Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

Berichten van 1 februari 2012 tot 29 februari 2012

wederzien

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899

Tot wederzien, tot wederzien

Tot wederzien, tot wederzien!
al waar het moge wezen:
na lang- of korte tijd, misschien
in 't ongekend nadeze!


1861

Kleengedichtjes

schrijver

Geschreven door Dora om 10:57 Reageer op dit bericht

gestorven

Een gedicht van Helene Swarth 1859-1941

AAN EEN JONGGESTORVEN DICHTER

O, jeugdig beeld, verheerlijkt beeld eens doden,
Zo vaak aanschouwd in zaalge weemoedsdromen,
U blijf ik trouw, hoewel de jaren vloden,
De vluggewiekte, die niet wederkomen.

Nog voel 'k een tranenvloed mijn ziel doorstromen,
Wanneer ik peins aan u, en hoe de goden
U, ach! zo vroeg, een koele wijkplaats boden,
Melodisch door de wiegezang der bomen.

Ik hoor uw stem in 't lied der nachtegalen,
Ik zie, van milde zilverglans omgeven,
Uw blonde kruin in blonde manestralen.

'k Zie aan de hemeltrans uw ogen blauwen
En 'k voel uw adem liefdevol omzweven
Mijn handenpaar, aanbiddend saamgevouwen.

schrijver

Geschreven door Dora om 18:34 Reageer op dit bericht

wereldlente

Een gedicht van Johannes Redingius 1873-1944

Aan de verlangenden naar een nieuwe wereldlente

Gij op het pad tussen Geboorte en Dood
vertrouw op 't naadrend lichtend morgenrood,
de nacht zal wijken, ja, de mens ontwaakt,
zie ginds op gouden zee de zonneboot.

Uw geest zij als een vogel sterk en vlug,
strevend gij bouwt van hier naar ginds een brug,
ééns zijt gij ginds en de aarde is U een ster,
gij schouwt als sferenmens naar haar terug.

Beminnen leer de stilte van de nacht
en zoek de zee van glans, der sterren pracht,
wees één met haar en weet dat hoog gij leeft,
wat deert of donk're Dood komt nader zacht?

Denk altijd als ge een eenzaam mens aanschouwt:
ook hij is doler door 't nachtdonker woud
heeft om te gaan nodig wellicht uw hand,
maak hem tot een die op zichzelf vertrouwt.

Geef dan uw kracht, uw wil, uw liefde, uw gloed,
geef altijd gouden van uw overvloed
en wankel niet wanneer daar dreigt gevaar,
geef zelf U, gevend aan de moede moed.

Dat vreugde zonnig in uw leven zij,
door 't lichten van de geest die maakt U vrij,
gij weet diep in uzelf uw levensdroom
onsterf'lijk, ongeschonden, vlekloos, blij.

De mens is zingend wezen van natuur
dus moet hij zingen ieder levensuur,
door licht en donker zege-zingend gaan
en houden rein wat in hem is, het vuur !

Tusschen twee werelden (1933)

schrijver

Geschreven door Dora om 13:21 1 reactie Reageer op dit bericht

uitboezeming

Een gedicht van Isaac Da Costa 1798-1860

Uitboezeming

Neen, 'k was geen Zanger, stout en sterk,
Wie eigen kracht naar 't ruime zwerk
Op brede vleuglen uit deed schieten.
Ik ben een wormke, zwak en klein,
In eigen, in Gods oog onrein!

En, zo mijn zangen indruk lieten,
Hij wete 't, wie dit ondervond,
Dat, zo ik ooit als Dichter stond,
De galm, geslaakt op deze grond,
Een naadring was van hoger waarheid,
Eerst dichterlijk mijn geest verkond,

Maar op een onvergeetbre stond
Uit d' eigen vaderlijke mond
Mijn hart nabij gebracht met onweerstaanbre klaarheid.
Zo wens noch bied mij eer of lof,
Mij, arme kruiper in het stof;

Maar blijv', voor palm of erelover,
Slechts deze naam van mij bestaan,
(Zij ook mijn dichtervonk vergaan!)
Slechts dit getuignis van mij over:
Zijn Dichtkunst had haar tijd - die van een lentebloem; -
Maar Waarheid bleef zijn deel - de Levensboom zijn roem!


1836.

schrijver

Geschreven door Dora om 15:19 Reageer op dit bericht

nebo

Een gedicht van Helene Swarth 1859-1941

NEBO

Ik sta als Mozes, vóór 't Beloofde Land.
Ik zie 't van verre en mag niet binnengaan.
Ginds, aan mijn voeten, golft het gulden graan;
Vroom ruist het woud: "God doet zijn woord gestand."

Ik bal de vuist en klaag u, Jahvéh, aan,
Verberge u ook een koopren wolkenwand.
Zwaar, op mijn schouder, valt de onzichtbre hand
En straft mij streng voor wat ik heb misdaan.

Had ik, als hij, die de uitverkoornen Gods
Ten leven leidde, een grootse taak volbracht,
In stille vrede stierf ik op mijn rots.

Doch doelloos moet ik lijden en mijn klacht
Kaatst, onverhoord, de kale bergkruin weer...
En, de ogen dicht, stort ik in d'afgrond neer.



schrijver

Geschreven door Dora om 12:09 Reageer op dit bericht

les

Een gedicht van Jacob Cats 1577-1660

Behartenswaardige les van vader Cats

Gelukkig is de mens, die als hij gaat te bed,
Zijn rekening met God gedurig effen zet.
Gelukkig is de mens, die, als het licht begint,
In zijn verlichte geest een nieuwe wereld vindt.

Lenteloveren (1845)

schrijver

Geschreven door Dora om 11:03 Reageer op dit bericht

volkslied

Een gedicht van J.B. Schepers

Volkslied

Ingegeven bij Krugers intocht in Den Haag.

Opgedragen aan Volksweerbaarheid.

Op, burgers, op! Laat luid ons lied nu klinken
Ter ere van de vaderlandse grond:
Hier zag men, de eeuwen door, de vrijheid blinken
Te midden van een volk dat dwang weerstond.
Hier streden wij voor 't recht om vrij te denken,
Wij staan er pal voor noch tot aan de dood:
Wie waagt het dan een dapper volk te krenken;
Al zijn wij klein, dit zelfgevoel maakt groot.

Wij, Nederlanders, waar we ook mogen wonen,
Waar ook de taal van 't Laaglands ras weerklinkt,
Daar willen wij aan heel de wereld tonen,
Dat ons een krachtig, blij gevoel doordringt.
Laat Oost en West het zien, hoe jong en krachtig
Wij staan naast onze Oranjes, zij aan zij,
Verschillend in geloof en denken, maar eendrachtig
In deze éne leus: Wij blijven vrij!

Doorluchtig volk, dat eenmaal tachtig jaren
Gestreden en geleden hebt voor 't Recht,
Blijf die gedachte als 'en schat bewaren
Een kostbre schat, die plichten op U legt:
Volg 't voorbeeld van dat oud geslacht, wiens glorie
Noch altijd is z'n Vaderlandse zin,
En - wacht dan kalm het oordeel der historie,
Ga opgewekt en sterk de toekomst in.


Haarlem.

schrijver

Geschreven door Dora om 14:41 1 reactie Reageer op dit bericht

zo

Een gedicht van Frans de Cort 1834-1878

Zo gij mijn lief wil zijn!

Ik min u, och bemin me weer,
En seffens leg ik al de schatten,
Die aarde, zee en lucht bevatten,
Aan uwe voeten neer!
Wat uwe dromen u voorspelden,
Wat u der Hope zangen meldden:
Dat alles ja is uw en mijn,
Zo gij mijn lief wilt zijn!

Langs bloemenwegen zult gij treên,
En zoetere geuren zullen walmen,
En zoetere zangen zullen galmen
In 't veld, dan ooit voorheen;
De zon zal eens zo helder glanzen
Aan immer blauwe hemeltransen,
En eeuwige lente is uw en mijn,
Zo gij mijn lief wilt zijn!

Liederen (1868)

schrijver

Geschreven door Dora om 12:44 Reageer op dit bericht

illusies

Een gedicht van Frederik Schmidt D

Illusies

De zelf-beloofde wonderen van uw jeugd
zijn weggedoezeld tot een schamelheid;
en weggedwerreld is in daaglijksheid,
de tuin vol wilde geur, die niet meer heugt.

Uw jaren vonden banen vast omlijnd.
Het liep als ’t lopen moest en zelden spaak.
Iets anders deed gij dan uw diepste taak –
en nu ontwaakt gij even voor het eind.

Het binnenspel van uw verbeelding bant
de nutteloze zwaarte van ’t verstand,
in welks omkluistering gij doods moest leven.

Droom weer, droom nog, droom over zee en land,
droom los u uit de dag en droom nog even
een glimp van schoonheid in de droom hergeven.

----------------------------------------------
uit: 55 variaties op een bekend thema (1937)

schrijveregener

Geschreven door Dora om 16:45 Reageer op dit bericht

Gods aangezicht

Een gedicht van Abraham van Collem 1858-1933

Gods aangezicht het is...

Gods aangezicht, het is de atmosfeer,
Het zijn de bomen, is der wolken veer,
De akkers en de gronden en de dalen,
De bergen en de schitterende schalen
Der zeeën, waar de zilvervis in school,
Gods aangezicht is in de veldviool,
In struik en plant en in der dieren oog,
Het is Gods beeltenis, die uit de takken vloog,
Wanneer de vogel op de lucht zich heft,
God is de bliksem, die de aarde treft,
En splijt en kerft haar ingewanden open,
God is het vermiljoen, vooruitgelopen,
Vermeldende der aarde nieuwe Zon,
God is het rondend ruim, de horizon,
Die altijd verder trekt waarheen ge treedt,
Hij is het waterdek, hij is het kleed
Dat op de aarde ligt, de schemering is hij,
Een man in weifeling, in mijmerij,
God is een doodslag, wreedheid en de list,
God is de werkelijkheid, die zich vergist,
De beving van het komende gebeuren,
De lichte laaie gloed, het peinzend peuren,
God is de vrouw, de man, het kind, het dier,
Hij is de sneeuw der bergen en het wier,
De wijde lucht, het alom vonkend vuur,
Er is geen God, er is slechts de natuur.

Van God en van de natuur (1921)

schrijver

Geschreven door Dora om 12:41 Reageer op dit bericht

grafbloem

Een gedicht van Frederik Schmidt-Degener

Grafbloem voor Leopold

De orchidee, de enkeling,
de schrikse fantasie der lijnen
een opensperren - en dit kwijnen
o nauw geredde drenkeling;
een tengerheid, zacht neergelegd
door vriendenhand die wou bewaren
herinnering aan zielsgevaren -
en al het schuwe, ongezegd.

-----------------------------------------------
noot van de redactie:

Frederik Schmidt-Degener maakte de dichter J.H. Leopold jarenlang
als leraar en later als vriend mee.

schrijver

Geschreven door Dora om 11:54 Reageer op dit bericht

mijn kind

Een gedicht van P.C. Boutens 1870-1943

Mijn kind, ik ben niet rijk

Mijn kind, ik ben niet rijk,
Al ben ik niet zo arm als 'k lijk.
O, al bezit wordt wonderlijk,
Zodra men komt te leren
Wat rijkdom kan ontberen!

Eens had ik mij zo rijk gedacht,
Dat tot mij heel de stille nacht,
Onafgebroken wanhoopsklacht,
Rezen der wereld zangen
Van overwinning en verlangen.

Nu, in de stralen van de zon,
In 't water der gemene bron,
In 't blanke brood dat 'k werkend won,
Herproef ik reiner al de lusten
Wier lippen ik als eigen kuste.

Vaak, levend maar van hand in tand,
Een zwerver door der mensen land,
Zag ik in toegestoken hand,
Hoe klein en armlijk koperstuk
Tot klinkklaar goud werd van geluk.

Dus ben ik niet zo arm als 'k lijk,
Al ben 'k niet rijk;
Want al bezit is wonderlijk,
Omdat een mens alleen volkomen heeft
Wat hij verloren geeft.

Stemmen (1943)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:37 Reageer op dit bericht

zij zeggen

Een gedicht van Nicolaas Beets 1814-1903

Zij zeggen

Zij zeggen : „Laat uw dwaas vooroordeel varen!
Daar is geen God, die antwoordt op gebeên;
't Oud Bijgeloof had tempels en altaren:
De Wijsheid onzer eeuw behoeft er geen.
De honger nijpt, de pest ontvolkt de straten,
Uw kroost ligt krank en worstelt met de dood:
Verbijt uw leed! Wat zou uw bidden baten?
Geloof hen niet, en klaag aan God uw nood.

Men leerde u van een Vader, die voor allen
En alles zorgt met vaderlijke trouw;
Dat, zonder Hem, geen mus op aarde vallen,
En op uw hoofd geen haar vergrijzen zou.
Neen! zeggen zij: Natuurwet drijft het leven
En brengt de dood, voor beiden even blind...
Vergeefs uw lot in hoger hand gegeven!
Geloof hen niet, en blijf uw Vaders kind.

Men predikte u een Heiland, voor uw zonden
Gestorven, en uw Redder door zijn bloed.
Uw schuldig hart heeft troost bij Hem gevonden,
Uw kranke ziel bij Hem haar kracht en moed.
Zij zeggen: IJdle troost voor noodloos vrezen!
De mens is goed, hoe dweepzucht hem verguiz'!
Steun op u zelv', en gij zult krachtig wezen!
Geloof hen niet, en houd u aan zijn kruis.

Godsakker noemt gij 't kerkhof; 't daar gezaaide
Herleeft eenmaal in nieuwe heerlijkheid!
Dwaas! zeggen zij: 't stof dat de wind verwaaide
Is nergens meer, of overal verspreid.
't Herleeft? 0 ja! In gras en kruid en bloemen,
En sterft opnieuw, en wisselt eeuwig af ...
De geest? Wat is die geest, waarop wij roemen?
Een denkbeeld!... Hoor hen niet! maar plant het kruis op 't graf.

Madelieven (1869)

schrijver

Geschreven door Dora om 14:02 Reageer op dit bericht

dood

Een hartenkreet van Ton Rijkers

STAPPEN TOT DE DOOD

Winter heerst er in mijn hart
‘t is er snijdend koud en guur
Wolken zijn er grauwig zwart
wat ik mis, is het levensvuur

Stilte heerst in mijn innerlijk
alleen de nacht is deelgenoot
Duisternis schijnt onsterfelijk
even onsterfelijk als de dood

Smart beheerst de lange weg
waar de zon het schijnen laat
De verlaten weg, die ik afleg
voert mij tot de laatste straat

Winter heerst er in mijn hart
als ik van ver de drempel zie
Dan ineens vervaagt ‘t zwart
en wijzigt zich in acceptatie

Vrede beheerst nu mijn hart
koud en guur, zij stierven af
Licht fonkelt over het zwart
van ‘t onbewoond aards graf

Geschreven door Dora om 13:25 Reageer op dit bericht

vrouw

Een gedicht van Eduard Brom 1862-1935

Aan mijn vrouw

Ne li occhi porta la mia donna Amore,
Per che si fa gentil cio ch'ella mira.

Dante Alighieri (1265-1321).


Je fijne gratie mij omwevend
Als geuren delicaat,
Je geest zo lichtend en zo levend
Mijn geest omzwevend, saâm opstrevend ...
Je tere vrouwlijkheid, mij gevend
Een nieuw geluk nog laat
Maar jong en lichtend als een avend
Van droom en kleur en koelte lavend,
Een avond die héél langzaam duistert,
Maar door geen duister wordt ontluisterd .....
Want de avond-Schoonheid wil niet marren:
Uit dage-scheiden Zij ontluikt
In mane-glans en gouden starren,
In blijheid die de vogel tjuikt:
Een avond die de nacht weerstaat
Tot aan de nieuwe dageraad!

Laat dan mijn avondbeê je danken
In zacht koraal van morgenklanken,
Alsof mijn ziel pas werd gewekt
En nu opééns zichzelve ontdekt,
Als zon uit wolken openbrekend,
En met een vreemde stemme sprekend,
Aan lang verzaamde zingens-stof
Ontlenend plots der Liefde lof!

20 Juli 1932.

schrijver

Geschreven door Dora om 11:18 Reageer op dit bericht

zingen

Een gedicht van Victor A. dela Montagne 1854-1915

Wij zingen, wij, de poëten...

Wij zingen, wij de poëten,
van weia, weiala, dideldidom...
't Volk vindt de zang... versleten
en de poëten... dom.

Wij zingen roerende sagen
van weia, weiala, dideldidom...
maar 't leed van alle dagen,
daar geven wij wat om!

Wij zingen van dwergen en elven,
van weia, weiala, dideldidom...
van sombre spookgewelven,
waar nimmer straaltje glom...

Wij zingen van reuzen en draken,
van weia, weiala, dideldidom...
die schuchtere maagdekens schaken
en voeren om en om...

Wij zingen van kabblende beken,
van weia, weiala, dideldidom...
van bloemekens die spreken
in 't woudlijk heiligdom...

Wij zingen en wij zwoegen,
van weia, weiala, dideldidom...
de volke ten genoege, .—
en 't volk loopt naar de kroegen
en vindt de poëten.... dom.

Gedichten (1913)

schrijver

Geschreven door Dora om 16:00 Reageer op dit bericht

dromen

Een gedicht van Constantijn Huygens 1596-1687

Dromen en denken

Dromen is denken zonder verstand,
Denken is dromen met open ogen:
Beide zijn vodden uit ener hand,
Waar men op vertrouwt, men is bedrogen.


4 februari 1665

schrijver

Geschreven door Dora om 13:35 Reageer op dit bericht

wandeling

Een gedicht van Jan Campert 1902-1943

Heilloze wandeling

Nu ik wandel door de straten
van deze verdoemde stad,
met altijd diezelfde gelaten
voel ik mij zo verlaten
als een vrouw die de liefste vergat.

Zij blijft maar blindelings lopen
langs grachten, kaden en plein,
zonder uitzicht en zonder hopen,
de hunkerende ogen open
en brandend van de oude pijn.

Grauw zijn de huizen-blokken
- kooien van steen en cement -
waar de sterflijken samenhokken,
bederf de adem doet stokken
en elk geheim wordt gekend.

De loden hemel daarboven,
boven misère en sleur,
die ons de dromen ontroven,
geen hart om aan te geloven,
geen zon, geen warmte, geen kleur.

Heilloos, verdwaald en vergeten,
op geluk niet voorbereid,
moet ik mijzelve wel weten
een offer der dood'lijke vete
tussen droom en werkelijkheid.

De Gemeenschap (1935)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:09 Reageer op dit bericht

vaak

Een gedicht van Willem de Merode 1887-1939

Ik heb zo vaak…

Ik heb zo vaak, wanneer de schemer hing
Over de grachten en de hoge bomen,
Dicht aan het raam gedrukt zitten te dromen,
Waarlangs het lichten aarzlend nederging.

De kleuren en de lijnen van elk ding
Verdwenen in het wazig-witte dromen,
Dat, uit het stille water opgekomen,
Voor ’t vochte raam ’t lantarenlicht opving.

Als ’t koude glas drukte ik mijn hete wangen
Mijn ogen zochten door de mist te turen,
Speurend wie nog zo laat de laan inliep.

En in mijn oren zong mijn oud verlangen
De wijze die in al mijn droeve uren
Niet wilde zwijgen, maar uw namen riep.


23.11.1911

Nalezing I (1907 - 1915)

schrijver

Geschreven door Dora om 11:15 Reageer op dit bericht

vrouw

Een gedicht van Hendrik Marsman 1899-1940

De vrouw van de zon

'Ik zag een vrouw, die schreed
alsof zij nooit zou sterven.'

A. Roland Holst


Vrij en eeuwig,
tijdeloos ontheven,
in een hoog en onaanrandbaar zweven,
schrijdt gij,
koninklijk geheven,
langs de blauwe muren van het licht

o! de sneeuwstorm van uw gouden mantel
o! de zon, het diamanten vlamsel,
dat de heemlen uitstroomt uwer haren
langs de wolkenloze bergen van de dag

o! de nacht -
waar uw fonkelende gouden tocht
in de hoge, sidderende loop der herten
eenzaam eindigt,
in de diepste verten.

Verzamelde gedichten

schrijver

Geschreven door Dora om 13:25 Reageer op dit bericht

franciscus van assisi

Een gedicht van Edward Koster 1861-1937

FRANCISCUS VAN ASSISI.

Met milde geestdrift in het peinzend oog,
En de armen zeeg'nend uitgestrekt, de mond
Omspeeld van teed're weemoed, door het blond
Van baard en knevel zacht omvloeid, rijst hoog

Een man, omvonkeld door de stralenboog
Van maanlicht-mystisch gloeien, zie, de wond
Van Christus bloedt in zijne zij, de grond
Doet bloemen spruiten, waar hij zich bewoog.

Hij liet de armen al zijn schatten over,
Zijn lijf en leven gaf hij aan zijn Heer,
En trok de liefde predikend door 't land.

Want alles had hij lief,de mensen, 't lover,
De vogels, bloemen, alles klein en teer,
't Heelal omsnoerend in een liefdeband.

Tonen en tinten (1900)

schrijver

Geschreven door Dora om 18:26 Reageer op dit bericht

napoleon

Een gedicht van Johannes Klinker 1764-1845

Uitboezeming, bij de val van Napoleon.

Voorgelezen in ene vergadering van Vrijmetselaren, te Amsterdam.

Triomf! hij viel, die de aard deed beven,
De vrijheid trapte met de voet,
Die, door geweld en list verheven,
Zijn zetel vestte in mensenbloed!
't Verachtlijk Hoofd der volkverzwelgers,
(Zijn trotse slaven) maar, weleer,
Het troetelkind der troonverdelgers
En vorstenmoorders, plofte neer!

Van uit zijn hoogte viel hij neder,
Maar niet verpletterd door zijn val.
Zweer, Volkren! dat zijn trots niet weder
Met nieuwe kracht verrijzen zal!
Weer, weer de tweedracht uit uw vanen! -
Verdelg het monster, schoon het kermt:
Het nijlgedrocht weent valse tranen.
Wee uwer! - zo gij u ontfermt.

Zijn wanhoopskreet dringt door de wolken;
Die kreet vervangt zijn zegelied.
Hij vleit om Vrede; maar, o Volken,
Mistrouw de Vrede, die hij biedt.
Op, Franken, op! herneem uw waarde!
Wis uit de teeknen uwer schand'!
Ja, wapen u; maar zuiver de aarde,
Verlos u van de dwingeland!

Die taak is de uwe! - Of, wilt ge, als slaven,
Zijn woeste trots en euvelmoed,
Met siddrende onderwerping staven?
De wreedaard redden met uw bloed?....
Uw voortgezweepte duizendtallen
Opnieuw, voor 's vreemdelings belang,
Op 't heer der wrekers aan doen vallen?
Strijd dan - maar vind uw ondergang!

Reeds tweemaal heeft hij u verraden;
Verliet u, reddloos, in 't gevaar:
De lauwer uwer heldendaden,
Vlocht hij zich, vluchtend, in het haar.
Hij eist, ten derde maal, uw telgen.
Welaan! - Verschijn in 't strijdperk weer;
Maar om zijn aanhang te verdelgen.
Op, Franken! vel de dwingland neer!

Gij kende uw plicht, Vrijmetselaren!
In 't onderjukte Nederland,
Bleef gij getrouw; bij uwe altaren,
Bood ge aan zijn invloed wederstand.
Juich, Eedlen! juich! - Juich, mensenvrinden!
Wees trots op uw getande rand;
Maar laat geen Volkshaat u verblinden;
Ontheilig nooit de broederband!

Thans roept u 't heiligst recht ten strijde.
Te wapen! - 't Geldt der Volkren eer.
Gord, Broeders, 't slagzwaard aan uw zijde,
Trek op, en keer verwinnend weer!
Maar laat geen wrok uw hart bewonen;
De woestheid zwijg', waar de eer gebiedt!
Vergeet bij 't strijden, weduw-zonen!
De kindren uwer moeder niet.


December 1813.

schrijver

Geschreven door Dora om 16:12 1 reactie Reageer op dit bericht

maanschijn

Een gedicht van Pol de Mont

De maanschijn hangt

De maanschijn hangt, als een brug
op zuilen van kristal,
over een vale heide
onder de eindloze hemelhal.

Naakt en bloot de wijde heide...,
als een kerkhof naakt en bloot...
Is dat de slaap des Winters?
Is dat de slaap der Dood?

Als weefden onzichtbare handen,
handen, uit het schimmenrijk,
een koele witte wade
om een onzichtbaar lijk,

zó ligt, in het bleke maanlicht,
een rag van draden gespreid,
waar duizend tranen op blinken,
door onzichtbare ogen geschreid...

En als was het de stilte, of de maanschijn,
of de nacht, die tot tonen werd,
zweeft wijd, door de ragfijne luchten,
lijze een lied - vol vlijmende smert...

De Gids (1892)

Illustratie: '... waar duizend tranen op blinken'

schrijver

Geschreven door Dora om 15:00 Reageer op dit bericht

langs

Een gedicht van Johan van 't Lindenhout

Dicht langs een bongerdhaag schichtte een pruimensnaaier

Dicht langs een bongerdhaag schichtte een pruimensnaaier,
De klepper vong de wind en joeg de vogel op,
Er gonsde een ver gerucht van tramp'len en geklop,
De garvenbindster zong op 't zoeven van de maaier.

Maar, de open lippen strak in zijn verdoolde kop,
sliep aan de lauwe berm een schuwe armoedzaaier.
De zomernoen was heet, de hemel trilde laaier
En groener rankten zich de bellen van de hop.

Toen zwol een luwe wind over de brakke sloot,
Hij deunde door het riet en wuifde op de pluimen;
Een grauwvink aan de wal zat veer en vlek te ruimen,

't Was of het zonnerad goudener stralen spoot.
De slaper had zijn droom naar eigen lust en luimen,
Van honig en roô-wijn, ham en driekoon'ge-brood.

schrijver



 
Geschreven door Dora om 21:11 Reageer op dit bericht

in memoriam

Een gedicht van Karel van den Oever 1879-1926

In memoriam

Gouden geruchten gaan uit uw ogen;
'k hoor het breken van uw hart
en uw polsslag diep-bewogen
door de smart;

de avond huivert wijl het kil is;
aan uw wimper beeft een traan;
Och, hoe de avond zwijgt en stil is
en vol maan.

Verzen uit de oorlogstijd (1919)

schrijver

Geschreven door Dora om 16:54 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten