editor
Alle verandering is geen
verbetering....
Dit geldt voor de editor!
editorAlle verandering is geen
verbetering....
Dit geldt voor de editor!
praktischEen klein gedicht van P.A de Génestet
Ik zeg maar wees geleerd, dat’s mooi! maar wees verstandig,
Dat’s mooier nog! en mens, vooral wees niet onhandig!
bloemenBloemen, waarin wij bloeien zonder bodem,
zijn onze leden in elkaar gevouwen
en ons gelaat is niet meer te benoemen.
Wij worden koning in elkanders bloed.
Gronden, in schemering gehouden,
met wind en eenzaamheid gevoed,
vlijen zich open, horizonnen
wijken en worden afgesponnen,
er is geen landschap meer behoed
voor deze enige getrouwe
die overal zijn intocht doet.
-----------------------------
uit: Eiland der ziel (1939)
vogelEen gedicht van Jacob Israel de Haan 1881-1924
Een vogel floot en deze stoorde
Stilte met zijn ongehoorde
Tintelende fluit.
Die vogel floot voor zich alleen
Uit hart en keel ten hemel heen
Zijn hoog geluid.
Een vogel kent geen roem of loon,
IJdelheid niet. Dus fluit hij schoon
Uit eigen lust.
Als vogels zó fluit ik, een dichter,
Maak het duister leven lichter,
Rusteloos hart gerust.
Verzamelde gedichten
de jongeEen gedicht van Johannes Klinker 1764-1845
Kloë, zestien jaren oud,
Sprak: ik zal de min ontvluchten:
Want als men het wel beschouwt,
Doen de minnaars niets dan zuchten.
't Is of elk zijn tijd besteedt
In 't gevoelen van zijn leed.
Waar ik slechts mijne ogen wend -
Nergens vind ik twee gelieven
Die niet zuchten. Wat ellend'
Mag hun teedre boezems grieven?
Waarom staag de vreugde ontvlucht
Door hun eindeloos gezucht? -
Neen, nooit zal de liefde mij
In haar nare kluisters binden:
In die teedre slavernij
Kan ik zo veel heils niet vinden.
Heeft de min er anders geen? -
Liever blijf ik dan alleen.
liedEen gedicht van Gerbrand Bredero 1585-1618
Stem : Ik schouw de wereld an.
Wat dat de wereld is,
Dat weet ik al te wis
God beter ‘t, door ’t verzoeken,
Want ik heb daar verkeerd
En meer van haar geleerd
Als van de beste boeken.
Want of ik schoon al las
Hetgeen zo kunstig was
Als goddelijk geschreven,
’t En ging ter ziel noch zin
Zo nijver mij niet in
Als ’t eigen zelfs beleven.
Nu heb ik ’t al verzocht,
Zo dol als onbedocht,
Zo rauw als onberaden.
Och God! ik heb te blind
En al te zeer bemind
De dingen die mij schaden.
Een hoofd vol wind en wijn,
Een hart vol zuchts en pijn,
Een lichaam gans vol kwalen
Heeft Venus en de kroes,
Of zelfs die leide droes,
Mij dikwijls doen behalen.
Och! een bedroefd gemoed
En een hart zeer verwoed
Van duizend naberouwen
Van overdaad en lust,
Met een ziel ongerust
Heb ik in ’t lest behouwen.
Hoe streng breekt mij dit op,
Mijn kruifde, krulde kop
Die brengt mijn voor de jaren,
In mijn tijds lenten voort
Op ’t zwart en ’t zwetig zwoord
Veel grijze, grauwe haren.
Wanneer een ander leit
Gestrekt en uitgespreid
En rust met lijf en leden,
Dan plaagt mij aldermeest
De kwelling van mijn geest
Met beulse wredigheden.
Dan dringt mij door de huid
Het bange water uit
Door kommerlijke zorgen,
Dies mij het harte barst
En wenst, alzo geparst,
De ongeboren morgen.
En nimmer ik de dag
Alzo gelukkig zag,
Dat zij mij vol verblijdden,
Voorwaar, ‘k heb uur noch tijd
Of ellik heeft zijn strijd,
Zijn lief, zijn leed, zijn lijden.
Al ’tgene dat de liên
Ter wereld mogen zien
Of immermeer verwerven
En wens ik niet zo zeer
Als zalig in de Heer
Te leven en te sterven.
------------------------------------------
Wis – goed
Beter – verbetere
Verkeerd – vertoefd
Of ik schoon – ofschoon ik
Verzocht – meegemaakt
Rauw – plompverloren
Vol wind en wijn – beneveld door wijn
Zuchts – ziekte
Die leide droes – de vervloekte duivel
Verwoed – ontsteld
Naberouwen - gevoelens van wroeging
Kruifde, krulde – wilde, krullerige
In mijn tijds lenten – in mijn jongelingsjaren
Zwetig zwoord – klamme huid
Leit uitgespreid – ligt te slapen
Bange water – angstzweet
Dies - vandaar
Ongeboren – nog niet aangebroken
Aandachtig Liedboek
onderEen gedicht van Jan Jacob Slauerhoff 1898-1936
Onder het zonnezeil, verrukt door de wind,
Zit ik gelukkig.
’t Noodlot is nukkig,
Maar er blijft niets meer dat me aan ’t leven bindt.
De vrouwen, vroeger voor eeuwig bemind,
Liet ik gelukkig
Vroegtijdig achter zonder kind.
Ik heb genoeg aan de natuur,
Altijd grootmoedig,
En aan de stille of stormende oceaan,
Eindloos voorspoedig.
Een vluchtig avontuur
Houdt me even opgetogen:
Meeuw, door een golf bewogen,
Veilig bevleugeld, toebehorend aan
’t Onmeetlijk, onuitputtelijk azuur.
vluchtelingenEen gedicht van Jan Campert 1902-1943
Het eerst zag ik de vrouw, dat ligt
nu eenmaal in mijn aard.
Hoe gerimpeld was haar gezicht
(een berglandschap in kaart).
Door welk hels en aards gericht
werd haar geen leed bespaard?
Onder de doek rond het gelaat
sliertten wat haren grauw;
zij stond daar als ene die staat
-een doodvermoeide vrouw –
op de hoek van een voorstadsstraat
in sneeuw en winterkou.
Zij keek niet om naar de man,
een pak in de ene hand.
Ik dacht: dit is haar zoon. En dàn:
zij zijn zeker hier gestrand
en zij weten niet wat er van
hen worden moet in mijn land.
In de ene hand het pakket
gewikkeld in vaal papier;
ter rechter met rode baret
een mager meisje, wier
verwilderde ogen ontzet
vroegen: wat doe ik hier?
Het leek of de man wat zei aan
de vrouw, die voor hen liep.
Misschien: wij moeten verder gaan…
En zij, in dromen diep,
hoorde nauw zijn schuchter vermaan
en ging alsof zij sliep.
Ik volgde hen over ’t perron
- de vrouw, de man, het kind –
de trap af en uit het station…
Waar Amsterdam begint
scheen over het water de zon
en woei een voorjaarswind.
De man lei het pak op de grond
en knipperde in het licht;
de vrouw , die zichzelve hervond,
knoopte het jasje dicht
van het kind; ik die bij hen stond
liep door met dit gedicht.
Verzamelde gedichten 1922-1943

Een gedicht van Edgar Cairo 1948-2000
AAN MIJN SPEELKAMERADEN
Eenklaps... in mij
ontwaakt diep het gevoel,
zo diep als ooit
een mens zich voelt
in liefde die ontluikt.
Doordat het oog
der mensheid
niet wou zien
dat elke huid
'n lichaam past,
verloor de ziel
pigment.
Tot nogtoe
waren het louter emoties
die ons bouwden
tot vleespoppen.
Mens, haal je adem!
stadsklokkenEen gedicht van C.S Adama van Scheltema 1877-1924
Een laatste roep der donkre stad verzonk,
Het zwijgend water wiegde gouden spranken,
Nog poosde een late lichtschijn bij een kranke,
Bij zure arbeid, of een zoete dronk.
Toen galmde de verlaten stad en schonk
Een donkre stroom van volle bronzen klanken
In mijne open ziel, - ik boog tot danken,
Toen 't dreunend antwoord in een cirkel klonk.
Zo breekt een lied uit elke hoge toren,
En slaat een band van jublende geluiden
Om ieder eenzaam hart, dat nog kan horen;
Een krans van klokken komt me 't uur beduiden,
Daar stijgt mijn donkre ziel in lichte koren -
Daar slaat mijn hart, dat als een klok gaat luiden!