dode dag

Dode dag
Nu lijkt het woud een wording van metaal.
De bronzen bomen krommen, nors geschaard,
Hun donkre wortels diep in donkere aard,
En kronklen zwart hun takken, ijzer-kaal,
Langs loden hemel. Broos als brokklig staal
Slaan ze elkaar stuk, waar kil de wind er vaart.
Uit vijver, gepolijst, rood koper, staart
De bodem op, door rimpling zilver-vaal.
In struiken schuren schor, of knarsen schraal,
De bladers; roestig, rul bijeen-gegaard
Langs berm en tronk.... Ach, ik, verstillend, dwaal
En toef en zoek, waar niets liefs bleef gespaard:
Een angstig kind uit àl te wreed verhaal,
Dat levend zelf, door dode wereld waart.






















