ziel

Mijn ziel is in mij.
Mijn ziel is in mij als een kind
Dat droomt, terwijl zijn voeten bloeden,
Van vleugels verloren, die hij, de moede,
Wel eenmaal wedervindt.
Serena (1898)

ziel
Mijn ziel is in mij als een kind
Dat droomt, terwijl zijn voeten bloeden,
Van vleugels verloren, die hij, de moede,
Wel eenmaal wedervindt.
Serena (1898)

lichten
Een gedicht van Omar Karel de Laey
Men heeft of liever zij, ja zij
die wilden 't fijne weten,
zij hebben - in de oude tijd -
't verstand ‘'n licht’ geheten.
Dit was oprecht geniaal en sinds
- gelief hierop te letten -
ontdekte men een meubel ook
om ‘'t licht’ ten toon te zetten.
En ‘'t licht’ och God! het blonk zo fel,
dat 't meubel allerwegen
van lieverlee de gulden glans
der fama heeft gekregen.
En des - ter Universiteit -
verwekt het min misbaren,
als men thans korte keersen vindt
op hoge kandelaren.
Dietsche Warande en Belfort, jrg 1908.

jantje
Gij,die uzelv' zo wijs gelooft,
Ei, let eens op die korenschoven!
De volle halm buigt needrig 't hoofd;
De lege steekt het trots naar boven.
De nachtegaal en het lijstertje (1854)

seringen
Deze geuren zijn zo week als 't strelen
Van een hand door zijïg zachte haren.
O hun vleiïng die het bloed met zware
Slagen door de vingeren doet spelen
En dan zachtjes tempert tot bedaren.
En een vreemde droefheid glijdt met hele
Lichte aarzelingen in vervelen
Over, en een lusteloos strak staren.
O dit wreed genadeloze dringen
Van uw schone rouw, paarse seringen,
Tot ons denken, tot ons vlotte bloed,
Is gelijk een overmacht van minnen,
Die 't weerstreven der nerveuze zinnen
Sidderend zich onderwerpen doet.
Het Kostbaar Bloed (1918-1921)

spiegelbeeld
LXV.
Zijn onze Kindren niet het kristallijn
Waarin wij zien (en vaak met bittre pijn!)
Hoe diep in schuld Wij bij onze Ouders zijn?

aloëtte
'Hoe koel is 't in de morgenlucht,
Hoe is het loof verfrist!
O reeds doorboort de feller zon
De blauwe morgenmist!
Geen blad verroert: maar hoog en ver
Dringt door de stilten heen,-
Als 't lichten van een late ster,-
Eén jubeltoon alléén!
Wie is hij? wie heeft hem aanschouwd?
Wie heeft het hart gekend
Dat zo, door alle heemlen, zijn
Gewiekte hartstocht ment?
Wie is hij? die te zeggen waagt
In een zó hoge zang
Zijn liefde? en wordt niet lovensmoe
De hele morgen lang?
Wie is hij? die daar roerloos staat
Hoog in de ijle lucht?
O geen aards hart, met smart besmet,
Stijgt in zó steile vlucht
Te zingen voor de troon van God...!
Wij horen 't zwijgend aan...:
En vat gij niet de zin, mijn hart?
Eéns zult ook gij verstaan!'
Experimenten (1930)

trein
De trein gaat ras voorbij met schrille kreet,
Verstoort geenszins de wijde, diepe rust,
Ik denk aan hen, die ginds in lief en leed,
De vrede dreven, al dan niet bewust.
Zie hier wellicht het allerzoetst behagen,
Dat ooit het voorrecht van een mens kan zijn,
De blijde vrede na de boze plagen,
Het welig tieren van het mijn en dijn.
Najaarsvruchten (1936)

goed
Een gedicht van Herman de Gorter 1864-1924
Het is juist goed
dat ik de glorie derf,
daardoor moet
ik iets goeds maken voor ik sterf.

moerdijk
Benoorden de Moerdijk
Daar kan men niet bewonderen,
Daar trapt men de dichter, daar hoont men de held.
Benoorden de Moerdijk
Daar zitten de tobbers, al welgesteld,
In tuin en kantoor zich af te zonderen,
En tellen geld.
Benoorden de Moerdijk
Daar wonen de sufste rijken,
Ze noemen zich vrij, of roemen zich vroom.
Benoorden de Moerdijk
Daar moet het fel schokken, eer uit hun droom
Wat koppen zich heffen, voorzichtig, en kijken
De kat uit de boom.
Benoorden den Moerdijk
Daar vreest men zich te branden
Aan koud water. Geestdrift is duur.
Benoorden de Moerdijk
Daar vinden de vossen de druiven te zuur
Al hunkeren zij en watertanden
Met geel gegluur.
Benoorden dn Moerdijk
Is de hemel der neutralisten,
Der vechters voor vrede, der werkers voor rust.
Benoorden de Moerdijk
Daar drinken ze Curaçao, met lust,
En schutten met dappere pacifisten
Landsgrens en kust.
Benoorden de Moerdijk
Zijn er duizend Nederlanders.
Al de anderen zijn anders
Benoorden de Moerdijk.
De Noodhoorn (1940)

stil
Stil is de nacht en lieflijk blinkt de maan;
Vermoeidheid rust met zorg en vrees en smarte, -
Maar liefde waakt in 't rustloos kloppend harte,
Zij, zij-alleen kan niet ter ruste gaan!
En waar legt Gij het lieflijk hoofd ter rust?
Melieve, waar spreidt u de slaap haar bloemen?
Wat legerkoets kan zich gelukkig roemen,
Dat zij u draagt en op haar sponde sust?
Waar is u thans het dons ten deel gevallen,
Waar gij uw leên tot sluimren nedervlijt? -
O zij het zacht, gelijk gij waardig zijt,
Zacht als gij-zelv', die zachter zijt dan allen.
En slaap gerust! - geruster dan ik 't mag,
Sinds mij uw beeld geen rust vergunt te smaken,
Sinds 't mij bij nacht zo menig uur doet waken,
En dromen doet de ganse langen dag.
Dat dromen ook is dierbaar aan de geest.
In dromen slechts bestaat al 't zoet van 't leven,
Maar die zijn 't zoetst die ons de slaap kan geven,
Als 't hart gelooft, dat wakend hoopt maar vreest.
O droom gij zoet! en word niet wreed bedrogen,
Ontvlie 't geluk u nimmer met de rust! -
Droom zoet en schoon van liefde en levenslust!
En laat die droom profetisch wezen mogen!
Gedichten I (1905)

groete
Een gedicht van Lucas de Heere
Ave Maria.
ZIJT gegroet ô Maghed Marie,
Vol van gratiën zonder getal,
De Heer is met u t'allen tije,
Gezegend zij dy boven al
Dat vrouwelijk heet, en hier beneven
Is gezegend heilig en rein
De vrucht dijns lichaams hoog verheven
Jesus Christus: dit is certein.
Psalmen Davids na d'Ebreeusche waerheit (1565)

ziel
Als onze ziél niet zong,
En vreugdedansen sprong,
Zouden dan wel de vógels zingen,
De bronnen uit de rotsen springen,
En had de storm een tong?
Als onze hoop haar schat
Niet rustloos zocht, en bad,
Zou dan de boom zijn bloei en twijgen
Zó innig hemelwaarts doen stijgen,
Dat hij het blauw omvat?
Neen, als de ziel zeer diep
In duister lag en sliep,
Terwijl geen prins, getooid met bloemen,
Een wekker, die wij engel noemen,
De schone slaapster riep,
Dan zou het ritslend bruin,
De bron, verstikt in puin,
Verdord en snikkend nederzijgen,
Dan zou de wind, de vogel, zwijgen
In die verdoemde tuin.
Opvluchten (1922)

blij
Ik ben heel blij
Doch 'k weet niet waarom,
't Hart van mij,
Klopt bom, bom, bom.
O! alles blinkt,
En trilt en beeft,
En mijn ziele zingt,
En droomt en zweeft.
O! ik ben zo blij,
Van blijdschap dronken.
Doch wie heeft mij
Deze vreugd geschonken?
Uit welke bron,
Uit welke stroom,
Uit welke zon,
Uit welke droom?
De Beweging (1922)

verlangen
Wat ik verlang? Niet meer de wilde weelde,
De woede, die naar donkre daden drijft,
Slechts dat mijn ziel, die zoveel goed verspeelde,
Na zoveel kwaad in vroomheid vreedzaam blijft.
Wat ik verlang? Ik heb zoveel gewonnen
In overmoed, dat ik verloor in smart:
Geve mij God, gezuiverd en bezonnen
Een smekende ziel en een zingend hart.
Mijn weekwerk eindigt: milde Sabbathvrede
Voert mijn onrust tot een geruste zin.
Met genoten van mijn Volk treed ik in,
Waar bij 't stijgen van onze Sabbathbeden
Een vrome knaap juicht met huivrende stem
Als eens de Priesters van Jeruzalem.
-------------------------------------------
Het Joodsche lied. Tweeede boek (1922)

het wonder
Alle begeerten zijn nu zoet vervloeid
Tot één trouw peinzen naar de zachter uren
Waarin uw daden zijn als bleke vuren,
Uw troost een kroon is die droef-geurend bloeit.
Mij wondt de wereld die mijn angst verfoeit,
Mij schrijnt haar luidheid die 'k niet kan verduren.
Ik zoek haar niet: ik wil alleen de pure
En zoele droom van u die niet vermoeit.
Dat waarde droeg weleer is lang vervlogen,
Geen boos en goed weet meer mijn mededogen
En haat verbleekte stil, een oude prent.
Zo heeft mijn vrezen zich tot u gewend,
Naar 't vreemd begrijpen dier aandachtige ogen,
't Spreken dier stem die enkel liefde kent.

botten
Ten halve afgewrocht,
ontvangen, niet geboren;
gevonden algeheel,
noch algeheel verloren,
zoo ligt er menig rijm
onvast in mij, en beidt
de aangename tijd
van volle uitspreekbaarheid.
Zo slaapt de botte in ‘t hout,
verdonkerd en verdoken;
geen blomme en is er ooit,
geen blad eruit gebroken;
maar blad en blomme en al
het ligt erin, en beidt
de dag, de dageraad...
de barensveerdigheid.



Jan prees altijd zichzelv', en, wat een ander kon,
Jan zei steeds onbedekt, dat hij 't nog verre won.
Maar Piet zei: ,,Hoor, o , grote Jan!
Ik weet slechts éne zaak te noemen,
Die jij kunt, maar geen ander kan:
Jou roemen."
Graan en groen (1894)

vlag
Hollands vlag, je bent mijn glorie,
Hollands vlag, je bent mijn lust,
'k Roep van louter vreugd victorie,
Als ik je zie aan vreemde kust,
'k Roep van louter vreugd victorie,
Als ik je zie aan vreemde kust;
Op de zee en aan de wal,
Hollands vlag gaat bovenal,
Op de zee en aan de wal,
Hollands vlag gaat bovenal.
Zijn er reiner, blijder kleuren,
Of je vaart in Noord of Zuid?
Heel de lucht schijnt op te fleuren,
Strijkt ze er op haar frisheid uit,
Heel de lucht schijnt op te fleuren,
Strijkt ze-er op haar frisheid uit,
En je Hollands hart wordt wee,
Wappert met haar dundoek mee,
En je Hollands hart wordt wee,
Wappert met haar dundoek mee.
Als je haar in vreemde baaien,
Mijlen ver van 't eigen strand,
Zwierig van de mast ziet waaien,
Als een groet van 't Vaderland,
Zwierig van de mast ziet waaien,
Als een groet van 't Vaderland,
Voel je een vreemd verheugenis,
Voel je eerst recht, hoe mooi zij is,
Voel je een vreemd verheugenis,
Voel je eerst recht, hoe mooi zij is.

overdenking
Gij zijt zo lief, gij hebt zoveel gegeven
Aan rijke warmte en loutere innigheid:
Mijn leed hebt gij met broze troost omweven,
Mijn luide angst een bed van rust bereid.
Mij, eenzame, hebt gij uw eenzaam leven,
De teerheid uwer kranke ziel gewijd:
Gij draaldet niet, gij wilder pijnlijk sneven
Om één kort uur van stille tweezaamheid.
O kind, hoe zacht zijn nu de grijze dagen,
Hoe zoet van vrede en rijpe droom vervuld,
Hoe licht is 't nu verlangens last te dragen,
Nu steeds het zeker weten ons omhult
Dat ge eens, als antwoord op mijn huivrend vragen,
Naast mij 't nabij geluk beschreien zult.
Gedichten (1922)

hart
Als gij met uw zingend hart, ziet naar
De mensen, naar de Zonnen, naar de Aarde,
Naar verschijnselen in het heelal,
Kunt gij alle werelden en mensen
Met uw zingend hart veranderen,
En de zonne maken tot de Aarde,
En de mensheid maken tot een Zon.
Nieuwe liederen der gemeenschap (1920)
