Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

mona

Mona

 

 

Ja...daar is Mona

Mona de Keijzer

We zijn inmiddels wat wijzer

Als je haar hoort spreken

Dan gaat er iets breken

Niet van liefde

Maar van narigheid

Want ook deze vrouw is de weg kwijt

Ze ziet zichzelf wel zitten

Ze is een arrogant geval

Ze is als een bloem in de knop

Komt ze ergens aan de top

Dan barst het geheel open

Niet als een mooie bloem

Maar iemand die verkeerd is aan het doen

Een beetje snel geïrriteerd

Soms willen mensen hoge ogen gooien

Maar ze vergeten goed om zich heen te kijken

Vooral willen ze zelf een goede persoonlijkheid lijken

Maar er komt meer voor kijken

Wil je zo’n vervallen anti-christelijk partij

Gewoon weer op de kaart weten te brengen

Van al deze mensen moet je het niet verwachten

Want in ons land regent het klachten

Niemand die het nog tot een goed einde brengt

Spreekt men haar aan over een partij

Dan haalt ze snel een andere erbij

Nee, dat christelijk gedoe

Dat maakte ons land nu zo moe!

Moe van alle dagelijks zorgen

Daarom hebben we onze buik er van vol

Want ze zijn daar echt op hol

Hoe kom je er bij om je zelf als

een goede lijsttrekker te presenteren

Op de teevee valt het allemaal wel mee

Dan houden ze zich gedwee

Maar hoor je toevallig een radioprogram

Waar ze als een koude kikker op me over kwam!

Wel hebben ze mooie woorden

Maar hiermee kun je veel mensen vermoorden

Daarom mannen opgepast

Die vrouwen zijn zo glad als een aal

En als me iets gaat vervelen

Dan is het dat ik al die vrouwen hoor kwelen!

 

 

Geschreven door Dora om 23:10 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

het weer

Het weerweer

 

Sommigen zeggen

Ik kan er niet meer tegen

Ja, in het leven zit soms veel tegen

Crisis in de landen

En dan doet hier het weer

ook met veel zaken geen goed

Want de mens vindt dat het

weer er toe doet

Men gaat niet tuinen

De planten en bloemen leveranciers

komen nu tekort

En zo gaat het maar voort

Nergens komt er nog iets goeds van de grond

Toch is regen erg gezond

Voor het voedsel op het land

In ieder geval is er altijd wat te zeuren

Of mensen zitten te treuren

Omdat de zon maar niet wil komen

Soms kijkt hij even door de wolken

En moet je je snel naar buiten begeven

Om te genieten van de bloeiende lente

Ook al is het maar even

Ja, er komt nog niet al teveel goeds

Maar ja, misschien is het er nog onverhoeds

Reken je er niet meer op

Dan gaat de zon weer op!

En blijft de nattigheid achterwege

In ieder geval, regen is en blijft toch altijd een zegen

Want zonder nattigheid groeit er niets

Met veel regen ga je ook niet snel op de fiets

Je moet dan achter de geraniums blijven

Ja, misschien loopt er hier of

daar een man of vrouw te kijven

Daar moet je dan uit de buurt blijven

Zo vorderen we in de tijd

En straks schijnt misschien de zon met veel vlijt

Dan hoor je weer andere praatjes in die tijd

Dan is het weer te warm of te droog

Ja, het weer zit een mens eigenlijk altijd hoog!


weer

 

 

 

 

Geschreven door Dora om 16:27 Reageer op dit bericht

zielslied

Een gedicht van P.N. van Eyck 1887-1954

Dichters zielslied

Ewig war ich,
ewig bin ich,
ewig in süss
sehnender Wonne.

R. Wagner, Siegfried 3 Akt.



Veel maanden lang heb ik dit rein gezicht
Diep in mij zelf bewaard,
Nu groeit het tot een rijk en rijp gedicht,
Dat álles samengaart.

Nu weet ik, dat ik éénmaal heb geleefd
Op gouden troon in Hemels tent,
En dat mijn ziel Gods gloed gedronken heeft
En zuivre tocht gekend.

Daar waaiden zilvren winden om mij heen
En 't licht vloot rond in eeuwge dans,
Daar drupten paarlen geuren en 't geween
Van een juwelen glans.

En aan ivoren taaflen zat ik aan,
En at van Hemels blanke brood,
En droeg mijn handen zwaar en vol belaân
Met vruchten rijp en rood.

Daar klonk en zong de oneindige eeuwigheid
Uit keel die niemand zag,
Wij vonden elk ons heerlijk deel bereid
Van een geheime lach.

Maar ik verloor mijn wijdse deel en schat
En stortte naar deze aard',
En hunker nu, naar wat ik ééns bezat
En, zwak, niet heb bewaard.

Doch één herinnering, één kleine droom
Vond naar mijn hart zijn pad,
Nu hoed ik staag met bevend-hete schroom
Die vónk, van wat ik brándend had.

Die gloeit in luidloos, wijd-verstilde nacht
Diep in mijn oog gelijk een ster,
Die leidt mijn dromen vleiend-traag en zacht
Naar rijken hoog en stralend ver.

Gedichten (1909)

schrijver

Geschreven door Dora om 18:20 Reageer op dit bericht

Een gedicht van Abraham van Collem 1858-1933

In de kamer

Naast de jonge moeder is het kleine
Kindje en het slaapt nu in de reine
Sfeer van lichtlijk-amber moesselien,
Waardoorheen gij nauwelijks kunt zien;
Kindje ligt daar in een schoonheidsdal,
Kindje ligt daar in een wit Heelal
Van donzen dekentjes en kussens puur,
Kindje ligt daar in het morgen-uur
Zijn's levens, als een nieuw ontdekte bloem ;
Uit de jonge moeder kwam die roem
En zij zelve ligt in zaligheid
Tot de gouden stilte heengespreid,
En zij lacht maar, alles in haar lacht,
Want zij heeft een wonder voortgebracht,
Een jong mensje is in haar ontstaan,
Een jong kindje is uit haar gegaan,
En het ligt daar, heldertjes gemaakt
In een hemels bedje, wit gedaakt,
In zijn lede-kantje fijn gelust,
Het zes-dagig kindje ligt gerust,
En het houdt met beide handjes vast
Zijn jong leven dat het heeft getast,
En er komen van zijn lippen uit
Kleine krakelingen van geluid,
En het rekt zich, geeft een hoge schreeuw,
Wil dan boven uit de wolken sneeuw
Van zijn witte bedje naar het licht,
En het roept met rimpelend gezicht
Dat het honger heeft en Een na Een
Komen tere handen, brengen heen
Zeer behoedzaam, kindje's kleine vracht,
Naar het wereldje, waar moeder wacht,
En met ogen iets tot kindje zegt;
Kindje voelt zich worden aangelegd
Aan iets teders, zachts, iets als satijn,
En het bijt daarin en doet het pijn, —
Maar niet spreekt de moeder, en zeer stil
Buigt zij tot het kindje, want zij wil
Dat het kindje bij haar borst verblijv',
Dat het ete, neme' van haar lijf,
Voedsel voor de honger, die het heeft,
En de moeder voelt, hoe zich begeeft
Uit haar, drop na drop en over-vloeit
Tot het kind, dat aan haar lichaam groeit,
Tot het kindje, dat voor haar bereidt,
Pijnen en de hoogste zaligheid.

Liederen van huisvlijt (1917)

schrijver

Geschreven door Dora om 18:39 Reageer op dit bericht

dorsers

Een gedicht van Frans Bastiaanse 1868-1947

Het lied van de dorsers.

Klik klak klok
Tik tak tok
Klinken de
Vlegels;
Kloppen de
Dansende
Schoof in de
Schuur;
Zingt er het
Hout en weer-
Klinken de
Tegels;
Dorsen de
Boeren er
Uren aan
Uur.

Buiten rond-
Om de be-
Stoppelde
Landen;
Trillert geen
Lied en weer-
Galmt geen ge-
Luid;
Dáár in de
Schuur, op de
Kaatsende
Wanden,
Zingen de
Vlegels: ‘de
Zomer is
Uit’.

Dáár in de
Duister de
Zware ge-
Stalten;
Schemert de
Dag door het
Vensteroog
Heen.

Daar in de
Donkerte
Stadiglijk
Valt er
Niet dan de
Klank van dit
Ritme al-
Leen:

Klik klak klok
Tik tak tok
Dalen de vlegels;
Zingt er het
Hout op de
Trillende
Steen:

Eerst op het
Land stond de
Tarwe te
Wuiven
Voor dat de
Sikkel er
Doorsneed met
Lust.
Maar toen de
Zomerzon
De aren deed
Buigen,
Uit was het
Ruisen en
Uit was de
Rust.

Werd ze ge-
Sneden; in
Schoven ge-
Bonden;
Stond ze ge-
Bonden in
Garven goud-
Geel;
Werd ze ge-
Droogd op de
Zengende
Gronden;
Toen op de
Wagen ge-
Bracht naar de
Deel...

Klik klak klok
Tik tak tok
Klonk in de
Morgen,
Klik klak klok
Tik tak tok
Nóg in de
Noen,
Tot, met de
Avond, de
Vlegels ge-
Borgen
Worden her-
Vonden in
Ander sei-
Zoen.

schrijver

Geschreven door Dora om 17:29 Reageer op dit bericht

lente

Een gedicht van Nicolaas Beets 1814-1903

IN DE LENTE

Onze oude moeder heeft verheugd
Haar nieuwe mantel omgeslagen,
En is zo schoon als in de dagen,
De dagen van haar prilste jeugd.
De zoetste glimlach siert haar mond,
Haar ogen tuiten van nieuw leven,
En op haar voorhoofd, zacht en rond,
Zijn al de rimpels uitgewreven.
Ja, zegt zij, onder 't mild gezang
Der vogelen in de groene blaren,
Mijn winterkommer en bezwaren,
Mijn kinderen, vergat ik lang.
Doe gij als ik, vergeet uw smart
Staak voor een ogenblik uw zorgen
En laat, bij 't licht van deze morgen,
U drukken aan mijn vrolijk hart.

schrijver

Geschreven door Dora om 17:09 Reageer op dit bericht

kerkhof

Een gedicht van Victor A. dela Montagne 1854-1915

Op 't kerkhof

In 't lover van der dode rustplaats,
bij 't zerkje van het arme wicht,
heeft zich een eenzaam vogelijn
het donzig liefdenest gesticht.

De zoele lentewinden,
ze koestren, onder feestgezuis,
de zanger in zijn groene woon,
het kindje, sluimrend onder 't kruis.

Zo brengt ze, de milde natuur,
vreugde nevens bittere nood ;
het schaterend nest bij 't zwijgend graf,
opbloeiend leven naast de dood.

Gedichten (1913)

schrijver

Geschreven door Dora om 18:45 Reageer op dit bericht

deze tijd

Een hartenkreet van Janjacobkrediet

COMMUNICATIE

Als je allemaal
hangt, ligt, loopt, zit
te...
bellen
chatten
emailen
faxen
internetten
skypen
sms'en
twitteren...
elkaar proberen te bereiken
bereik je
het bereikbare:
ONBEREIKBAARHEID!

--------------------------------------------------------
Deze hartenkreet draag ik op aan allen, die zo af en toe
nog traditioneel een kaartje en/of brief per post versturen
en aan alle postbezorgers.

Geschreven door Dora om 20:03 Reageer op dit bericht

lentekamer

Een gedicht van Helene Swarth 1859-1941

Lentekamer

Nu vullen tulpen, meidoorn en seringen
Met lentejeugd de zware kamerluchten.
Gordijnen zwellen, zoel van lentezuchten.
Ik hoor van verre een enkle merel zingen.

Op 't zondoorlaaide purper der gordijnen
Gloeit, triomfantelijke brand, de prachtig-
Goudgele vlammentuil der tulpen, krachtig
De hoek beheersend waar zij licht doen schijnen.

Uit rein kristal verrijzen, fier als pluimen,
Bleek duivegrijs en avondblauw, seringen.
Het sterk aroom van meidoorn wil verdringen
Hun geur subtiel, die wil het veld niet ruimen.

En romigblank, gevlekt met rode stipjes,
Bloeit, verentêer, aan knoestig-bruine twijgen,
Bedwelmend-zoet, de meidoorn, - zacht al zijgen
De bloemeblaadjes, geurge liefdelipjes.

Bezaaiend blank het donkerblauw-fluwelen
Zwaar tafelkleed met lichte lentevlokken,
Etherisch-fijne aromensneeuw. - Hoe lokken
Die fluitgeluiden, die 'k de merel hoor kwelen!

Weg wiekt de vogel. - Loom als bloemenzuchten,
Eentonig-dromig, vult nu hommelgonzen
De kamerstilte... O wáarom wil zó bonzen
Mijn hart en wil de kamer me uit doen vluchten?

Weg wiekt de bij. - En meidoorn en seringen
En gele tulpen geurende als violen,
Zij zingen alle als harpen en violen. -
O lied van lente! 'k wou dat 'k mee kon zingen!

schrijver

Geschreven door Dora om 19:43 Reageer op dit bericht

geest

Een gedicht van Herman de Gorter 1864-1924
AAN DE GEEST DER MUZIEK DER NIEUWE MENSHEID

Nu dan de nederlaag geleden is,
De Geest der Nieuwe Mensheid, die de hoge
Geest der Muziek is, zich ver heeft onttogen
Aan het Nu, vestig ik, dwars door de duisternis

Des daags, en door mijns eigen doods donkere duisternis,
Dwars door de tijd en ruimte heen, mijn ogen,
Die mij nog nimmer, neen, nimmer bedrogen,
Op hare verre, eenzame beeltenis.

'k Werp van mij af alle persoonlijkheid,
Licht en duister van tegenwoordigheid,
Laat zinken van mij de verleden tijd,

En zie in 't gulden licht dat om haar breidt,
Alleen de nu- en toekomst-werklijkheid,
Alleen haar stil gelaat, haar heerlijkheid.

schrijver

Geschreven door Dora om 18:15 Reageer op dit bericht

regen

Een gedicht van Jacobus van Looy 1855-1930

Zacht valt de regen

Zacht valt de regen uit een hemel zonder pracht...
Die zich stil heeft betrokken met 'n water-zware vracht
Bij het komen van de nacht.
Geen ziet hoe het daalt uit dat duistre wolk-gespan,
Als de tranen stil geschreid van een hoge sterke man,
Die men voelen wel maar zien niet kan.

Langzaam zakt de stad in het duistren van de nacht.
Langzaam valt de regen uit de duistere hemel, zacht
Als een woordenloze klacht.



1889

Gedichten (1932)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:07 1 reactie Reageer op dit bericht

eendracht

Een gedicht van Willem Bilderdijk 1756-1831

Eendracht.

Holland heft op nieuw het hoofd;
Alle twist zij uitgedoofd!
Eendracht zal de harten binden.
Telgen van één Vaderland,
Geen verdeeldheid hoû meer stand;
Wij zijn broeders thans en vrinden.
Ach, hoe duur, hoe duur, Bataven,
Heeft partijzucht u gekost!
't Wrocht u 't schandlijk juk van slaven,
U, door Nassauws bloed verlost!
Ach, te smartlijk voeldet gij
Wat gemis van vrijheid zij!
Alle wrevel ligt ter neer;
Geen belangzucht scheidt u meer; -
Hollands duurgekochte panden!
Telgen van één Vaderland,
Reik elkaar de broederhand
Bij 't verscheuren van uw banden.
Eendracht zal uw macht herstellen!
Eendracht zij de wapenkreet,
Die uw vijand neer zal vellen,
En u wreken zal van 't leed.
Eendracht schept u nieuwe kracht!
Eendrachts sterke band geeft macht!

Laten wij met Christenhart
Hem die blijdschap schonk uit smart,
Neerlands noodlot ter beschikking!
Brak hij niet de ijzren staf
Door een wenk van Almacht af,
In het toppunt der verschrikking?
Sla dan alle handen samen!
't Zalig juichend Englenheir
Zegt op dees verbinding Amen!
En stort dankend voor God neer,
Broeders! eendrachts zachte band
Is des zegens onderpand.

schrijver

Geschreven door Dora om 13:16 Reageer op dit bericht

anders

Een gedicht van Augusta Peaux 1859-1944

Anders niet

Dat zal niet zijn dan een licht verloren,
een zilverig sprookje van zon, niet meer.
Weg woei de wind over 't groene koren,
zonneblank bogen de halmen neer
ach ! anders niet dan wat licht, verloren
in wuivende aren,
wie vindt het weer?

Dat zal niet zijn dan een woord verloren,
op stofwitte wegen een bloem, niet meer.
Weg woei de wind in het zand de sporen,
ritselend vielen de regens neer
maar ach ! een enkele klank, verloren
in ruisende blaren,
wie kent hem weer?

schrijver

Geschreven door Dora om 12:53 Reageer op dit bericht

eenzaamheid

Een gedicht van P.C. Boutens 1870-1943

Gestoorde eenzaamheid

Wij bleven onveranderd trouw aan 't heden;
Zij zijn het, die nu bij ons willen zijn,
Zich redden uit hun donker en 't verleden
In onze zaalge avondschijn.

Weer niet hun dorre handen van de zomen;
Hun ijdel lijf heeft geen gewicht of vat;
Alleen in de' onlust der slaapwandeldromen
Benaadren ze onze tastbre schat

Met halfbewust en machteloos begeren;
Hun oog ziet maar hun eigen blinden waan;
Zij kunnen ons niet schaden en niet deren;
Zij doen zichzelf hun moedwil aan.

En onze deernis en ons medelijden
Strekt tevergeefs de zegenmilde hand
Naar dit hun onbegeerd geduld geleide
En keert in de oprechte stand

Van trouwbevochten nimmermeer te delen
Geluk tot delen altijd weer gereed,
Dat hier voorbijgaat langs de duistre velen
Als onuitspreeklijk godlijk leed.

schrijver

Geschreven door Dora om 19:28 Reageer op dit bericht

tranen

Een hartenkreet van Ton Rijkers

BLOEDRODE TRANEN

Over het lichaam droeg ze een oude jas
zacht getint, met flets versleten patronen
Je zag direct dat ze intens verdrietig was
strakjes zouden ze haar, als altijd, honen

Aan ‘t lichaam, verstopt onder haar jas,
zagen haar armen nimmer iets van zon
Door het continu getreiter van haar klas
sneed ze daar als ze ‘t niet meer aankon

Om het lichaam droeg ze een lange rok
vanaf haar middel tot welhaast haar teen
Innerlijk hing haar vlag meestal halfstok
daarom sneed zij zich..ook in haar been

Onder haar kleding vermoedde er geen
dat ze zich er zelfs dikwijls verwondde
Evenals in haar arm alsook in haar been
sneed ze zich daar ’s nachts die blonde

Onder haar hemdje zaten diepe sneden
met littekens door haarzelf veroorzaakt
Bij gym dorst zij zich niet te verkleden
’t voelde als was heel haar lijf mismaakt

Achter haar ogen blonk het doffe vocht
door het dagelijkse treiteren en het slaan
‘t Is daarom dat ze immer de stilte zocht
om daar te schreien met bloedrode traan

Geschreven door Dora om 15:49 Reageer op dit bericht

hoofd

Een gedicht van Johan van 't Lindenhout 1893-1919

Haar hoofd woog aan mijn borst

Haar hoofd woog aan mijn borst, het haar viel al bezijden,
Een glimlach was haar mond, die schromend bleef en teer...
Wee mij! toen zonk dit beeld; de dageraad was véér,
Die 'k had nabij gedroomd sliep vèr van mij gescheiden.

't Hart zei: ‘verbórgen brood geurt zoeter en mondt méér.’
Ik rees van 't slaaploos bed, de liefde zou mij leiden.
En voor haar open raam stond peinzende ik te beiden;
De welke vlam der kaars waakte op de kandeleer.

Mijn mond was aarzelend van hoop en vrees tezaam.
Hoe zou ik zulk een spel van dwaze minnaar boeten?
‘Der lippen troost’. zei 't hart, ‘zal alles wel verzoeten.’
Maar 'k keerde ongetroost en sprak slechts zacht haar naam.

Nooit zult gij weten, lief, hoe voor een schuchter groeten
Ik óprees in de nacht en waakte voor uw raam.

schrijver

Geschreven door Dora om 17:19 Reageer op dit bericht

meeuwen

Een gedicht van Jan Prins 1876-1948

De meeuwen

De meeuwen vechten, vleugels hol,
en hangen aan de wind. Zij vallen
in 't bouwland neer, - en, neergevallen,
maken ze 't langs de voren vol.

Zij namen overland de wijk,
en zochten langs de brede stromen
hun toevlucht, - om op kracht te komen
achter de hoge winterdijk.

De snavels, onder pen en veer,
herstellen de geleden schade.
Maar 't nader klinken van de spade
des akkermans verjaagt ze weer.

Ze vliegen op, - de vleugels reê
zich klauwende aan de lucht te klampen.
Een ogenblik ziet men ze kampen. -
Dan voert de felle wind ze mee.

schrijver

Geschreven door Dora om 18:34 Reageer op dit bericht

beek

Een gedicht van Rhijnvis Feith 1753-1824

AAN ENE BEEK

Ik juichte in de armen van een gade,
Ik treurde hooploos op haar graf!
Nu dool ik langs uw oever henen,
En droom 't verleden, dat nog vleit.
'k Ontwaak en alles is verdwenen,
En 'k sidder in mijne eenzaamheid.
Vol zielrust, maar weemoedig tevens,
Volg ik uw rolling na en ween;
En al de vreugd en smart mijns levens
Vliên zachtjes met uw golfjes heen.
Niet bang meer zal ik op u staren,
Ras heeft mijn oog hier uitgeschreid,
Men plengt geen traan, men telt geen baren,
Op d'oceaan der eeuwigheid.
Zo dan nog steeds door de eigen oorden
Uw lieflijk murmlend water stroom',
En soms een jongling aan uw boorden
Het zoet ontwerp zijns levens droom',
o ruis hem dan ook zacht in 't harte,
Opdat hij wijsheid van u leer:
‘Uw leven vliegt bij vreugd en smarte
Onmerkbaar heen, en keert niet weer!’

schrijver

Geschreven door Dora om 16:48 Reageer op dit bericht

vraag

Een gedicht van Hermanus Asschenberg(h) 1726-1792

Vraag zonder antwoord.

De Prins van Luik, die ook als Bisschop word geacht,
Reed, prachtig uitgedost, naar 't land, met eedle Heren
En Krijgsliên, die aan hem verstrekten tot een wacht,
Om alle overlast te weren.

Dit zag een boer, die lachte en schaterde als ontzind.
De Prins werd dit gewaar en deed hem bij zich komen.
Hij sprak: zeg de oorzaak mij, mijn vrind!
Waarom ge uw vreugd niet kunt betomen?

De boer zei: 'k lach alleen, mijnheer!,
Door 't denken wat toch zij, die hier, in vroeger jaren,
Vóór u, ook Prins en Bisschop waren,
Wel zeggen zouden van die staatsie, pracht en eer,
Die zij in hunne tijd nooit zagen?
Maar, zeker, 'k lach om u geenszins.

'k Doe 't, sprak de Vorst, ook niet als Bisschop, maar als Prins,
En 't kan me, als Prins, op 't hoogst behagen.

'k Geloof jouw woord, ter goeder trouw,
Zei Kees: maar, zeg mij, zonder dralen:
Indien de duivel eens mijnheer de Prins kwam halen,
Waar toch de Bisschop blijven zou?

Poezij (1793)

Geschreven door Dora om 18:26 Reageer op dit bericht

zeggen

Een gedicht van Victor A. dela Montagne 1854-1915

Ze zeggen, de farizeërs

Ze zeggen, de farizeeërs
dat ik U te veel bemin,
en dat ik het hoofd verlieze
en rake verward van zin.

Zij juichen: hoe zoet de kussen
van bloeiende lippekens zijn,
de volle schaal smaakt zoeter
met schuimende zuiderwijn.

Zij huichlen: vernederend rusten
voor kennis en wetensdorst,
al heeft ook uw hoofd tot kussen
de golvende vrouwenborst.

Zij jubelen: leve de vrijheid,
al vormen de band rond uw hals,
twee poezele vrouwenarmen,
twee armen blank en mals.

't Is waar, mijn liefde is oneindig,
maar is het verwijt verdiend?
en heet hij genoeg te beminnen
die niet te veel bemint?

Gedichten (1913)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:05 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten