Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

ik

Een gedicht van Pol de Mont 1857-1931

Ik ben van u zo verre

Ik ben van u zo verre,
Ik waar bij u zo graag,
En zeide u alle de liefde
Die ‘k in de ziele draag!

Ik fluisterde u in de oren
Zo geren een enkel woord!
-ik zong het reeds duizend keren!
nog hebt gij het  nooit gehoord!

Ik zong het aan de rozen
Wel honderd, honderd maal –
Licht heeft het afgeluisterd
De wilde nachtegaal.

Ik zei het aan de oostwind
Die ’t aan de wolken bracht –
Ik zei het aan de sterre
In stille, diepe nacht.

O vogels, winden, bloemen,
Zegt heur dat woord toch niet –
Wie weet of zij niet spotte,
Niet lachtte om mijn verdriet?…

Geschreven door Dora om 19:42 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

moritura

Een gedicht van Jacqueline van der Waals 1868-1922

Moritura te salutat

Dit zijn Uwe wegen,
Ook de  mijne?  'k weet het niet, mijn God,
Al mijn wensen en begeerten zwegen.
Toen Gij tot mij spraakt, ik sprak niet tegen,
Ik aanvaardde Uw gebod.

Of mijn hart dit wilde?
'k Heb niet naar het schreien van mijn hart gevraagd.
Toen Uw glimlach mijne ziel doortrilde
En mijn glimlach gloren deed, verstilde
't Al in mij, dat schreit of klaagt.

Dit zijn Uw gedachten,
Ave, Heer, U groet die sterven gaat.
Dat het ja van hare stille nachten
En het amen harer dagen door geen klachte
Worde ontheiligd en geschaad.

-------------------------------------------------------
Moritura te salutat - Zij die gaat sterven groet U

Geschreven door Dora om 19:38 Reageer op dit bericht

laat

Een gedicht van Willem Kloos 1859-1938

Laat mij nog éénmaal...

Laat mij nog éénmaal, in gedachten, kussen
Die warme lippen, door mijn kus ontbloeid;
Laat mij nog éénmaal aan die boezem sussen
Mijn arme hoofd, waarin de koorts-pijn gloeit.

Laat mij nog eens, klein kindje, rusten tussen
Die armen, waar mijn hart aan was geboeid,
In die zo lieve tijd, toen, zonder blussen,
’t Vereend gelaat door passie werd verschroeid.

Mijn lippen kussen wild, mijn oog staat droef –
Niet waar? gij lief! nu er geen lief meer wezen,
Geen arm zich om mijn hals bewegen zal:

Maar ik heb haast: mijn trekken worden stroef,
Als in de koû des doods, mijn armen vrezen
In beven, hangende op hun laatste val.

Geschreven door Dora om 12:23 Reageer op dit bericht

vrouwen

Een gedicht van Hermanus Asselberg(h)  1726-1792

vrouwen zijn geenszins mensen

Een liedjeszanger schreeuwde op straat, dat elk 't kon horen:
'Hier heb je nou 't bewijs, zo klaar als zonneschijn,
Dat vrouwen geenszins mensen zijn!
Eén oortje; koop! 't zal jou gewis bekoren.'

Dit maakte Griet en Trijn verwoed:
De toorn ontstak haar beider bloed:
Griet greep hem aan en zeide: 'ô Guit! men zal jou leren
De vrouwen naar haar waarde te eren.
Zijn wij geen mensen? schurk! waar ziet ge ons dan voor aan?
Kom, Trijn! laat ons hem straks de kop te plettren slaan'.

Hij, ziende, wat 'er, door haar dolheid, zou geschieden,
Riep hard: Ik hou het uit dat zij geen mensen zijn:
''t Zijn engelen, in mensenschijn!'
Elk lachte; en deze trek deed hem haar woede ontvlieden.

Geschreven door Dora om 00:00 Reageer op dit bericht

woordjes

Een gedicht van Hein Boeken 1861-1933

O woordjes mijn...

O woordjes mijn, wat moet 'k u dankbaar zijn!
Waar zijt gij toch, waar komt gij toch vandaan?
Gij kunt altijd mijn heerlijkheid verstaan,
Veel beter dan ik denken kan in mijn

Klein geestje: kom, laat ik u bidden aan,
Want telkens als ik bidden durf: verschijn!
Komt gij rondom me als vlinderkens zo rein,
En licht, en wit, zó komt gij rond mij aan.

En zó ook nu, nu ik u murmlend roep,
Komt gij rondom mij fladderend zo zoet,
Mijn lippe' en wangen strelend, lichte troep,
Als werd gij altijd uit mijn hand gevoed,

En toch, och alle menschen konde' u lokken
Maar enkelen, wie gij laat zó met u jokken.

Geschreven door Dora om 21:49 Reageer op dit bericht

dichter

Een gedicht van Johannes Immerzeel 1776-1841

DE VERTOORNDE DICHTER

Hoe haatlijk is 't Publiek omtrent mijn lettervruchten!
Ik schonk het reeds een trits van welbekookte kluchten,
En, nochtans, 't lachte niet! maar 'k loer nu weer op wraak:
't zal boeten voor zijn grillen,
Ja, lachen zal het, 't moog dan willen of niet willen,-
Daar ik een treurspel maak.

Gedichten (1823)

Geschreven door Dora om 22:40 Reageer op dit bericht

melodie

Een gedicht van Louis Couperus 1863-1923

Melodie

Laat, o lieve, laat
Uw blanke vingren langs
De toetsen fladdren;
En licht.

Laat, o lieve, laat
De tonen kwelend vallen, als
Kristallen dauw,
Die van uw blanke vingren drupt,
En zoet
Vervloeit.

Luchtgewiekte melodie
Zweef klaatrend op!
Of juublend in een zilverlach,
Of smeltend...
Smeltende in een vliet
Van louter tranen...

Trillend klankgetover!
Reine parelzang... stijg,
Zwellend,
In uw vol geschal!

Laat, o lieve, laat
Uw blanke vingren langs
De toetsen fladdren;
Vlindervlug
En licht...

Geschreven door Dora om 19:50 Reageer op dit bericht

lierzang

Een gedicht van Jacob van Lennep 1802-1868

Lierzang van een vader aan zijn enig zoontje

U wijd ik heden mijn gezang
Gelukkig kind! zo mild bestraald met zegen!...
(Maar laat ik eerst van uw behuilde wang
Die traantjes vegen.)
Gij op wiens pad, bij 's levens lentegloor,
Slechts rozen zonder dorens groeien...
(Pas op wat, Jans, daar stopt hij erwten in zijn oor.)
U, wie genot en zoetheên tegenvloeien,
Wie nog geen zonde drukt, geen bange smart beknelt!
(Wat heeft hij in zijn mond? - Bewaar ons! 't is een speld.)
Bevallig wicht! gij liev'ling van ons allen,
Zo vlug en dartel als het vinkje in de lucht!
(De gangdeur toe, hij mocht nog van de trappen vallen.)
Aanminnig voorwerp van elks tederheid! - (Wel geducht!
Let op toch, Jans, hij zal zijn doek aan 't vuur verzengen.)
Gij wie wij onze zorgen brengen,
Uit wiens bestaan ons dierbaarst heil ontspruit!
Gij hechtste schalm in ons huwlijksketen!...
(De drommel haal' de stoute guit!
Hij heeft mijn inktpot omgesmeten...)
Gij Cherub! die, wanneer de maan
Deze aard verlicht met zilv'ren glansen,
Bestemd schijnt, om de blijde dansen
Der luchtige Elven voor te gaan...
(Verbied dat kind de poedel zo te slaan!)
Lief bijtje dat de honing weet te puren
Uit ieder bloempje naar uw keus!
(Wat ligt hij weer te pulken aan zijn neus!)
U, al mijn troost in droevige uren!
U, Vaders hoop en glorie bovendien...
(Wie leert dat kind, zo scheel te zien?)
Blijf steeds 't geluk u frisse bloemen strooien.
(Pas op! hij zal zijn tol nog in de spiegel gooien.)
Lief duifje van onze ark...(Daar stoot hij aan de kom:
Nog één duw, dan ligt hij om...)
In 't huwelijksnest gekweekt met onverpoosde zorgen...
(Wat drenst en jankt hij deze morgen!)
Bij wiens geboorte een heilgodes
Ons huis betrad, die mild u wou gedenken...
(Foei! wat besmoezelt hij zijn hes...)
En kwistig met haar gaven u beschenken...
(Jans! Jans! hij heeft een mes;)
Speel, dierbaar kind! met ongestoord genoegen.
De zoete vreugd mag aan uw leeftijd voegen:
Dat vrij uw lust voldoening zoek'!
(Ik zei het wel, dat al die koek
Die Trui hem gaf, hem misselijk zou maken.)
O! dat de vreugd, die thans uw schuldloos hart doet blaken,
Bestendig, duurzaam, wezen kon:
(Daar knipt hij, Janslief! met een schaar in uw japon.)
Zoet rozenknopje! dat uw blaartjes gaat ontsluiten...
(Ga naar Mama, en laat je neus reis snuiten!)
Zo zacht, zo geurig en zo fris!
(Hij maakt mij ziek, zo vuil hij is!)
Bekoorlijk als Auroor, in 't Oosten doorgeblonken...
('k wou dat dat raam een tralie had!)
't Ontluikend brein verlicht met louter hemelvonken...
(Breng toch die bengel weg, mijn schat!
ik kan geen letter verder schrijven,
indien hij langer hier moet blijven.)

 

Geschreven door Dora om 17:13 Reageer op dit bericht

rozenknop

Een gedicht van Alice Nahon 1896-1933

Rozenknop

'k Hoù niet van volbloeide roze,
Die heur hart heeft uitgezeid,
Die bij 't oop'nen
Van heur broze weelde,
D'éérste stervenstrane schreit.

'k Zie ze liever wachtend dragen,
Wat een knop niet openwoelt:
't Stil gesluimer
Van zó teer verlangen,
Dat een and're roos het voelt...

Want, door elk geluk moet schreien,
Schemering van droefenis...
Als een liefde,
Die door bei geweten,
Nog onuitgesproken is...

Liefde, hou me lang verborgen
't Schroeien van uw pracht'ge gloed;
't Is de passie
van het zonne-zoenen,
Die een roze sterven doet...

Vondelingskens

Geschreven door Dora om 22:37 Reageer op dit bericht

zomernacht

Een gedicht van Prosper Langendonck 1862-1920

Zomernacht

O! toen was er gedanst op dat verre gehucht,
in die schuren, omloverd door kanten en bomen!
Nu verzwond, in de verte, 't bedwelmend gerucht
en wij keerden naar 't dorpje, verzonken in dromen.
Zeg! herdenkt ge die nacht nog, die zomerse nacht,
die onmeetlijke hemel, in eindloze pracht,
en dat veld in een zilvrige sluier verloren,
en die zalige rust, die geen leven kwam storen,
dan 't gelispel der blaren, versmeltende zacht
in die golvende zangen van 't ruisende koren?

O! toen was er gedanst op dat verre gehucht!
Doch we keerden ne weder langs akkers en hagen.
Een verfrissende veldgeur doorwaaide de lucht,
op de wiegende wiekslag der winden gedragen.
Zeg! herdenkt ge die nacht nog, die zomerse nacht,
toen wij dachten ... o, weet ik waaraan ge wel dacht?
Doch ik droomde van 't heil aan die boeren beschoren,
van hun levende vreugd, in geen weemoed te smoren,
en gij spraakt mij, natuur met bedwelmende kracht,
uit die golvende zangen van 't ruisende koren.

O! toen was er gedanst op dat verre gehucht!
Doch nu keerden wij langzaam en zwijgend en teder.
Aan uw boezem ontwelde er geen woord of geen zucht,
maar uw hoofdeke vleide op mijn schouder zich neder.
Zeg! herdenkt ge die nacht nog, die zomerse nacht,
O, toen heb ik een stond naar uw liefde getracht
en dan had ik zo licht u mijn liefde gezworen!
Zie! daar wenkte de stad met haar lokkend bekoren
en mijn gloeiende kus bleef voor immer gesmacht
in die golvende zangen van 't ruisende koren.

O! toen was er gedanst op dat verre gehucht!
Doch gij waart een boerinne, gij slanke, gij blonde!
En ik was er een knaap, wel de stad eens ontvlucht,
maar wiens jeugdig gemoed nog die boze niet wondde.
Zeg! herdenkt ge die nacht nog, dien zomerse nacht?
O mij droomt hij zo vaak in 't verweekte gedacht
met zijn zalige zoelte en zijn wonderlijk gloren.
'k Heb het ware geluk, o, zo dwaas! toen verloren,
en nu drijft in 't verleden een bittere klacht
op die golvende zangen van 't ruisende koren.

Geschreven door Dora om 22:47 Reageer op dit bericht

dicht

Een gedicht van Johan van 't Lindenhout 1893-1919

Dicht langs een bongerdhaag schichtte een pruimensnaaier

Dicht langs een bongerdhaag schichtte een pruimensnaaier,
De klepper vong de wind en joeg de vogel op,
Er gonsde een ver gerucht van tramp'len en geklop,
De garvenbindster zong op 't zoeven van de maaier.

Maar, de open lippen strak in zijn verdoolde kop,
sliep aan de lauwe berm een schuwe armoedzaaier.
De zomernoen was heet, de hemel trilde laaier
En groener rankten zich de bellen van de hop.

Toen zwol een luwe wind over de brakke sloot,
Hij deunde door het riet en wuifde op de pluimen;
Een grauwvink aan de wal zat veer en vlek te ruimen,

't Was of het zonnerad goudener stralen spoot.
De slaper had zijn droom naar eigen lust en luimen,
Van honig en roô-wijn, ham en driekoon'ge-brood.

Geschreven door Dora om 19:49 Reageer op dit bericht

engel

Een gedicht van Jacob van Lennep 1802-1868 

De engel en het kind

Een Engel blikte in ’t wiegje neer,
En vond in ’t hemels aangezichtje
Van ’t schuldeloos en sluim’rend wichtje,
     Als in een beek, het zijne weer.

O (sprak hij) liefje! mij gelijk!
O! Ga met mij naar hoger sferen!
Wij zullen samen God vereren
     En zalig zijn in ’t Hemelrijk.

Volkomen vreugd heerst niet op aard,
Daar heeft ook ’t heil zijn ongenuchten:
De blijdschap gaat vermengd met zuchten,
     De wellust met berouw gepaard.

Daar woont de kommer op elk feest:
Daar zijn nooit onbewolkte dagen
Een waarborg tegen onweersvlagen:-
     Daar is nooit waar geluk geweest.

Hoe, zoude een bitt’re tranenvloed,
Die blauwende oogjes eens ontluist’ren?
Zou ’t leed de reine glans verduist’ren,
     Die ’t effen voorhoofd blinken doet?

Neen! met mij, eer gij zwoegt en lijdt,
Naar d’onbeperkte trans gevlogen!
De Algoedheid scheldt uit mededogen
     U al uw verd’re dagen kwijt.

Uw afzijn bare aan niemand leed!
Neen, schoon ge uw adem laat ontglippen,
Vloei de eigen danktoon van elks lippen,
     Die uw geboorte vloeien deed.

Dat hier geen voorhoofd somber zij;
Want o! de laatste dag des levens,
Is hij niet de allerschoonste tevens,
     Wanneer men rein is, liefje! als gij?

En de opgetogen Engel vlood
Met brede vlerk naar hoger kringen,
Om ’t Hallel voor Gods troon te zingen.
- Ach! moeder! ach, uw kindje is dood.

-----------------------------------------------
trans - hemeltrans, hemel
hallel - lofzang (daarvan afgeleid: halleluja)

Geschreven door Dora om 22:04 Reageer op dit bericht

de jager

Een gedicht van Prudens van Duyse 1804-1859

DE JAGER

Nauw purperde ’t Oosten met rijzende gloed,
Reeds snelde,
Te velde,
Met wakkere moed,
Een jager,
De plager
Der hazen na d’oegst –
Een jager zo woest.
O jagerke, spoed wat uw gangen:
Ras is er een haaske gevangen!

Er liepen drie honden vooraf zo gezwind
Vol leven,
En dreven
Als ’t pluimpje op de wind;
Zij stoven
En snoven,
Het muiltje vooruit,
Verlekkerd op buit,
O jagerke, spoed wat uw gangen:
Ras is er een haaske gevangen!

Wat kijkt zo de jager met lachend gezicht,
Verhemeld?
Iets wemelt
Van verre: wellicht
Een prooitje.
Wat fooitje!
De jager, vervoerd
Reikhalzende, loert.
O jagerke, staak wat uw gangen:
Ras is er een haaske gevangen!

Maar breder ontsluit hij het vonkelend oog,
Verzuchtend.
Als de uchtend
Zo blozende, toog
Heel zoetjes,
Op voetjes
Zo aardig en kleen,
Een lieveke heen.
O jagerke, spoed wat uw gangen:
Ras is er een haaske gevangen!

‘ Waar mijner die buit, o, wat goed zou ’t mij doen!’
Zo denkt hij;
Met wenkt hij,
En pracht om een zoen.
Nu speelden
Verveelden
De honden zich dra,
‘t ‘Neen!’ zeide als: ‘Ja!’
O jagerke, spoed wat uw gangen:
Ras is er een haaske gevangen!

Daar wipt er een haaske zijn legerken uit,
Het liefje,
Dat diefje,
Bemerkte die guit:
‘ Stout beestje,
’t Is feestje
Nu kun je geen kwaad,’
Zei ’t loze gelaat.
O jagerke, staak uw gangen!
Nu vindt gij u zelve gevangen!

-----------------------------------------
Oegst: oogst
Kleen: klein
Fooitje: feest dat de boer na afloop van de oogst
aan zijn arbeiders geeft
Waar mijner die buit: was die buit maar van mij
Met wenkt hij: op hetzelfde ogenblik wenkt hij
Pracht om een zoen: smeekt om een zoen
Loze gelaat: schalks, ondeugend gelaat

Geschreven door Dora om 22:07 1 reactie Reageer op dit bericht

de scheiding

Een gedicht van Rosalie Loveling 1834-1875

 

De scheiding

Zij stonden rechtover elkander.
Zij zagen elkander aan
De ene had in haar ogen een glimlach,
En de andere een stille traan.

Deze was een verouderde vrouwe,
Die steun zocht aan de wand.
En gene een jeugdige beeltnis,
Geschilderd door meesterhand.

Hoe spraken die zoete trekken
Nog tot haar zusterhert!
"'t Is heden zestig jaren,
Dat zij begraven werd!”

Zij wreef de hand aan ‘t voorhoofd,
Zij sloeg de ogen neer,
En als in toverkleuren
Rees heel ‘t verleden weer!

Doch vluchtig als het weerlicht
Was haar begoochling heen…
Het beeld wordt weggedragen
De koopman wacht beneên.

Zo namen de tweelingzusters
Daar afscheid van elkaar:
Een oude gebogen vrouwe
En een meisje van zestien jaar.

Gedichten, 2e vermeerderde uitgave (1877

Geschreven door Dora om 19:48 1 reactie Reageer op dit bericht

inmaken

Een gedicht van Adriaan van der Hoop 1802-1841

Inmaken

Keulse potten, vaatjes, touwtjes,
Vleeskuip naar de eis gepikt;
Nu is 't hoogtijd voor de vrouwtjes,
't Rookt in huis, dat je er van stikt!
Zuurkool naar de eis gesneden,
Molenstenen in de ton,
Stank van boven tot beneden;
Vrouw steeds in haar nachtjapon.-
Zuinig Aaltje is catechismus:
Wie zag immer zuinigheid,
('k Ben niet voor het pessimismus)
Lezers, bij een keukenmeid?-
Duizenden Princessebonen,
Groene bonen bij 't miljoen,
Tonnen, waar men in kan wonen,
Als Diogenes mocht doen.
Kelderflessen, blazen, kurken,
Uitjes, sambal, peultjes, peen,
Bloemkool, erwtjes, biet, augurken,
Canteloupen, fijn gesneên!
Venkel, foelie, lauwerblaren,
Thijm, Cardemon, Marjolijn,
Spaanse peper niet te sparen!
Ankers wijn-en bier-azijn,
Boterpekel voor de kroppen,
Kies vooral de slapste niet!
't Zelfde voor de spersie-koppen,
Eer men er d'azijn op giet.
Appels schillen, boren, drogen,
Kindren aan de diarree.
Bruine suiker afgewogen:
Ach, 't wordt in je beurs zo wee!
Reine-claudes, mirabellen,
Brandewijn, kaneel, kandij,
Perzik, abrikoos, morellen,
Naaglen, naar de smaak er bij!
't Geurig sap van d'alebessen,
Wél gerist, gekookt, geschuimd,
't Spoelen, 't zwaavlen van de flessen:
Was de boel maar opgeruimd!
Al die vruchten en geleien,
Al dat zoet en al dat zuur,
Al die vreemde lekkernijen
Maken juist de inmaak duur.
Vrouwtjes, zo gij ons wilt tonen,
Dat gij d'inmaak goed bevat,
Zie niet op een duizend bonen,
En een witte kool of wat!
Wil voor de overmaat niet schromen,
Deel daarvan met wijs bestel,
Weet gij er niet dóór te komen,
De arme luidjes weten 't wel!

Geschreven door Dora om 16:23 Reageer op dit bericht

eeuwelingen

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899

 

EEUWELINGEN

Gedaagde, bodemvaste bosgenoten,
bomen, die ‘k, wel vijftig jaren lang,
boom wete; en zo hoge als nu geschoten,
gezien hebbe, op zo menig wandelgang;
wat ben ik, arme miere, u bijgeleken,
die sta en u aanschouwe, o hoge bomenreken!

Mijn handen, uitgestrekt, en konnen, eiken,
beuken, op wel twee drie vamen naar,
vamende u om ‘t lijf, malkaar bereiken,
noch meten uwe stam, die, machtig zwaar,
die machtig diepe staat, de grond beneden,
in de onuitroeibaarheid van uwe wortelsteden.

Gij grijpt mij, grote bomen, vast; en ‘k voele
vreze mij het hert des herten slaan,
hore ik, al met eens, omhoge, ‘t koele
gedaver van de winden dóór u gaan!...
Gij spreekt dan tegen hen zo'n zware sprake,
dat, angstig en ontsteld ik worde, en koud gerake!


9/2/1897

Rijmsnoer (VI Zomermaand)

Geschreven door Dora om 22:25 Reageer op dit bericht

mysterie

Een gedicht van P.N. van Eyck 1887-1954

Mysterie

Soms luister ik lang naar het zwijgen
Van die donkre viool, mijn hart,
En scheemring na schemering zijgen
Door een stilte die sluimert en mart.

Doch eindlijk begint het te trillen,
Of een zucht langs de snaren streelt,
Of een enkel met liedren te stillen
Verlangen er droomt vóór het speelt.

En een mijmring van tonen zingt éven
Uit de stilte, als de huivrende geest
Eener geur die schaduws deed beven...
Maar mijn ziel is vervúld geweest.

En hetgeen in haar duister blijft hangen,
Een levende smart schoon ze zwijgt,
Is de snik van een eindloos verlangen
Uit een droefheid die woordenloos hijgt.

Gedichten - Het ronde perk(1917)

Geschreven door Dora om 22:47 1 reactie Reageer op dit bericht

avondromance

Een gedicht van Adiraan van der Hoop 1802-1841

Avondromance

Het laatste geflonker
Der zonne ging ter rust;
De beek is door ’t donker
In sluimring gekust;
Maar ’t zwijgende duister
Toont lieflijke pracht:
Want de aard groet uw luister,
Vorstinne der nacht!

Geen nevelen betrekken
Uw Goddelijk schoon;
Geen schaduwen dekken
’t Azuur van uw troon.
Vol glans zijn de blikken,
Waarmee ge op ons staart,
En ’t oog komt verkwikken,
Vriendinne der aard!

Doe lichtstralen wieglen,
o Zilvren Planeet!
Doe ’t stroomvocht weerspieglen
De glans van uw kleed.
Blink vrolijk: want de ogen
Van haar, die ik min,
Begroeten bewogen
U, Nachtkoningin!

Lente en Herfst (1842)

Geschreven door Dora om 22:15 Reageer op dit bericht

wenen

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899

Wenen

Ha! beklaag hem, die gevangen
Onder 't wegen van de pijn,
Niet en kan een trane ontvangen,
Wenen en gelukkig zijn!
Arme schaap! hoe moet het lijden
Door en door zijn herte snijden
Daar het blijft in barensnood
Van de bittre vrucht ontbloot!

Tranen, bittre vrucht des lijdens,
Drank die 't smachtend herte laaft,
Zaad der vreugde en des verblijdens,
Die God zelf verlichting gaaft,
Toen, nog wandlende op de wereld,
Menige uur, Zijne oog, bepereld
En met droefheid overlaên,
Stortte aanbiddelijk getraan.

Tranen, als bij noenestonde
't Blussend reegnen op het kruid,
Als de perel die de wonde
Van 't gekwetste pijnhout sluit,
Als de frisse navondkoelte
Na de hete zomerzoelte,
Zoeter, ja, veel zoeter nog,
Zijt gij, bittre tranen, toch!

Dank o Heer, die mij ontsloten
Hebt de bronne van 't getraan,
Die 'k zo dikwijls heb genoten,
Dikwijls er naar toe gegaan:
Moet het krimpend alsemdrinken
Vriend of vijand mij nog schinken,
Geef mij, anders niet, o neen!
Geef mij dat ik tranen ween.

Stroom van droefheid, eedle tranen;
Bittre beken des geweens,
Hoe kunt gij de wegel banen
Tot vertroosting, wat gemeens
Hebt gij, dreuplen van de smerte,
Met de honingdauw des herten?
Waarom, als ik lijden moet,
Zijt gij, tranen, toch zo zoet?

God-zijn wegen zijn verholen,
Als Hij zalfkruid wassen doet
Waar de slange zit verscholen
Die de wandlaar bijten moet:
Dank aan Hem, aan Wie 't bekend is
Of er mate in onze ellende is.
Dank aan die 't geween daar van
Met het wenen troosten kan!

Geschreven door Dora om 21:38 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten