.
Zeg, Anna, denk als oudste er om,
dat je op Marietje let.

En jij, mijn drukke Janneman,
Mijn kleine Spring-in-'t-veld,
Grootmoeder is al oud, dus vrind!
Maak niet te veel geweld.

En trek de poes niet bij de staart,
Laat ook Fidel met rust,
En denk er om, dat je, als je gaat,
Grootmoe bedankt en kust.

Nu, kindren ga, maar wacht, Marie,
Kom nog eens even hier:
Die strik zit helemaal al scheef.
Zie zo - nu veel plezier.

Loop gauw nu heen, me dunkt, ik ruik
De lekkere wafels al.
Wat dat weer voor een smulpartij
Bij Grootmoe wezen zal!

Nieuwe kijkjes in 't rond (1882)

schrijver

Geschreven door Dora om 11:23 Reageer op dit bericht

terug-blik

Een gedicht van Hendrik Jan Schimmel 1823-1906

TERUG-BLIK

'k Ben er wedergekeerd,
Waar mij 't eerst werd geleerd:
Min de Heer en de naaste als u-zelve;
Waar ik 't eerst, mij bewust,
Door mijn moeder gekust,
Het azuur van de hemel zag welven.

Ik herkende geen kluis,
'k Vond een vreemde in mijn huis,
En 't omsloot eens zo veel wat ik minde,
'k Vond geen schaâuw in de tuin,
Want geknakt was de kruin
Van de aloude, van Grootvaders linde.

'k Vond geen vriend in de stoet,
Die ter kerke zich spoedt.
En voorheen kende ik voornaam en have.
Maar de grijze zonk neer,
En de knaap van weleer,
Buigt het hoofd nu als grijze ten grave.

'k Heb de rustplaats gezocht
Voor mijn oudren gewrocht,
Op de vruchtbare akker der doden;
Maar de plek was mij vreemd,
Want de terp werd een beemd,
Overdekt door een dekbed van zoden.

'k Hief weemoedig het oog,
Maar daar tintelde omhoog,
In haar glans door de Tijd niet te doven,
De immer vriendlijke ster
Die me als kind reeds, van ver,
Zo vaak sprak van de woning daarboven.

Verspreide gedichten (1852)

schrijver

Geschreven door Dora om 11:49 Reageer op dit bericht

februari

Een gedicht van J.J.A. Goeverneur 1809-1898

Februari

De dagen worden langer al,
Al is 't ook een klein beetje;
Maar, lieve vrindjes, weet-je,
Een beetje is meer als niemendal:
Elk beetje brengt ons voet voor voet
Weer 't lieve voorjaar te gemoet.

Komt, laat ons eens naar buiten gaan,
Naar 't bos en naar het veld;
Daar zien wij nergens bloemen staan,
Maar 't is er naar gesteld.
Die arme kinders in het bos
Slaan op de dorre takken los
En rapen van het droge hout,
Want ach, 't is bitter guur en koud,
En als men thuis geen vuurtje had,
Waarbij men zich kon warmen wat,
Hoe akelig was dat!

Daarbij zit dood op zijn gemak,
Gestoken in zijn zwarte pak,
De raaf hoog boven op een tak
En roept: Kras, kras,
'k Wou, dat het zomer was!

De tuinlui werken op hun land
Met zware schoppen in de hand,
Terwijl een boertje vergenoegd
Met zijne paardjes 't veld beploegt,
En men soms eens een jager ziet,
Die eenden schiet in 't hoge riet.

En in de stad, hoe is het daar? -
't Jong volkje is er soms eens blij
En houdt dan vrolijk met mekaar
Een kleine danspartij,
Springt lustig in de rij
Of heeft op andere manier
Pret en plezier.

schrijver

Geschreven door Dora om 16:24 1 reactie Reageer op dit bericht

zeer

Een gedicht van Roemer Visscher 1547-1620

Zeer

God heeft geschapen alle mensen gelijk,
Maar d’een zeer arm, en d’ander zeer rijk,
D’een zeer scherpzinnig, en d’ander zeer bot,
D’een zeer klein, en d’ander zeer groot,
D’een zeer stout, en d’ander zeer blood,
D’een zeer wijs, en d’ander zeer zot;
Van al dit heb ik een onbeklagelijk lot;
Dan, omdat ik zonder zeer niet zou wezen alleen,
Zo gaf mij de goede God een zeer been.

Brabbeling (1614)

schrijver

Geschreven door Dora om 11:16 Reageer op dit bericht

Een gedicht van P.J. Heije 1809-1876

ONDER DE SNEEUW

De witte vlokken stuiven,
Die 't veld met dons bekleen;
Geen grasje of geen spruitje
Dringt weer door 't dekkleed heen:
Maar 't groeit, hoe diep bedolven,
Toch fris en krachtig voort,
Tot het, o Lente! uw stemme
Weer suizend fluistren hoort.


Laat de Ouderdom de lokken
Met rijm en sneeuw belaan,
De Liefde blijft er groeien
In vrome Jeugd ontstaan:
In stramme borst besloten,
Nauw merkbaar voor het oog,
Toeft zij op schoner Lente
En Bloeitijd — hier omhoog!

Door velden en dreven

schrijver

Geschreven door Dora om 19:17 Reageer op dit bericht

eerde

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899

De eerde doomt

De eerde doomt, de biezen leken
van de vroege morgenbrand,
die, in 't Oosten opgesteken,
bijt in 't baardig weideland.
Grauw is 't over nacht gevrozen ;
over dag, van 's morgens vroeg,
viert en vonkt het zonneblozen
fel, maar nog niet fel genoeg,
om het koele graf te ontsluiten,
waarin 't zaad geborgen ligt,
wachtende, om opnieuw te spruiten,
Lente, naar uw zonnelicht.


-------------------------------------
doom: damp, mist, nevel

schrijver

Geschreven door Dora om 19:30 Reageer op dit bericht

vredig

Een gedicht van Henriëtte Roland Holst-van der Schalk 1869-1952

Hoe vredig is het sterve in de natuur

Hoe vredig is het sterve in de natuur.
Het blad valt af, roest op de stille aarde,
vergaat en krijgt in 't vergaan nieuwe waarde:
elk wezen weet zijn tijd en beidt zijn uur.

En altoos is, tussen de tijd van sterven
en het opkomen van een nieuw geslacht,
een verbeiding, iets als een stille wacht
op de anders zo drukke en volle werven.

Dit geeft een rustige bezonkenheid
aan 't leven der natuur in deze streken:
stilte omhangt wat is bezweke' en
een nieuw geslacht wordt stil verbeid.

Maar in de mensenwereld krielen
dooreen, dat wat opkomt en dat wat vergaat.
Vreeslijk is dit: stank van ontbinding staat
zwaar rondom jonge, argeloze zielen.

In een kerkhof van uitgeleefde vormen,
tussen de zerken van misdaad en schuld,
in 't hels geraas, dat alle poriën vult,
moet jeugd opbouwen hare nieuwe normen.

Tusschen tijd en eeuwigheid (1934)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:09 Reageer op dit bericht

de bedelaar

Een gedicht Omer Karel de Laey 1876-1909

De bedelaar

Vóór de kerke, met 'n lange
paternoster in z'n hand,
is 'n blinde bedelaar ge-
zeten, op 'n hoopje zand.

Z'n gekrulde grijze lokken
vlotten lijk gezwingeld vlas,
uit z'n mutse neder, op de
krage van z'n winterjas.

Langs hem, ligt 'n waterhond te
Slapen, die van tijd tot tijd
wakker schiet en met z'n witte
tanden, naar de vlooien bijt.

De ogen van de blinde, in hunne
diepe holten, hangen stil
en verdoofd gelijk de glazen
van 'n natbedoomde bril.

Halve dagen blijft hij daar gezeten
lijk 'n wassen beeld
en hij luistert naar de wind, die
met z'n grijze lokken speelt.

En de Winter, die de koude
grimmig uit het Oosten zendt,
rimpelt 't grauwe vel van z'n verdroogde
kop, lijk perkament.

Van te lande (1903)

schrijver

Geschreven door Dora om 16:19 Reageer op dit bericht

dooi

Een gedicht van Alice Nahon 1896-1933

DOOI

Zoals bij 't sneeuwen
die vlokken vervaard
weiger en trage
vallen op aard,
zo moeten alle
gedachten van ons
van uit hun hemel
van dromen en dons
dalen op aarde
waar alles dooit
wat sneeuwwit en droomrig
de dingen vermooit.

Droef is de dooi
maar als uitgeblomd
gesmolten bloeisel
gefilterd komt
na duistere reizen
door wijze grond
kristal is voor de ogen,
wijn voor de mond,
muziek voor de luisteraar,
drank voor de plant,
dan leer ik de lesse,
van dooi in 't verstand.

Dooi die de vlokken
tot wateren wijdt,
dooi, die ons wanen
tot werken gedijt,
spaar niet de dwepers
die midden 't geweld
vrezen dat God
hun gedroomsel smelt.
Geef ons klaar water
dat vloeiend verreint,
door smarten gefilterd
naar de harten fonteint.

Schaduw (1928)

schrijver

Geschreven door Dora om 13:37 Reageer op dit bericht

kraaien

Een gedicht van Marie Metz-Koning 1868-1926

Kraaien

Heisa! de kraaien in de winter-takken!
Nog trillert echo van hun schrille snaters:
Wat zitten ze daar stil, die donkre saters,
Die sombre spotters in hun zwarte pakken.

Zie, hoe bedaard die straks nog schelle praters
Lijk kleine klompjes tegen 't luchtgrijs plakken.
Heisa! daar gaan ze weer: de twijgen krakken!
De dag barst open van hun rauwe schaters!

Een donder-wolk van vlugge vogel-vlokken
Die kraaiend zeilen door de dompe luchten:
Eén lijn uit, of ze elkaar met grappen lokken,
Eén lijn uit, of ze speels elkaar ontvluchten,
Tot, plots, ze zitten, en de bomen zuchten
En schudden klagend hun bemoste knokken.

schrijver

Geschreven door Dora om 14:50 Reageer op dit bericht

Judith

Een gedicht van Frans Bastiaanse 1868-1947

Judith

Toen Judith Holofernes' donker hoofd
Zag in de tent op 't gouden praalbed stil,
Heeft zij, vóor dat de rode lippen kil
En 't oog van laatste leef-glans was beroofd,
Haar lippen op des Veldheers mond gedrukt,
Veilig bezittend wie zij 't leven nam,
Drinkend de siddring, die 't van vreugd verrukt
Begerig mannen-lijf ontstijgen kwam.
Zij bond het hoofd, na dit moment van vreugd,
In bonte doek, sprak: ‘Ere zij de Heer’
En gaf het der slavin, die 't steêwaart bracht.
Toen sloegen de Hebreeërs 't ordloos heir,
't Hoofd hing te pronk, Judith in pracht van jeugd
Had Holofernes lief, haar moord veracht.

Natuur en Leven (1900)

schrijver

Geschreven door Dora om 13:40 Reageer op dit bericht

Hollands

Een gedicht van G.W. Lovendaal 1847-1939

Hollands

Wat mengelmoes van talen mag
Aan d'Amstel zich vermeien!
O Stad, waar 't hart van Holland lag,
Waar Vondel zong zijn reien!
Maison de Dit, Café au Dat
Hôtel de... wat?... Hollande!
Maar ben 'k hier in zijn land, zijn stad,
Zijn Amsterdam? - 't is schande.
O! Hollands, Hollands klinkt niet fijn;
't Moet Frans of Duits of Engels zijn.

Daarom gebeiteld op je fries:
Maison de marchandises
En Jozef Levertraan et fils
Gemaald op je marquises;
O-jest, jawohlt en parlevinkt,
Roept: kelner, demoiselle!
Zorgt, dat er vreemde rimram klinkt
En aait je clientèle.
Want Hollands, Hollands klinkt niet fijn;
't Moet Frans of Duits of Engels zijn.

't Heet broderie, - boulangerie, -
Lunchroom, - costumière, -
Zum Dit, zum Dat - tapisserie, -
Carosserie - parterre;
't Is special, exquis, solied;
Dat trekt en 't is probabel,
Al ken je je eigen moerstaal niet,
Het klinkt toch fashionable.
Want Hollands, Hollands klinkt niet fijn;
't Moet Frans of Duits of Engels zijn.

Liegt eigen vrucht als vreemd; - 't is naar,
Maar geeft een goed recetje, -
En plakt op eigen werk en waar
Een Engels etiquetje.
Herdoopt in jam je vruchtendril
En 't wordt als jam geprezen;
Dat is het wat dom Holland wil:
't Moet uit de vreemde wezen.
Want Hollands, Hollands klinkt niet fijn;
't Moet Frans of Duits of Engels zijn.

Dat krult op spiegelruit en deur
Bargoens uit alle talen:
Marchand tailleur, coiffeur, coupeur,
Hier houdt men commensalen...
Zo snorkt de poespas huis aan huis,
- Blageur heb 'k niet gevonden! -
Je bent in eigen huis niet thuis
En, Holland, dat is zonde.
Weet, Hollands, Hollands klinkt niet fijn
In oren, die verbasterd zijn.

Neerlandia jaargang 13 (1909)

schrijver

Geschreven door Dora om 11:24 Reageer op dit bericht

logica

Een gedicht van Nicolaas Beets 1814-1903
 

Jan logica

Jan lag te slapen in zijn wagen. Schelmen komen
En spannen Blesje uit, en tijgen op de rit.
Ten laatste, Jan ontwaakt. „Hoe?" roept hij uit: "Wat's dit?
Van tweeën een: men heeft mijn paard mij afgenomen ,
Of ik nam, in mijn slaap, een wagen in bezit."

Madelieven (1869)

schrijver

Geschreven door Dora om 00:00 Reageer op dit bericht

's morgens

Een gedicht van hendrika van Tussenbroek 1864-1935

's Morgens vroeg

Word wakker, 't zonnetje is al op
Word wakker, 't zonnetje is al op,
De bloemen kijken uit hun knop.
De vlugge leeuwerik zingt al lang,
De zwaluw sjilpt haar morgenzang.
Word wakker, word wakker, word wakker;
Word wakker, word wakker, word wakker.

Het duifje strijkt zijn veertjes glad,
En trippelt vrolijk over 't pad.
De haan kraait voor de tweede keer,
't Is alles buiten in de weer.
Word wakker, word wakker, word wakker;
Word wakker, word wakker, word wakker.

schrijver

Geschreven door Dora om 16:35 Reageer op dit bericht

kunst

Zomaar wat dichterlijk getokkel...

Kunst

 

Dichterlijke kunst

De kunst is er regelmatig

En het kunstwerk is soms matig

Maar ook niet overmatig

Het heeft zijn grenzen

Maar het kan soms elke

dag letters plenzen

Je leest deze kunst

Terwijl je luncht

Wat heerlijk die

dichterlijke kunst

Het smaakt naar meer

Daarom schrijft een

mens keer op keer

 

 

 

 

Geschreven door Dora om 10:03 Reageer op dit bericht

Een gedicht van P.N. van Eyck 1887-1954

Een droom uit het zuiden

(Het lied van een zieltje dat wijsjes zong, tot het de liefde leerde.)


Daar was een rozentuintje,
Zo fris en morgen-jong,
De Meiwind roerde elk kruintje
En 't wufte bijtje zong.

De Meizon vleide een kleurtje
Om àl de roosjes heen,
Waar menig teder geurtje
Uit wolkte en stil verdween.

De kleur'ge vlindervluchtjes
Omrilden tak en bloem,
Zij neurden korte zuchtjes
Van een geheime roem.

En rose en witte blaadjes
Die daalden traag en zacht,
En sierden blanke paadjes
Met schoonheid zonder pracht.

Daar liep een heel klein meisje,
In zilver-wit gekleed,
Zij speelde een fluitewijsje
Van vreugde en dàn van leed.

Een nauw bewegend kindje,
't Leek blijde en heel tevree,
Heur haar in 't murmlend windje
Woei met de geurtjes mee.

Zij was een room-bleek beeldje,
Haar zoet gebaar ging broos
Als een beminnend streeltje
Rondom de rijpste roos.

Die legde ze in een bedje
Van blaadjes, wit en kuis,
Toen zweefde 't luchtig tredje
Weer naar heur lichte huis.

Haar kleine fluiteliedjes
Vergat zij gans en al,
Haar lachen en verdrietjes
In morge' en avondval.

Daar stond het rozentuintje
Weer zwijgend en alleen,
De Meiwind roerde elk kruintje,
De Meizon lonkte en scheen.

En heel het blonde daagje
Vergleed en glom zo teer,
Geen lachje en geen klaagje
Omzong de rozen meer.

Worstelingen (1910)

schrijver

Geschreven door Dora om 10:54 Reageer op dit bericht

eik

Een gedicht van René de Clerq 1877-1932

HOORT GIJ DE EIK?

Hoort gij de eik, o blode bomen?
Hij ruist daar, zwaar en zwart!
Hij droomt zijn donkere dromen,
de boom van mijn hart!

Zijn stam is rond, zijn kruin nog ronder,
zijn schors is ruw en hard.
Hij plooit noch boven noch onder,
de boom van mijn hart!

Waai stout, mijn eik, alover 't blode,
uw hoge vreugd en smart,
gij levende onder de dode,
gij, boom van mijn hart!

Het ruist te nacht door mijne ziele,
wanneer gij zingt en sart.
Val op mijn hoofd als ik kniele,
o boom van mijn hart!

schrijver

Geschreven door Dora om 13:09 1 reactie Reageer op dit bericht

stilte

Een gedicht van Hendrik Jan Schimmel 1823-1906

Als 't uit de stilte spreekt!

Wat stemmen opgaand van rondom!
De Zelfzucht eist en grauwt,
De Wanhoop schreeuwt de Hope stom
En verft de jonkheid oud.
Zich zelv' vergeten 't hoogste doel!
Een nu dat 't gister wreekt....!
Hoor toe, ver van het slaggewoel,
‘Als 't uit de stilte spreekt!’

Wat bede om zieke- en stervensspond,
Wat beet in brein en hart,
Wat kreet bij nieuw geslagen wond,
Wat snik van oude smart:
Herinring van een laatste groet
En van een oog dat breekt....!
Hoor toe - ge ontvangt licht troost en moed -
‘Als 't uit de stilte spreekt!’

De Gids (1889)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:06 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten