Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

Berichten van 1 september 2017 tot 30 september 2017

ik

Een gedicht van Karel van Woestijne 1878-1929

IK BEN DE HAZEL-NOOT

Ik ben de hazel-noot. - Een bleke, weke made
bewoont mijn kamer, en die blind is, en die knaagt.
Ik ben die van mijn zaad een duisternis verzade.
En 'k word een leêgt', die klaagt noch vraagt.

'k Verlaat me-zelf; 'k lijd aan me-zelven ijle schade.
Ik ben 't aanhoudend maal, in een gesloten kring,
van ene domme, duldeloze, ondankb're made.
Maar raak' de vinger van een kind me, dat me rade:
hij hoort mijn holte; ik luid; ik zing.

'De voedster'

schrijver

Geschreven door Dora om 21:31 Reageer op dit bericht

de navond

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899

DE NAVOND KOMT ZO STIL

De navond komt zo stil, zo stil
zoo traagzaam aangetreden,
dat geen en weet, wanneer de dag
of waar hij is geleden.
‘t Is avond, stille... en, mij omtrent,
is iets, of iemand, onbekend,
die, zachtjes mij beroerend, zegt:
'‘t Is avond en ‘t is rustens recht.'

De bomen dragen gans de locht
vol groen, nog onbestoven;
en ‘k zie, zo dicht hun blaren staan,
nog nauwlijks deur de hoven;
‘k en hoore niets, al om end om,
van ‘t zoetgekeelde vogelendom,
‘t en zij, het donker loof beneên,
de nachtegaal zijne avondbeên.

Hij zingt! Ach, wist hij zelf hoe schoon
hij zingt! Het is onwetend,
dat zingend hij mijne oren boeit,
en aan zijn kele ketent.
Ach, wist hij ‘t gene ik wetend ben:
dat dankbaar ik toch wete en ken
wie hem zijn tale, en mij daaraf
‘t genoegen en ‘t genieten, gaf!

Hoe lieflijk zingt hij! Maar, wat hoor
eensgangs ik ginder gekken?
Wat is ‘t, dat her end weder her
verergerend gerrebekken?
Och, vorsenvolk, in ‘t waterwied,
houd op! En stoor de stilte niet:
laat horen mij dat leutig slaan...
En, kwelgediert, houd op voortaan!

Heb daar!... Het speit, de steen rondom,
en, uitgestrekter schenen,
zijn al de vorsen, diepe in ‘t goor,
in ‘t zwijgend goor verdwenen!...
Eilaas, de nacht en ‘t donker zijn
bezitten nu de zanger mijn:
noch nachtegaal, noch ruit noch muit,
en hore ik meer... ‘t is uit, ‘t is uit!

-----------------------------------------

mij omtrent - in mijn omgeving
dragen... vol - vullen met
deur - doorheen
om end om - in ruime kring
het donker loof beneên - onder het donkere loof
daaraf - daarvan
eensgangs - eensklaps
dat her end ... gerrebekken - dat telkens weer uitdagender kwaken
vorsvolk - groep kikkers
heb daar - pak aan
speit - spat
uitgestrekter schenen - gestrekte poten
goor - modder
noch ruit noch muit - geen kik

schrijver

Geschreven door Dora om 22:04 Reageer op dit bericht

september

Een gedicht van C.S. Adama van Scheltema 1921-1947

SEPTEMBER

September! laat uw open grijze vanen
Door koele luchten, schone straten gaan,
Het gave goud ligt op uw zegebaan,
Druipt van uw fijne wapperende manen;

De pure honig laat ge in harten staan:
Gewassen goud in glad-gevlochten spanen,
Uw adem is ons tot het lijf gegaan
En blaast ons, jonge goôn, langs nieuwe banen.

Op kameraden! grijp het najaarsooft,
Laat wijn en wingerd om uw schansen glijden
En zet een krans op 't vastberaden hoofd;

Druk uw bewuste zin in 't jaargetijde,
Dat met zijn kloeke wind uw vlagge looft,
Dat waait uw woord langs Hollands vlakke weiden!

Eerste oogst (1912)

schrijver

Geschreven door Dora om 18:52 Reageer op dit bericht

weten

Een gedicht van Albrecht Rodenbach 1856-1880

Ik moet er niet van weten...

Ik moet er niet van weten, van die zuidse vrouwenzielen,
die, voelend het noodlottig leed hun longeren vernielen,
te midden het ontbladeren van de bomen kneuteren gaan
dat 't jammer is van hen en van hun lief en van de blaân.

Zijt gij het die ik rochelen voel hier rond mijn hert, vernieling?
Zijt gij het? God verplette u, worm die mijner jeugd bezieling
Verknagen moet! Het lijf wierp u mijn eigen roekloosheid,
doch, zier om zier, bestrijde ik u de Geest, Noodlottigheid!

Gij die vandaag den hemel kuist van vuiler dampen rotheid,
O licht, o warmte, o levenslust, bedanke u, vurige godheid!
- Mijn zonnig land... mijn verten... mijn jong leven... Kameraad,
Nicht raisonniren... Weer u scherp, en eind als een soldaat!...

laatste gedicht van Rodenbach

schrijver

 

Geschreven door Dora om 22:15 Reageer op dit bericht

buitenmeisje

Een gedicht van Virginie Loveling 1836-1923

HET BUITENMEISJE

Zij vroegen of ze tevreden was,
In de stad tevreden en daar.
Het jonge meisje knikte ja,
Ze waren zo goed voor haar!

Zij knikte ja, zij zweeg en ging
In de kelderkeuken staan,
En zag omhoog door 't vensterraam
Op straat de voeten gaan.

Toen dacht zij aan het groene veld,
En aan haar ouders hut:
Daarover waait hoog de populier,
En de vlierboom staat aan de put.

Het geitje op 't grasplein, ginds verre de kerk,
En de lucht oneindig blauw, -
Haar moeder haspelt aan 't open raam,
En haar vader zit op 't getouw.

De wiedsters in 't veld en de leeuwrik omhoog,
- O lag zij bij hen in het vlas! -
En zat zij te peinzen, toen vroegen zij haar,
Of zij tevreden was.

Zij waren zo goed en zo vriendlijk met haar,
Zij kon niet zeggen: 'Neen.'
Maar 's avonds als zij slapen ging,
Toen weende zij alleen.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:43 Reageer op dit bericht

aan

Een gedicht van A.C.W. Staring 1767-1840

Aan vrouwensmaders.

Laat af, die 't Zwak Geslacht met bittre gal bespat,
Of gij verdiende 't niet, dat gij een Moeder had.

1789

Puntdichten

schrijver

Geschreven door Dora om 21:59 Reageer op dit bericht

ziekte

Een gedicht van J.P. Heije 1809-1876

DE ERGSTE ZIEKTE.

Er kan geen erger ziekte wezen,
(Hetzij van lichaam of van geest)
Dan die, waarbij men 't stèrven vreest
Maar niets wil nemen tot genézen.

Zedenspiegel in Spreuken XCIII

schrijver

Geschreven door Dora om 22:35 Reageer op dit bericht

wanhoop

Een gedicht van Edward Koster 1861-1937

WANHOOP.

Ik ben zo droef omdat ik niet kan horen
Uw zachte stemme met haar zoete taal;
Terwijl 'k langs de besneeuwde straten dwaal,
Klinkt mij 't gelach der menschen vreemd in de oren.

En door de luiken van de hoge toren
Stroomt het geluid mij binnen van 't metaal;
Geroerd sta 'k stil; wijl 'k angstig ademhaal
Is 't mij alsof een stem me roept: "Verloren!"

O zwijg, gij klank van onheil en van leed,
Roep niet zo luid in mij, wees stil, ik weet
Dat gij slechts zijt mijn eigene gedachte.

Geen stem is 't die van buiten tot mij kwam,
Maar het geluid dat 'k in mij zelf vernam,
En dat naar uiting in de kerkklok smachtte.

Eerste Gedichten

schrijver

Geschreven door Dora om 21:45 Reageer op dit bericht

leus

Een gedicht van René de Clercq 1877-1932

 

LEUS

Waar zielen krachten zijn en krachten daden worden,
Waar uit het stoute brein een wond're wereld stamt,
Waar grote menschen slaan en stormen uit hun orden,
Gelijk, ten bergop uit, de bergenziele vlamt;

Waar felle boodschap brandt uit goudgevuurde borden,
Waar rode razernij op zwarte muren ramt,
Waar heldenhanden hoog het heldenzwaard omgorden,
En naberouw noch spijt de slaande arm verlamt;

Daar staan wij, eigenvast, geschoord op beide voeten,
Getroost met onze kop onz' koppigheid te boeten,
En lachen op die spuwt en spuwen op die lacht!

Daar staan wij, taai en trots, bij zelfgenade vorsten,
Die durven, één alleen, wat duizenden niet dorsten,
En zwaaien door de wind de losse vaan der kracht.

De Noodhoorn (1940)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:57 Reageer op dit bericht

zang

Een gedicht van Albert Verwey 1856-1935

ZANG.

Mijn ziele is in mijn zangen,
Mijn zang is mijne ziel:
Mijn lied is 't zoet verlangen,
Dat in mijn harte viel.

Dat groeit daar stil verholen,
En groeit straks wonderhoog,
En rankt in duizend bloemen
Der wereld uit het oog.

schrijver

Geschreven door Dora om 18:49 Reageer op dit bericht

landminnaar

Een gedicht van Betje Wolff en Aagje Deken 1738-1804

DE LANDMINNAAR

Wel man, wat kan
u de stad behagen,
dat gij mij durft plagen
om mijn keur?
’t Lust mij niet te leven
naar de sleur.
Al wat de stad kan geven
heeft geen smaak of geur.

Hoor mij, wilt gij
onschuldige vermaken
onverhinderd smaken?
Kom op ’t land!
Leer eenvoudig leven;
heb verstand!
Natuur wil heil u geven;
neem het uit haar hand!

Economische liedjes (1781)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:10 Reageer op dit bericht

kusjes

Een gedicht van Willem Bilderdijk 1756-1831

Kusjes

Duizendvoudig zijn de kusjes,
Die de tere minnelustjes
in 't gevoelig hart ontgloên,
en de brand der liefde voên.
Maar, indien gij wilt beminnen,
schone strookster van mijn zinnen,
hoor, wat kusjes ik verlang,
als ik aan uw boezem hang!

Schenk me, o voedster van mijn lustjes,
druk me zulke vochte kusjes,
dat uw tong de mijne streelt,
en er krullend mede speelt;
even als de geile mussen
in de mei elkander kussen,
of het lieve tortelgoed
in het trekkebekken doet!
Laat uw hart door hete zuchtjes
tuigen van uw zielsgenuchtjes,
dat uw malse boezem zwoegt,
als ge uw lipjes met mij voegt,
en mijn halfverdronken ogen
zich in de uwe blind zien mogen.
Hoor nu, hoe gij in de gloed
't kussend mondje zetten moet,
om het zoetste zoet te kopen.
Niet te dicht, en ook niet open.
Laat één plaatsje (zo is 't wel!)
voor ons beider tongenspel:
dat mijn zachte tandenbeetjes
door die balsemige reetjes
boren mogen zonder pijn:
en uw tongetje het mijn
zacht ontmoeten, lieflijk klemmen,
bevend in uw mondje zwemmen,
tot het, spartlend van vermaak,
aan mijn tong geschakeld raak.
Dan zal ik het zuigen, strelen,
zoeken 't aan uw mond te ontstelen:
'k zal het bijten, en mijn dorst
met de adem uit uw borst,
met het bloed, er uit te leken,
koelen, lessen, meer ontsteken;
zetten borst en ingewand
door die terging in de brand;
dat het overstelpte harte
van genoegelijke smarte
in ons beider binnenst zwelt,
en van fijn gevoel versmelt.
't Geen het op de vochte tippen
onzer natbedauwde lippen,
met een bevend zacht geluid,
door een teder lispen uit:
dat en ziel en adem tevens,
met het overschot des levens,
dat in onze boezem slaat,
in elkander overgaat;
en wij, in amechtig hijgen,
spraak-, gevoelloos, nederzijgen.

schrijver

 

Geschreven door Dora om 22:10 Reageer op dit bericht

donderbui

Een gedicht van Willem de Merode 1887-1939

De donderbui

De lucht betrekt, het zand stuift op,
Hoog torent zich de donderkop,
Die blauw als lei, en koperrood,
Dreigt met vernieling en met dood.
De bliksem, kort en lang van lijn,
Gelijk een zenuwachtig sein,
Meldt ademloos: wie vloeke of kniel',
Gedenk uw zonden, red uw ziel!
Een windstoot, water, vlam, een knal,
Alsof de hemel barsten zal.
Wij voelen hoe de wereld kreunt
En onder onze voeten dreunt.
Vlak langs de grond ontvlucht de dag.
Al nader knapt de donderslag,
En roder slingert 't bliksemvier
Het heet verderf naar mens en dier.
't Gesprek stokt; hart en adem staakt,
Als 't weerlicht rakelings ons raakt.
Wij zien elkanders vaal gelaat,
Ontwijken 't raam, en ieder gaat
Verbijsterd uit zijn levenslot
Tot aller leven oorsprong: God!

O eindelijke vredesteê!
Hier is de ziel stil en gedwee,
En ziet, bevrijd van angst en waan,
Het breken van de wereld aan.
Hier is zij zo gerust en stil,
Eenswillens met des Heeren wil,
Dat zij niet bidt voor have en bloed,
Maar zegt: wat God wil, dat is goed!
Verslokt de vloed ons, zengt het vier,
Wij hebben Uwe hemel hier.
Ons hoog hart werd een effen dal,
Waar God intrad en wonen zal. -
Zo ligt ze, een lichte vlakte, waar
God boven welft zijn hemel klaar;
En als ziels helder spiegelbeeld
Wordt aardes hemel plots doorspeeld
Van zonneschijn, de wolk bromt grof,
Het water bobbelt door de hof,
Maar 't grauwe zwerk zwenkt voor de wind
Schoon traag, de donderbui verzwindt.

De regen ruist nu ongestoord,
Eentonig murmurerend, voort.
De koeien grazen weer gedwee,
Het volk komt buiten, één, getwee,
Staan mensen; allen ademen vrij.
Goddank! wij leven! 't is voorbij!
En hier en daar glimlacht men stil:
‘Doe met Uw knechten naar Uw wil!’

De stille tuin(1933)–

schrijver

Geschreven door Dora om 21:41 Reageer op dit bericht

zonne

Een gedicht van Karel van de Woestijne 1878-1929

De stille zonne daar ik zit

De stille zonne daar ik zit, voor mijne woning,
in de oude lijste van een groene en rode veil;
van al de bloemen op mijn mond de milde honing,
en in mijn hart van al de dagen 't vrome heil;

een witte roze aan mijne krage, en voor mijne ogen
de weiden en de Leië in lage zonne-brand;
van mijne vrouwe in mij het zorgend mededogen,
en van mijn zoontje op mijne wang de koele hand;

- ik voel een rijpe traan diep uit mijn binnenst rijzen
van verre heimwee en gevréesd geluk, misschien;
'k laat op mijn moede oog de lange wimpers dijzen;
- maar als ik ze open, zult ge er zonnen stralen zien...

De gulden schaduw (1905 - 1909)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:34 Reageer op dit bericht

droom

Een gedicht van Jacques Perk 1859-1881

Een droom

Een droom - als maneschijn - in zilvren wade
En breedgewiekt, heeft mij, toen ik verwezen,
In dons gedompeld, in de rust mij baadde,
Met elpen staf een kindekijn gewezen:

Het lachte, en bij die lach, wiens wedergade
Slechts in de zuivre zonne wordt geprezen,
Wolkte als een nevel weg al 't zwarte en kwade,
Dat in mij mort... 't Is me in een zucht ontrezen.

Toen was ik waardig, aan die blonde slapen
Eerbiedig de eene en de andre hand te drukken,
En in de hemel van dat oog te schouwen...

Ik zag en kuste en kuste... úw kind, geschapen
Naar úw Madonna beeld, en diep verrukken
Doorgolfde mij, o, lieflijkste aller vrouwen! -

schrijver

Geschreven door Dora om 22:46 Reageer op dit bericht

het kasteel

Een gedicht van Frans Bastiaanse  1868-1947

het Kasteel

Voor onze blikken rees nu 't oud Kasteel
Met hoge toren tussen iep en eiken,
Waar duizend bloemen stonden stralend geel
Op 't groene grasveld in de zon te prijken.

Die zware wanden zagen de eeuwen wijken,
Trotserend Tijd en Stormwind en Houweel,
Geslachten sterven, val van koninkrijken,
Als viel slechts hun de onsterflijkheid ten deel.

En, zoals vaak in 't leven 't trotse en tere
Vereend zijn, speelde op 't geel-bebloeide groen
Een kinderschare, in roze en witte kleren,
Luid-juichend om de gouden zomer-noen,
Zó blij, zó blij, als zou nooit leed hen deren,
Geen Dood dit broze schoon verwelken doen.

Verzen (1918)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:53 Reageer op dit bericht

ontmoeting

Een gedicht van Betje Wolff en Aagje Deken

 

De onverwachte ontmoeting.

Nog nooit, nog nooit voelde ik mij dus ontstellen         
nog nooit mij meer ontstellen!     

Ach zijt gij 't, zijt gij 't zelf dan mijn vriendin?
Wat ik voel, kan ik u niet vertellen,
Als alleen dat ik u nog hartlijk min.
Maar zou, maar zou ik wel zo zeer ontstellen,
Zo gij niet waart mijn waardigste vriendin?

Kom laat, kom laat ik u in de armen drukken!
Terwijl ge aan mij uw tederheid betoont!
Mocht mijn wens nu maar gelukken,
Hoe wierdt onze vriendschap dan niet geloond!
Aan 't hart u drukken!

Economische liedjes (1781)

Geschreven door Dora om 22:16 Reageer op dit bericht

aan

Een gedicht van E.J. Potgieter 1808-1875

  Aan de Vrijheid.

Zie neer uit uw heilige tempel daarboven;
O Gij die de hulde der Grieken ontving,
Wie Rome in haar heerlijke kindsheid mocht loven,
Die lang aan de spits harer dapperen ging!
Zie, lieflijke Vrijheid, zie neder op aard,
Mijn volk is de roem van zijn voorgeslacht waard.

Laat zich met uw mantel de snode bedekken,
Die dood en verwoesting haar zusteren heet;
Wij zien, trots de mom, haar afzichtige trekken,
De dolk en de toorts in haar handen gereed.
Zie, lieflijke Vrijheid! zie neder op aard,
Oud-Holland heeft vlekloos uw outer bewaard.

Gij waart met ons erf in der vaderen dagen,
En 't zwaard werd gezwaaid tot het land was bevrijd;
Gij schraagdet hun schoudren om lasten te dragen,
Almachtig en goed, als God wil dat ge zijt!
Zie, lieflijke Vrijheid! zie neder op aard,
Wij staan als weleer om uw outer geschaard!

Die droom' dat uw voet op de kronen zou treden,
Hier hebt gij de vorstlijke zetel gevest
Voor wie wij de heerser der Fransen bestreden,
Ten strijde nu snellen uit ieder gewest.
Zie, lieflijke Vrijheid! zie neder op aard!
Vorst Willem vertrouwt op het Hollandsche zwaard!

Zeg het aan hen die uw zalen betreden,
De schimmen der vaadren vereend in uw rijk,
Vervuld zijn hun wensen - verhoord hun gebeden,
Het kroost is aan de oudren in deugden gelijk.
Het erf dat ze ons lieten, hoe vredig en klein,
Is nog als de parel, zo zuiver en rein!

schrijver

Geschreven door Dora om 22:27 Reageer op dit bericht

nazomer

Een gedicht van C.S. Adama van Scheltema 1877-1924

Nazomer

Vaag drijft door de open deur
De bleke avondwind
Een bitter kille geur -
Alsof de herfst begint.

Vaag, als een vallend blad,
Daalt door mijn lege geest
Herinnering aan wat
Wel eenmaal is geweest.

't Is of mijn hart verstomt
En of ik stil verga,
't Is of de herfst al komt -
Hij komt weldra - weldra!

Zingende stemmen (1916)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:52 Reageer op dit bericht

maan

Een gedicht van Gerrit ten Bruggencate 1803-1853

Aan de maan

Hoe straalt gij zo, met heldre gloed,
Door 't loof dier appelbomen,
Waar eens uw vriend zo welgemoed,
Zich droomde zoete dromen?
Omsluier uwe zilverglans,
En blik gelijk gij blikkert,
Wanneer gij op de dodenkrans,
Van 't jeugdig meisje flikkert!

Vergeefs ziet gij zo rein en klaar,
In dit priëeltje neder;
Ach! nimmer vindt gij 't blijde paar,
In zijne schaduw weder!
Het noodlot, mij zo wars en stug,
Ontstal mij 's meisjes harte!
Geen zuchten toovren 't mij terug,
Geen teedre traan der smarte!

O! zo zij nog één enkel maal,
Mijn rustplaats mocht betreden,
Verlicht dan dáár met matte straal,
De bloempjes voor haar schreden!
Zij zette wenend zich op 't graf,
Waar roosjes nederhangen,
En plukke er zich een bloempje af,
En drukke 't aan de wangen!

schrijver

 

Geschreven door Dora om 22:00 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten