Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

Berichten van 1 juli 2018 tot 31 juli 2018

nevelen

Een gedicht van Piet Paaltjens  1835-1894

Niet als met nevelen...

Niet als met nevelen
De morgenzonne,
Schoon baan zich brekend,
Nog felle kamp voert,
Ook niet, als blindend
Van hoge hemel
Des middags glansen
Op de aarde stralen;
Maar, als aan d'avond
De moegestredene,
Niet strijdendsmoede,
Ter gulden kim daalt,
Dan viert de schepping
Haar schoonste zege,
En bloemengeuren
En vogelkoren
En dankbre blikken
Uit mensenogen,
't Brengt alles hulde
De overwinnaar.

Dus gij ook, edel,
Gij, gouden Bruidspaar,
Aan 't eind van vijftig,
Niet altoos lichte,
Niet immer blijde,
En toch hoe rijke,
Aan liefde rijke,
Door heilge trouwe
Gewijde jaren!

Uw krachten slonken,
Uw schedel buigt zich,
Maar 't allerbeste
Hebt gij behouden:
De moed tot leven,
Moed ook tot sterven,
De macht daarbinnen,
Die grijzen jong maakt.
En uit uw handdruk
En van uw lippen
Spreekt de eigen teerheid,
Hetzelfde hart nog,
Dat uwe kindren
Gelukkig maakte,
En velen met hen,
Fier op uw vriendschap.

Gezegende ouden,
Gezegende ouders!
U zegenen ze allen,
Wier zegen gij waart,
En zijt, en zijn zult.
Met gouden letters
Schreeft ge in hun zielen
Uws naams gedachtnis.
En waar thans jubelend
Hun dank u kroont,
Daar is 't Uw leven,
Uw schone leven,
Dat aan zijn avond
Met de allerschoonste
Der mensenkronen
Zichzelf beloont.

 

Geschreven door Dora om 19:20 Reageer op dit bericht

jeugd

Een gedicht van Hendrik Muller 1855-1927

Jeugd

Een handvol verwelkende bloemen,
Geplukt met een bevende hand,
En gesnoerd met een rozenband -
Is dat wel een ruiker te noemen?

Een handvol bedrieglijke vreugd,
Met een ijdel hart genoten,
In de kring der uren besloten -
Is dat wel een zalige jeugd?

Gedichten (1878)

Geschreven door Dora om 22:35 Reageer op dit bericht

terugkeer

Een gedicht van Jacob Israël de Haan  1882-1924

Terugkeer.

Weet Gij nog, moeder, hoe ik jong
Schatten-verlangend u verliet?
Wereld en weelde lokten, mij bedwong
Uw smeken niet.

Ik ging en wierf mij menig schat
Van goed metaal en gave steen,
Rijker dan ik in wereldstad
Was er niet een.

Maar schat verwervende verloor
Ik morgenvrede en avondrust
En wist dat niet. Leefde fel door
Op schat belust.

Zó leed ik pijn, doofde pijn fel
Met wijn en wierook. Nimmer vond
Ik van het leed de gulle wel:
Mijn hartewond.

Dan: ene avond, dat de lucht
Zoetmild was met een matte schijn
En mist van maan, de stad ontvlucht
Zag ik mijn pijn

Het was mijn hart open, het bloedde,
Want niemand heeft mijn hart getroost.
Toen voelde ik rijke, schattenmoede,
Leed eindeloost.

Lang bleef ik stil... die milde lucht
Verfijnd van geur... het maanlicht diep,
Hoorde ik een stem en zachte zucht?
Uw stem, die riep?

En ik bezon mij, moeder, en ik liet
Mijn schatten liggen, voor wie weelde wil.
Wereld en weelde wil ik niet
Maar vrede stil.

Die schatten zocht en schatten vond
In 't rustloos werven buiten huis,
Keert bedel-arm en hartgewond
Moeder, weer thuis.

En vraagt, dat in het oud gezin,
Hem weder worde een plaats bereid.
Ik wil uw vrede en stille min
Thans en altijd.

Liederen

Geschreven door Dora om 22:10 Reageer op dit bericht

vergeet-mij-niet

Een gedicht van Johan Michiel Dautzenberg 1808-1869

De vergeet-mij-niet

Wie kent het beekje van de weiden,
Waar bloemen wenken teer en bont?
Mijn liefje en ik, we plukten beiden
Der bloemen puik in d’avondstond.

Doch geen der bloempjes in de weiden,
Hoe rijk van kleur, hoe zoet van geur,
Hoe lieflijk wenkend zij ons vleiden,
Kreeg boven de andere onze keur.

Maar dicht bij ‘t beekje van de weiden,
Belommerd door het wanklend riet,
Daar loech om dra ons te verleiden
De helderblauw vergeet-mij-niet.

En naar het beekje van de weiden
Boog zich mijns liefjes engelhoofd;
Daar zal de plant geen straal meer spreiden,
Zij werd van hare kroon beroofd.

Liefje in de weelge weiden
Stak ‘t blauwe takje aan mijn hart,
Zij dacht aan ‘t uur van gaan en scheiden
En al haar lust verging in smart.

En waar het beekje door de weiden
Bij els en wilgen henenvliet,
Omhelsden wij elkaar en schreiden
Vergeet mij niet! Vergeet mij niet!

Gedichten (1850)

Geschreven door Dora om 21:34 Reageer op dit bericht

vakantie

Een gedicht van G.W. Lovendaal 1847-1939

  

Vakantie

Vakantie dat 's een pretje, he?
Mamaatje zegt: o jongens, nee!
En achter 't dagblad duikt papa
En doet zo leuk en zegt: wel ja!

Mijn grote zus die kijkt mij aan
Of 'k heel wat lelijks heb gedaan,
En Mie de meid doet ook al dom
En bromt: mijn hoofd loopt nou al om.

Dat zal wel komen daarvandaan
Dat zij niet meer naar school toe gaan,
Want Meester, zag ik aan zijn blik,
Die had al net zo'n pret als ik.

Geschreven door Dora om 17:05 Reageer op dit bericht

ballade

Een gedicht van Jan Jacob Slauerhoff 1898-1936

Ballade

Villon, Rimbaud, Verlaine, Du Plessys,
Verstooten, rein van roem, alleen behorend
In 't heilloos gilde der Poètes Maudits,
Sinds uitgeroeid, verstrooid, welhaast verloren -
Vergeef dat een, door rampspoed achterhaald,
Om hulp roept, radeloos uw naam doet horen,
Terwijl zijn leven zinkt, zijn zingen faalt,
Tot troost uw groter lijden heeft bezworen.

Villon, clerc, vagebond, in stage vete
Met 't burgerdom, benard door zijn gebod,
Met boeven, lichtekooien saamgerot,
Alleen op 't punt van rijmen vol geweten,
Hij stierf van dorst bij klaatrende fonteinen,
Vond voor liefde ontucht, voor paleis een krot.
Zijn leven kende uitdagende refreinen:
Hij keerde de aard de rug toe van 't schavot.

Verlaine sleepte voort zijn lijdensketen
Van zonde aan straf geschakeld zonder slot,
Heeft den hem toegewezen tijd gesleten
In beurtgezang van lust en zucht naar God.
In de gevangenis, bij 't stomp verkwijnen
In 't dranklokaal, of op een kil terras,
Voelde hij als wroeging vol verwondring schrijnen
Waarom voor hem geen plaats op aarde was.

Rimbaud, op allen, ook zichzelf gebeten
Als op de aartsvijand, strijdend tegen 't lot
Van de met spot gekroonden, smaad gesmeten,
Tussen de mensen wild verdwaalde God,
Liep storm door steppen, steden en woestijnen,
Gevloekt, geschuwd door 't rechtgeaarde ras,
Leerde in verlatenheid en helse pijnen
Dat er voor hem geen plaats op aarde was.

Du Plessys, door zijn oud verbond vergeten,
Verzwegen, onderdrukt door 't plomp complot
Van intriganten, door de hunkring tot
Luidruchtge en lucratieve roem bezeten,
Ontbeerde stoïsch en verteerde in 't reine
Heimwee naar 't onbereikbare Hellas.
Hij wist op hoge ritmen weg te deinen
Vanwaar geen plaats voor hem op aarde was.

Weet, gij die in hun geest nog moet verschijnen,
Voor ramp te zijn geboren. Neem dit lot
Niet op u! Breek de lier! Weet te verdwijnen.
Maak uw bestaan dat nergens hoort, weer vlot,
Stroomafwaarts drijvend met de goede Lethe.
Geen lied meer. Geef gehoor aan haar refrein.
Over uw leven spoelt de vloed. Vergeten
Zult ge eer dan echo's van nachtregens zijn.

Geschreven door Dora om 22:53 Reageer op dit bericht

het verdriet

Een gedicht van Willem de Merode 1887-1939

Het verdriet

Ik heb gewerkt, ik heb geleden,
Ik heb geworsteld met 't  verdriet,
Ik heb gebogen als het riet,
en soms heb ik 't met laffe vlucht gemeden.

Nu stelt 't  zich ondoordringbaar voor mijn staren
Als van de nacht het nevelig begin.
Maar als een lichtende lantaren
Hef ik U op en volg U 't  duister in.

Geschreven door Dora om 16:13 Reageer op dit bericht

roodborstje

Een gedicht van J.P. Heije 1809-1876

Roodborstje

Roodborstje, roodborstje, geestige dief!
Heb je wel ooit te pronken gezeten?
't Kooitje van koper en 't bakje vol eten:
Aardige springer! wat heb ik je lief!
Toch kweelt uw keeltje geen lustige zangen,
Vogeltje! zeg me, wat is er gebeurd,
Dat ge de veertjes zo slapjes laat hangen,
Roodborstje! zeg me waarom dat ge treurt?

- Knaapje lief, knaapje lief! was er mijn kooi,
Was er mijn eten ook lekker en keurig,
Buiten in 't bos is het eens nog zo fleurig:
Vrij te zijn, lieverd! is beter dan mooi!
Och! laat mij los, laat in vrijheid mij springen,
Ginds op die boom, waar geen tralie mij stoort;
Vriendje! dan zal ik een lied voor u zingen
Zoals ge nimmer of nooit hebt gehoord! -

Kinderliederen (1870)

Geschreven door Dora om 22:37 Reageer op dit bericht

dieven

Een gedicht van Constantijn Huygens 1596-1687

 Zag dieven uit mijn huis...

'k Zag dieven uit mijn huis met zak en pakken gaan.
Ik volgde ze wat ras en sprak ze zoetjes aan.
'k Zei, mannen, met verlof, wilt gij mij wel eens tonen,
dewijl ge mij verhuist, waar ik omtrent ga wonen?

Geschreven door Dora om 21:34 Reageer op dit bericht

boerendochter

Een gedicht van Willem de Merode 1887-1939

 

DE BOERENDOCHTER

Zie, hoe zij met haar rokken zwaait,
De brede handen staan naar grijpen.
Reeds voor zij duidelijk gaat rijpen,
Weet zij waarom de wereld draait.

En daarom is zij zo onhandig
Met haar gebaren; en haar woord,
Ofschoon haar frisse mond bekoort,
Maakt knapen roekeloos losbandig.

Maar voor haar blik wordt ieder stil.
Plotseling is ze, uit steen gehouwen,
Een veldgodin met groot gezag.

Ze weet best wie ze hebben wil,
Maar neemt, als alle boerenvrouwen,
De jongen die ze hebben mag.

Kaleidoscoop (1927/1931-1936)

Geschreven door Dora om 12:25 Reageer op dit bericht

Alarmisten

Een gedicht van P.A. de Génestet 1829-1861

Alarmisten

Och bevende alarmisten,
Och pruiken, podagristen,
  Och ouwe–wijven–kliek,
Och nare leuterkousen,
Och bankroetiers en smousen,
  Je malen maakt me ziek.

Je duffe konversatie
Is ééne lamentatie,
  En nergens zie je licht;
Je snatert en je stottert,
Je steunt en stikt en snottert....
’t Is wat een vies gezicht!

Gedaalde metallieken,
Failliete republieken,
  D’ effektenhoek vol vrees;
De kooplui in perikel,
Heel de aard op een karikel,
  De wereld op de sjees!

Het mensdom op zijn endje,
Veel kinderen en – geen centje
  Verdiensten op ’t kantoor:
De hele boel in ’t honderd,
En half Euroop geplonderd –
Dat ’s alles wat ik hoor!

Wie naar je praat wil luisteren,
Die ziet de zon verduisteren,
  Die weet niet, wat hij ziet,
En zou zijn mooiste zaken
Terstond aan kant gaan maken,
  Of stuurt ze recht – in ’t riet!

Die zou zich dood gaan kniezen,
En al zijn geld verliezen
  Uit zuinigheid alleen;
Die laat zijn kroost verhongeren,
En foetert op de jongeren,
  Die spotten op hem heen!

Die ziet, owaai! de Fransen
Al in zijn keuken dansen,
  De meid tot déjeuné;
Die ’s nergens op zijn aise,
Die hoort een Marseillaise
  In ’t lied van Isabé!

Die ziet in al zijn zonen
Al tijger–aardjes wonen
  En kleine Louis Blanc’s:
Die ’s bang voor Balinezen,
Die durft geen krant meer lezen,
  Maar kijkt er rillend langs!

Met al die bange wezels,
Die kwezels en die ezels,
  Wie drommel, weet er raad?
Al trekken zich die Joppen
De haren uit hun koppen,
  Ik weet niet of het baat!

Maar handen uit de mouwen,
Couragie en vertrouwen
  En wat gezond verstand!
De mens leeft om te hopen....
En ’t zal zo’n vaart niet lopen:
’t Leit immers op zijn kant?

Ook ik beken het garen:
Wat onze tijden baren
  Is ver van amuzant,
’t Is vreeslijk en ’t is ijselijk,
’t Is schriklijk en afgrijselijk....
  En ik heb ook het land!

Maar ’t ergst van alle plagen,
Zijn toch in onze dagen
  Die kennissen van Job!
Het zijn je die meneeren,
Die steeds jeremiëeren,
Die altijd lamenteren,
Die ’t weinigs goeds negeeren
En eeuwig redeneren
  Als kippen zonder kop!

1884

----------------------------------------------------

- alarmist: iemand die opschudding, onrust teweegbrengt
- podagrist: iemand die lijdt aan podagra (gewrichtsaandoening van voet- en teengewrichten)
- bankroetier: iemand die bankroet gaat m.n. wanneer daarbij bedrog gepleegd wordt
- smousen: bedriegers, sjacheraars
- metalliek: Oostenrijkse effecten waarvan de rente in muntgoud werd uitbetaald
- karikel: licht tweewielig rijtuig
- Louis Blanc: Frans politieker ten tijde van de Franse revolutie
- joppe: goed gekleed

 

Geschreven door Dora om 21:41 Reageer op dit bericht

vodderij

Een gedicht van Constantijn Huygens 1596-1687

Is mij een vodderij

Is mij een vodderij gevallen uit de pen
(weet, lezer, dat ik al mijn vodden daarvoor ken):
ik sluit ze van mij af en laat ze liggen rotten.
Lang, lang na haar geboorte onthaal ik ze de motten
en val er met de keur van een vers oog op aan.
Bevalt mij 't kind dan nog als 't eertijds heeft gedaan
dan houd ik 't voor zo schoon als ik er een kan baren,
en breng het in de wereld. Er hoort een tijd van jaren
om de eerste blinde min die de geboorte gaf
haar ogen te openen met alle vliezen af.
Wij moeten elk onszelf als vreemdelingen lezen:
dan kan elk, en niet eer, zijn eigen rechter wezen.

Geschreven door Dora om 21:59 1 reactie Reageer op dit bericht

ik

Een gedicht van Pol de Mont 1857-1931

Ik ben van u zo verre

Ik ben van u zo verre,
Ik waar bij u zo graag,
En zeide u alle de liefde
Die ‘k in de ziele draag!

Ik fluisterde u in de oren
Zo geren een enkel woord!
-ik zong het reeds duizend keren!
nog hebt gij het  nooit gehoord!

Ik zong het aan de rozen
Wel honderd, honderd maal –
Licht heeft het afgeluisterd
De wilde nachtegaal.

Ik zei het aan de oostwind
Die ’t aan de wolken bracht –
Ik zei het aan de sterre
In stille, diepe nacht.

O vogels, winden, bloemen,
Zegt heur dat woord toch niet –
Wie weet of zij niet spotte,
Niet lachtte om mijn verdriet?…

Geschreven door Dora om 19:42 Reageer op dit bericht

moritura

Een gedicht van Jacqueline van der Waals 1868-1922

Moritura te salutat

Dit zijn Uwe wegen,
Ook de  mijne?  'k weet het niet, mijn God,
Al mijn wensen en begeerten zwegen.
Toen Gij tot mij spraakt, ik sprak niet tegen,
Ik aanvaardde Uw gebod.

Of mijn hart dit wilde?
'k Heb niet naar het schreien van mijn hart gevraagd.
Toen Uw glimlach mijne ziel doortrilde
En mijn glimlach gloren deed, verstilde
't Al in mij, dat schreit of klaagt.

Dit zijn Uw gedachten,
Ave, Heer, U groet die sterven gaat.
Dat het ja van hare stille nachten
En het amen harer dagen door geen klachte
Worde ontheiligd en geschaad.

-------------------------------------------------------
Moritura te salutat - Zij die gaat sterven groet U

Geschreven door Dora om 19:38 Reageer op dit bericht

laat

Een gedicht van Willem Kloos 1859-1938

Laat mij nog éénmaal...

Laat mij nog éénmaal, in gedachten, kussen
Die warme lippen, door mijn kus ontbloeid;
Laat mij nog éénmaal aan die boezem sussen
Mijn arme hoofd, waarin de koorts-pijn gloeit.

Laat mij nog eens, klein kindje, rusten tussen
Die armen, waar mijn hart aan was geboeid,
In die zo lieve tijd, toen, zonder blussen,
’t Vereend gelaat door passie werd verschroeid.

Mijn lippen kussen wild, mijn oog staat droef –
Niet waar? gij lief! nu er geen lief meer wezen,
Geen arm zich om mijn hals bewegen zal:

Maar ik heb haast: mijn trekken worden stroef,
Als in de koû des doods, mijn armen vrezen
In beven, hangende op hun laatste val.

Geschreven door Dora om 12:23 Reageer op dit bericht

vrouwen

Een gedicht van Hermanus Asselberg(h)  1726-1792

vrouwen zijn geenszins mensen

Een liedjeszanger schreeuwde op straat, dat elk 't kon horen:
'Hier heb je nou 't bewijs, zo klaar als zonneschijn,
Dat vrouwen geenszins mensen zijn!
Eén oortje; koop! 't zal jou gewis bekoren.'

Dit maakte Griet en Trijn verwoed:
De toorn ontstak haar beider bloed:
Griet greep hem aan en zeide: 'ô Guit! men zal jou leren
De vrouwen naar haar waarde te eren.
Zijn wij geen mensen? schurk! waar ziet ge ons dan voor aan?
Kom, Trijn! laat ons hem straks de kop te plettren slaan'.

Hij, ziende, wat 'er, door haar dolheid, zou geschieden,
Riep hard: Ik hou het uit dat zij geen mensen zijn:
''t Zijn engelen, in mensenschijn!'
Elk lachte; en deze trek deed hem haar woede ontvlieden.

Geschreven door Dora om 00:00 Reageer op dit bericht

woordjes

Een gedicht van Hein Boeken 1861-1933

O woordjes mijn...

O woordjes mijn, wat moet 'k u dankbaar zijn!
Waar zijt gij toch, waar komt gij toch vandaan?
Gij kunt altijd mijn heerlijkheid verstaan,
Veel beter dan ik denken kan in mijn

Klein geestje: kom, laat ik u bidden aan,
Want telkens als ik bidden durf: verschijn!
Komt gij rondom me als vlinderkens zo rein,
En licht, en wit, zó komt gij rond mij aan.

En zó ook nu, nu ik u murmlend roep,
Komt gij rondom mij fladderend zo zoet,
Mijn lippe' en wangen strelend, lichte troep,
Als werd gij altijd uit mijn hand gevoed,

En toch, och alle menschen konde' u lokken
Maar enkelen, wie gij laat zó met u jokken.

Geschreven door Dora om 21:49 Reageer op dit bericht

dichter

Een gedicht van Johannes Immerzeel 1776-1841

DE VERTOORNDE DICHTER

Hoe haatlijk is 't Publiek omtrent mijn lettervruchten!
Ik schonk het reeds een trits van welbekookte kluchten,
En, nochtans, 't lachte niet! maar 'k loer nu weer op wraak:
't zal boeten voor zijn grillen,
Ja, lachen zal het, 't moog dan willen of niet willen,-
Daar ik een treurspel maak.

Gedichten (1823)

Geschreven door Dora om 22:40 Reageer op dit bericht

melodie

Een gedicht van Louis Couperus 1863-1923

Melodie

Laat, o lieve, laat
Uw blanke vingren langs
De toetsen fladdren;
En licht.

Laat, o lieve, laat
De tonen kwelend vallen, als
Kristallen dauw,
Die van uw blanke vingren drupt,
En zoet
Vervloeit.

Luchtgewiekte melodie
Zweef klaatrend op!
Of juublend in een zilverlach,
Of smeltend...
Smeltende in een vliet
Van louter tranen...

Trillend klankgetover!
Reine parelzang... stijg,
Zwellend,
In uw vol geschal!

Laat, o lieve, laat
Uw blanke vingren langs
De toetsen fladdren;
Vlindervlug
En licht...

Geschreven door Dora om 19:50 Reageer op dit bericht

lierzang

Een gedicht van Jacob van Lennep 1802-1868

Lierzang van een vader aan zijn enig zoontje

U wijd ik heden mijn gezang
Gelukkig kind! zo mild bestraald met zegen!...
(Maar laat ik eerst van uw behuilde wang
Die traantjes vegen.)
Gij op wiens pad, bij 's levens lentegloor,
Slechts rozen zonder dorens groeien...
(Pas op wat, Jans, daar stopt hij erwten in zijn oor.)
U, wie genot en zoetheên tegenvloeien,
Wie nog geen zonde drukt, geen bange smart beknelt!
(Wat heeft hij in zijn mond? - Bewaar ons! 't is een speld.)
Bevallig wicht! gij liev'ling van ons allen,
Zo vlug en dartel als het vinkje in de lucht!
(De gangdeur toe, hij mocht nog van de trappen vallen.)
Aanminnig voorwerp van elks tederheid! - (Wel geducht!
Let op toch, Jans, hij zal zijn doek aan 't vuur verzengen.)
Gij wie wij onze zorgen brengen,
Uit wiens bestaan ons dierbaarst heil ontspruit!
Gij hechtste schalm in ons huwlijksketen!...
(De drommel haal' de stoute guit!
Hij heeft mijn inktpot omgesmeten...)
Gij Cherub! die, wanneer de maan
Deze aard verlicht met zilv'ren glansen,
Bestemd schijnt, om de blijde dansen
Der luchtige Elven voor te gaan...
(Verbied dat kind de poedel zo te slaan!)
Lief bijtje dat de honing weet te puren
Uit ieder bloempje naar uw keus!
(Wat ligt hij weer te pulken aan zijn neus!)
U, al mijn troost in droevige uren!
U, Vaders hoop en glorie bovendien...
(Wie leert dat kind, zo scheel te zien?)
Blijf steeds 't geluk u frisse bloemen strooien.
(Pas op! hij zal zijn tol nog in de spiegel gooien.)
Lief duifje van onze ark...(Daar stoot hij aan de kom:
Nog één duw, dan ligt hij om...)
In 't huwelijksnest gekweekt met onverpoosde zorgen...
(Wat drenst en jankt hij deze morgen!)
Bij wiens geboorte een heilgodes
Ons huis betrad, die mild u wou gedenken...
(Foei! wat besmoezelt hij zijn hes...)
En kwistig met haar gaven u beschenken...
(Jans! Jans! hij heeft een mes;)
Speel, dierbaar kind! met ongestoord genoegen.
De zoete vreugd mag aan uw leeftijd voegen:
Dat vrij uw lust voldoening zoek'!
(Ik zei het wel, dat al die koek
Die Trui hem gaf, hem misselijk zou maken.)
O! dat de vreugd, die thans uw schuldloos hart doet blaken,
Bestendig, duurzaam, wezen kon:
(Daar knipt hij, Janslief! met een schaar in uw japon.)
Zoet rozenknopje! dat uw blaartjes gaat ontsluiten...
(Ga naar Mama, en laat je neus reis snuiten!)
Zo zacht, zo geurig en zo fris!
(Hij maakt mij ziek, zo vuil hij is!)
Bekoorlijk als Auroor, in 't Oosten doorgeblonken...
('k wou dat dat raam een tralie had!)
't Ontluikend brein verlicht met louter hemelvonken...
(Breng toch die bengel weg, mijn schat!
ik kan geen letter verder schrijven,
indien hij langer hier moet blijven.)

 

Geschreven door Dora om 17:13 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten