hamer

Hamer
Een kort woord, snel en fel gesproken, heeft meer kracht
Dan een lang, zwaar bericht dat slaaprig uitgezeid wordt:
Een kleine hamer, snel gedreven, heeft meer macht
Dan een zwaar ijzer dat maar op de bout geleid wordt.

hamer
Een kort woord, snel en fel gesproken, heeft meer kracht
Dan een lang, zwaar bericht dat slaaprig uitgezeid wordt:
Een kleine hamer, snel gedreven, heeft meer macht
Dan een zwaar ijzer dat maar op de bout geleid wordt.

niet
Gij wenst een echte Wijf, gij wenst te mogen trouwen,
Gij wenst (gelijk het schijnt) uw huis te mogen bouwen,
Gij wenst en anders niet. Maar lieve, zeg een reis,
Wie trouwt’er in de droom of in een dom gepeis?
Het vrijen eist verzoek. Geen Echo zal der kwelen
Dan als haar iemand vergt, en dat met luider kelen;
Wel, tijd dan aan het werk; want ziet! een rechte Maagd
En komt niet ongenood, en geeft niet ongevraagd.
Sinne- en minnebeelden (1618)

berk
Die blank en slank van stam en fijn van blâren
door ieder windje uw zekerheid voelt mindren,
gij zijt de teerste van de grote kindren,
die duistere aarde aan 't lokkend licht kon baren.
Maar lenig zijt gij en de zware stormen,
die trotser bomen kracht te machtig vond,
gij draagt ze buigend en op schraalste grond
kan uw bescheidenheid haar voedsel vormen.
Als daagse wind en warmte zijn gevlucht
en alles wat uw lichte schoon moet vrezen,
dan tekent gij uw liefelijke wezen
in stille heerlijkheid op de avondlucht.

hitte
Hitte is het tegenovergestelde van koude
Eerst bleef het lang koud
Maar nu is het regelmatig flink benauwd
We gaan van het ene uiterste naar het andere
Het is soms geen weer om te fietsen of te wandelen
De regen brengt ook geen uitkomst
Want het vocht met later de zon
Is een extra benauwde bron
Zo is er over het weer altijd wel iets te melden
Ja, soms kan hitte ook kwellen
Vooral in de zwoele nachten
Dan lig je weer op de morgenstond te wachten
Zo krijgt een mens flink slaap gebrek
Ja, soms is het allemaal niet fijn
Maar weer op maat zal er
nooit zijn!
ernst
Wanneer mijn voorhoofd rimpels krijgt,
Mijn brede wenkbrauw nederdaalt,
Mijn oog niet blinkt, maar duister straalt,
En uitspreekt wat mijn mond verzwijgt,
Een traan mij langs de wangen schiet,
Mijn schedel nederbukt naar de aard,
Bezorgde vrienden, vrees dan niet
Dat wanhoop mij door 't harte vaart,
Of dat 't zich toegeeft aan verdriet!
Het zijn mijn zaligste uren dan:
O, de Ernst, die dan mijn ziel beheerst,
Als 'k onweerhouden mijmren kan,
Bekoort mijn stiller hart het zeerst.

babyboyEen gedachte in gedichtvorm voor het nieuwe prinsje
Baby
Kate baarde haar kindje
En haar zoon is een prinsje
Kinderen krijgen is heel gewoon
Maar dit kind is voorbestemd voor de troon
Daarom kijkt de hele wereld met ze mee
Maar zij had ook dezelfde barenswee
Net als ieder ander
Maar nu het kind er is
Kan ze met hem aan de wandel
Dat ze samen vader, moeder en kind
Een gelukkiger leven ontvangen als
wat er hiervoor allemaal is geschied
Het is nu allemaal verleden
En het doet het nieuwe geluk geen verdriet!
Alles gaat voorbij
De tijd heeft wel veel gebaard
Misschien is dit paar fijner besnaard!
Dat is voor een pril gezin heel wat waard!
verjaargedichten
Het zonnelicht verrijst zo vrolijk als uw wezen.
Als lachte 't u op uw verjaardag toe,
Begaafde maagd, zo zacht van aard, zo uitgelezen,
Wier liefelijk gezicht ik nimmer moe
Lang wens te zien verrukt en opgetogen.
En mij nog lang te spieglen in uw ogen.
1675
VERJAERGEDICHTEN.

de ellendigen
ZIJ zijn de zwervers met de doem geboren
Van eenzaamheid en eindloos-schrijnend leed:
Hun wereld heeft haar diepste schoon verloren
Sedert hun droefheid alles ledig weet.
Geen helle droom, geen vreugd kan hun behoren,
Liefde is hun nooit een zacht-verwarmend kleed:
Zij pogen slechts het stil verdriet te smoren
Dat rustloos aan hun zieke leven vreet.
Soms heffen zij hun onverzaadbaar smachten
Naar een wiens lach hun twijfel overwon
Maar horen nooit het antwoord op hun klachten
En dwalen weer en zoeken vredes bron,
Ellendig in de duisternis der nachten,
Ellendig onder 't branden van de zon.
Gedichten (1922)

armoe
De mens komt in gebrek buiten of met zijn schuld,
Onschuldig wordt er veel gebrekkig geboren,
Onschuldig hebben veel hun have verloren,
Wel hem, die zulks gedoogt met Job's loflijk geduld.
God geeft elk, wat best is, want hij met haaf vervult
De weken, die 't gebrek tot wanhoop zou bekoren,
en maakt arm de stoute, die naar lust zou sporen
en zijn God verachten als kemel hoog-gebult.
Zowel als de rijkdom komt armoe van Gode.
Die zendt, wat hij voorziet elk te zijn van node:
Zalig zijn die armen, die zich des niet en belgen,
Die 't onschuldig gebrek van Gods hand ontvangen,
En als bitter drank, met zeker verlangen
Naar 's gemoeds genezing, blijdelijk inzwelgen.
Nederlandsche dichters van de zestiende eeuw tot Jacques Perk. Verzameld door A. T. A. Heijting, 's -Gravenhage. (1911)

de eenzaamheid
Een mooi gedicht van Adriaan van der Hoop 1802-1841 in deze
komkommertijd
Wie mij wenen hoort of klagen,
Vraag mij niet waarom.
Voog'len zingen in de hagen
Vinden alles wat zij vragen;
Maar mijn smart is stom.
Volg mij niet, als het hart, in duister
Sombre beelden kweekt;
Eng'len dalen dan vol luister,
Brengen mij met zoet gefluister,
Wat mijn ziel ontbreekt.
Laat mij eenzaam zijn in 't leven
Eenzaam met mijn smart;
En als vreugde u mag omzweven
Zij alleen de rust gegeven
Aan 't gebroken hart.

vissen
Men ziet, daar 't daglicht, hoog gerezen in zijn vlucht,
De kringen brandt en blaakt, neervallen uit de lucht
Oprechte vissen, die, de gulzigheid ontvlogen
Van roofziek zeegedrocht, en, zwakjes van vermogen
Hun blode wieken, als een toevlucht in de nood
Die hun aan 't leven dreigt, gebruikende, in de schoot
Van 't pijnhout vlug ter zeil van alle kanten regenen,
En met hun zilvren glans de zwarte dennen zegenen.
-------------------------
kringen - hemelruimte
oprechte - echte
't pijnhout - 't schip, uit dennenhout opgebouwd
dennen - 't bovendek, de luiken van 't schip

niet bezorgd
Een gedicht van P.A de Génestet 1829-1861
Boven mijn hoofd aan zijden draad
Slingert het zwaard al heen en weder,
’t Moét vallen – vallen, vroeg of laat!
Het trilt, het velt mij neder!
Doch om mijn hoofd ook ruist een stem,
Te midden van al mijn vrezen,
Die mij gebiedt met zachte klem,
Tóch niet bezorgd te wezen.
Laatste der eerste

boom
'k Zat bij nen boom te lezen,
al in mijnen brevier;
de zunne kwam gerezen,
gelijk een kole vier;
de blijde vogels dronken
de dreupels van de mei,
de morgenperelen blonken
en brandden in de wei,
lijk vier:
'k zat bij nen boom te lezen,
al in mijnen brevier.
1859-60
Kleengedichtjes

vogelke
Hoe is het mooglijk dan
Dat men u vangen kan
Vogel, gij licht van pluim.
Vliegend door het ruim;
Die langs de loverhang,
Nachten en dagen lang,
Ons stemt tot goede luim
Door klank en zang.
Gij zit thans in de kooi
Treurig, niet half zo mooi
Als toen ge door het bos
Vloog blij en los;
Spreken dat kunt gij niet,
Maar wen ge uit ’t kooitje ziet
’t Lover, het groene mos,
Voelt ge verdriet.
Was ik een vogelkijn,
‘k Wou steeds in vrijheid zijn.
Gauw, dierke lief, vlieg voort
Naar schoner oord.
Ha, ge zijn weder vrij!
Ha, wordt gij weder blij,
Zingt gij uw zoet akkoord,
Denk dan aan mij.
De Waarheid in het leven (1863 - 1878)

circuslicht
'k Zie elke avond aan de hemel branden
De gloed van 't circus en ik ben verblind
Door 't lokkend licht, ginds in de lage landen.
't Is of in droom het leven herbegint,
Of ik weer kind ben en nog weer verlang
Naar 't lieve spel van clowns en acrobaten,
Naar wigwam, vredespijp en boomerang
En naar de strijd van cowboys of piraten.
Dit teder licht verheldert de atmosfeer:
Morgen wellicht ontluiken de eerste blaren
En bouwen weer de vogels aan hun nest.
En ik begrijp, thans deftige meneer,
Hoe het geluk van de verloren jaren
Het enige is wat mij ten slotte rest.

zuchtje
Wij hoorden 't laatste zuchtje glippen,
Het sterven was voor hem geen strijd.
‘God dank,’ ontgleed het onze lippen,
'Die hem voor doodsmart heeft bevrijd.’
En vriendenhanden beurden teder
Eerbiedig hem van Moeders schoot
En brachten 't lijkje in de andre kamer;
't Was ijdle voorzorg, die ze ons sloot.
Want wij, wij legden ons ter ruste,
Verwonderd, dat wij 't konden doen.
Na twee ontzettend bange dagen
Verkwikte een korte nacht ons toen.
Maar, d' andre morgen bij 't ontwaken,
Als we één slechts zagen van de twee,
Werd zich eerst recht het ouderharte
Bewust van d' omvang van ons wee.
En daar begon de stroom te vloeien,
Die 't licht voor ons verduisterd heeft,
En die niet eerder zal verdrogen,
Voordat de Dood ons hem hergeeft.
De Gids (1879)

boom
Gelegerd op het oude lover,
Bij beukenstam, als aan een drempel,
Waar takken hangen dakswijze over,
Wij zoeken rust als in een tempel...
De lange, donkere twijgen deinen,
Door luwe luchting opgetild,
En wuiven voor de bladerschijnen
Van gulden loofwerk, zon-verstild.
Soms zijn 't maar bladerschijne' op blàren
Die roeren voor het lucht-struweel,
Waar lichter schijnsels wiegen, waren,
Als bleek gebloemt aan lange steel.
De laan gloedt ver, de bank staat ledig,
De vogels zwijgen, 'n bosduif spreidt
Zijn waaierstaart in 't zon-vuur vredig,
Al henen vlerkend wit en wijd...
Een paartje is op de bank gekomen,
Leest saâm één boek, de halzen krom,
En als wij keren uit ons sluimrig dromen
Slaan ze immer nog de bladen om.
1923
Gedichten (1932)

de wereld
Hij hield de handen voor 't gezicht,
Hij dacht door tranen te verstaan,
En in dit duister, diep en dicht,
Zag hij de bonte wereld aan;
Hoe blonk het goud, hoe rees de stad
Gehorend opwaarts voor het blauw;
Wie ooit gezocht had en bezat,
Hoe maakte rook zijn vensters grauw.
Hij nam de handen van 't gezicht,
En Mei liep lieflijk langs het land,
Er scheen een ander, reinder licht,
En groen ook werd het naakte zand,
Het leek eenvoudig wat hij zag,
Dat het een kind bedenken kon,
En toch, niet anders bleek de dag,
En zo was God, en zo de zon.
Het aardsche paradijs (1927)

bomen
'k Liep alleen door het woud,
En te midden van 't hout
Zag ik enkele genummerde bomen.
't Was een merk, dat ze alras zouden worden geveld.
'k Zag de houthakker, die door de heer was besteld,
Met zijn bijlen en zagen al komen.
Ik stond stil en ik dacht:
Van het menselijk geslacht
Zijn zo telkens ook enkele uit allen
Door een merk, waar de Dood zijn gangen naar wendt,
Als genummerd, al is 't bij henzelve niet bekend,
En bestemd om het eerste te vallen.
En ik dacht: Kom! met spoed
Nog gedaan, wat ik moet,
Want licht ben ik reeds ook zo genommerd.
En al bleek, dat dit teken nog niet stond op mij,
En al liep jaren lang nog de Dood mij voorbij,
'k Had toch niet zonder winst mij bekommerd.
Rust een weinig (1891)

leed en geluk
Leed is het kleed
Dat ziel niet aflegt vóor zij het versleet,
Een kleed met 't slapengaan niet uit te trekken.
En al uw warmgevoerde pracht
Van heerlijkheid haar toegedacht
Reikt niet het te overschaadwen of te dekken...
Toch, nachtegaal, zing voort!
Geluk is 't éne woord
Dat haar slaapwandlend hart vermag te raken...
Daar waakt het tot nieuw leven op:
Als roos die berst uit rozenknop,
Zwelt het al vreemde windselen te slaken...
Geduld, geduld, geduld...!
In schoonheid nieuwvervuld,
Niet anders mag zij u behoren...
Reeds schift de volle schaduwkring:
Geleidelijk uit haar verduistering
Treedt weer de gave maan tevoren
Bezonnen verzen (1931)
