Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

Berichten van 1 augustus 2013 tot 31 augustus 2013

psalm 61

Een gedicht van Marnix van Sint Aldegonde 1540-1598

Psalm 61

Wil mij, Heer, gehoor verlenen,
In mijn wenen,
Merk op mijn gebed met vlijt:
Want ik na Dij in mijn smerten,
Bang van herten,
Van des eerdrijks einde krijt.

Wil mij op een rotse leiden,
Daar 't arbeiden
Mijner kracht niet toe en baat.
Want Du bist mijn hulp verkoren,
Ende toren,
Hoog en sterk, voor die mij haat.

Heer, ik zal in rust en vrede,
Mijn woonstede,
Houden in Dijn hut altoos.
Ende mijne toevlucht nemen
Tot der schermen
Dijner vleugels, schadeloos.

Want Du hebst toch mijne reden
En gebeden,
O God, gunstig aangehoord,
En dergenen erf gegeven,
Die daar leven,
In Dijn vreze, naar Dijn woord.

Dijnen koning zalstu sparen
Jaar op jaren,
En verlengen breed en wijd
Van geslachten tot geslachten,
- Mits Dijn krachten -
Ja, ook eeuw'glijk, zijne tijd.

Hij zal in zijn rijk beklijven,
En vast blijven
Voor den Here, menig jaar;
Heer, bereid trouw en genade
Die van schade
En van ong'luk hem bewaar.

Ik zal met gezang bekwamen
Dijne name
Zeggen lof en eeuw'ge dank,
Ende dagelijks zonder dralen
Dij betalen
Mijn geloften, vrij en frank.

schrijver

Geschreven door Dora om 19:46 Reageer op dit bericht

lijsttrekker

Een gedachte weergegeven over het verkiezen van een vrouwelijke
lijstrekker

Vrouw

 

Er is een vrouw gekozen

De mannen waren aan het verpozen

Maar ze wilden liever niet

dat vrouwen werden gekozen

Maar heb je je nakomelingen niet goed opgevoed

Dan laten de mannen het afweten

Ze willen dat enge gedoe het liefst vergeten

Ze gaan het liefst de wereld in

En zo verliezen die mannen hun gewin

Omdat ze op de strepen stonden

Zijn dit geen grote wonden

Hoewel vrouwen niet minder zijn

Soms zien ze alles wat beter

Mannen raken door zichzelf verblind

Misschien is er nu een vrouw die verbind!

Geschreven door Dora om 21:27 Reageer op dit bericht

duister

Een gedicht van Louis Couperus 1863-1923

Kom mede in het duister, mijn kind!

Kom mede in het duister, mijn kind!
Kom mede in het duister, want de avond is schoon!
Als verstomd zijn de vooglen; geen enkelen toon
Zingt er de zangrige wind.

Kom mede in het duister, mijn lief!
Kom mede in het duister, waar niemand ons ziet;
Niet eene enkele bloem ons nieuwsgierig bespiedt,
Waar ze op heur stengel zich hief.

Kom mede in het duister, mijn hart!
Kom mede in het duister: ik smacht naar uw mond;
Naar den blik uwer oogen; naar 't haar, dat zoo blond
Zich rond uw wangen verwart.

Kom mede in het duister, mijn schat!
Kom mede in het duister: 't al leeft met ons meê;
Al de rozekens storten in heur beê,
Zwijmlend, van kussen reeds mat...

Zoo schoon is de nacht, en zoo stille is de wind...
Kom dy mede in het duister, o mijn lief, o, mijn kind!

Nachtbloesems (9e gedicht)

schrijver

Geschreven door Dora om 14:55 Reageer op dit bericht

bloem

Een gedicht van J.P. Heije 1809-1876

De schoonste bloem

Hoe schitteren duizend bloemen
in heid' en veld en woud
hier bloeiend aan de glooiing
daar slingrend om het hout.

Maar niet alleen daar buiten
bloeit menig bloemelijn:
de lieflijkst aller bloemen
bloeit in ons huisje klein.

Die bloeme heet de liefde
van moeder tot haar kind.
Een bloem die ieder onzer
thuis altijd bloeiend vindt.

Een bloem, die, hoe de stormen
ook buldren in de hof
haar blaadjes nooit laat vallen
of neerstrooit in 't stof.

Een bloem die voor geen winter,
voor vorst, noch hagel vreest,
maar fleurt in onze woning
als op een lentefeest.

De leliën en rozen
zijn wel der hoven roem,
maar kindren, Moeders liefde
dat is de schoonste bloem.

schrijver

Geschreven door Dora om 17:41 Reageer op dit bericht

krachtig

Een dichterlijke gedacht van mezelf

Krachtig

 

Wanneer je jong en krachtig bent

Sta je niet in je hemd

Maar sta je vast in je schoenen

De jeugd geeft je verfrissing

En er is weinig missing

Je kan en doet aan alles mee

Je praat je lacht

Je denkt niet aan macht

Je voelt je nog zo verbonden

Met alles om je heen!

En gaan de jaren tellen

Dan kan de leeftijd gaan kwellen

Omdat het allemaal niet meer zo gaat

En een mens soms met veel droefenis

Door de ouderdom gaat

Ja, wat is oud?

De duvel is oud

Dat werd vroeger gezegd

Maar soms denk ik!

De duvel blijft jong

En die gaat gewoon z’n gang!

En doet met velen wat hij wil

En pakt ze in voor iedere gril!

Jong geleerd is oud gedaan

Maar heb je je leven met de duvel verdaan

Dan wordt een mens soms ineens zo oud

Daarvan krijgen ze het wel benauwd

Want geen mens wil echt oud zijn!

Maar helaas het is wel een levensrefrein

Jong geleerd is oud gedaan

Zo moet een mens leren met het goede

In de ouderdom verder te gaan!


Rozen plaatjes

Geschreven door Dora om 19:40 Reageer op dit bericht

klacht

Een gedicht van Jacobus Bellamy 1757-1786

KLACHT

Nu moet ik nog in 't eenzaam dwalen!...
ô Noodlot! al te wreed!
Ik kan, gedrukt door zo veel leed,
Maar nauwlijks adem halen!
Mijn vriend zit aan de zij
Van zijne Elize stil en vrij,
En kust en streelt haar zonder vrezen;
En ik mag naauw mijn Fillis zien!
Haar slechts ter sluik een kusje biên!
Kan dit mijn smart genezen?
Ben ik dus niet met recht verstoord?
Heb ik geen reden om te klagen?
De min heeft slechts mijn beê verhoord,
Om mij nog meer te plagen!

Gezangen mijner jeugd (1782)

schrijver

 

Geschreven door Dora om 21:15 Reageer op dit bericht

tijde

Een gedicht van Hadewijch 1225-1275

Men moet in allen tide

          Men moet in allen tide
     Der minnen wesen blide
     Ende hare volghen in elke side,
In allen weghen daer si gheleidt;
     Men moet hare leven blide
Ende den rouwe dan also na ghereidt.


(Men moet ten allen tijde
blij zijn om de liefde
en haar overal volgen,
langs alle wegen waarop ze voorgaat;
men moet om haar blij zijn
en dan even bereid te lijden.)

Strofische gedichten (13de eeuw) fragment

schrijver

Geschreven door Dora om 20:48 Reageer op dit bericht

lied

Een gedicht van Hendrik Muller 1855-1927

Lied

Ontneem mij alles, wat gij wilt,
Ontneem mij geld en goed,
Ontneem mij steun en hulp en trouw,
Ontneem mij vreugde, ontneem mij hoop,
Ontneem mij zang en lied:
Ontneem mij alles, wat gij wilt,
Maar slechts de liefde niet.

De liefde is leven op deez aard,
De liefde is kracht en moed,
De liefde is hoop en vreugde waard,
De liefde is geld en goed.
De liefde is steun en hulp en trouw,
De liefde is zang en lied:
Ontneem mij alles, wat gij wilt,
Maar slechts de liefde niet.

Ontneem mij 's levens minste goed,
En 's levens kortste rust,
De laatste straal van levensmoed
En vonk van levenslust.
Ontneem mij de allerkleinste hoop
En 't allerlaatste lied:
Neem alles, wat ik heb op aard,
Maar slechts de liefde niet.

'Gedichten' [1878]

schrijver

Geschreven door Dora om 13:52 Reageer op dit bericht

liedeken

Een gedicht van Gerbrand Bredero 1585-1618

Liedeken

's Nachts rusten meest de dieren,
Ook mensen goed en kwaad,
En mijn Lief goedertieren
Is in een stille staat:
Maar ik moet eenzaam zwieren,
En kruisen hier de straat.

Ik zie het zwierig drijven,
Ik zie de klare* maan,
Ik zie dat ik moet blijven
Alleen mistroostig staan.
Ach lief, wil mij gerieven*
Met troostelijk vermaan*.

Ach Lelie hoog verheven,
Verheven in mijn zin,
Mijn hope van mijn leven,
Gewenste, schoon Vriendin,
Wil mij, u jonstich, geven
Een lieve wedermin.

Met hoop en vrees bevangen
Met een gestage strijd
Van zorgen en verlangen
Verwacht ik nu ter tijd
Van u mijn troost t'ontvangen:
't Woord, daar men lang om vrijt.

Mijn vruchteloos verwachten
Mijn kommer niet en blust,
Zult gij mij heel verachten
Och voedster van mijn lust!
Maar ziet - ik onbedachte
Klaag nu, zij leit en rust.

Och slaapt gij, mijn behagen,
Terwijl ik doe mijn klacht?
Wat baat mij dan mijn klagen
Nu gij de dove slacht*?
Ik sal 't geduldig dragen,
Ick wens u goede nacht.

Adieu, Prinsesje jeughelijk,
Mijn vrouw van mijn gemoed:
Adieu en droom geneugelijk,
En slaap gerust en zoet:
Ach 't is mij zo onmeugelijk
Te rusten als gij doet!

--------------------------------------
helder
tegemoet komen
troostende woorden
op een dove lijkt

Groot Lied-boek

schrijver

Geschreven door Dora om 15:42 Reageer op dit bericht

lijk

Een gedicht van Cornelis Honigh 1846-1896

Bij 't eerste lijk

'Mijn lieve kinders, schrik toch niet,
Wanneer gij dode menschen ziet -'
Dit leerde ik reeds als jongen.
Maar leerde ik 't ook, 't werd niet doordacht,
Helaas, helaas, hoe onverwacht,
Werd ik daarvan doordrongen!

'k Had nooit nog bij een lijk gestaan,
Al had ik menig gang gedaan
Om bloedverwant en vrinden
Te brengen waar een rustplaats is,
Die ik nog in mijn droefenis,
Benijdb'ren! niet mocht vinden.

Daar knielde ik op een dag in maart,
Wiens storm woedde in mijn levensgaard,
'k Bevoelde, ik streelde een koontje;
Een schok doorvoer me, aan niets gelijk,
Ik voelde voor het eerst een lijk,
Dat lijk was van mijn zoontje!

Geen zomer; nieuwe gedichten (1880)
schrijver

Geschreven door Dora om 11:42 Reageer op dit bericht

vaderland

Een gedicht van Jan Frederik Helmers 1767-1813

AAN MIJN VADERLAND

Het misdrijf doet Europa beven;
’t Verraad, alom ten troon verheven,
Voert de oorlogsdonders brullende aan;
Doet duizend duizendtallen sneven,
En hof en stad in vlammen staan;
De huisman moet zijn erf begeven,
En op uitheemse grond schier van gebrek vergaan;
De krijgsknecht wordt in ’t woên gesteven;
De landman, vloekend voortgedreven,
Wordt lachende beroofd van ’t leven,
Of ziet zijn gade en kroost in ijzren ketens slaan.
o Vaderland, dat, lang voor deze,
De roem der volken placht te wezen!

Ach! Is uw oude roem voorbij?
Gij, schier tilt niets ten top gerezen,
Ontworsteld aan de dwinglandij,
Deed u door gans Europa vrezen;
Gij waart alom geducht, ontzaglijk, groot en vrij;
Uw naam, in oost en west geprezen,
Uw vlag, met blijdschap opgehezen,
Deed volk bij volk uw grootheid lezen,
Uw eeuwge afkeer van geweld en slavernij.

Maar nu, in ’t stof ter neergebogen,
Beween ik uw verdelgd vermogen,
Mijn eertijds roemrijk vaderland!

Zo treurt een moeder, diep bewogen,
Bij ’t sterfbed van haar huwlijkspand;
Zij schreit, en smeekt om mededogen,
En klaagt vergeefs haar wee de wouden en het strand;
Zij dat de blos der jeugd vervlogen,
’t Gelaat met loodverf overtogen;
Een mist dolt eeuwig nu die ogen,
Die straalden in haar hart; zij zwijmt, door rouw vermand.

Zo treur ik in dees droeve dagen,
Terwijl een Ilias* van plagen
Ons dreigt met een gewissen val;
Het stoutste hart moet zelfs versagen
Voor Mavors* dondrend krijgsgeschal;
Het heden doet elk kermend klagen;
De toekomst spelt ons niets dan rampen zonder tal;
De hoop zelfs vlucht, door rouw verslagen:
Zo vlucht, als buldrende onweervlagen
Langs Ceres* veld verwoesting jagen,
De Landman schreiend weg van ’t eertijds vruchtbaar dal.

Mocht, uit dees nacht van tegenspoeden,
Die ’t hart des Bataviers doen bloeden,
Nog eens een blijde dag ontstaan!
Mocht, op de zee en op de vloeden,
De vlag van Neêrland nooit vergaan!
o ’k Wil die hoop blijmoedig voeden;
’k Grijp in deez’ draaikolk noch deez’ laatste rietstaf aan.

Gij, die alleen dit volk kunt hoeden,
o Eeuwge bron van alle goeden!
Die thans de staatsorkaan laat woeden,
Maar die ook stillen kunt, treed toe, of ’t is gedaan.

Maar is ’t uw wil, Oneindig Vader,
Wiens troon ik vol aanbidding nader!
Dat Neêrlands volk verga van de aard’,
Daar ’t, in zijn’ plicht hoe langs hoe kwader,
Zich zelf zijne eigen rampen baart;
o Aller dingen bron en ader!

Laat mij die dag niet zien, tot zo veel wee gespaard!
Eer haat ons staatsbestel ontrader’,
En Neêrlands tuin geheel ontblader’,
Dat mijn geslacht mijne as vergader’:
Zij blijve in ’t grafgewelf voor de eeuwigheid bewaard!

Toch is me, o God! eens ’t heil beschoren,
Dat door mijn zerk de stem zal boren,
Gespeld in uw onfeilbaar woord;
Heb ik hier gade of kroost verloren,
Door hen worde ook die stem gehoord;
’k Snel dan met hen en de englenkoren
De schepping juichend rond, door ’t stof niet meer gestoord.

Dus werp de Landman uit zijn horen,
Wanneer de zaaitijd keert, het koren
Verheugd in de omgeploegde voren,
En ’t zaad brengt weer voor d’ oogst verjongde halmen voort.

-----------------------------------------------------
Ilias - [Boek van Homerus met een] overvloed [aan oorlogsellende]
Mavors - [God van de] oorlog
Ceres - [God van de] landbouw

schrijver

Geschreven door Dora om 16:53 Reageer op dit bericht

strand

Een gedicht van Marie Boddaert  1844-1914

Avond aan ‘t strand

Nu is ’t of alles rusten wil,
De hemel wijd en de duinen stil,
En ’t dorpje in ‘t duin gezeten,
Wat nestjes bruin, ‘t kerkje in hun schoot,
En wat venstertjes blozend nog van rood,
Door zonne in ‘t west vergeten.

En naast de duinen de grote zee,
Zo droomrig loom of zij zachtjes mee
Wil slapen en niet meer zingen;
Haar scheepjes, gevlijd op hun schaduw, dicht
Aan ‘t strand, veel bruine rankheid in ‘t licht,
Dat laatst uit de kim komt dringen.

Door het domm’len en dromen gaat
Een even herleven: kindergepraat,
Hoog - en dan weg, een geklater
Van rijke blijheid, die nog eens laat
Klinken goudklankjes door ‘t avondlaat...
Als een lach door de scheemring gaat er.

Stil en stiller, lomer, loom...
Duinen vaag in het dauwgedoom,
Dorpje met lichte blode;
Kloppende klompjes dof in de straat...
- Over heel het natuurgelaat
Rust: de dag is gevloden.

Geschreven door Dora om 11:56 Reageer op dit bericht

geveinsdheid

Een gedicht van Hermanus Asschenberg(h) 1726-1792

Geveinsdheid

Geveinsdheid, die we, in 't needrig kleed,
Het hoofd, gelijk een bies*, zien krommen!
Schoon gij, kranswijs*, op doornen treedt,
Gij kunt u niet voor God vermommen.
Leg af, schijnheilige! uw gewaad: smeek om gena,
Eer u Gods bliksem treffe, eer u zijn wraak versla!

-----------------------------------------------------
bies - steel van plant voor vlechtwerk,
op een kledingstuk genaaid randje stof
kranswijs - als een krans

Geschreven door Dora om 21:47 Reageer op dit bericht

hamer

Een gedicht van Constantijn Huygens 1596-1687

Hamer

Een kort woord, snel en fel gesproken, heeft meer kracht
Dan een lang, zwaar bericht dat slaaprig uitgezeid wordt:
Een kleine hamer, snel gedreven, heeft meer macht
Dan een zwaar ijzer dat maar op de bout geleid wordt.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:15 Reageer op dit bericht

niet

Een gedicht van Jacob Cats 1577-1660

NIET ZONDER VRAGEN.

Gij wenst een echte Wijf, gij wenst te mogen trouwen,
Gij wenst (gelijk het schijnt) uw huis te mogen bouwen,
Gij wenst en anders niet. Maar lieve, zeg een reis,
Wie trouwt’er in de droom of in een dom gepeis?
Het vrijen eist verzoek. Geen Echo zal der kwelen
Dan als haar iemand vergt, en dat met luider kelen;
Wel, tijd dan aan het werk; want ziet! een rechte Maagd
En komt niet ongenood, en geeft niet ongevraagd.

Sinne- en minnebeelden (1618)

schrijver

Geschreven door Dora om 14:44 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten