Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

Archief

de brug

Een gedicht van Willem de Merode 1887-1939

DE BRUG

Ik heb het fluitje aan mijn mond gezet.
Mijn vingers overtrippelen de gaten
Buiten mijn tuin ligt de rivier gebed
In maanlicht, en er rijst een brug van jade.

Een brug van jade overspant het licht,
Mollig van schaduw aan haar ene zijde
Een smalle schaduw schuifelt in het licht,
En buigt zich over en staart in het wijde.

Zij staart naar ’t overhangen van een boom,
En hoort een fluiten uit het lover glijden.
Dromerig fluit ik naar de lichte stroom.
Dromerig staart zij, dromen wij dan beiden?

Chineesche gedichten (1933)

Geschreven door Dora om 18:52 Reageer op dit bericht

wens

Een gedicht van Goido Gezelle 1830-1899

 

Ik wense u

Ik wense u een jaar, dat zacht als zijde is ;
Ik wense u een jaar, dat blank en blijde is;
Ik wense u een jaar, dat ver van krank is,
Een deugdelijk jaar zo breed als ’t lang is;
Ik wense u een jaar, dat als ’t voorbij is,
Een zalig jaar voor u en mij is.

Jaarkrans (1893)

Geschreven door Dora om 12:39 Reageer op dit bericht

regende

Een gedicht van Herman de Gorter 1864-1924

Het regende in de stad

Het regende in de stad,
toen kwam er wat
muziek van straatmuzikanten,
die bliezen naar de kanten.
Toen voelde ik de leugen
van vrolijkheid in 't geheugen,
die men als kind eens heeft,
te dansen omdat men leeft.

Verzen 1890

Geschreven door Dora om 19:54 Reageer op dit bericht

engelen

Een gedicht van J.P. Heije 1809-1876

Engelen

In de Bijbel staat geschreven,
Dat Gods Englen ons omzweven,
En bewaken in de nacht;
Dat geen boosheid ons kan hindren
En dat alle vrome kindren
Veilig slapen in hun wacht!

Dikwijls als ik had gebeden
Was 't, of op mijn oogeleden
Nog een nachtkus werd gedrukt:
Zou dat niet een Engel wezen,
Dacht ik - en met heilig vrezen
Heb ik 't hoofd ter rust gebukt.

Al de kinderliederen (1861)

Geschreven door Dora om 16:41 Reageer op dit bericht

kerstlied

Een gedicht van Prosper van Langendonck 1862-1920

Kerstlied

De nacht was zwijgend,
de nacht was donker
in 't veld van Bethlehem.
Geen stemme ruiste er
op 't veld van Bethlehem.
Doch eensklaps trilden vreugdepsalmen
en hemels zongen de Englenkoren:
Daar is een Kindeken, een Kindeken geboren.

De herders zochten
vol blij verwachten
de stal van Bethlehem.
Ze aanbaden Jezus
met diep betrachten
ten stal van Bethlehem.
Hun hart sprong van loutre vreugde.
Heil de Messias uitverkoren!
Daar is een Kindeken, een Kindeken geboren.

Drie wijzen kwamen
toen hergetogen
en zochten Bethlehem;
helblinkend rees er
een ster ten hogen
en wees hun Bethlehem.
Zij knielden daar, in stille aanbidding,
en boden ruikwerk en trezoren:
Daar is een Kindeken, een Kindeken geboren.

Wij hooren immer
die psalmen klinken
om 't heilig Bethlehem.
Wij zien nog immer
die sterre blinken
op 't heilig Bethlehem.
Nog heel ons ziele streeft daarhenen;
Daar is ons 't eeuwig heil beschoren:
Daar is een Kindeken, een Kindeken geboren!

Geschreven door Dora om 14:24 Reageer op dit bericht

terugkeer

Een gedicht van Hendrik Marsman  1899-1940

Terugkeer uit den Vreemde

Dit gebied is een landstreek des doods
en de middag is grauw als de nacht...
ach, hoe lang heb ik niet gezocht
naar het pad van haar huis, naar haar tuin,
naar het gras dat haar schrede betrad.

zij was de eerste die in de lente des levens
een zomer lang met mij was...
maar zij verliet mij
en zij verried de vluchtige tenten
voor het veilge vijandelijk dak.

ik heb haar vervloekt en veracht,
want zij liet mij zwervende gaan
alleen langs de wegen des levens,
maar naar haar bleef ik hunkren,
in welk bed ik ook lag.

en met het stijgen der jaren
steeg ook de wanhoop en verschraalde de moed;
k had allengs haast geen wens meer
dan nog eenmaal bij haar te zitten, in de gloed

van het haardvuur, desnoods als mijns vijands gast.
want al deze dingen die ik bestreefd en gehad
heb: trots en verwoedheid, en een moed als men zelden bezat,
zij verdwijnen in een onstilbaar verlangen
als de schaduw des doods wast...

en zij wast, ik voel mij langzaam vermoeien,
en de vrees haar noóit meer te zien
trok mij weg uit het zuiden, uit het gloeien
om nog eenmaal haar handen te zien.

en nu is zij dood, zij is dood...
de tuinman die het mij zei,
opziende van zijn schop, wees mij
het pad naar haar graf.

en wat rest mij hier bij haar graf
dan herdenken en bitterheid
dat zij wie haar gaf: vrijheid en namen en dromen
als geen minnaar haar gaf,
ook dit heeft genomen:
bij haar te zijn in haar graf.

Forum. Jaargang 2 (1933)

Geschreven door Dora om 22:07 Reageer op dit bericht

november

Een gedicht van Jacqueline van der Waals 1868-1922

25 november 1898

De deur ging langzaam open; ik rook een kerkhofgeur.
Ik staarde stil in de zwarte leegte der open deur.
Een lange grauwe gestalte, bovennatuurlijk groot,
Stond zwijgend op de drempel en wachtte, het was de dood.
Met blauwe glans verlichtten de ogen het bleke gelaat
Met flauw en weifelend schijnsel, als hout dat langzaam vergaat.

`Wat blijft gij daar en op de drempel stil en dreigend staan?
Ik heb U daareven geroepen; kom binnen en raak mij aan.
Uw witte koele handen bezitten wondermacht
Reeds hebben ze menige lijder rust en genezing gebracht.
Leg zachtjes Uw hand op mijn voorhoofd, dat pijnlijk klopt en gloeit
En eindig de droom des levens, die mij benauwt en vermoeit'.

Een lange stilte volgde.  Ik staarde naar het licht,
Dat flauwer werd en flauwer...  De deur ging langzaam dicht.

Geschreven door Dora om 21:42 Reageer op dit bericht

starre

Een gedicht van P.A. de Génestet 1829-1861

Schitterende starre

Ik zag een starre schittren,
  Maar ’t was niet aan de trans;
’t Was in twee dierbre ogen,
  Een starretje vol glans.

’t Betoverde en bezielde
  Mijn hart, mijn geest, mijn jeugd,
’t Spreidde in mijn blijde woning
  Gods licht en vrede en vreugd.

Het blonk op al mijn wegen
  Zo vriendlijk en zo zacht,
Een zonnetje van zegen,
  Te morgen en te nacht.

Het blonk van heilge liefde
  Voor zoveel goeds en groots;
Het scheen een licht des levens,
  Maar ’t bleek - een boô des doods!

Dat was het Teringstarretje –
Beware Gods genaê,
Dat gij het ooit ziet schittren
  In ’t oog van kind of gaê!

Geschreven door Dora om 22:28 Reageer op dit bericht

krekel

Een gedicht van Willem Bilderdijk 1756-1831

De krekel

Voor schatten is uw heil
Niet veil,
Door woorden niet te melden;
o Krekel, die, op d’ eikenbast,
U met een luttel daauw vergast,
En huppelt door de velden!

Waar gij, op akkers, graan
Ziet staan,
In voren, zaadjes schieten;
Voor u is ’t, dat het koren wast;
En wat de boer in schuren tast,
Gij moogt het al genieten.

De noeste boer besteedt
Zijn zweet
Voor u, voor uw genoegen:
En als uw zuizen hem vermaakt,
De vors rikkikt, het eendje kwaakt,
Vergeet hij al zijn zwoegen.

Gij zijt geen haatlijk leed-
profeet
Als duizend onweerkraaiers;
Maar, zomerboô, maar zongezant
Bevestigt ge aan ’t bezwangerd land
De onzeekre hoop des zaaiers.

Gij draagt de gunst der Min-
godin;
Der Heliconiaden;
Apol verleende u de snuit
Een zoet en zangerig geluid,
Waar aan geen jaren schaden.

En matig, en benij-
dingvrij;
In altijd vrolijk zingen;
Bereikt ge, o kleen en bloedloos dier,
De staat der hoge Goden schier,
En spot met stervelingen.

Geschreven door Dora om 22:21 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten