Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

Berichten van 1 mei 2012 tot 31 mei 2012

twintigste eeuw

Een gedicht van Edgar du Perron 1899-1940

Twintigste eeuw

Wij zijn zo jong niet als wij doen geloven.
Ik ben: hoe oud wel? jij haast twintig jaar.
Achter dit lage voorhoofd, onder 't kroezig haar
dat al je kammen breekt, drijft wèlk bereeknen boven?

Je weet, men moet niet altijd geven na beloven,
't gevaar van geven is dat elk bezit weegt zwaar.
Je hoofdje waakt, waakt sedert lang, nietwaar?
De droeve dwaas, die meent je hart te roven!

De najaarsvliegen laten zich niet vangen
door de belijmde strook die van de lamp afhangt -
en 't leven heeft zo véél niet uit te hangen!

Een kind als jij en ik mag vrijuit spelen,
overal, met de zekerheid dat niets hem vangt,
overal, met de vrees zich elders te vervelen.

----------------------------------
uit: Rose en geel (Parlando 1930)

schrijver

Geschreven door Dora om 14:34 Reageer op dit bericht

een kind

Een gedicht van Virginie Loveling 1836-1923

Ter nagedachtenis van een kind

Het was een engeltje uit Gods tuin,
Dat hier kwam neergevlogen,
Met zoet gelaat en kroeselhaar,
En hemelglans in de ogen.

En de oudren juichten om dat kind,
Het enig hun gegeven ;
Zijn lach, zijn kus, zijn schaterend spel,
Zijn liefde was hun leven.

Zij drukten 't aan hun kloppend hart,
Zij wilden 't hier behouden.
Zij zeiden, dat zij 't volst genot
Der aard hem schenken zouden.

0 moederliefde, o vadermin,
Wat kon het meer behoeven
Maar... 't hoorde aan hoger sferen toe :
Het mocht hier niet vertoeven.

Het heeft zijn vlerkjes weer ontplooid,
Het is u gaan verbeiden,
En 't heil, dat gij hem geven woudt,
Zal 't ginds u voorbereiden.

Gedichten van Rosalie en Virginie Loveling (1877)

schrijver

Geschreven door Dora om 14:50 1 reactie Reageer op dit bericht

meidag

Een gedicht van Nicolaas Beets 1814-1903

Meidag.

Nu draaide 't windje, met de zon,
Door 't oosten heen naar 't zuiden;
Dat is zo goed als 't wezen kon,
Voor boer en buitenluiden.
Het blaadje rolt zich uit de knop,
Het veld wordt groen, het zaad schiet op,
De nachtvorst zal 't niet plagen;
Wij krijgen warme dagen.

Wij hebben lang genoeg gezucht,
Als werden wij vergeten;
Daar komt opeens de zachte lucht...
Nu willen wij 't niet weten,
Maar menigeen heeft vaak gezegd:
Die kou is naar, dat weer is slecht!
Als moesten wij 't niet loven,
Als kwam het niet van Boven.

Nu staan wij daar beschaamd, niet waar?
Hoe zullen we ons verschonen?
De lucht is warm, de lente is daar,
Het groen komt zich vertonen.
Och, lieve Heer! zie gunstig neer!
Wij klagen nooit ons dagen meer;
Wij willen dankbaar leven;
Och Heer! wil ons vergeven!

Gedichten (2005)

schrijver

Geschreven door Dora om 10:35 Reageer op dit bericht

de dag

Een gedicht van Rhijnvis Feith 1753-1824

De dag breekt spoedig aan

De dag breekt spoedig aan, de grote dag der dagen,
Die dood en grafkuil uit de schepping weg zal vagen.
Dan zal de teedre gâ, voor een onsterflijk leven,
De vriend van hare ziel in de open armen zweven,
Hem drukken aan de borst, en juichen dat het graf
De toevertrouwde schat zo heerlijk wedergaf!
Dan zinkt op nieuw de vriend aan 't hart zijns vriends ter neder,
Dan vindt de moeder haar geroofde zuigling weder !

schrijver

Geschreven door Dora om 11:30 Reageer op dit bericht

de lente

Een gedicht van Elisabeth Maria Post 1755-1812

De lente

Daar is nu de lente:
De vrolijke lente,
Die heuvlen en dalen,
Die akkers en weiden,
Die bosjes en wouden
Met groen overkleedt.

Nu juichen de bossen,
Nu leven de weiden;
Wat aantal geluiden
Doorgalmen het luchtruim;
En roemen als goedheid
De Schepper der lente,
Die de aarde verheugt,

Nu loeien de koeien;
Nu briesen de paarden;
Nu blaten de lammren,
En geitjes en schapen;
Nu snorren de insectjes;
Nu zingen de vogels;
't Geroep van de koekkoek,
't Gefluit van de merel,
Het kirren der duifjes,
Het orglen der leeuwrik,
Vermengt zich harmonisch;
De nachtegaal tovert
Door roerende liedren:
De bosjes weergalmen,
Van liefde en geluk!

Deze invloed der lente
Bezielt heel de schepping
Met wonderlijk leven;
Het dode verrijst weer;
Het koude verwarmt zij;
Haar vuur stroomt door de aarde,
Met groeikracht en wording;
En duizenden planten,
Met duizenden bloemen,
Zo prachtig, zijn daar!

Hoe geuren die planten!
Hoe gloeien die bloemen!
Hoe trillen de bladen!
Hoe suist al de lommer,
Als Zephyr zo zachtjes
Loopt spelen door 't groen!

Nu springen de bronnen;
Nu ruisen de vallen;
Nu weemlen de beekjes;
Nu zwellen de vijvers;
Nu stromen rivieren
In prachtiger schoonheid,
Door 't vruchtbare land.

Het vuur van de lente
Doorstroomt alle wezens,
Met leven en liefde,
En schepping en wording
Verrijst door die kracht.

De dieren der aarde,
De vooglen der wouden,
De vissen der stromen,
De insecten der poelen,
Gevoelen die werking;
En alles vermeert.

Dit vuur van de lente
Sluipt gloeiend in de adren
Des moedige jonglings;
Onrustig en kwijnend
Vervelend en smachtend
Verlangt hij geluk.

Het vuur van de lente
Doorstroomt ook de boezem
Van 't jeugdige meisje,
Vertedert haar harte;
Hoe zuchtend, hoe peinzend,
Hoe zacht melancholisch
Gevoelt zij de vreugde
Der juichende schepping;
En juicht toch niet mee.

Ik, vrolijke lente!
Heb nooit uwe invloed,
Zo zacht, en zo strelend,
Zo teder, zo roerend,
Als nu aan de zijde
Mijns jonglings, gevoeld.

Ook hij, die uw invloed
Zo dikwijls, al zuchtend
En eenzaam, gevoelde,
Was nimmer zo rustig,
Zo vrolijk genietend,
Als nu zijn Elize
Met hem uw vermogen,
Met hem uwe schoonheid
Ook zalig gevoelt.

schrijver

Geschreven door Dora om 19:20 Reageer op dit bericht

nimmermeer

Gedicht van Aart van der Leeuw 1876-1931

Nimmermeer

Ik wind de wollen sjaal zo warm
Haar om de schouders, buig mij neder
En kus haar; leunend aan mijn arm
Loopt zij de herfstlaan heen en weder.

Had ik haar ogen toegedrukt,
De handen op haar borst gevouwen,
En lag ik voor de steen gebukt
Waarin haar naam stond uitgehouwen,

Zou zij niet zó verloren zijn,
Zó hooploos voor mijn hart gestorven,
Als nu waar beide in vlammenschijn
Wij door het dorrend lover zworven.

Waarom? Is dan die rode mond
Niet even lief geplooid gebleven,
Kronen haar lokken minder blond
De speelse gratie van haar leven?

Neen, maar wat hiér gescheiden heeft,
Is het onnoembre dat gevleugeld
In ons naar verre ruimten streeft,
Doch sterven moet als men 't beteugelt.

Wij stegen twee in 't grondloos licht,
Als duiven die de morgen groeten,
Toen sloeg zij moe de wieken dicht,
En nooit zal ik haar weer ontmoeten.

Liederen en balladen (1911)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:58 Reageer op dit bericht

tuin

Een gedicht van Marie Metz-Koning

Ik weet een tuin

Ik weet een tuin in de zonneschijn
Waar mooie bloemen en bomen zijn;

Ook witte stenen met gouden schrift
En schone woorden er in gegrift;

Waar blanke beelden staan opgericht
Met klagende ogen in treurgezicht.

Veel vlinders fladdren er heen en weer
Of zitten stil op de bloemen neer.

Daar, in een donker, klein kamerkijn
Sprei mij een bedje van wit satijn.

Ga dan in 't woud,- waar de vogel zingt
Waar 't luchtig-vluchtend konijntje springt,

Bij bijtjes zoemen en mugge-dans,
En wind van bloemen me een wilde krans.

Leg zacht die krans op mijn haren neer,
En ga weer Leven .... en ween niet meer.

Een bundel letterkundige bijdragen (1900)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:42 Reageer op dit bericht

muziek

Een gedicht van Aart van der Leeuw 1876-1931

Bij muziek

Muziek, waarbij ik dromend luister,
Hoe voert naar vroeger gij terug,
En welft U over 't duister
Tot koene bogen van een broze brug...

Maar werden dan voorheen mijn jaren
Alleen geteld
Naar saamgebonden korenaren,
De schoven op het veld,
Naar blozend ooft,
Dat door een mild seizoen verguld,
En daaglijks overvloediger beloofd,
De korven had gevuld?

Stille muziek,
Als gij nog eenmaal later
Een zilvren wiek
Doet flitsen over 't donker water,
Zult gij dan ook, o lied,
Door Licht het onverklaarbare aan te roeren,
Mij naar dit jaar,
Zo dor en zwaar,
En vol verdriet,
Dat ik schier dacht
Het heeft geen vruchten voortgebracht,
Daar het mijn handen ledig liet,
Zachtvleuglig medevoeren

Als naar een dicht omgroende woning,
Waar 't geurigste uit de gaard,
Het weeldrig fruit, de zoete honing,
Met de akkeropbrengst van een rijk gebied,
Op de oude zolders wordt bewaard,
Schoon lied?

Het aardsche paradijs (1927)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:17 Reageer op dit bericht

venster

Een levensbeweging....

Venster

 

Ik keek uit m’n venster

Ik zag de straat

Is er nog iemand die voorbij gaat

Of is het een stille straat

Eens was de straat zo stil

De achtergrond was schril

De straat waar je alleen moest gaan

De straat die alleen jouw geheim kon verstaan

Het verstaan van de voetstappen

Soms was er een hak die klapte

Maar verder was het stil

Ook geen eindeloos gegil

Alles is verstomd

Vroeger werd er veel gegromd

Dat wordt niet uitgegomd

Het blijft altijd in het leven bestaan

Maar toch moet je verder gaan

Door de stille straat

Gelukkig mijn aankomst was niet te laat

De deur ging open

En toen viel het licht op mijn gelaat

Het was de gang van de stille straat!




Huizen
Geschreven door Dora om 10:15 Reageer op dit bericht

gedicht

Zomaar even een gedicht...misschien dat het een mens hier of daar
wat op kan richten...het leven heeft vele kanten en gezichten!




Gedicht

 

Iedereen maakt een gedicht

Het is vaak gericht

Op het eigen levensinzicht

Liefde en dood

Je ziet het overal

Je ziet wat het leven bood

Soms weegt een leven ook als dieplood

Mensen kunnen vreemd tegen elkaar zijn

Daarom hebben ook veel mensen innerlijk pijn

Maar laat je niet kisten

En kom niet om in chagrijn!



rozen

 

 

Geschreven door Dora om 19:47 Reageer op dit bericht

kastanjes

Een gedicht van Jacqueline van der Waals 1868-1922

Kastanjes

Het is een heldere dag in mei,
De wind waait lustig, de zon schijnt blij
Op bloeiende paarse seringen,
En gouden regens in gele tooi
En alles is zo mooi, zo mooi!
En alle vogels zingen!

En zie hoe blauw de hemel blauwt
Boven de weiden geel als goud,
De zonnige, bloeiende landen,
En zie de kastanjebomen daar staan!
Daar groeien witte kaarsjes aan,
Wat zullen die kaarsjes aardig staan
Wanneer ze van avond branden!

Nieuwe verzen (1909)

schrijver

Geschreven door Dora om 20:44 Reageer op dit bericht

spiegeling

Een gedicht van Hein Boeken 1861-1933

NARCISSUS OF WATER-SPIEGELING IN AMSTERDAM

Waar water is, wordt alles opgetild.
0 zie die waatren eens rechtlijnig schieten
De brug door tot zo welige verschieten
Dat graft-laan lijken gaat een woud-laan mild
En midde' in stad als eenzame woud-stilt'.
Wat zo de leste wolkjes daarin lieten
Voor donkre diept' haar leste blos verschieten
Eer nog een huivring over 't licht vlak rift?
De hemel kijkt tot onder in de stad.
De hemel kijkt weer uit de diept' naar boven,
Alsof de stad haar fundamenten had
Ver in het diep der hemelse licht-hoven.
ZO strekk' mijn ziel der wereld tot een bad,
Welks waatren niet haar hemel-lichten doven!

schrijver

Geschreven door Dora om 19:11 Reageer op dit bericht

het woud

Een gedicht van Johan de Laet 1815-1891

Het woud

Schoon, majesteitvolle Woud,
Statige tempel der Godheid,
Wellekom is mij 't geheim,
't Somber geheim der gewelven
Die, met een wenk zijner hand,
Miek de Alvermogende Bouwheer.

Schoon, majesteitvolle Woud,
Rustig en vredig naar buiten,
Zegt ge wat binnen gebeurt
Slechts wie vertrouwd is met U.

Lachende omringen uw zoom
Kleurige, geurige bloemen
Die gulle en rijke natuur
Mild, ongeteld om u strooit;
't Dichte gebladert' beschut
Zingende, minnende vogels;
't Zorgende moederken broeit,
Rondom het nesteken heen
Vliegt de ongeduldige vader
Kozende en dartelende om.

Dat ziet de wandler; maar hij
Die meer vertrouwd is met u,
Weet dat het roofdier,
de slang Ook uwe diepten bewoont;

Weet dat de geurige bloem
Wel uwe gordel bekleurt,
Maar dat de distel, de braam
Dieper de bloeme vervangt.

Schoon majesteitvolle Woud,
Statige tempel der Godheid,
Soms slaakt uw boezem een zucht
Heimvol en schier ongehoord.
Waar komt die zucht toch vandaan,
Machtig en prachtige Woud?
Soms, als de noorderwind loeit,
Huilt gij en klaagt ge met hem;
IJslijk is dan uwe klacht,
IJslijk en roerend te gaar,
Waar komt dat klagen vandaan?
Waar gaat dat klagen naartoe?
'k Weet het. Gij leeft, arme Woud,
Lijdt ende klaagt — daar ge leeft.

schrijver

Geschreven door Dora om 18:20 Reageer op dit bericht

dronkaard

Een gedicht van Jan van Nijlen 1884-1965

De desperate dronkaard

Hij wil gelaten van dit leven scheiden
Voorgoed vertrekken uit dit somber oord,
Waar niets hem noch kan boeien noch verleiden,
Hij heeft te veel gezien, genoeg gehoord.

Maar als hij dan, bij wijze van vaarwel,
Ultieme plicht, een laatste glas wil heffen,
Als de avondlucht, die teder word en hel,
Hem wat hij gaat verliezen doet beseffen,

Als hij de lach bewondert van de meid,
Die hem het schuimend glas reikt, als de blanke
Huid van haar borst en arm een zaligheid
Belooft die groter is dan die der dranken,

Voelt hij zich weer verzoend met het bestaan,
En met de toekomst én met het verleden.
Hij heeft betaald, hij kan weer verder gaan:
Zo heeft het laatste glas altijd zijn reden.

schrijver

Geschreven door Dora om 14:41 Reageer op dit bericht

feestdag

Een gedicht van Johan Michiel Dautzenberg 1808-1869

Feestdag op het Land

Purperen stralen
Kleuren de dalen,
Heuvels en kimmen
Glinstren en glimmen;
Klokkengedommel op ruisende vlerk
Wekt ter betrachting en nodigt ter kerk.

Trekken we in vrede
Veldewaarts mede,
Zingen we en bidden;
God is in 't midden,
Scheppend alom, door het wonderheelal,
Liefde in de harten, en bloemen in 't dal.

schrijver

Geschreven door Dora om 12:56 1 reactie Reageer op dit bericht

jij

Een gedicht van Pol de Mont 1857-1931

Jij bent

Ik ben de bruine, barre aard
jij bent de Lent, die er bloemen baart.

Ik ben bet bos, zo dicht en donker —
jij spat en speelt er als zongeflonker.

Ik ben de droeve, dromerige hei —
jij bent de purperen bloemekenssprei.

Ik ben de mosplant, zwart en treurig —
jij bent bet viooltje, fleurig, geurig.

Ik ben de kamer vensterloos,
waar duister heerst en kou altoos —

jij bent de luchter met gouden armen,
die 't al verlicht en 't al komt warmen!

Ik ben bet eindloze schotsenveld —
jij bent de zon die alles smelt!

Jij bent mij Al, hebt me al gegeven :
'k lag dood in 't graf, jij deed m'herleven !

Zomervlammen (1922)

schrijver

Geschreven door Dora om 14:09 Reageer op dit bericht

Den Haag

Een gedicht van Constantijn Huygens 1596-1687

's-Gravenhage

Het hele land in 't klein, de weegschaal van de staat,
De schave van de jeugd, de schole van de daad,
Het dorp der dorpen geen, waar ieder' steeg een pad is,
Maar dorp der dorpen een, waar ieder' straat een stad is.
De rondom groene buurt, het rondom stenen Hout,
Des boers verwondering, al komt hij uit het woud,
Des steêmans steeds vermaak, al komt hij uit de muren,
Der vijanden ontzag, de vrijster van de buren,
Des werelds lekkernij, des hemels welgeval.
Is 't daarmee al gezegd, zo ben ik meer dan al.

schrijver

Geschreven door Dora om 11:45 Reageer op dit bericht

liedje

Een gedicht van G.W. van Lovendaal 1847-1939

Liedje van de molenaar

Mijn molentje draait er lustig en wel,
Mijn schoorsteen rookt er neven,
Maar 'k ben nog altijd een vrijgezel,
Wat heb ik aan zo'n leven!
Och, trad er Marieke mijn molentje in,
Dan wist ik, waarvoor ik mijn broodje win.

De hemel bezorgt mij gunstige wind,
Het boertje geld en koren.
De stenen ronken en 't werkend bint
Laat vrolijk zijn krikkrakken horen.
Doch klonk door de molen Marieke heur taal,
Dan wist ik, waarvoor ik mijn koren maal.

De dis is bereid, de pot hangt te vuur,
Gevuld zijn kist en kasten,
Maar 't is geen leven zo op de duur,
Al heb ik meer lusten dan lasten.
Och, trouwd'er het blonde Marieke met mij,
Dan wist ik, waarvoor ik den dis berei.

Blaas, windeke, blaas, en molentje draai!
Vivat het mulders leven!
Maar ziet mijn molen nooit kind noch kraai,
Dan is het mij net om het even.
Och, kwam op de molen Marieke mijn schat,
Ik denk, dat ik spoedig zo'n dreumes had.

schrijver

Geschreven door Dora om 11:35 Reageer op dit bericht

gevallen

Een gedicht van Frederik van Eeden 1860-1932

Het gevallen meisje

Gevallen, ja, gevallen,
Gevallen en veracht!
Doch weet ge, zonder mallen,
Wat de arme daartoe bracht?

Nu loopt ze langs de straten
En kent geen uur van vreugd,
Sinds ééns zij heeft verlaten
God en het pad der deugd.

Doch wilt haar nu niet smaden -
Wie bracht haar in verdriet?
Een man heeft haar verraden,
Toen hij haar snood verliet.

Zo wilt haar dan niet treffen
Met uwe eerste steen:
God kan en wil haar heffen
Uit zonden en geween!

----------------------------------------------
Grassprietjes (1885) door Cornelis Paradijs

schrijver

Geschreven door Dora om 12:10 Reageer op dit bericht

dit is

Een gedicht van P.L. van de Kasteele 1748-1810

Dit is de dag, die God ons schenkt

Dit is de dag, die God ons schenkt,
waaraan thans ieder christen denkt;
hem viere, wat in 't groot heelal
door Jezus is en wezen zal.

Men had Hem eeuwen lang verwacht;
en toen Gods tijdperk was volbracht,
toen zond Hij van zijn hoge troon
het heil der wereld ons, zijn Zoon.

O Gij ons heil, ons hoogste goed,
Gij werd een mens van vlees en bloed,
werd onze broeder, en door U
zijn wij Gods eigen kind'ren nu.

Als ik dit wonder vatten wil,
dan wordt mijn geest van eerbied stil,
aanbidt het, maar doorgrondt het niet,
dat zo de liefde Gods geschiedt.

U, die voor ons geboren zijt,
U zij ons hart, ons lied gewijd.
Wij voegen juichend onze stem
bij 't englenheir van Bethlehem.

Geloofd die komt in 's Heren naam!
Wij christ'nen zeeg'nen U te zaam,
U, vredevorst, der vaadren wens,
U zaligmaker, God en mens!

Roem, hemel, die geboortedag,
de schoonste, die de wereld zag;
juich, aarde, nu ge uw koning ziet,
zing Hem een nooit gezongen lied.

Dit is de dag, die God ons schenkt,
waaraan eens heel de wereld denkt;
hem viere, wat in 't groot heelal
door Jezus is en wezen zal.

schrijver

Geschreven door Dora om 16:50 Reageer op dit bericht

viooltjes

Een gedicht van Marie Boddaert 1844-1914

Viooltjes

Staan ze daar niet als kindren, de gezichtjes
Hoog op in 't vrolijke zonlicht; zelve lichtjes
Van kleur, gevlamd, gebruind? Heel blij verluidt
Hun warme levenswil door 't kleuren-klateren...
- Straks gaan de mondjes open. 't Lachenschateren
Schittert al boven 't groene-aandachtige uit!

Serena (1898)

schrijver

Geschreven door Dora om 11:17 Reageer op dit bericht

mona

Mona

 

 

Ja...daar is Mona

Mona de Keijzer

We zijn inmiddels wat wijzer

Als je haar hoort spreken

Dan gaat er iets breken

Niet van liefde

Maar van narigheid

Want ook deze vrouw is de weg kwijt

Ze ziet zichzelf wel zitten

Ze is een arrogant geval

Ze is als een bloem in de knop

Komt ze ergens aan de top

Dan barst het geheel open

Niet als een mooie bloem

Maar iemand die verkeerd is aan het doen

Een beetje snel geïrriteerd

Soms willen mensen hoge ogen gooien

Maar ze vergeten goed om zich heen te kijken

Vooral willen ze zelf een goede persoonlijkheid lijken

Maar er komt meer voor kijken

Wil je zo’n vervallen anti-christelijk partij

Gewoon weer op de kaart weten te brengen

Van al deze mensen moet je het niet verwachten

Want in ons land regent het klachten

Niemand die het nog tot een goed einde brengt

Spreekt men haar aan over een partij

Dan haalt ze snel een andere erbij

Nee, dat christelijk gedoe

Dat maakte ons land nu zo moe!

Moe van alle dagelijks zorgen

Daarom hebben we onze buik er van vol

Want ze zijn daar echt op hol

Hoe kom je er bij om je zelf als

een goede lijsttrekker te presenteren

Op de teevee valt het allemaal wel mee

Dan houden ze zich gedwee

Maar hoor je toevallig een radioprogram

Waar ze als een koude kikker op me over kwam!

Wel hebben ze mooie woorden

Maar hiermee kun je veel mensen vermoorden

Daarom mannen opgepast

Die vrouwen zijn zo glad als een aal

En als me iets gaat vervelen

Dan is het dat ik al die vrouwen hoor kwelen!

 

 

Geschreven door Dora om 23:10 Reageer op dit bericht

het weer

Het weerweer

 

Sommigen zeggen

Ik kan er niet meer tegen

Ja, in het leven zit soms veel tegen

Crisis in de landen

En dan doet hier het weer

ook met veel zaken geen goed

Want de mens vindt dat het

weer er toe doet

Men gaat niet tuinen

De planten en bloemen leveranciers

komen nu tekort

En zo gaat het maar voort

Nergens komt er nog iets goeds van de grond

Toch is regen erg gezond

Voor het voedsel op het land

In ieder geval is er altijd wat te zeuren

Of mensen zitten te treuren

Omdat de zon maar niet wil komen

Soms kijkt hij even door de wolken

En moet je je snel naar buiten begeven

Om te genieten van de bloeiende lente

Ook al is het maar even

Ja, er komt nog niet al teveel goeds

Maar ja, misschien is het er nog onverhoeds

Reken je er niet meer op

Dan gaat de zon weer op!

En blijft de nattigheid achterwege

In ieder geval, regen is en blijft toch altijd een zegen

Want zonder nattigheid groeit er niets

Met veel regen ga je ook niet snel op de fiets

Je moet dan achter de geraniums blijven

Ja, misschien loopt er hier of

daar een man of vrouw te kijven

Daar moet je dan uit de buurt blijven

Zo vorderen we in de tijd

En straks schijnt misschien de zon met veel vlijt

Dan hoor je weer andere praatjes in die tijd

Dan is het weer te warm of te droog

Ja, het weer zit een mens eigenlijk altijd hoog!


weer

 

 

 

 

Geschreven door Dora om 16:27 Reageer op dit bericht

zielslied

Een gedicht van P.N. van Eyck 1887-1954

Dichters zielslied

Ewig war ich,
ewig bin ich,
ewig in süss
sehnender Wonne.

R. Wagner, Siegfried 3 Akt.



Veel maanden lang heb ik dit rein gezicht
Diep in mij zelf bewaard,
Nu groeit het tot een rijk en rijp gedicht,
Dat álles samengaart.

Nu weet ik, dat ik éénmaal heb geleefd
Op gouden troon in Hemels tent,
En dat mijn ziel Gods gloed gedronken heeft
En zuivre tocht gekend.

Daar waaiden zilvren winden om mij heen
En 't licht vloot rond in eeuwge dans,
Daar drupten paarlen geuren en 't geween
Van een juwelen glans.

En aan ivoren taaflen zat ik aan,
En at van Hemels blanke brood,
En droeg mijn handen zwaar en vol belaân
Met vruchten rijp en rood.

Daar klonk en zong de oneindige eeuwigheid
Uit keel die niemand zag,
Wij vonden elk ons heerlijk deel bereid
Van een geheime lach.

Maar ik verloor mijn wijdse deel en schat
En stortte naar deze aard',
En hunker nu, naar wat ik ééns bezat
En, zwak, niet heb bewaard.

Doch één herinnering, één kleine droom
Vond naar mijn hart zijn pad,
Nu hoed ik staag met bevend-hete schroom
Die vónk, van wat ik brándend had.

Die gloeit in luidloos, wijd-verstilde nacht
Diep in mijn oog gelijk een ster,
Die leidt mijn dromen vleiend-traag en zacht
Naar rijken hoog en stralend ver.

Gedichten (1909)

schrijver

Geschreven door Dora om 18:20 Reageer op dit bericht

Een gedicht van Abraham van Collem 1858-1933

In de kamer

Naast de jonge moeder is het kleine
Kindje en het slaapt nu in de reine
Sfeer van lichtlijk-amber moesselien,
Waardoorheen gij nauwelijks kunt zien;
Kindje ligt daar in een schoonheidsdal,
Kindje ligt daar in een wit Heelal
Van donzen dekentjes en kussens puur,
Kindje ligt daar in het morgen-uur
Zijn's levens, als een nieuw ontdekte bloem ;
Uit de jonge moeder kwam die roem
En zij zelve ligt in zaligheid
Tot de gouden stilte heengespreid,
En zij lacht maar, alles in haar lacht,
Want zij heeft een wonder voortgebracht,
Een jong mensje is in haar ontstaan,
Een jong kindje is uit haar gegaan,
En het ligt daar, heldertjes gemaakt
In een hemels bedje, wit gedaakt,
In zijn lede-kantje fijn gelust,
Het zes-dagig kindje ligt gerust,
En het houdt met beide handjes vast
Zijn jong leven dat het heeft getast,
En er komen van zijn lippen uit
Kleine krakelingen van geluid,
En het rekt zich, geeft een hoge schreeuw,
Wil dan boven uit de wolken sneeuw
Van zijn witte bedje naar het licht,
En het roept met rimpelend gezicht
Dat het honger heeft en Een na Een
Komen tere handen, brengen heen
Zeer behoedzaam, kindje's kleine vracht,
Naar het wereldje, waar moeder wacht,
En met ogen iets tot kindje zegt;
Kindje voelt zich worden aangelegd
Aan iets teders, zachts, iets als satijn,
En het bijt daarin en doet het pijn, —
Maar niet spreekt de moeder, en zeer stil
Buigt zij tot het kindje, want zij wil
Dat het kindje bij haar borst verblijv',
Dat het ete, neme' van haar lijf,
Voedsel voor de honger, die het heeft,
En de moeder voelt, hoe zich begeeft
Uit haar, drop na drop en over-vloeit
Tot het kind, dat aan haar lichaam groeit,
Tot het kindje, dat voor haar bereidt,
Pijnen en de hoogste zaligheid.

Liederen van huisvlijt (1917)

schrijver

Geschreven door Dora om 18:39 Reageer op dit bericht

dorsers

Een gedicht van Frans Bastiaanse 1868-1947

Het lied van de dorsers.

Klik klak klok
Tik tak tok
Klinken de
Vlegels;
Kloppen de
Dansende
Schoof in de
Schuur;
Zingt er het
Hout en weer-
Klinken de
Tegels;
Dorsen de
Boeren er
Uren aan
Uur.

Buiten rond-
Om de be-
Stoppelde
Landen;
Trillert geen
Lied en weer-
Galmt geen ge-
Luid;
Dáár in de
Schuur, op de
Kaatsende
Wanden,
Zingen de
Vlegels: ‘de
Zomer is
Uit’.

Dáár in de
Duister de
Zware ge-
Stalten;
Schemert de
Dag door het
Vensteroog
Heen.

Daar in de
Donkerte
Stadiglijk
Valt er
Niet dan de
Klank van dit
Ritme al-
Leen:

Klik klak klok
Tik tak tok
Dalen de vlegels;
Zingt er het
Hout op de
Trillende
Steen:

Eerst op het
Land stond de
Tarwe te
Wuiven
Voor dat de
Sikkel er
Doorsneed met
Lust.
Maar toen de
Zomerzon
De aren deed
Buigen,
Uit was het
Ruisen en
Uit was de
Rust.

Werd ze ge-
Sneden; in
Schoven ge-
Bonden;
Stond ze ge-
Bonden in
Garven goud-
Geel;
Werd ze ge-
Droogd op de
Zengende
Gronden;
Toen op de
Wagen ge-
Bracht naar de
Deel...

Klik klak klok
Tik tak tok
Klonk in de
Morgen,
Klik klak klok
Tik tak tok
Nóg in de
Noen,
Tot, met de
Avond, de
Vlegels ge-
Borgen
Worden her-
Vonden in
Ander sei-
Zoen.

schrijver

Geschreven door Dora om 17:29 Reageer op dit bericht

lente

Een gedicht van Nicolaas Beets 1814-1903

IN DE LENTE

Onze oude moeder heeft verheugd
Haar nieuwe mantel omgeslagen,
En is zo schoon als in de dagen,
De dagen van haar prilste jeugd.
De zoetste glimlach siert haar mond,
Haar ogen tuiten van nieuw leven,
En op haar voorhoofd, zacht en rond,
Zijn al de rimpels uitgewreven.
Ja, zegt zij, onder 't mild gezang
Der vogelen in de groene blaren,
Mijn winterkommer en bezwaren,
Mijn kinderen, vergat ik lang.
Doe gij als ik, vergeet uw smart
Staak voor een ogenblik uw zorgen
En laat, bij 't licht van deze morgen,
U drukken aan mijn vrolijk hart.

schrijver

Geschreven door Dora om 17:09 Reageer op dit bericht

kerkhof

Een gedicht van Victor A. dela Montagne 1854-1915

Op 't kerkhof

In 't lover van der dode rustplaats,
bij 't zerkje van het arme wicht,
heeft zich een eenzaam vogelijn
het donzig liefdenest gesticht.

De zoele lentewinden,
ze koestren, onder feestgezuis,
de zanger in zijn groene woon,
het kindje, sluimrend onder 't kruis.

Zo brengt ze, de milde natuur,
vreugde nevens bittere nood ;
het schaterend nest bij 't zwijgend graf,
opbloeiend leven naast de dood.

Gedichten (1913)

schrijver

Geschreven door Dora om 18:45 Reageer op dit bericht

deze tijd

Een hartenkreet van Janjacobkrediet

COMMUNICATIE

Als je allemaal
hangt, ligt, loopt, zit
te...
bellen
chatten
emailen
faxen
internetten
skypen
sms'en
twitteren...
elkaar proberen te bereiken
bereik je
het bereikbare:
ONBEREIKBAARHEID!

--------------------------------------------------------
Deze hartenkreet draag ik op aan allen, die zo af en toe
nog traditioneel een kaartje en/of brief per post versturen
en aan alle postbezorgers.

Geschreven door Dora om 20:03 Reageer op dit bericht

lentekamer

Een gedicht van Helene Swarth 1859-1941

Lentekamer

Nu vullen tulpen, meidoorn en seringen
Met lentejeugd de zware kamerluchten.
Gordijnen zwellen, zoel van lentezuchten.
Ik hoor van verre een enkle merel zingen.

Op 't zondoorlaaide purper der gordijnen
Gloeit, triomfantelijke brand, de prachtig-
Goudgele vlammentuil der tulpen, krachtig
De hoek beheersend waar zij licht doen schijnen.

Uit rein kristal verrijzen, fier als pluimen,
Bleek duivegrijs en avondblauw, seringen.
Het sterk aroom van meidoorn wil verdringen
Hun geur subtiel, die wil het veld niet ruimen.

En romigblank, gevlekt met rode stipjes,
Bloeit, verentêer, aan knoestig-bruine twijgen,
Bedwelmend-zoet, de meidoorn, - zacht al zijgen
De bloemeblaadjes, geurge liefdelipjes.

Bezaaiend blank het donkerblauw-fluwelen
Zwaar tafelkleed met lichte lentevlokken,
Etherisch-fijne aromensneeuw. - Hoe lokken
Die fluitgeluiden, die 'k de merel hoor kwelen!

Weg wiekt de vogel. - Loom als bloemenzuchten,
Eentonig-dromig, vult nu hommelgonzen
De kamerstilte... O wáarom wil zó bonzen
Mijn hart en wil de kamer me uit doen vluchten?

Weg wiekt de bij. - En meidoorn en seringen
En gele tulpen geurende als violen,
Zij zingen alle als harpen en violen. -
O lied van lente! 'k wou dat 'k mee kon zingen!

schrijver

Geschreven door Dora om 19:43 Reageer op dit bericht

geest

Een gedicht van Herman de Gorter 1864-1924
AAN DE GEEST DER MUZIEK DER NIEUWE MENSHEID

Nu dan de nederlaag geleden is,
De Geest der Nieuwe Mensheid, die de hoge
Geest der Muziek is, zich ver heeft onttogen
Aan het Nu, vestig ik, dwars door de duisternis

Des daags, en door mijns eigen doods donkere duisternis,
Dwars door de tijd en ruimte heen, mijn ogen,
Die mij nog nimmer, neen, nimmer bedrogen,
Op hare verre, eenzame beeltenis.

'k Werp van mij af alle persoonlijkheid,
Licht en duister van tegenwoordigheid,
Laat zinken van mij de verleden tijd,

En zie in 't gulden licht dat om haar breidt,
Alleen de nu- en toekomst-werklijkheid,
Alleen haar stil gelaat, haar heerlijkheid.

schrijver

Geschreven door Dora om 18:15 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten