Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

Berichten van 1 december 2011 tot 31 december 2011

oudejaarsavond

Een gedicht van Frederik Hemkes 1854-1887

OUDEJAARSAVOND IN DE STAL

Geerte, kom, gaan we de stal nog eens rond,
Alles is binnen en 't vee is gezond,
Neem onze Janbaas maar mee op de arm,
't Zal hem niet schaden; daar binnen is 't warm.

Ziet ge de Witkop in 't hoekje wel staan?
Hemel, wat kijkt zij ons wonderwijs aan!
Weet je nog, hoe ik na weken beraad
's Ochtends ter markt ging? Wat werd het toen laat!

't Wou maar niet vlotten; mijn beurs was niet zwaar;
Dit beest te prijzig en dat weer te naar;
Wis, dat de avond u lang viel, mijn schat!
Toen gij de nieuwkoop verwachtte uit de stad!

Dikwijls al heb ik in stilte gedacht:
"t Beest heeft geluk in de woning gebracht;"
Nu geeft ze weinig meer, dat is wel waar -
Geerte, we melken ze toch nog dit jaar!

Eerst stond ze alleen bij de bles, dat was al!
Nu staan er waarlijk al zeven op stal;
Loopt het gewas in het voorjaar wat mee,
Dan koop ik vast er vóór Pinkster nog twee.

Hopen wij op een gezegend Nieuwjaar,
Dat het ons drieën niet scheidt van elkaar;
Zie eens, hoe Janbaas de Witkop daar aait!
Wat zijn ze maatjes - Hoor aan, hoe hij kraait!

De Banier, 4(1878)

schrijver

Geschreven door Dora om 15:01 1 reactie Reageer op dit bericht

jaar

Een gedicht van J.H.Leopold 1865-1925

Nu dat het jaar is oud en wit

Nu dat het jaar is oud en wit
En elk in zijn behuizing zit
Over het vuur gebogen,
Nu zal een wakkre zang opgaan
En dreunend aan de zolder slaan
Rumoerend in den hoge.

Hoe zit de huisman breed en goed
Op zijnen stoel en welgemoed
Keert hij de rug naar buiten
En tegen kou en overlast
Noodt hij de vrolijkheid te gast
Met neuriën en fluiten.

En dan op een gegeven woord
Zet in hij en onverstoord
Een bas met zware gangen,
Terwijl de vrienden honderd uit
Met tierelierend keelgeluid
Opvolgen en vervangen.

Tuinkoningen in wintertijd
Die al de strenge vorst ten spijt
Hun helder liedje zingen;
Wat ook voor leed heeft aangerand
Of dreigen mag, houd stand, houd stand,
Kloek hart zal ’t al bedwingen.

Gemengde verzen

schrijver

Geschreven door Dora om 15:06 Reageer op dit bericht

meisje

Een gedicht van Frans de Cort 1834-1878

Wil ik u eens wat vertellen, meisje?

Wil ik u eens wat vertellen, meisje?
Uw hart is net een duivenkot:
Gij doet het deurke nooit in 't slot,
En niemand klopt een tweede reisje...
Maar even licht als 't zich voor elk ontsluit,
Zo laat het ook de rappe vogels weder uit!

Dat gij schoon zijt, wil ik mee belijden -
En waarom zou ik 't ook niet doen?
Doch welke waarde heeft uw zoen,
Zo andren u de mond ontwijden?
Wat zou ik geven om uw liefdewoord,
Waarmede gij ook anderen dan mij bekoort?

Ware ik rijk, zo wilde ik gaarne delen,
En sprake niet van mijn en dijn;
Wat mijn, zou mijner vrienden zijn,
Al waren ze ook nog zo met velen...
Doch liefde is niet als brood en wijn, o neen!
En die ik minnen zal wil ik voor mij alleen!

Liederen (1868)

schrijver

Geschreven door Dora om 13:22 Reageer op dit bericht

zoek heil

Een gedicht van J.H. Leopold 1865-1925

Zoek heil...

Zoek heil en heul in uw gedichten; doe als ik
en denk om roem en eer geen ogenblik,
maar vind in verzen vrede en zielsgeluk.

Veracht de wereld en zijn vals behagen
in afbreuk doen, wat groot is te verlagen
en al het kleine en slinkse hoog te dragen.

Verzen (1926)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:29 Reageer op dit bericht

mannetje

Een gedicht van Willem Kloos 1859-1931

Mann'tje, onbenoemelijk van wanbegrip

Mann'tje, onbenoemelijk van wanbegrip
En zwaklijk voelen, kerel haast te deerlijk
Van gans geen mens zijn. Gij die 't eerlijk, heerlijk
Mens-zijn verknoeit, tot een lafhartig, sip,

Naarstig, naargeestig lelijk-doen en smeerlijk
Grijpen met groeslig hand-paar wilt hip, hip,
Naar 't schone dat u aanspuwt en dan wip
Weer troont in haar Hoog-heerlijkheid Ondeerlijk.

Kom, wees waarachtig man en waarlijk eerlijk
Kom uit voor uw vermaledijde streken
Lafhart'ge, die niets zijt als een indringend

In 't allerheiligste der heilgen, zeerlijk
Vertoornd op u, klein katertje dat zingend
Des nachts op 't dak zit in miauwend preken.

-------------------------------------------

Redactie:

Rond 1894 schreef Willem Kloos een groot aantal schimpsonnetten, waarin hij voormalige vrienden ervanlangs gaf. In bovenstaand gedicht moest Arnold Aletrino het ontgelden.

schrijver

Geschreven door Dora om 19:51 Reageer op dit bericht

de stad

Een gedicht van Jan Prins 1876-1948

De stad

De stad ligt in de avondgloed:
de torens en de tinnen blinken,
maar 't laag gedaalde zonlicht doet
wat kleurig was in schaduw zinken.

De schemerige wegen zijn
nog vol, en in de nauwe stegen
Ziet men zich in den vale schijn
een vage mensendrom bewegen:

Chinezen met hun onbehaard
gelaat, en rustige Javanen.
en Arabieren, trots-bedaard,
in hun wijdzeilende soutanen.

De bruggen over de rivier
bespannen met haar smalle bogen
het bleke water, waarin hier
en daar iets donkers wordt bewogen.

De vrouwen komen af en aan,
die in de kruiken water halen,
en met een doek gesluierd gaan
als in de Bijbelse verhalen.

De kooplui zitten op de grond
bij lampen, die nu de gezichten
der stille kopers, in het rond
gebukt, beginnen te verlichten.

Een enkele beweging slaat
nog uit de menigte naar voren,
en vlamt in 't rosse licht, en gaat
weer in de menigte verloren,

En vreemder wordt, nu 't avonduur
opnieuw de mensen komt vertroosten,
in 't licht, dat zwicht na 't middagvuur,
de vreemde wereld van het Oosten.

Uit het Oosten in: De Beweging (1908)

Illustratie: Marrakech bij nacht

schrijver

Geschreven door Dora om 11:54 Reageer op dit bericht

kerstlied

Ere zij God, ere zij God

In den hoge, in den hoge, in den hoge.

Vrede op aarde, vrede op aarde,

In de mensen een welbehagen

Ere zij God in den hoge,

Ere zij God in den hoge

Vrede op aarde, vrede op aarde

vrede op aarde, vrede op aarde

In de mensen, in de mensen, een welbehagen

In de mensen, een welbehagen, een welbehagen

Ere zij God, ere zij God

In den hoge, in den hoge, in den hoge.

Vrede op aarde, vrede op aarde,

In de mensen een welbehagen

Amen

Amen.

Geschreven door Dora om 12:33 Reageer op dit bericht

velden

Een gedicht van Albert Verwey 1865-1935

De velden, bossen

De velden, bossen, dorp en stad
Zijn achter mij: de zee
Is voor me en lokt en troost mij wat
Van wat mij 't land misdeê.
Zij ruist, zij lokt ; zij trekt, zij deint,
Zij murmelt: mee, kom mee,
En als uw voet op 't land u pijnt
Wees dan een golf in zee.

Het blank heelal (1908)

schrijver

Geschreven door Dora om 12:58 Reageer op dit bericht

zucht

Een gedicht van Virginie Loveling 1836-1923

De zucht naar 't schone

Gij weert het onkruid uit uw tuin,
Gij doet uw park bewaken,
Gij velt de bossen in het rond,
Gij wilt de barre heidegrond
Tot vruchtbren akker maken.

De geestdrift fonkelt in uw oog
Voor wetenschap en kennis;
Gij schikt u op, gij siert uw woon,
De nietigste inbreuk op het schoon
Schijnt u een heiligschennis.

Toch blijft uw hart een wilde plek,
Waar veel is uit te roeien:
Daar laat gij al het goed vergaan,
Daar laat gij braam en distels staan,
En al de netels groeien!

Gedichten van Rosalie en Virginie Loveling (1877)

schrijver

Geschreven door Dora om 18:42 Reageer op dit bericht

schillen

Een gedicht van Bernard van Meurs 1835-1915

ONDER 'T APPELEN SCHELLEN

De moeder zat appelen te schellen;
Mien huushouwing, docht ze, wordt groot;
Ik heb er genoeg mee te stellen,
Al hêt ook mien man goed z'n brood.

Zij zag ze um de taofel daor zitten
Zes kienders - 'en aorige trop! -
Die speulden heel zuut met de pitten,
Went ielk had z'n appeltje al op.

Ze zag op hun wengskes 'en kleurtje,
Deur 't heldere lamplicht bestraold -
Nee, docht ze, gen één bellefleurtje
Da daor ien de verte bij haolt.

Toen de oudste, het krullige Mientje,
Veur ielk nòg 'en appeltje vroeg,
Gaf ze aonstonds weer 'n hallef dozientje,
"Maor nou, zei ze, nou is 't genoeg!"

Ze had met die zes wa te stellen:
De zurg van 'en moeder is groot...
Toen rustte ze 'en bietje van 't schellen,
Lei efkes de hand' ien de schoot;

En 't heuf kwiem veurover gebogen,
En 't schiemerde haor veur 't gezicht _
Toen viel' et gordientje der ogen,
Zo zwaor van de slaop, zachtjes dicht.

Zo zat ze daor nog geen minuutje,
Of de ondeugden hadden 't gezien -
Eén lei, st! de vinger op 't snuutje
En fluusterde de andren wat ien...

En ielk dee de schoen' van de vuutjes,
Liep langzaom en stil naor haor toe,
En vroeg dan heel zuutjes, heel zuutjes:
"Zeg, mag 'k nog 'n appeltje, moe?"

As moeder dan slaopende knikte,
Alschoon ze niks heurde en niks zag,
Nam ielk da veur jao op - en pikte
Een appel - en schoot ien de lach.

Carillon, Tjeenk Willink, Zwolle, 1963

schrijver

Geschreven door Dora om 10:59 Reageer op dit bericht

verloren jeugd

Een gedicht van Helene Swarth 1859-1941

Verloren jeugd

- Zie mij niet aan, ik ben zó oud geworden!

- 't Is heimwee, heimwee dat u kwelt,
't Is heimwee naar uw jeugd en ge snelt
De drempel over om uw verdriet
Te vergeten, maar 't leed vergeet u niet.
Het volgt u, volgt u op ál uw schreden
En het klaagt met de stem van een arrem kind
En ge ziet uzelv' weer, als lang geleden,
Met bloemen drie in uw gordellint,
Met bloemen twee in uw haar.

- Zie mij niet aan, ik ben zó oud geworden!

- Ik zie u áan om uw smart te zien.
O zie de rivier door de velden vliên
En zet u neder bij de rivier
En bid haar, uw smart te voeren van hier,
Hier ver vandaan, over de aarde voort,
Dat ge nooit meer over haar spreken hoort!

- Zie mij niet aan, ik ben zó oud geworden!

- Laat blijven mijn smart tot aan mijn dood,
Zij werd mij een trouwe huisgenoot.
'k Weet niet wat ik op de wereld deed,
Zo ik niet had mijn harteleed.
Mijn smart brengt me elke morgen klaar,
Bij morgenrood en morgenwind,
Drie bloemen voor mijn gordellint,
Twee bloemen voor mijn haar.
En ik zeg tevergeefs: - ‘O lief verdriet!

Ik word zo oud al, zie je dat niet?’

De bloemen zelf, die zijn mij moe
En ik doe vóor het venster mijn ogen toe.
Maar ik kan niet slapen meer als ik plach
En komen zie ik de nieuwe dag.
De dag verwondert zich over het schoon
Van de aarde, maar vroeger spande ik de kroon
En de dag, die was over mijn schoonheid verheugd,
In de tijd van mijn jeugd.

- Zie mij niet áan, ik ben zó oud geworden!

‘Roemeensche volksliederen en balladen (De Gids 1903)

schrijver

Geschreven door Dora om 12:35 Reageer op dit bericht

wissewasje

Een gedicht van Bernard van Meurs

'T IS MAAR EEN WISSEWASJE

Een scheepskapitein, een ouwe rob.
Een afgod der matrozen,
Had nooit gevreesd op 't pekelsop,
Bij storm of waterhozen;
Hij floot, hoe slecht de zaak ook stond -
En tienmaal daags kwam 't uit zijn mond:
"'t Is maar een wissewasje!"

Een passagier, die maar aan boord
Amand'len zat te knabb'len,
Begon die spreuk, zo vaak gehoord,
Heel aardig na te babb'len,
Bij elk geroep, bij elk gefluit,
Riep Lorretje heel droogjes uit:
"'t Is maar een wissewasje!"

Eens werd het vaartuig op een klip,
Bij felle storm, gesmeten;
En wat men deed, het koppig schip
Wou van geen stuur meer weten.
"Het is te laat! Verloren boel!"
Riep al het volk. En Lorre koel:
"'t Is maar een wissewasje."

En daag'lijks hoger steeg de nood,
Het schip stond op een zinken,
Men had gebrek aan vlees en brood
En niets meer om te drinken.
De kapitein schudt droef de kop:
Maar Lorre schreeuwt met lege krop:
"'t Is maar een wissewasje?"

Het laatst gevogelt' is geslacht,
Niets rest er meer te bikken.
Men heeft aan Lorre wel gedacht,
Maar durft er niet van kikken.
Daar grijpt ook hem de kapitein, -
En Lorre zong zijn laatst refrein:
"'t Is maar een wissewasje!"

Carillon, Tjeenk Willink, Zwolle, 1963

Geschreven door Dora om 19:12 Reageer op dit bericht

zwaar

Een gedicht van Felix Timmermans 1886-1947

Zwaar

Voor een lange voermanswagen,
volgeladen met kareel,
wordt een hooggebouwde hengst gespannen
in zijn sterk gareel.

De oude voerknecht trekt geweldig
met de toom en schreeuwt het uit.
't Kloeke beest spant al zijn spieren,
zet zijn poten achteruit;

en het snokt uit al zijn kracht en
witte schuim komt op zijn mond,
maar de wagen roert niet, blijft lijk
vastgenageld aan de grond.

De oude knecht, vol razernije,
grijpt de djakke en met getier
van een duivel, slaat hij rond de
buik van 't machtig dier.

't Peerd schudt waaiend met zijn manen
trekt en snuift en grinnikt, wringt
met zijn poten dat een vuurvonk
uit de harde stenen springt.

En dan rolt de wagen, raatlend
lijk de donder, deur de straat,
wijl de ruwe knecht gedurig
vloekend met de djakke slaat.


--------------------------------------
kareel: vierkant gebakken steen
djakke: zweep

Dietsche Warande en Belfort (1906)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:42 Reageer op dit bericht

waar

Een gedicht van Herman de Gorter 1864-1924

Het is niet waar

Het is niet waar dat dit het zonlicht is,
Gij zijt het.
Dit is ook niet de wind die over ‘t water blauwt,
Die is zo zacht niet,
Gij zijt het.
Dit is ook de aarde niet, de hemel niet,
Zo schoon zijn die niet, Gij zijt het.

Liedjes

schrijver

Geschreven door Dora om 12:20 Reageer op dit bericht

maannacht

Een gedicht van Edward Koster 1861-1937

Maannacht

Over de tuinen schijnt de maan,
'k Hoor een zucht door de bomen gaan,
Eenzaam ligt de brede laan
In de kalme nacht.

Twijgen trillen in 't blauw-wit licht,
Hoge kruinen verdringen zich dicht
Achter 't lange vergezicht
Van der lane pracht.

Stil verdroom 'k de milde tijd,
Nu de maan haar zegen spreidt,
Nu het land, door hààr gewijd,
Rustig slaapt en wacht.

Tonen en tinten (1900)

schrijver

Geschreven door Dora om 11:30 Reageer op dit bericht

waarom

Een gedicht van Antony Winkler Prins 1817-1908

Waarom

Als na de kalme zomernacht
Mijn voet bij ’t liefelijk ochtendblozen
Door veld en weiden om gaat dolen
En soms, vermoeid van ’t rusteloos dwalen,
De onbestemde tred verzacht,
Dan boeien fris ontloken rozen
En hemelsblauwe veldviolen
En witte leliën der dalen
Het meest mijn boezem door haar pracht.

En daalt de zon in ’t westen neer,
Verspreidt zich ’t liefelijk schemerduister
En heerst er stilte langs de dreven,
Terwijl de maan, zo statig blinkend,
Zich spiegelt in het zilvren meer,
Dan hoor ik gaarn ’t zephirgefluister
En hoe de tedere snaren beven
Der windharp, door het woud weerklinkend
Als tonen uit een reiner sfeer.

En vraagt ge, waarom wel dit schoon
Het allermeest mijn hart kan boeien?
Ik vind ’s viooltjes blauwe glansen
In de ogen van mijn meisje weder;
Ik zie, dat op haar zachte koon
Ook frisse lenterozen bloeien,
Dat lelies ’t voorhoofd haar omkransen,
Terwijl haar stem, zo zielvol teder,
Zo zacht klinkt als der windharp toon.

---------------------------------------------
zephir: zachte, zuidwestelijke zomerwind

Dichterlijke mengelingen (1880)

schrijver

Geschreven door Dora om 10:26 Reageer op dit bericht

lachen en schreien

Een gedicht van Albert Verwey 1865-1936

LACHEN EN SCHREIEN.

Ik wenste dat mij mocht gebeuren,
Nu en voortaan,
Heel goed te zijn voor hen, die treuren,
Nu en voortaan.

Want als ik blijf behou'en
Gezang en de vreugd daarvan,
Dan weet ik, dat ik al wie rouwen
Oneindig troosten kan.

Want al mijn zangen in mij
Zijn boodschappers van vreugd :
Zij dragen goede tijdingen,
En hemelse verblijdingen,

En 't vlieden van hun Licht gewaad is liefelijk gewin mij,
Daar ik ze alleen in 't vlieden zie en 't vlieden mij
slechts heugt.

De mensen klagen,
Dat vreugde vliedt:
Laat vreugden vlieden, laat mensen jagen,
Wij zien ze vlieden en klagen niet.

Want al wat schoon is,
Is schoon wijl 't vliedt,
Want schoonst van een citer zijn toon is
't Sterven, het stijgen niet ...

En daarom staren
We op 't vliedend-schone,
En zeggen zacht: na vreugd zal 'k vreugd ontwaren,
Die 't leven lone.
Veel zang en schone dromen,
Om zoet te slapen tot het ochtend-domen:
Want vreugden vlieden opdat vreugden komen.

Schrei daarom niet, want als gij schreit,
Dan zal ik zelf gaan schreien wij1 ik schrijf,
En al die schonen bloemen van mijn zang
Zal 't zijn of er een dauw van tranen drijv'
Om hen, om mij, tot 'k eindlijk lang, heel lang,
Zal moeten wenen en geen trooster blijf,
En niet meer schrijf en enkel lijd.

Schrei niet, schrei niet: mijn zang is veel te teer:
Daar blinkt een traan in de ogen van mijn zang,
Zijn wangen zijn zo bleek, ik zend hem u:
Trek 'm aan uw knie en zeg: kind, ween niet meer,
Want ik ben ook niet somber, 'k was 't te lang,
Zit neer en glimlach nu.

Dan zal hij lachen door zijn tranen heen,
En zeggen: zie, 't verdriet zelfs is een vreugd;
Want grootste vreugd is lachen na geween,
En dat doe 'k veel en dat 's mijn deugd.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:06 Reageer op dit bericht

verbittering

Een gedicht van Hendrik Marsman 1899-1940

Verbittering

De namen van wie eens mijn vrienden waren
werden tot as tussen mijn tanden, en ik spuw ze uit.
eenzaam schijnt men te moeten zijn in deze dode landen,
het leven dooft in kaars na late nachtkaars uit.

Porta Nigra (1934)

schrijver

Geschreven door Dora om 11:02 Reageer op dit bericht

respect

Een hartenkreet van An Terlouw...

En weet u wat ik hier over zeggen wou?
Soms voel je wel de kou van dat gejij en gejou
Maar gaat men kil het u uitspreken...
Dan moet je gaan oppassen wie er tegen je spreken
Hoewel vroeger het respect wel in de aanspreekvorm zat
Omdat we als jonge mensen diep ontzag voor leeftijd hadden
Maar dat is allemaal op de tocht komen staan
Dus spreekt men bijna iedereen met jij en jou aan!
De mensen zijn wat respect diep in de kou komen te staan!
Zo zijn we jaren voort gegaan
En spreekt de jeugd een oudere van 70 jaar gewoon met jij aan!
In mijn oren klinkt het raar
Maar de maatschappij maakte dit allemaal waar!

Nu ga ik even naar God
Wat heeft die weinig respect ontvangen
Maar Hij daalde diep af naar mensen met grote zonden
Hij toonde daarin respect voor het leven van ieder mens
Maar de mens blijft een onopgevoed stuk vlees
Zo is het van de beginne af altijd geweest!


schrijver

JIJ, JOU en Respect

Zeg maar U
als jij dat vindt,
zeg maar jij
als U vindt,
dat het gepaster is
om jij te zeggen,
maar hoe ga je
in vredesnaam
kinderen uitleggen
dat jij,
ineens U
moet worden,

’t Zit ‘m niet
in de woorden
jij en U,
nee,
het zit hem in alles
wat ernaast staat,
dat is precies,
waar het bij ’t jijen
en jouwen
niet over gaat,
want respect,
zit ‘m niet
in de aanspreekvorm!



Geschreven door Dora om 09:51 Reageer op dit bericht

met

Een hartenkreet van Hans Uding


MET ELK/ANDER

Geef je hand aan een hand
om je eigen hand te ontdekken

geef je hart aan een hart
om je eigen hart te ontdekken

geef je ziel aan een ziel
om je eigen ziel te ontdekken

geef je geest aan een geest
om je eigen geest te ontdekken

eigenlijk is dit geven van liefde aan een ander
om te ontdekken, dat dit kan met elk/ander



Geschreven door Dora om 13:40 Reageer op dit bericht

kindermin

Een gedicht van Nicolaas Beets 1814-1903

Kindermin.

Vroeg en veel, en altijd nog
- Zou het ooit vermindren? -
Minde ik jonge kindren;
Zieltjes zuiver van bedrog;
Oogjes, die niet jokken;
't Voorhoofdje onbetrokken;

't Hartje zonder arg of list,
Zonder zorg of vrezen;
't Lief en lachend wezen;
't Mondje, tot een kus gespitst,
Vriendlijk aangeboden;
En geen kunst van node.

Die reeds drie geslachten heeft
Om zich heen zien spelen,
Zal het niet vervelen,
Als hij 't vierde nog beleeft
Treedt hij, eer het opkomt, af;
Laat het spelen op zijn graf.

Nog eens winterloof (1892)

schrijver

Geschreven door Dora om 11:30 Reageer op dit bericht

nooit

Een gedicht van Johannes Reddingius 1873-1944

Nooit heb ik je lippen gekust

Nooit heb ik je lippen gekust
Zo eindeloos lang was mijn zwerven,
nooit heb ik je lippen gekust,
nooit aan je boezem gerust.

Nooit heb je alles gezegd,
zo eindeloos lang was mijn zwerven,
nooit heb ik je alles gezegd,
noch mijn hand op je lokken gelegd.

Nooit riep ik door lach of door taal,
zo eindeloos lang was mijn zwerven,
nooit riep ik door lach of door taal,
of vreemd verhaal….

En daarom kan ik sterven….

----------------
uit: Regenboog

schrijver

Geschreven door Dora om 19:08 Reageer op dit bericht

kluizenaar

Een gedicht van Jacques Perk 1859-1981

De kluizenaar

Hoog, op de bergtop, rijst de kleine kluis,
Uit groenend hout en mossig riet geboren;
Door spar en lork vaart een zacht gedruis,
En wie daar zingen, doen een loflied horen;

Vrij dartelt om de hut de vale muis, -
Het dal ligt in de gloed der zon te gloren,
Maar in de grauwe pij, voor 't houten kruis,
Ligt de eenzame, in geprevel als verloren:

De grijze zoekt de vrede in eigen-kwellen,
En wil zich martlen tot een heilig man,
En schijnt geen traan van 't zinkend oog te tellen, -

Doch zon en bloem en vogel gruwt er van:
Hij zoekt het leed, dat zij verblijd ontsnellen, -
En vrede heeft, wie vreugde vinden kan....

Gedichten (1914)

schrijver

Geschreven door Dora om 12:37 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten