Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

mist

Een gedicht van P.C. Boutens 1870-1943

In de mist

De zon wordt onverbeeldbaar schoon
Boven de mist die houdt omhangen
Der wereld windestille woon
In dit vertederd dagenlang verlangen.

Weer blankt de boskamp, een besloten zaal,
Een witte kamer die de bruid verwacht,
In smetteloze glanzeloze praal
Op uit de zwarte nacht.

't Berijpte hout van alle kanten
In gaasgeplooide wand verscholen
Reikt diepe tuilen van chrysanten,
Asters en gladiolen.

Daar daalt langs wolkentreê uit hoge toren
Van naakte voetjes luideloze tred:
Leden omsluierd overgloren
Het sneeuwen statiebed.

Vergeten liedjes (1909)

schrijver

Geschreven door Dora om 15:11 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

bijl

Een gedicht van Pieter van Woensel 1747-1808
De bijl

Die ’t vatten kan, die vatt’ de kneep.

De Bijl (wie weet hoe lang geleden!)
Nog zonder steel, kwam ’t bos intreden,
En keek onnozel als een Lam,
En groette zelfs de kleinste stam;
Sprak voorts eerbiedig tot de bomen,
D’Eerste in rang: Ik ben gekomen,
O Eedle stammen, die uw kruin
Verheft tot boven berg en duin,
Om iets gerings u af te smeken!
’k Verzoek voor mij te mogen breken
Van ’t kleine hout, dat u niet deert,
Een steeltje, dat mij slechts mankeert;
En zonder ’t welk mij staat te vrezen
Dat ’k ganselijk onnut zal wezen
Aan u, geëerde Maatschappij,
Waaraan ik al mijn zorgen wei’.’
De Bomen straks aan ’t overleggen,
Wat antwoord aan de Bijl te zeggen.
Een enkle Boom slechts hier en daar
Begreep maar enigszins ’t gevaar,
’t Welk hun alle stond te vrezen,
Werd aan de Bijl een steel gewezen! -
Het antwoord was, om kort te gaan,
De Bijl ’t verzochte toe te staan. -
Deez’ had zodra geen Steel bekomen,
Of sprak aldus: ‘Gij grote Bomen,
Gij trotse, werpt u voor mij neer!
Erken in mij uw Vorst en Heer.
En stel u niet in ’t minst daartegen;
De macht die ’k wettig heb verkregen
Eist eerbied, duldt geen trots bestaan,
Elk uwer is mijn onderdaan. -
Die taal deed al de Bomen schrikken;
Maar niemand durfde een woord te kikken:
Want die zich ’t spreken onderwond,
Werd neergehakt, hoe vast hij stond.
Die dit beseft, zal zeker beven,
Om aan de Bijl een Steel te geven.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:09 Reageer op dit bericht

zwerver

Een gedicht van Johan Danser 1893-1920

De zwerver

‘Gevloden zijn de dromen eens bemind,
Verdord de wondre bloemen der gedachten,
De lach der dagen en de lust der nachten
Zij zijn verwaaid als klanken op de wind.

Ik vraag niet meer, mij kan geen vreugd meer wachten
Mijn lijf is wond, mijn ogen zijn verblind, -
Ik dwaal nu tot mijn leed de vrede vindt
Wiens teêre streling alles zal verzachten.

Mijn peinzen zwijgt, - heb ik dan niets gewonnen
Bij 't rustloos zwerven langs des levens kusten
Dat niet verbrak, dat niet tot niets verging?

En in mijn ziel waar zoveel smarten bronnen
Rijst zacht geluid, een stem van stil berusten: -
Toch, één ding bleef: de schone erinnering.’

schrijver

Geschreven door Dora om 16:40 Reageer op dit bericht

nieuwsgierigheid

Een gedicht van Johannes Klinker 1764-1845

De gestrafte nieuwsgierigheid.

Laat de Wijsgeer ons verachten,
Daar hij schimpend op ons ziet;
En zich boven ons verheffen!
Kloë! och, ontrust u niet.

Zaagt gij wel, toen we uit dat bosje
Gistren kwamen - hoe hij mij
Met een nijdig oog begluurde?...
Maar ik liep hem trots voorbij.
'k Geef hem vrijheid om te gissen,
Wat hij wil, uit ons gelaat;
'k Wed, dat hij uit twintig keren
Nog niet eens de waarheid raadt.

Ja - onze ogen stonden kwijnend;
't Haar hing achtloos golvend neer;
Uw gelaat - was als de rozen
In het zoele zomerweer.
'k Hield mijn arm om u geslagen;
En als 'k u een lonkje gaf -
Wendde gij somtijds uwe ogen
Met een lachje van mij af. -

Ja - dit zag hij. Maar verbeeldt ge u
Dat hij alles weet? - ô Neen!
Uit uwe ogen iets te lezen....
Dat geheim weet ik alleen.
Hij benijdt mij een genoegen
Dat hij nooit beseffen kan.
Hoe toch zou hij het dan gissen?
Lieve Kloë, troost u dan! -

ô Die toestand, als de liefde
Zelfs voor ons een raadsel wordt,
Als ze ons uit haar hevigste onrust
In de schoot der kalmte stort -
Als in vluchtige ogenblikken
Zich het hoogst gevoel verliest

In die onbeschrijfbre stemming
Die ons beider hart verkiest
Boven 't bruisen van de driften....
Kloë.... denkt gij dat die staat
Een verbeelding treft, die ophoudt
Als 't verstand niet verder gaat? -

Kon hij ons alleen verachten,
In zijn' hoogre kring verblijd! -
Maar wij zien het, hoe hij, schimpend,
Tandenknarzend, ons benijdt.

Waarom kwam hij zich ontrusten
En - zich tergend - ons bespiên?
ô Hoe wreed waar' niet zijn lijden,
Zo hij alles had gezien!....

Kloë, laat hij ons verachten,
Daar hij schimpend op ons ziet!
Zich verr' boven ons verheffen!
Waarlijk.... ik benij' hem niet.

1786.

schrijver

Geschreven door Dora om 16:04 Reageer op dit bericht

duif

Een gedicht van Albert Verwey 1865-1936

Noach's duif

Ik rustte in 't holle van een golf, ik plooide
Mijn vleugels en ik deinde: ik wist niet meer
Bewoog ik mee omhoog of mee omneer
En of mij links of rechts mijn schomling gooide.

Er was gedroppel dat zich op mij strooide,
Er was een hemel en een hemels weer,
En ik genoot en leefde in iedre veer,
Verheugd omdat zo schoon heelal mij kooide.

Toch wiekte ik traag en wendde en naar mijn ark
Richtte ik de koers: van boom op hoge heuvel
Plukte ik een twijg en gaf me aan 't venster in.

En mensen, beesten, met vervreugden zin,
Haastten weer uit met mij naar 't vorig euvel:
Het godverlaten, schendig aardepark.

Het blank heelal (1908)

schrijver

Geschreven door Dora om 14:36 Reageer op dit bericht

vriend

Een gedicht van Jan Frederik Helmers 1767-1813

AAN MIJNE VRIEND GERRIT JOAN MEIJER.

Bij al 't plundren, bij 't vernielen,
Bij het weiden van het zwaard,
Bij de duizenden die vielen
Door de dwingeland der aard',
Wiens gevloekte vuist niets spaart —

In dees hartverpletbre dagen,
Waar geen bloempje bloost aan 't blad,
En, in plaats der rozenvlagen,
Weemlend langs het bruiloftspad,
Merg en bloed de weg bespat —

Voegen zich bij éne stander,
In deez' algemene brand,
Alle braven bij elkander,
Vloekende d'uitheemse band
Op het puin van 't vaderland.

Die eenstemmigheid van denken
Hecht de zielen aan elkaar;
Kan in 't wee ons wellust schenken,
En verbindt een vriendenschaar
In de afgrond van 't gevaar.

Hechter wordt die band gesloten,
Als der wetenschappen gloed
Ombruist door 't ontvlamd gemoed,
Brave land- en kunstgenoten
Met dezelfde zielspijs voedt:
o! Die band verbindt als 't bloed!

Dierbre Meijer! deze banden
Strenglen zich om onze ziel;
Want gij brengt uwe offerhanden
(Wat 's lands dwingland ook verniel')
Aan de God, voor wie ik kniel.

Mocht ge, als ik niet meer zal wezen,
't Stille graf mijne as bewaart,
Eenmaal nog dees lettren lezen,
Zeggen: "Druk hem zacht, o aard'!
Helmers was mijn vriendschap waard'!"



Oktober, 1812.

Nalezing der gedichten (1815)

schrijver

Geschreven door Dora om 16:38 Reageer op dit bericht

beginsels

Een gedicht van Willem Bilderdijk 1756-1831

Beginsels.

Gramschap is een schrikbre ontvlamming die onblusbaar om zich woedt:
Droefheid is ene overstelpende en niet af te keren vloed:
Nijd, een alverstikkend onkruid, dat én vreugd én deugd versmoort:
En begeerlijkheid, een hartworm, die het ingewand doorboort.
Maar dat vuur is uit een vonkje tot zo fel een brand ontgloeid:
Maar die stroom uit kleine druppen tot die zeekolk saamgevloeid:
Maar dat ondier is geboren uit het stof der ledigheid:
En dat onkruid, van één zaadje over d' akker uitgebreid.
Sterfling! blus dit eerste vonkje, eer het tot een vuurgloed wordt:
Droog dees eerste druppel water, eer hij u op 't harte stort;
Zij het eerste kleine zaadje, eer het wortelt, uitgerooid:
Zuiver 't hart van ieder stofje, door de ledigheid gestrooid:
En die onbetembre driften, die geen macht kan wederstaan,
In haar oorsprong reeds vernietigd, doen uw boezem nimmer aan.



1805.

schrijver

Geschreven door Dora om 19:08 Reageer op dit bericht

Een gedicht van Frans Bastiaanse 1868-1947

Het kind

"Het schoonst geluk, dat gij mij ooit kunt geven
Zal wezen als eenmaal een nieuw gelaat,
Uit u en mij geboren bloeien gaat,
Maar toch het meest heeft van uw stralend leven;

En, zoals naar het gouden pracht-sieraad
Een kleiner wordt in fijner goud gedreven,
Zal 't flonkrend blond zijn voorhoofd-blank omgeven
Als 't graan, dat in de zon te gloeien staat."

Toen kuste ik om dat schone woord mijn lief,
Die om mijn hals de strelende armen hief
En 'k sprak: "ja! dat zal groot en heerlijk wezen,

Als ik u zien zal in hetzelfde kind,
Waarin gij mij opnieuw geboren vindt:
Twee-eenheid in één enig beeld te lezen."

Gedichten (1909)

schrijver

Geschreven door Dora om 13:24 2 reacties Reageer op dit bericht

knapen

Een gedicht van Helene Swarth 1859-1941

BADENDE KNAPEN.

Mild zaait de zon, door 't klaterloof der popels,
Haar gouden spranken op het stromend water,
Waar, slank en blond, twee vlugge knapen zwemmen,
Als zwanen blank en fier als jonge goden.
Op hals en armen beeft der blaadren schaduw
En vonklend vloeit, van beider brede schouders,
In 't golvenblauw een regen van juwelen.

Beelden en stemmen (1887)

schrijver

Geschreven door Dora om 15:34 Reageer op dit bericht

ogen

Een gedicht van Willem Kloos 1859-1938

't Was niet het op en neerslaan uwer ogen

't Was niet het op- en neerslaan uwer ogen,
't Was niet het heldre lachen van uw mond -
Ik weet niet, weet niet wat mijn lippen bond,
Toen gij daar zat, het tere hoofd gebogen,

Dat hoofdje, als een bloem, zacht bewogen
Op iedre adem van de ziel: ik vond,
Ik vónd geen woorden in die éne stond,
Dat ooit mijn ogen u aanschouwen mogen.

Was 't de gedachte, dat een enkel woord
Een blos kon lokken op die bleke trekken
En om die mond een nauw-verbeten spot?

Hoe zouden woorden, waar het hart niet hoort,
Een wederklank op zúlke wensen wekken?
Ik zweeg, en zag u aan, en wist mijn lot....

Verzen (1894)

schrijver

Geschreven door Dora om 13:28 Reageer op dit bericht

prinses

Een gedicht van Jan Jacob Slauerhoff 1898-1936

Voor de verre prinses

Wij komen nooit meer saam:
De wereld drong zich tussenbeide.
Soms staan wij beiden 's nachts aan 't raam,
Maar andre sterren zien we in andre tijden.

Uw land is zo ver van mijn land verwijderd:
Van licht tot verste duisternis - dat ik
Op vleuglen van verlangen rustloos reizend,
U zou begroeten met mijn stervenssnik.

Maar als het waar is dat door grote dromen
Het zwaarst verlangen over wordt gebracht
Tot op de verste ster: dan zal ik komen,
Dan zal ik komen, iedre nacht.

Serenade

schrijver

Geschreven door Dora om 13:04 Reageer op dit bericht

ontwaken

Een gedicht van C.S. Adama van Scheltema 1877-1924

Ontwaken bij regen

't Is regen, - 't regent aan mijn ruit —
De regen wist mijn dromen uit
En draagt mij in de droom van 't leven;
Een beeld gaat om — een beeld beklijft,
Beeld van een lied - dat blijft, dat blijft:
Het zacht en zegenend geluid
Van droppelende regen.

't Is regen, - 't regent aan mijn huis -
Ik luister, sprakeloos en kuis,
Naar 't lied van 't ledig leven,
Dat dromend van de hemel leekt
En dromend weder leven kweekt
Dat mild en murmelend geruis
Van droppelende regen.

't Is regen, - 't regent aan mijn geest -
De regen wist wat is geweest
En laat maar een gerucht van leven:
Een zucht, een zweem van wat muziek,
De donzen vlucht van een wiek
Voorbij, voorbij mijn stille geest
0 — zo te mogen sterven!

Zingende stemmen (1914)

schrijver

Geschreven door Dora om 14:41 Reageer op dit bericht

veer

Een gedicht ten gunste voor de dichter des vaderlands zoals ik het
bekeek



Veer

 

Hij heeft geschreven

Maar is niet gebleven

Hoewel, hij ontvangt een gouden veer

Dat is toch ook niet mis

Een jong mens als een dichter des vaderlands

Kreeg zomaar die fantastische kans

Hoewel het misschien ook wel eens zwaar kon zijn

Want je moet het wel kunnen beschrijven

Waarom je dan ook zo lang mocht blijven

Maar nu geeft het leven een wending

Talenten zijn er om te benutten

Het leven moet men ook kunnen stutten

Zodat men met twee benen op deze aarde blijft staan

En niet als een verwaande door het leven wilde gaan

Toch is het een eer geweest

En voor een dichter was het misschien

wel een bijzonder dichtersfeest!

 

 

 

 

Geschreven door Dora om 21:08 Reageer op dit bericht

januari

Een gedicht van J.J.A. Goeverneur 1809-1898

Januari

Op d' eerste dag van 't nieuwe jaar
Zijn thuis de kindren vroeg al klaar
En huppelen de kamer binnen;
Daar wensen zij dan, blij te moe,
Aan de Ouders heil en zegen toe
In 't nieuwe jaar, dat zij beginnen;
Ze springen bij Papa op schoot,
Ze zoenen Ma de wangen rood,
En door heel 't huis klinkt telkens weer:
Fe-li-ci-teer! 'k Fe-li-ci-teer!

En 't is ook even druk op straat;
De brievenman weet zich geen raad
Met al de kaarten en de wensen,
Die hij moet brengen bij de mensen;
Oud, jong, rijk, arm is op de been,
Men kan door al 't gedrang niet heen;
Ja, ja, nieuwjaarsdag is een feest,
Als nog dit jaar niet is geweest,
Maar Pa en Ma zijn toch recht blij,
Is al die pret voor goed voorbij.

Bij helder weer een wandeling
Is deze maand een kostlijk ding;
Dan, als het ijs kan houën,
Ziet men de mensen schaatsenrijën,
De jongens sneeuwmans bouwen,
De meisjes baantje-glijën,
En nog veel anders, dat men niet
In 't hartje van de zomer ziet.

Heel enkle kindren gaan nu wel
Eens mee naar 't mooi komediespel;
Doch dit gebeurt maar voor een keer -
Eens, tweemaal 's winters - en niet meer.

De twaalf maanden van het jaar (1870)

schrijver

Geschreven door Dora om 13:52 Reageer op dit bericht

eilanden

Een gedicht over eenzame eilanden schrijver onbekend bij mij

Eenzame eilanden


Ik zie eilanden
doelloos drijvend
losgeslagen
dobberende ikken
in eenzaamheid

als wrakhout
wanhopig
op zoek naar
het schip
dat breuk liep
op rotsen
van onwetendheid

ik zie bruggen
soms wankel
soms stevig
geslagen
tussen
tijdelijke wij's

als handen
hoopvol
vasthoudend aan
de liefde
die grenzen
vervagen zal

ik zie stormen
golven bevelen
pijlers
verzakken
en ons
weggeslagen

als twijfels
knagend
aan het hart
dat breekt
door
onbekende ziel

Geschreven door Dora om 18:29 Reageer op dit bericht

de poëet

Een gedicht van Jacob Oosterwijk Bruyn

De poëet

Joost las: `Poëten leven lang.'
Hij greep de lier en stemde een zang. -
Veel boeken heeft hij vol geschreven,
En 't doel bereikt, waarmee hij zong:
Hij bleef tot hoge jaren leven;
Maar al zijn verzen stierven jong.

schrijver

Geschreven door Dora om 19:11 Reageer op dit bericht

roos

Een gedicht van Herman de Gorter 1864-1924

DE DAG GAAT OPEN ALS EEN GOUDEN ROOS

De dag gaat open als een gouden roos;
ik sta aan 't raam en zend mijn adem uit,
het veld is stil, en nauwlijks éen geluid
breekt naar het koepelblauw bij tussenpoos.

En in mijn kamer, als een donkre doos,
waarvoor de parels hangen aan de ruit,
ga 'k heen en weer, tot waar mijn wandling stuit
en ik bij donkre wand stil peinzend poos.

Ik heb 't gevonden, het mensengeluk,
als moest ik worden vier en dertig jaar
eer ik het vond, en ging veel trachten stuk
in spannend worstlen en ijdel gebaar.
Maar zo zeker als daarbuiten de zon de
wereld befloerst, heb ik 't geluk gevonden.

Verzamelde lyriek, Amsterdam.(1898)

schrijver

Geschreven door Dora om 15:49 Reageer op dit bericht

nieuwjaar

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899

't Nieuwjaar! Och! 't Is altijd 't oude

't Nieuwjaar! Och! 't is altijd 't oude:
zitten beven van de koude;
dan, deur slijk en moze gaan;
later, in de zonne braên;
als het zwijn zit in de kuipe,
't keerske brandt al in de puipe;
en, van zo de winter fluit,
't keerske is dood, en 't jaar is uit!


1885





---------------------------------
moze: modder
puipe: open nis in muur tussen woning en stallingen

Jaarkrans (1893)

schrijver

Geschreven door Dora om 15:46 Reageer op dit bericht

de dag

Een gedicht van Herman Gorter 1864-1924

DE DAG GAAT OPEN ALS EEN GOUDEN ROOS

De dag gaat open als een gouden roos;
ik sta aan 't raam en zend mijn adem uit,
het veld is stil, en nauwlijks éen geluid
breekt naar het koepelblauw bij tussenpoos.

En in mijn kamer, als een donkre doos,
waarvoor de parels hangen aan de ruit,
ga 'k heen en weer, tot waar mijn wandling stuit
en ik bij donkre wand stil peinzend poos.

Ik heb 't gevonden, het mensengeluk,
als moest ik worden vier en dertig jaar
eer ik het vond, en ging veel trachten stuk
in spannend worstlen en ijdel gebaar.
Maar zo zeker als daarbuiten de zon de
wereld befloerst, heb ik 't geluk gevonden.

Verzamelde lyriek, Amsterdam.(1898)

schrijver

Geschreven door Dora om 18:30 Reageer op dit bericht

Een gedicht van J.J.Goeverneur 1809-1898

December

Het haasje maakt zijn laatste buiteling,
En 't arme ding
Moet duur nu voor de kool betalen,
Die 't deze zomer bij de boer van 't veld kwam halen,
En waarvoor 't boertje niets ontving; -
Voldaan is nu de rekening.

December brengt naar oude wijs
Ons regen, sneeuw of vorst en ijs.
De lucht, somtijds als as zo grauw,
Is soms van 't allerzuiverst blauw,
Waarin bij nacht de lieve maan
En duizend gouden sterren staan. -
Als men die helder tintlen ziet,
Dan dient men braaf te stoken,
Dan moet de schoorsteen roken;
Want warm is het dàn buiten niet.

December brengt, wat bovenal
U, vrindjes, wel bevallen zal,
December brengt de brave Sant,
Van ouds bekend door 't hele land;
Want Sint Niclaas, goed-heilig man,
Trekt nu zijn beste tabberd an,
Rijdt hoog te paard door land en stad
En gooit door elke schoorsteen wat.
Hoe arm en klein een huisje ook zij,
Hij gaat het zeker niet voorbij,
Maar maakt de kindertjes er blij.
Kreeg een van u eens wat heel veel,
Gun dan 't arm buurkind ook een deel!

En is de kortste dag geweest
En 't lief en kostlijk Kerstmisfeest,
Dan heeft het Jaar zijn werk gedaan
En wil voor altijd rusten gaan.

Twaalf heeft de klok
En 't jaar is uit;
Door groten wordt
Tot goed besluit
Nog eens geschonken
En braaf geklonken;
Maar alle kindren liggen lang
In zoete rust,
En weten niet en voelen niet,
Dat nog zo laat
De Moeder aan hun bedje staat
En stil hen kust
Met in 't nieuwjaar háar eerste wens:
Kind, word een braaf en deugdzaam mens!

De twaalf maanden van het jaar (1870)

schrijver

Geschreven door Dora om 13:07 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten