Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

adel

Een gedicht van Victor a de la Montagne 1854-1915

Adel

Zij eisen van ons, — want zij dragen een naam,
in 's lands kronijken van grote faam, —
dat we zinken voor hen op de knieen;
verwonderen doet hun ons spotgelach ,
ze dragen — ontwetend — hun naam van gezag,
als een ezel... relikwieên.

Gedichten (1913)

schrijver

Geschreven door Dora om 00:00 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

de zaligen

Een gedicht van Willem de Merode 1887-1939

De Zaligen

De gele rozen lichten langs ‘t terras.
In diepe stoelen liggen zij te rusten,
De zaligen, die elkaar gelukkig kusten,
De toekomstlozen; heel hun leven was

Een dringen naar de voorgeweten uren,
Waar alles eensklaps in vergeten is;
‘t Verwaait nadat het stukgereten is
Hun oud bestaan; en nooit kan iets meer duren

Naast dit verzonken zijn, dit niet meer wezen,
Deze vervaarlijk stille eeuwigheid,
Dit weggevaagd zijn en terust geleid,
Waaruit zij langzaam stil en moe verrezen.

De regen een grijs kraalgordijn, een poos
Zacht tikkelend, laat door zijn lauwe kieren
Hun ’t paradijs nog zien met zijn revieren,
Achter de vlammen van de gele roos.

Kaleidoscoop (1927-1936)

schrijver

Geschreven door Dora om 18:59 Reageer op dit bericht

dichter

Een gedicht van Frederik van Eden 1860-1932

De dichter en de geleerde

De Dichter is een neuswijs kind,
dat Leven zoekt waar 't niemand vindt.
Hij spreekt met bergen, maan en zon
alsof dat alles leven kon.
De Dood zelf lijkt hem een bedrog,
zelfs dáárin speurt hij 't leven nog.

Maar de Natuurgeleerde
doet juist het omgekeerde.
Zijn hedendaagse wetenschap
is wonder-slim, en wonder-knap,
want die verklaart, met wijsheid groot,
het Leven door de Dood.

Dante en Beatrice en andere verhalen (1908)

schrijver

Geschreven door Dora om 13:29 Reageer op dit bericht

gedachten

Een gedicht van Isaac da Costa 1798-1860

GEDACHTEN BIJ HET GRAF

VAN

DEN TWAALFJARIGE

HENDRIK CHRISTIAAN CAPADOSE,

28 MAART 1845.

De kleinen gaan ons voor in 't koninkrijk des Heeren:
door kindren wil ons God Zijn diepe wegen leren!
Hier rust het stof eens kinds, in 't midden van de pijn
gegrepen om eerlang voor eeuwig vrij te zijn.
o Hendrik Christiaan! vrij is uw geest daar boven,
daar 's Hemels Englen 't Lam, dat voor u bloedde, loven
Terwijl in 's aardrijks schoot u lichaampje uitgestrekt!
de Engel sluimrend wacht, die eens Gods doden wekt!
o Kind van rouw en vreugd, van tranen en gebeden!
hoe zijt gij dus de rust al lijdend ingetreden!
Hoe dus van 's levens lust en zoetheên losgesnoerd,
en als op vleuglen aan 't oudrenhart ontvoerd?
U maakte Christus vrij door eigen lijdensbanden.
Zijn liefde deed uw hart in heilbegeerte ontbranden.
Zijn Geest was dáár, - gij leedt, beleedt en overwont,
ggij - thans van zonde en pijn voor eeuwig zielsgezond.

schrijver

Geschreven door Dora om 19:06 Reageer op dit bericht

éne

Een gedicht van Frans Bastiaanse 1868-1947

Die éne...

"Ik zou die éne willen zien
Aan wie ik denk altijd,
Als ik hem zag vandaag, misschien
Was ik mijn vreugde kwijt;

Maar ook—wie weet—misschien mijn leed,
Want, dít is mij zo vreemd:
Ik weet niet wat hij geeft, ik weet
Niet wat hij van mij neemt.

Ik weet niet wat hij met mij doet,
Ik weet alleen maar dat
Ik hem nog ééns iets zeggen moet,
Maar niet wanneer of wát.

Want altijd als ik spreken wil
Dan bonst mij in de keel
Mijn hart alsof het breken wil
En zegt: "gij zegt te veel."

En altijd als ik zwijgen wil
Dan zegt mijn hart in mij:
"Spreek nu, want zwijgt ge nú nog stil,
Dan gaat het uur voorbij."

Zo komt er nooit iets uit mijn mond,
Dat spreekt als ik het meen,
En vind ik wat ik straks niet vond...
Dan ben ik weer alleen."

Gedichten (1909)

schrijver

Geschreven door Dora om 18:26 Reageer op dit bericht

nachtegaal

Een gedicht van Jacobus van Looy 1855-1930

NACHTEGAAL

Hoor het verheven roepen in het dagen,
Nu er de nacht nog is, de geur'ge, zoele,
Overal-stille nacht; door 't wellend, zwoele
Gefilomeel, dat donker is als klagen. -
Nu tjuikt het henen over lage hagen,
En slaperige keeltjes komen joelen:
Zo op een meer veel scherpe zeiltjes kroelen
De dag gemoet, de dag met al haar vragen.
O, flonker-vochte stem die sloeg bewogen,
Uit zwaarmoed riep mij naar de lichte hoge;
Hoe hing mijn aandacht aan Uw diep geschater;
Keer, zingende dwang, zacht geweld dat kliefde
De smachting van de nacht, keer liefde, o liefde,
Hermaak mijn hart tot een diep-orglend water.

Gedichten, A. W. Sijthoff, Leiden.(1932)

schrijver

Geschreven door Dora om 16:22 Reageer op dit bericht

kind

Een herfstgedicht van Toon Tellegen


Verdrietig kind,
verdrietig gedicht


Ik ben de herfst.
Ik ben de regen.
Ik ben de storm.

Zoek mij maar op,
ik sta in alle gedichten.

Houd mij maar vast,
ik heb het koud en ik ben moe,
en nog zoveel bladeren aan de bomen,
nog zoveel bladeren overal.

Toon Tellegen
uit: Daar zijn geen woorden voor,
een keuze uit de gedichten,
Rainbow Pockets 2005

Geschreven door Dora om 11:48 Reageer op dit bericht

jaargetijde

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899

Jaargetijde

o Gij die wij beminden eens,
wij groeten u, vol droef geweens,
en staan rondom uw graf te gaar,
op 't ende van uw stervensjaar.

Waar zijt gij? Sterke en kloeke, en al,
waar zijt gij, ach, te groot getal
van vrienden, gij, die dacht misschien:
'k Zal menig uwer sterven zien!

Aleer gij iemand sterven zaagt,
was 't gij die eerst gestorven laagt:
en droevig staan we, uit vriendenplicht,
bij 't graf, waar ge in begraven licht.

Zo vaart de dood, o! doof en blind,
ze'n spaart geen ouder, spaart geen kind;
smijt al in 't graf, maar d'hope niet,
die me in dit kruis hier staande ziet.

o Zalig teken op het graf,
o nooit ontvallen wandelstaf,
staat bij, staat bij, in deze nood,
en zijt remedie na de dood!

o Kruis, daar Christi bloed aan was,
de mens is licht en broos als glas:
hij valt, hij breekt; gij staat en houdt
omhoog, die op uw stam betrouwt.

Daar liggen ze aan uw voet, o Kruis,
onz' liefste neer, in stof en gruis:
herleve 't stof en worde 't wat
Gods hand het eens geschapen had.

Herworde 't jong en stervensvrij,
herworde 't in Gods vreugden blij,
herworde 't in God zelf geleerd,
herworde al 't duistre in licht gekeerd!

o Dierbaar is het vriendengraf,
ik schee daar met getraan van af,
ik laat mijn hert daar aan en bij,
en,... vrienden, dat u vrede zij!

Kerkhofblommen (1858)

schrijver

Geschreven door Dora om 14:35 Reageer op dit bericht

de dood

Een gedicht van Giza Ritschl 1869-1942

De dood is gekomen

De dood is gekomen,
De dood in mijn dromen,
De dood nam mijn hart,
De dood wreed en hard.

De dood heeft genomen,
De dood zonder schromen,
De dood met zijn kracht,
De dood in de nacht.

De dood ging stil zweven,
De dood met mijn leven,
De dood wie het beliefde,
De dood en mijn liefde.

Geschreven door Dora om 21:15 Reageer op dit bericht

spel

Een gedicht van Jabob Cats 1577-1660

Grijpt gij 't wel, zo is 't maar spel

Het brandhout en de min
zijn twee verscheiden taken;
Maar op gelijke voet
door ieder aan te raken.
Want, of men naar het vuur
of naar de minne spoedt,
Er is een zekere kunst
hoe dat men grijpen moet.
Tast waar het ligt en gloeit
gij zult het laten vallen,
Tast waar het niet en brandt
zo is het om te mallen.
De liefde, zoete jeugd!
is "ik en weet niet wat".
Zij dient of dient u niet,
naar dat zij wordt gevat.

Zinne- en minnebeelden (1905)

schrijver

Geschreven door Dora om 14:25 Reageer op dit bericht

spel

Een gedicht van Jacob Cats 1577-1660

Grijpt gij 't wel, zo is 't maar spel

Het brandhout en de min
zijn twee verscheiden taken;
Maar op gelijke voet
door ieder aan te raken.
Want, of men naar het vuur
of naar de minne spoedt,
Er is een zekere kunst
hoe dat men grijpen moet.
Tast waar het ligt en gloeit
gij zult het laten vallen,
Tast waar het niet en brandt
zo is het om te mallen.
De liefde, zoete jeugd!
is "ik en weet niet wat".
Zij dient of dient u niet,
naardat zij wordt gevat.

Zinne- en minnebeelden (1905)

schrijver

Geschreven door Dora om 10:42 1 reactie Reageer op dit bericht

bridge

Een gedicht van P.N. van Eyck 1887-1954
Brent Bridge

Een vreemd man, in een vreemd land.
En vaak is er niets dan dit:
Water en loof en het wit
Van zwanen, dicht bij de rand
Gras voor de bank waar hij zit,
En straks aan de overkant.

Een man die even leest,
Het stil begin van een lied,
Dan opkijkt en om zich ziet.
En iets in hem denkt, bedeesd:
Hoe vreemd, nog ken ik het niet,
En toch is het altijd geweest.

Vreemd, in dit vreemde land,
Alleen, met niets dan dit:
Water en loof en het wit
Van een zwaan die talmt bij de kant,
Dicht langs de bank waar ik zit,
wat avondzon op mijn hand.

Herwaarts, gedichten 1920 - 1945

schrijver

Geschreven door Dora om 13:32 Reageer op dit bericht

schrijven

Een gedicht van Toon Tellegen

Waarom schrijf ik

Ik schrijf omdat ik wil schrijven
dat ik gelukkig ben.

Op een dag zal het zover zijn
en zal ik schrijven-
met mijn tong tussen het puntje van mijn tanden,
en met rode oren en rode wangen;
ik ben gelukkig.

Als ik daarna ooit nog twijfel
en meen dat ik verdrietig ben of de wanhoop nabij
of zelfs reddeloos verloren,
kan ik altijd opzoeken wat ik werkelijk ben:
gelukkig.

Toon Tellegen
Uit: Gewone gedichten
Querido Amsterdam 1998

Geschreven door Dora om 22:03 Reageer op dit bericht

zwerver

Een gedicht van Jan Prins 1876-1948

De zwerver

Door de lege koude akker
Loopt een oude, arme stakker,
Zoekend in de harde grond
Of-ie geen petatters vond.

Wroetend gaan de zwarte handen,
Klapperend de zwarte tanden,
Gulzig glimt de grauwe mond
of-ie geen petatters vond.

In de avond nog, bedrogen,
ging de moede schim gebogen,
kroop de zwarte schaduw rond
of-ie geen petatters vond.

En alvorens te beginnen
aan het maal, zei de bazinne
hoe een grote, vreemde hond
zocht, of-ie petatters vond.

schrijver

Geschreven door Dora om 12:00 Reageer op dit bericht

polderland

Een gedicht van Hendrik Marsman 1899-1940

Polderland

Ik loop door ’t polderland
onder de helle regen;
oneindig is het land,
oneindig zijn de wegen,

die naar de kimmen gaan;
in lage hemelstreken
heerst tussen zwarte kreken
het mistig licht der maan.

o, dertigstroomenland,
het volk dat u bewoont
versombert in krakelen
die geld en God verdelen,
purper en doornenkroon.

oneindig is het land,
oneindig zijn de wegen
die naar de kimmen gaan;
ik loop de morgen tegen
in ’t mistig licht der maan.

schrijver

Geschreven door Dora om 15:58 Reageer op dit bericht

zinneloosheid

Een gedicht van Rosalie 1834-1875

Blijken van zinneloosheid

De koning werd zeer oud en zwak
Hij scheen wat grillig te wezen
Hij maakte 't al verkeerd en sprak
Noch deed meer als voordeze.

Hij wierp de vogeltjes in de stroom
En deed de visjes vangen
Opdat ze van uit de appelboom
Hem verkwikten door hun zangen.

Men nam het nog zo erg niet op
Men liet hem doen naar behagen
Zij die hem omringden schudden de kop
Van meelij als zij dat zagen.

Maar toen hij het verder dreef en begon
De grootgewordene kinderen
Te plaatsen in rijen voor het kanon
Alsof het hun niet kon hinderen.

Maar toen hij sprak van de hoge roem
Die ze zich daar konden verwerven
Indien zij, des landes schoonste bloem
Gewillig voor hem wilden sterven.

Toen lachten zij allen luid: O neen
Zo spraken ze tot de koning
Dat ware genoeglijk voor u alleen
Wij trekken terug naar onz' woning.

Indien gij het goedvindt, o oude man
Ga gij zelf met uw buurman vechten
Wij komen de kroon van lauweren dan
U om de slapen hechten.

Hij zag hen aan met verwilderd gezicht
Zij lieten hem streng bewaken
En voerden hem naar het krankzingegesticht
Om een einde aan dat spelletje te maken.

Gedichten van Rosalie en Virginie Loveling (1877)

schrijver

Geschreven door Dora om 12:52 Reageer op dit bericht

vrouw

Een gedicht van P.N. van Eijck 1887-1954

De verlaten vrouw

De nacht weer, de slaap weer vergleden,
Wéér de eenzame herfst van het licht
Aan de ruit, wéér de klem op mijn leden,
Of mijn ganse bestaan is ontwricht.

En mijn ogen sluitend, mijn handen
Geperst aan mijn borst, bij mijn hart,
Voel ik starend 't onzalige branden
Van mijn liefde en haar vlijmende smart.

Wat heeft mij tot u gedreven,
Wat hebt gij met mij gedaan,
Dat ik hier, in de kramp van mijn leven,
Nog hijg om de droom van een waan?

Als een man die zijn bijl aan de stronk leit
Door een ruigte van levend loof,
Zo trof gij de kern van mijn jonkheid,
Die stierf met mijn stervend geloof.

En achter bleef een die het lokken
Van 't wrede herdenken schuwt,
Maar toch altijd opnieuw wordt getrokken
Naar uren waar 't hart nu voor gruwt...

En achter bleef een, met de straten
Ener vreemde stad tot haar deel,
Wier ziel gij zó murw hebt gelaten,
Dat zij waakt met geloken scheel.

Want het droge gewarrel der blaren
En de koorts van hun roestige rood
Langs de stenen is als 't schurende waren
Langs mijn slaap van een talmende nood.

Een nood die niet uit wil breken
Voor de laatste waanzin die hoopt,
Als een schaduw siddrend geweken,
Mijn laatste geloof heeft gesloopt.

En te moe om uw wreedheid te vloeken,
En te zwak dat mijn liefde u niet blijft,
Is mijn leven één schuwen en zoeken,
Tot de nacht mij naar buiten drijft.

Dan is 't of de erinnringen sterven,
En ik voel, daar ik àlles verloor,
In de pijn van dat hulpeloos zwerven,
Dat ik niemand, niemand behoor.


---------------------------------------
scheel: verouderde uitdrukking voor ooglid

schrijver

Geschreven door Dora om 11:24 Reageer op dit bericht

stilte

Een gedicht van Edgar du Perron 1899-1940

Een grote stilte

De stilte zwelt uit de ingeslapen nacht
En zuigt ons gans en onweerstaanbaar binnen.
Een hoornstoot gilde alsof een wilde jacht,
losbarstend als een onweer, zou beginnen -

En toen niets meer: de ondragelijke vracht
van tè veel jaren, 't koele en donkre linnen
van de eeuwge stilte op onze wankle wacht.
De vijand zal ons altijd overwinnen!

Wij kruisen de armen op onze enge borst,
zwelgend het duister met de dikke dorst
van wie om water kreunde eer hij verstomde.

En deze vracht, dit groot benauwen wordt
voorsmaak van het gebeente dat verdort
onder het marmer, in de rèchte tombe.

Parlando

schrijver

Geschreven door Dora om 10:25 Reageer op dit bericht

gezondheid

Een gedicht van Willem Bilderdijk 1756-1831

Gezondheid

Gezondheid, lieve Huldgodin!
O blijf gij, blijf ons bij!
O wees ons, wat ons lot ook zij,
Door zee, en wereldwoestenij,
Een trouwe Gezellin!

Waar de Overvloed met blijde lach
De kostbre feestwijn plengt;
In 't hoogste schittren van 't gezag,
En wat de Staatzucht strelen mag;
Waar jeugd en blijdschap wenkt.
Waar zorg en plicht met zachte klem
Het hart in banden sluit:
Bij 't ruisen van de vreugdestem
En 't klaatrend slempgeluid.
Waar 't Vaderhart van wellust vonkt,
Als op de Moederschoot
Een kleine dierbre Stamgenoot
Met dartele oogjes vleit en lonkt,
En lieve kusjes strooit,
Daar 't roosje op zijn wangen pronkt,
En 't zachte mondje tooit.
Waar Liefde-zelf de wiekjes klept
Om 't rozenledikant,
En 't aardrijk tot een hemel schept,
Waar Hymen mirten plant.

Waar, moe van 's levens lange baan,
De Grijsheid nederzinkt,
Terwijl vernoegdheids zachte traan
In 't zwellend ooglid blinkt.

Waar Lente speelt en argloos stoeit;
Waar Zomer schatten gaârt;
Het Najaar van zijn wijnoogst vloeit;
Of Winter zich bij 't haardvuur gloeit,
Met pegels in de baard.

Daar is, Gezondheid, dierste schat!
Uw heil de saus der lust,
De saus die al haar smaak bevat;
De zoetheid van de rust:
En 't balsemrijk Nefenteblad,
Dat alle kommer sust.

Uw geur versterkt de bloesemdaauw
Van Flora's Hofprieel,
De frisheid van de Lindenschaâuw;
Verhoogt muskaat en gemberklauw,
En Amboïns kaneel:
Ja, de alsemdrank der tegenspoed,
Gemengeld met uw toverzoet,
Vloeit zachter dan het druivenbloed,
En haart niet in de keel.
Gezondheid, hoogst en enigst goed,
Dat leed en vreugde smaken doet,
O waart ge mij ten deel!

Nieuwe Mengelingen II

schrijver

Geschreven door Dora om 09:58 Reageer op dit bericht

vlinder

Een hartenkreet van Hans Uding

DE VLINDER IN MIJN DROOM

Ik raak mijn kussen, val in slaap
de droom is nu al om mij heen
op vlindervleugels zweef ik weg
ik ken hier heg noch steg

herinneringen komen nu al boven
wat hoort bij mij en is van jou
mijn lieve metgezel met vleugels,oh zo teer
jij past op mij, dat ik me niet bezeer

dit is een leven in een atmosfeer,
die ik niet ken maar wel begeer
jij herkent je vrijheid altijd weer
samen kijken we op de aarde neer

onze reis duurt jarenlang, ik wil niet terug
wij blijven samen, vliegen uren achtereen
in een wijde boog tastend naar de sterren
sommige heel dichtbij en vele verre

de zon en de maan zijn ook op reis
zij hangen vrij en draaien rond
wij zien dit nu gebeuren en verheugen ons
de warmte om ons heen is dus des zons

op welke leeftijd ga je echt op reis
ik weet het wel, verklap het niet
dat is voor ieder mens een keuze
ik ben nu heel tevreden
ben liever hier dan weer beneden




Vlinders plaatjes

Geschreven door Dora om 09:59 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten