Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

Berichten van 1 januari 2015 tot 31 januari 2015

moeder

Een gedicht van J.P. Hasebroek 1812-1896

AAN ENE MOEDER.

Hoe schoon stond de bloemkroon op 't jeugdige hoofd,
Toen 'k u in de Bruidzaal mocht groeten;
Toen waart ge aan de Vreugd en de Schoonheid verloofd;    
De Jonkheid bracht hulde aan uw voeten;
De oranjebloem zelfs scheen niet wit bij de glans
Van 't elpenblank voorhoofd, gedekt met haar krans.

Thans buigt zich uw schedel allengskens ter neer;
Uw voorhoofd, met rimplen doorsneden,
Tooit sneeuwwitte bloesem noch elpenbeen meer;
Geen jeugd strooit gebloemt' voor uw schreden.
o Moeder, in wie dus de Schone verdween,
Waar is nu de bloemkroon van gisteren heen?

Maar hoe? Is die bloemkroon gevallen ter aard',
Waarheen mij uw blik schijnt te wijzen?
Ja, 'k zie daar, als bloesem, die viel in de gaard,
Een krans, om zijn schoonheid te prijzen;
Een krans, die maar enkel uit knoppen bestaat,
Waarin zich de wordende Schoonheid verraadt.

Een krans is 't van - kindren, gekweekt met u w bloed,
Dat helder hun wangen doet blozen;
- Van kindren, wier oogstraal nu blinkt van uw gloed,
Wier lip is bedekt met uw rozen;
Van kindren, in wie gij, o Moeder! herleeft,
En ons weer uw schoon te bewonderen geeft!

Buk, Moeder! naar de aarde, en vergaar op uw schoot
Het kroost, dat uw voeten omhuppelt;
Dan tooit u de krans, die uw lokken ontschoot,
Met tranen van vreugde bedruppeld.
Cornelia sprak: mijn juwelen zijn hier!
En gij: Zie de bloemen, waar 'k thans mij mee sier!

Nieuwe Winde-kelken (1864)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:32 Reageer op dit bericht

offer

Een gedicht van Liesbeth Maria Post 1755-1812

Offer der liefde.

Een stille hut op 't eenzaam land,
Vrij van gewoel en slommer;
Een kleine moestuin met een beek,
Beschaauwd van milde lommer;
Een lieve schrijfcel, en een kas
Met boeken, weinig mensen,
Was al wat ik, als 't grootst geluk,
Op Aard, van God kon wensen:
Die keus lag in mijn kinderhart,
Zij groeide met mijn jaren,
Ik kreeg ze in 't eind; God wilde zelfs
Hier meer dan 'k vroeg, vergaêren.

In een betovrend vruchtbre streek,
Vol bossen, bergen, dalen,
Vol bronnen, akkers, weiden, waar
De beekjes kronklend dwalen;
Een oord waarin Natuur, door kunst
Geleid, maar niet gedwongen,
Elk treft, en door een bos-concert
Verrukkend wordt bezongen;
Daar gaf mij 's Hemels trouwe zorg,
Een lieve eenvouwge woning,
Die 'k niet zou ruilen voor den glans,
De zorgen, van een' Koning:
Hier biedt Natuur haar lachend schoon,
Elk' avond, ieder' morgen;
Hier rollen dagen vol genot,
Bevrijd van duizend zorgen;

Hier kan ik, juist naar mijn' genie,
Een rustig leven leven;
Mij in mijn lieve boeken-cel
Of 't open veld begeven;
Van mijn Cheri alom verzeld,
Door woud en bergen dwalen;
En bij een frisse koele bron
Weer rustig ademhalen;

Verscholen in een kleine hut,
De wereld gans vergeten,
En luistrend naar het bosgeruis
Een Solitaire heten.
Op duizend plekjes hier en ginds
Vond ik, vermoeid van 't dolen,
Een rustplaats met mijn boek, in 't groen,
Voor 't zoekend oog verscholen.
Ik kon..... Maar neen, ik kon niets meer;
Sinds gij mijn rust vermoordet,
Sinds gij die zelf-genoegzaamheid
Door uwe liefde stoordet;
Sinds is Natuur hier dood voor mij,
En de eenzaamheid vervelend;
Geen denkbeeld dan uw liefde alleen,
Is voor mijn hart meer strelend.
Sinds ik u kende, is 't vruchteloos,
In deze lieve streken,
't Geluk te zoeken; 't is me alom,
Op 't liefste plekje ontweken.
Gij deed voor mij dit paradijs
In wildernis verandren;
Maar wildernis wordt paradijs
Ziet zij ons bij elkandren.

Ik ga dan waar me uw liefde wenst;
Ik offer stil genoegen,
Genietrek, alles, om, als vrouw,
In huiszorg druk te zwoegen.
'k Verlaat dan 't bosrijk Gelderland,
Voor Hollands vlakker streken;
Maar 'k weet, mijn beste! aan uwe zij
Zal mij geen troost ontbreken:
Dit offer u en mijner waard
Zal nimmer mij berouwen
Uw trouw zal mij vergoeding doen
'k Juich in dit blij vertrouwen.

Gezangen van liefde (1794)

schrijver

Geschreven door Dora om 23:42 Reageer op dit bericht

roman

Een gedicht van Egar du Perron 1899-1940

ROMAN IN TWEE VENSTERS

1.

Mijn lief zat voor het open raam,
een zon, die langzaam viel,
omlijstte met verzachte schijn,
in een bleekgouden, tere lijn,
haar hoogvoornaam
profiel.

Toen schoof mijn lief de blinden dicht,
verveeld, een beetje boos,
maar binnen drong één scherpe straal
en op haar mooie mond, brutaal,
danste het licht
een poos.

Als eens mijn lief, verveeld en boos,
mijn liefde buitensluit,
dan sterft mijn liefde, zo gewond,
stil, als dat zonlicht, op die mond,
zonder één voos
geluid.

2.

'k Sta aan mijn venster. Het is laat.
Ik kijk neer op de stille straat.
In duisternis, waar niemand gaat.

Van nergens komt meer één geluid.
'k Sta met mijn hoofd tegen een ruit.
Wanneer gaat die lantaren uit?

Eén lichtkring op wat vunzigheid.
Die gloor is met dat goor in strijd.
Daar gaat zelfs geen verloren meid.

In mij is net zo'n stille straat.
Waar niet één lamp te branden staat.
Waar sedert lang geen mens meer gaat.


1922

Parlando (1941)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:26 Reageer op dit bericht

recensent

Een gedicht van N.J. Storm van 's Gravenzande

De Recensent

Laatst had ik eens een vent te gast;
(Hij was mij juist wel niet tot last,
Want ik had slechts mijn daaglijks eten.)
Verbaasd! wat heeft de vent gevreten,
Alsof hij in geen veertien daag 
Iets had gekregen in zijn maag.
En toen hij naauw mij had verlaten
Ging hij bij een der buren praten;
En gaf daar nu wat dapper af,
Op 't geen ik hem te schransen gaf:
De soep kon wel pikanter wezen;
't Gebak was niet genoeg gerezen;
De kippen konden blanker zijn;
De groenten gaarder, en de wijn
Met meer bouquet. De loze vent!
Wie was het toch? — Een Recensent.

Luimige poëzy (1827)

schrijver

Geschreven door Dora om 23:10 Reageer op dit bericht

burgerhuisje

Een gedicht van Lodewijk van Deyssel 1864-1952

Burgerhuisje.

Door 't burger-huis op laten middag traden
Wij de open lucht in, waar seringen-geur
Hing over de achterdeur en lente-wind
Stil witte wolken dreef door 't hemelblauw.

Een kleine stadse tuin, alzijds bemuurd
Door grauwe steen, en waar een enge ring
Groen gras en witte kiezel 't perk
Veelkleurge bloemen, 't éénge, rond omsloot.

Luwte beving ons, zon op achtermuur
Scheen goud, geluid van schelpjes aan de zee
Maakte de kiezel onder 't zachte gaan.

Seringenblaadjes streelden langs ons heen,
Rozen, violen, en purpre papaver
Bloeiden, en ginds in killen schaduwhoek
De schuchtre blanke lelietjes-van-dalen.

Zó rijk, zó schoon leefde in die lutle tuin
De volle lente, dat ik dralend toef
Voor 'k met een klánk nog de herinnering
Diepst doe herleven: blijde gekwinkel
Van klokkentoren daalde spelend neer
Langs steile muur, door luwte in 't loof, verzellend
Ons stille spreken. Toren verborgen
Achter de muren, slechts een enkle dag,
Een feestdag, deed gij meerder dan 't gewoon,
Niet meer bespeurde, daaglijks zelfde, tinklen,
En zong ge, telkens weer, de uren door...

De zoele wind en 't heldre spelen wiegden
Mijn ziel in sluimring, makend zon en bloemen,
Gras-rand en pad tot kleurig droomtafreel.

De Gids (1923)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:59 Reageer op dit bericht

mensen

Een gedicht van Willem Kloos 1859-1938

De menschen dóen, maar weten niet waaróm

De mensen dóen, maar weten niet waaróm
Zij doen, en zitte' in hun eentjes te wegen,
Hoe zij het meeste van het leven kregen,
't Leven dat langs hen gaat en ziet niet om, -

Hopen en haken of er níet wat kom,
Voelen hun hartjes van blijdschap bewegen,
Stil in hun lekkere bedjes gelegen.....
Maar áls 't wat geeft, dan houden zij zich dom:

Dan kijken ze uit een paar onschuldige oogjes,
Willen niet, maar willen wel, en zijn zo bleutjes....
't Leven zegt: ‘zo!..’ en neemt het weer weerom.

O, geef elkaar zo even maar wat droogjes
Oogjes en schuintjes en vriendelijke peutjes,
O, mensjes lief, wat zijn wij allen dom!

Verzen (LIV) (1894)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:07 Reageer op dit bericht

wintermorgen

Een gedicht van Jacqueline van der Waals 1868=1922

Wintermorgen.

Week op het wit van het wazige land,
Week door het grijs van de wolken daarachter,
schemert de schijn van de zon, die met zachte
goudglans de zomen omrandt.

Blank als de glans op het wazig verschiet,
week als de schemer van de zon door het grijze,
weifelt het licht door mijn stille gepeinzen,
schemert de vreugde door mijn lied.

schrijver

Geschreven door Dora om 17:03 Reageer op dit bericht

spinnerad

Een gedicht van Frans de Cort 1834-1878

Vivat mijn schat, mijn spinnerad!

Vivat mijn spinnerad, mijn schat!
Mijn rok en garenklos, vivat!
Dat kleed me warm en geeft mij brood,
Beveiligt mij voor leed en nood.
Ik spin en zing mijn liedekijn
Bij zomeravondschemerschijn,
Verveel me nooit, ben nimmer mat -
Vivat mijn schat, mijn spinnerad!

Twee beekjes sluiten 't plekje in,
Waar ik al zingend zit en spin;
Hunne armen slaan daarover heen
De berk en hagendoorn ineen,
Opdat er 't visje vro en vrij
En 't vogelnestje veilig zij;
De zon beglanst het loverig pad -
Vivat mijn schat, mijn spinnerad!

De tortel kirt naar eigenen aard
In 't dichtgewassen eikgeblaart,
De vlasvink zingt zijn wijsje mee
En dingt naar 't zangersprijsje mee;
De kwakkel in het klaverveld,
De zwaluw, die mijn dak omsnelt,
Dat alles maakt me vreugdezat -
Vivat mijn schat, mijn spinnerad!

Zo 'k weinig win, 'k verteer nog min,
En de armoe sluipt mijn huis nooit in.
Ik ben tevreen bij mijne stand
Meer dan de rijkste vrouw in 't land,
En gun haar geerne pronk en pracht,
Van wijd en zijd haar toegebracht -
Mijn spinnerad, dat is mijn schat!
Vivat mijn schat, mijn spinnerad!

Liederen (1868)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:48 Reageer op dit bericht

wonderstil

Een gedicht van P.N. van Eyck 1887-1954

Wonderstil

Gij zijt mij overal nabij,
In ieder ding: gij ziet naar mij,
Of ik u aanzie en herken,
En, een met u, gelukkig ben.

Wel blijf ik dikwijls blind voor u
En reis ik ver van hier en nu,
Of ergens ’t veilig eiland is
Waar ’k troost of slaap vind voor gemis.
Maar soms ben ’k onverwacht weer thuis.
Gij roept mij zachtjes. In ’t geruis
Van wind en blaren langs het raam
Hoor ik de fluistring van mijn naam,
Of in de glinstering van ’t licht
Zie ik uw wachtend aangezicht.
Als ik dan schuchter tot u kom,
Wordt het zo wonder-stil rondom,
Zo vreemd en wonder-stil in mij,
Dan is er enkel ik en gij,

Neen, gij alleen en wat gij zijt:
Mijn eind van menigvuldigheid,
Mijn oorsprong waar ik ongedeerd
In liefde toe ben weergekeerd...

Maar dan, ontwaakt tot de oude droom,
Hoor ik de wind weer in de boom,
En zie de kleine dingen aan,
Die stil en ernstig voor mij staan,
Verzonken in hun eigen rust.
Zo, van ons diep verband bewust,
Heb ik hen lief en hoor tot hen,
Met wie ’k in u gelukkig ben,
En tot die nieuwe zin gewijd
Wordt al wat is nu werklijkheid.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:00 1 reactie Reageer op dit bericht

gestrenge

Een gedicht van Jacob van Oosterwijk Bruyn

AAN EEN GESTRENGE BEOORDEELAAR

Gij wilt, mijn verzen zullen vloeien,
En noemt mijn zang een waatrig lied:
Hoe is 't nog mooglijk u te boeien!
Vloeit dan bij u het water niet?

De boertige zangster (1884)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:38 Reageer op dit bericht

gedicht

Een gedicht van Anton van Wilderode

het gedicht 

Toen ik, die avond in Santillana,
liep met de donswoorden van een gedicht
ging in een kamer een fata morgana
een luchter aan als een boom van licht.

(Er was niets van de huizen buiten
dan een donker gesloten verbond,
mijn stappen vluchtten omhoog in de ruiten
naar een raam toe dat openstond.)

Ik wist de woorden in mijn geheugen
trage bewegers zijn naar elkaar
een volzin vol in twee diepe teugen,
een versregel inééns regelrecht klaar.

(De straat liep haastig wég van mijn voeten
naar portalen vol oponthoud
waar de echo mij kwam begroeten groeten
met een hijgstem van holten en hout.)

Ik voelde de woorden mij omringen
tot een waaiende groene haag
en vanuit tastbare daagse dingen
lagen beelden in hinderlaag.

(De nacht was begonnen te dalen
uit een hemel vol zilveren gruis
waar de sterren zich vurig herhalen
in gestalten van driehoek en kruis.)

Toen zag ik de luchterboom vóór me doven
een onbereikbaar gebleven geheim, -
plotseling stonden mij zeven strofen
in het fonkellicht van het rijm.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:54 Reageer op dit bericht

ziel

Een gedicht van Marie Boddaert 1844-1914

Mijn ziel is in mij.

Mijn ziel is in mij als een kind
Dat droomt, terwijl zijn voeten bloeden,
Van vleugels verloren, die hij, de moede,
Wel eenmaal wedervindt.

Serena (1898)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:36 Reageer op dit bericht

lichten

Een gedicht van Omar Karel de Laey

Van lichten

Men heeft of liever zij, ja zij
die wilden 't fijne weten,
zij hebben - in de oude tijd -
't verstand ‘'n licht’ geheten.

Dit was oprecht geniaal en sinds
- gelief hierop te letten -
ontdekte men een meubel ook
om ‘'t licht’ ten toon te zetten.

En ‘'t licht’ och God! het blonk zo fel,
dat 't meubel allerwegen
van lieverlee de gulden glans
der fama heeft gekregen.

En des - ter Universiteit -
verwekt het min misbaren,
als men thans korte keersen vindt
op hoge kandelaren.

Dietsche Warande en Belfort, jrg 1908.

schrijver

Geschreven door Dora om 17:06 Reageer op dit bericht

jantje

Een gedicht van J.J.L. ten Kate 1819-1889

AAN JANTJE PEDANT.

Gij,die uzelv' zo wijs gelooft,
Ei, let eens op die korenschoven!
De volle halm buigt needrig 't hoofd;
De lege steekt het trots naar boven.

De nachtegaal en het lijstertje (1854)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:57 Reageer op dit bericht

seringen

Een gedicht van Willem de Merode 1887-1939

De seringen

Deze geuren zijn zo week als 't strelen
Van een hand door zijïg zachte haren.
O hun vleiïng die het bloed met zware
Slagen door de vingeren doet spelen

En dan zachtjes tempert tot bedaren.
En een vreemde droefheid glijdt met hele
Lichte aarzelingen in vervelen
Over, en een lusteloos strak staren.

O dit wreed genadeloze dringen
Van uw schone rouw, paarse seringen,
Tot ons denken, tot ons vlotte bloed,
Is gelijk een overmacht van minnen,
Die 't weerstreven der nerveuze zinnen
Sidderend zich onderwerpen doet.

Het Kostbaar Bloed (1918-1921)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:29 Reageer op dit bericht

spiegelbeeld

Een gedicht van J.P. Heije van 1809-1876

Nog een spiegelbeeld.

LXV.

Zijn onze Kindren niet het kristallijn
Waarin wij zien (en vaak met bittre pijn!)
Hoe diep in schuld Wij bij onze Ouders zijn?

schrijver

Geschreven door Dora om 22:03 Reageer op dit bericht

aloëtte

Een gedicht van Geerten Gossaert 1884-1954

Aloëtte

'Hoe koel is 't in de morgenlucht,
Hoe is het loof verfrist!
O reeds doorboort de feller zon
De blauwe morgenmist!
Geen blad verroert: maar hoog en ver
Dringt door de stilten heen,-
Als 't lichten van een late ster,-
Eén jubeltoon alléén!

Wie is hij? wie heeft hem aanschouwd?
Wie heeft het hart gekend
Dat zo, door alle heemlen, zijn
Gewiekte hartstocht ment?
Wie is hij? die te zeggen waagt
In een zó hoge zang
Zijn liefde? en wordt niet lovensmoe
De hele morgen lang?
Wie is hij? die daar roerloos staat
Hoog in de ijle lucht?
O geen aards hart, met smart besmet,
Stijgt in zó steile vlucht
Te zingen voor de troon van God...!
Wij horen 't zwijgend aan...:
En vat gij niet de zin, mijn hart?
Eéns zult ook gij verstaan!'

Experimenten (1930)


schrijver

 
 
 
 
 
 
Geschreven door Dora om 21:39 Reageer op dit bericht

trein

Een gedicht van Reinier van Genderen Stort

De trein gaat ras voorbij

De trein gaat ras voorbij met schrille kreet,
Verstoort geenszins de wijde, diepe rust,
Ik denk aan hen, die ginds in lief en leed,
De vrede dreven, al dan niet bewust.

Zie hier wellicht het allerzoetst behagen,
Dat ooit het voorrecht van een mens kan zijn,
De blijde vrede na de boze plagen,
Het welig tieren van het mijn en dijn.

Najaarsvruchten (1936)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:26 Reageer op dit bericht

goed

Een gedicht van Herman de Gorter 1864-1924

Het is juist goed

Het is juist goed
dat ik de glorie derf,
daardoor moet
ik iets goeds maken voor ik sterf.

schrijver

Geschreven door Dora om 19:38 Reageer op dit bericht

moerdijk

Een gedicht van René de Clercq 1877-1932

BENOORDEN DE MOERDIJK

Benoorden de Moerdijk
Daar kan men niet bewonderen,
Daar trapt men de dichter, daar hoont men de held.
Benoorden de Moerdijk
Daar zitten de tobbers, al welgesteld,
In tuin en kantoor zich af te zonderen,
En tellen geld.

Benoorden de Moerdijk
Daar wonen de sufste rijken,
Ze noemen zich vrij, of roemen zich vroom.
Benoorden de Moerdijk
Daar moet het fel schokken, eer uit hun droom
Wat koppen zich heffen, voorzichtig, en kijken
De kat uit de boom.

Benoorden den Moerdijk
Daar vreest men zich te branden
Aan koud water. Geestdrift is duur.
Benoorden de Moerdijk
Daar vinden de vossen de druiven te zuur
Al hunkeren zij en watertanden
Met geel gegluur.

Benoorden dn Moerdijk
Is de hemel der neutralisten,
Der vechters voor vrede, der werkers voor rust.
Benoorden de Moerdijk
Daar drinken ze Curaçao, met lust,
En schutten met dappere pacifisten
Landsgrens en kust.

Benoorden de Moerdijk
Zijn er duizend Nederlanders.
Al de anderen zijn anders
Benoorden de Moerdijk.

De Noodhoorn (1940)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:08 Reageer op dit bericht

stil

Een gedicht van Nicolaas Beets 1814-1903

Stil is de nacht.

Stil is de nacht en lieflijk blinkt de maan;
Vermoeidheid rust met zorg en vrees en smarte, -
Maar liefde waakt in 't rustloos kloppend harte,
Zij, zij-alleen kan niet ter ruste gaan!

En waar legt Gij het lieflijk hoofd ter rust?
Melieve, waar spreidt u de slaap haar bloemen?
Wat legerkoets kan zich gelukkig roemen,
Dat zij u draagt en op haar sponde sust?

Waar is u thans het dons ten deel gevallen,
Waar gij uw leên tot sluimren nedervlijt? -
O zij het zacht, gelijk gij waardig zijt,
Zacht als gij-zelv', die zachter zijt dan allen.

En slaap gerust! - geruster dan ik 't mag,
Sinds mij uw beeld geen rust vergunt te smaken,
Sinds 't mij bij nacht zo menig uur doet waken,
En dromen doet de ganse langen dag.

Dat dromen ook is dierbaar aan de geest.
In dromen slechts bestaat al 't zoet van 't leven,
Maar die zijn 't zoetst die ons de slaap kan geven,
Als 't hart gelooft, dat wakend hoopt maar vreest.

O droom gij zoet! en word niet wreed bedrogen,
Ontvlie 't geluk u nimmer met de rust! -
Droom zoet en schoon van liefde en levenslust!
En laat die droom profetisch wezen mogen!

Gedichten I (1905)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:26 Reageer op dit bericht

groete

Een gedicht van Lucas de Heere

De Inghelicke groete.

Ave Maria.

ZIJT gegroet ô Maghed Marie,
Vol van gratiën zonder getal,
De Heer is met u t'allen tije,
Gezegend zij dy boven al
Dat vrouwelijk heet, en hier beneven
Is gezegend heilig en rein
De vrucht dijns lichaams hoog verheven
Jesus Christus: dit is certein.

Psalmen Davids na d'Ebreeusche waerheit  (1565)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:07 Reageer op dit bericht

ziel

Een gedicht van Aart van der Leeuw 1876-1931

ALS ONZE ZIEL NIET ZONG

Als onze ziél niet zong,
En vreugdedansen sprong,
Zouden dan wel de vógels zingen,
De bronnen uit de rotsen springen,
En had de storm een tong?

Als onze hoop haar schat
Niet rustloos zocht, en bad,
Zou dan de boom zijn bloei en twijgen
Zó innig hemelwaarts doen stijgen,
Dat hij het blauw omvat?

Neen, als de ziel zeer diep
In duister lag en sliep,
Terwijl geen prins, getooid met bloemen,
Een wekker, die wij engel noemen,
De schone slaapster riep,

Dan zou het ritslend bruin,
De bron, verstikt in puin,
Verdord en snikkend nederzijgen,
Dan zou de wind, de vogel, zwijgen
In die verdoemde tuin.

Opvluchten (1922)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:47 Reageer op dit bericht

blij

Een gedicht van Giza Ritschl 1869-1942

Ik ben heel blij

Ik ben heel blij
Doch 'k weet niet waarom,
't Hart van mij,
Klopt bom, bom, bom.
O! alles blinkt,
En trilt en beeft,
En mijn ziele zingt,
En droomt en zweeft.
O! ik ben zo blij,
Van blijdschap dronken.
Doch wie heeft mij
Deze vreugd geschonken?
Uit welke bron,
Uit welke stroom,
Uit welke zon,
Uit welke droom?

De Beweging (1922)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:31 Reageer op dit bericht

verlangen

Een gedicht van Jacob Israël de Haan 1881-1924

Gestild verlangen

Wat ik verlang? Niet meer de wilde weelde,
De woede, die naar donkre daden drijft,
Slechts dat mijn ziel, die zoveel goed verspeelde,
Na zoveel kwaad in vroomheid vreedzaam blijft.

Wat ik verlang? Ik heb zoveel gewonnen
In overmoed, dat ik verloor in smart:
Geve mij God, gezuiverd en bezonnen
Een smekende ziel en een zingend hart.

Mijn weekwerk eindigt: milde Sabbathvrede
Voert mijn onrust tot een geruste zin.
Met genoten van mijn Volk treed ik in,

Waar bij 't stijgen van onze Sabbathbeden
Een vrome knaap juicht met huivrende stem
Als eens de Priesters van Jeruzalem.

-------------------------------------------
Het Joodsche lied. Tweeede boek (1922)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:16 Reageer op dit bericht

het wonder

Een gedicht van Johan Danser 1893-1920

HET WONDER

Alle begeerten zijn nu zoet vervloeid
Tot één trouw peinzen naar de zachter uren
Waarin uw daden zijn als bleke vuren,
Uw troost een kroon is die droef-geurend bloeit.

Mij wondt de wereld die mijn angst verfoeit,
Mij schrijnt haar luidheid die 'k niet kan verduren.
Ik zoek haar niet: ik wil alleen de pure
En zoele droom van u die niet vermoeit.

Dat waarde droeg weleer is lang vervlogen,
Geen boos en goed weet meer mijn mededogen
En haat verbleekte stil, een oude prent.

Zo heeft mijn vrezen zich tot u gewend,
Naar 't vreemd begrijpen dier aandachtige ogen,
't Spreken dier stem die enkel liefde kent.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:07 Reageer op dit bericht

botten

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899

Slapende  botten

Ten halve afgewrocht,
ontvangen, niet geboren;
     gevonden algeheel,
noch algeheel verloren,
     zoo ligt er menig rijm
onvast in mij, en beidt
     de aangename tijd
van volle uitspreekbaarheid.

     Zo slaapt de botte in ‘t hout,
verdonkerd en verdoken;
     geen blomme en is er ooit,
geen blad eruit gebroken;
     maar blad en blomme en al
het ligt erin, en beidt
     de dag, de dageraad...
de barensveerdigheid.

schrijver

Geschreven door Dora om 23:00 Reageer op dit bericht

Een gedicht van E. Laurillard 1830-1809

EEN OVERBLUFTE BLUFFER.

Jan prees altijd zichzelv', en, wat een ander kon,
Jan zei steeds onbedekt, dat hij 't nog verre won.
Maar Piet zei: ,,Hoor, o , grote Jan!
Ik weet slechts éne zaak te noemen,
Die jij kunt, maar geen ander kan:
Jou roemen."

Graan en groen (1894)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:33 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten