Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

Berichten van 1 mei 2016 tot 31 mei 2016

aanvang

Een gedicht van Frans Bastiaanse 1868-1947

TEN AANVANG.

De lucht was vol van zilverglansen,
      Vol rode tulpen 't groenend gras;
      De aloude dom liet vrolijk dansen
      Zijn klokken, daar 't de Meimaand was.

      En waar ik ieder blad zag groenen,
      Ontbloeid der bloemen blij gezicht,
      En later achter de plantsoenen
      Met elke dag het avondlicht;

      De stad met feestlijke geluiden,
      De vogels in de' ontloken boom,
      Doortoog, als in het wit der bruiden,
      Mijn ziel haar schoonste levensdroom.

      En drinkend met de zaal'ge zinnen
      Des levens reinste en hoogste vreugd,
      Trad ik het schone leven binnen:
      Het werelds paradijs der jeugd.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:36 Reageer op dit bericht

ontroering

Een gedicht van C.S. Adama van Scheltema 1877-1924

Vluchtende ontroering

Verloren in de' avond
Weg van mij,
Vlucht een ontroering,
Voorbij - voorbij.

Was het 't lieflijke
Van een gezicht?
Alleen de weerschijn
Van 't avondlicht?

Was 't de gedachte aan
Iets liefs van weleer?
Of een verwachting -?
Ik weet niet meer.

Een vogel nam het
Mede op zijn vlucht
En droeg het ver heen
In de avondlucht.

Een dood blad nam het
Op zijn stille vaart
En droeg het neder
In 't stof der aard.

Als vogels en blâren
Gaat alle lieflijks heen -
Zij laten ons peinzend
Leeg en alleen.

Zingende stemmen

schrijver

Geschreven door Dora om 21:59 Reageer op dit bericht

drasikolken

Een gedicht van Pim Scheltema 1921-1947

DRAAIKOLKEN

Draaikolken van dit leven,   
zuig mij naar de dood.
Zie hoe tere bloesem   
in een vrouwenschoot    
welken moet door woorden
of een valse grijns.
Sleep mij naar het einde, 
vraag mij geen accijns   
voor goedkoop genoegen.
Lach niet om mijn leed,  
als gij ’t innigst leven    
zelf met voeten treedt 
is voor U een wonder   
slechts pervers gebaar...

Chansons, Gedichten en Studentenliederen (1948)

schrijver

Geschreven door Dora om 17:01 Reageer op dit bericht

vuistrecht

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899

V U I S T R E C H T   

Ellendig al me' leven,
      zonder oost
           of troost:
van iedereen verlaten
     en verraân,
           voortaan,
waar wil ik me gaan lopen,
      om de liên
           te ontvliên,
die, zegezingend, zoeken
      mij die hals
           onvals
te kerven, die de leugen
      hun, te leed,
           verweet?

Ik vare en heb noch vreze
      voor de dood,
           hoe snood;
maar ‘k vreze, zonder moed en
      zonder hert,
           de smert
te vluchten, en te vallen,
      daar de waan
           blijft staan;
te vallen en te sterven,
      daar hij, loos
           en boos,
zal roepen: 'Dat de vuist kan,
      en ‘t gevecht,
           is recht!'

De waarheid zal bedijgen:
      zij is, als
           gevals,
de 'waarheid', schoon al ‘t beste
      dat er leeft
           begeeft:
viel alles om haar henen,
      hof en huis
           in gruis,
nog staande zou ze blijven;
      en, blijft een
           alleen,
haar houw en trouw zijn, ik zal,
      God, en gij
           met mij!

Rijmsnoer I (1887)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:49 Reageer op dit bericht

illusies

Een gedicht van Frederik Schmidt Degener 1881-1941

Illusies

De zelf-beloofde wonderen van uw jeugd
zijn weggedoezeld tot een schamelheid;  
en weggedwerreld is in daaglijksheid,  
de tuin vol wilde geur, die niet meer heugt.

Uw jaren vonden banen vast omlijnd.
Het liep als ’t lopen moest en zelden spaak.
Iets anders deed gij dan uw diepste taak –
en nu ontwaakt gij even voor het eind.

Het binnenspel van uw verbeelding bant  
de nutteloze zwaarte van ’t verstand, 
in welks omkluistering gij doods moest leven.

Droom weer, droom nog, droom over zee en land,
Droom los u uit de dag en droom nog even  
een glimp van schoonheid in de droom hergeven.

55 VARIATIES op een bekend thema

schrijver

Geschreven door Dora om 22:18 Reageer op dit bericht

boswachter

Een gedicht van Victor A. dela Montagne 1854-1915

De boswachter

En 't is vroeg in de morgen: de hemel is blauw,
in 't mollige gras schittert peerlende dauw,
op stammen en blâren, ver en dicht,
speelt met de schaduw het zonnelicht, -
op aller grachten zomen
staan bloemekens te dromen,
knikkende, geurende, slapensmoe,
de heldre lentemorgen toe.

Hij gaat langs de kronklende wegel in 't bos,
't geweer op de schouder, in luchtige dos,
na verre ronde, na bange wacht
op eenzame paden, in duistere nacht.
Maar of 't om hem heen ook glinster en glans,
of de hemel blauw is en zonnig de trans,
of alles bloeie en fleure,
of alles zinge en geure,
diep mijmerend gaat hij: daarbinnen rust
een zoete gedachte, vol heil en lust,
die tovert in zijn oogen dat licht
en die milde lach op zijn eerlijk gezicht.

Want ginds, waar het oog tussen 't dichte geblaêrt,
dat krinklend wolkje rook ontwaart,
daar is zijn thuis, zijn blijde haard,
van buiten omloverd met wingerdfestoen,
van binnen met liefdes eeuwig groen; -
daar zweeft er en trippelt en rept zich bij zang
en kout een vrouwken, rozig en rank,
daar kraait, in zijn kribbeken blozend, een klein,
daar prevelt Grootje het simpel refrein
van lang vervlogen dagen,
met moed en lust gedragen.

En een trillende leeuwrik stijgt boven zijn hoofd,
een plechtige lofzang ruist door het loof,
en bijen snorren hem gonzend voorbij,
en alles ontwaakt en is vrolijk en blij...
De zonne lacht,
de morgen straalt in opperste pracht,
en hij, de gelukkige, gaat
met stralende blik en een lach op het gelaat.

Wiesbaden, 1878.

Gedichten

schrijver

Geschreven door Dora om 21:49 Reageer op dit bericht

onrust

Een gedicht van Rosalie Loveling 1834-1874

Onrust.

't Kind schiet uit een zachte slaap;
Verre stormen huilen.
- Moeder, is 't de wind die ruist?
Moeder, is 't de zee die bruist?
Waar zou vader schuilen?

- Meisje, o! heel ver van ons
Zwalpt hij op de baren;
En wie weet waar of zijn schip,
In gevaar van nacht en klip,
Thans mag henenvaren!

- Moeder, hoor, de regen plast
Klettrend op de ruiten.
- Och! ons hindert nacht noch wind;
Maar hij is op zee, mijn kind,
In den stor daarbuiten.

- Moeder, 'k stond aan 't strand en keek,
Toen hij henenvaarde;
Haastig vloog het schip voorbij,
Maar hij lachte nog op mij,
Als hij mij ontwaarde.

- Kind, gij mint uw vader zeer,
O, in storm en regen
Lacht hem, bij het scheepsbestuur,
Ook gewis van ver het uur
Der tehuiskomst tegen.

- Maar, sprak 't kind, zo hij op zee
Eenmaal moest verdrinken,
Ach, dan zou het speelgoed al,
Dat hij medebrengen zal,
In het water zinken!

Zwarte nacht, en storm op zee!
Regen viel bij stromen.
Ach, de moeder zuchtte diep;
Maar het meisje zweeg en sliep
Weer bij zoete dromen.

Gedichten (1870)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:07 Reageer op dit bericht

krankte

Een gedicht van J.P. Heije 1809-1876

In krankte.

De Lente tooit zich als een bruid!
Het groene gras, het groene kruid,
En duizend bloempjes spruiten uit...
En iedre vogel kweelt en fluit.

Maar van de vogels altemaal
Zingt wel het teerst de Nachtegaal:
En, als ik krank en peinzend dwaal,
Roept hij mij toe, in zoete taal:

'Wel-op, mijn kranke vriend, wees blij,
Daar is het zoele Jaargetij! -
Ook in Uw ziel is melodij:
Och! 'k bid-je, spiegel u aan Mij!

'Al blijf ik kort, al zing ik kort,
o Denk niet, dat mijn hartje mort:
'k Heb, lang vóór dat het zomer wordt,
Mijn schat van Zangen uitgestort.

'Wie zó, het innigst wat hij heeft
In reine, dankbre liedren geeft,
Als lentebloesem hem omweeft...
Al is het kort - hij heeft gelééfd!'

Al de volksdichten (1865)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:57 Reageer op dit bericht

gedicht

Een gedicht van Paul van Ostaijen 1896-1928

Gedicht

Zo ook gaat de geliefde
Mitri Karamasoff
dood
Ons op de schouders
valt nu laat en schuin de schaduw
des Iwan

Om het lijden dankbaar worden
en schijnbaar blijde
het scherpe vechten van spin en bij
verbeiden

Soms reeds is schoon mijn hand gesloten
alsof er geen verlangen
over mijn vingers
lag

Het is een verre weg
naar de passieloze berg
van het blote schouwen
Logos
Tao

Nagelaten gedichten

schrijver

Geschreven door Dora om 21:46 Reageer op dit bericht

anti-dotum

Een gedicht van Richard Minne 1891-1965

Anti-dotum

Gewonnen roem
bij 't zingen van een lied
is maar een bloem
die ge even ziet;

is maar een pluim,
een gouden schub
die ge zo tussen duim
en vinger drukt.

Is maar een flits,
is maar een knal.
Daar is de sneeuw
en dekt het al.

In den zoeten inval en andere gedichten (1955)

schrijver

 

Geschreven door Dora om 21:44 Reageer op dit bericht

verrukking

Een gedicht van Gentil Antheunis 1840-1907

Verrukking

Ik wense geen rijkdom, geen pracht of geen weelde;
Ik wense geen macht of geen klink ende faam;
Ik dichte en ik zinge geknield voor uw voeten,
Mijn blik in uw oog en de handen te zaâm.
Gij hebt mij een toverend woord toegefluisterd;
Ik heb met het hoofd op uw schouder gerust.
't Verledene leed was vergeten, verzonken,
En 'k heb het geluk van uw lippen gedronken,
Toen blozend en aarz'lend gij mij hebt gekust.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:06 Reageer op dit bericht

de kroeg

Een gedicht van Francois Pauwels 1888-1966

De kroeg

De meinacht laat zijn koele droppels neder,
ik schuil onder een lispend lindendak,
mijn oude hart vindt zijn verlangen weder
dat naar de lente geurend openbrak,

en vóór mij is het licht der kleine kroeg,
daar tiert men bij de hooggevulde glazen,
al wat ik vrucht'loos aan het leven vroeg
ligt in de simp'le jool dier blijde dwazen.

Zij zwetsen, heffen 't glas en zijn tevreden,
soms klinkt in broederlijke zin een lied,
de zorgen van hun werkdag zijn geleden,
nu is er lach en leut en anders niet.

O, slechts een lange dag te zijn als gij,
mijn wezen naar het Uwe afgemeten,
als goede makker zitten aan uw zij,
en al mijn strijd voor één dag te vergeten,

hoe zou mijn hart een kalme slag hervinden,
't werd rust en 't leven gaf mij wat ik vroeg,
glimlachend zou ik bij gelijkgezinden
de hemel proeven in uw kleine kroeg!

Nu zie ik hunk'rend naar de gouden ruit,
de eenzaamheid staat naast mij, houdt mij tegen,
is het voor mij het kwijnende gefluit
der nachtegalen in de zachte regen? ...

Is het voor mij dat aan de bomen geuren
de wierookvaten van het nieuw getij,
ontsluit de lente haar onhoorb're deuren
en haar getooid paleis, alleen voor mij? ...

Dan wil de zwerver zwijgend binnengaan,
hij draagt zijn ziel op d' uitgestoken handen
en bij het altaar zal hij biddend staan
wanneer zijn kostbaar lam tot as zal branden,

want hij zal hand'len volgens heil'ge wetten,
dat wie ontving ook immer off'ren zal,
hij wil zich niet op lichte toppen zetten
maar in de schaduw van het schemerdal,

daar zal hij met zichzelf tezamen zijn,
de lach der and'ren zal hij niet benijden
en de verzwegen strijd niet als een pijn
maar als een roeping en geloof belijden!

Verzamelde gedichten (1928)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:17 Reageer op dit bericht

liefde

Een gedicht van Herman de Gorter 1864-1924

Liefde

I

En nog een ander licht stroomt van de aarde
In des heelals onmetelijke gaarde
Door de arbeid steeds groter. 't Is de liefde.

Luister, arbeiders, naar mijn zachte monde,
Naar wat ik diep in mijn hart heb gevonden,
Het ware wezen van der mensen liefde.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:35 Reageer op dit bericht

geestdrift

Een gedicht van Henriëtte Roland Holast-van der Schalk
1869-1952

O schone kracht Geestdrift

O schone kracht Geestdrift die doet vergeten
alle aardse ellende, elke lichaamsnood,
en het sidderend lijf voedt met de beten
van uw zonne-gerijpte goden-brood,

die uw stroom door de lam-gewerkte leden
en door de moe-gedachte hersens stuwt,
en ze op-richt tot de gespannenheden
waarvoor het laag en klein bewustzijn gruwt; –

gij heerlijke, sedert de moeder-aarde
mens-wezens voorbrengt uit haar rijke schoot,
hebt gij nog nooit uit zo geweld'ge haarden
de berg van 't leve' en d' afgrond van de dood

verlicht met uw zonne-gedrenkte stralen,
als in dat jaar van gouden opstands-pracht,
toen miljoenen wezens voelden dalen
in hen uw heil'ge essence, o schone kracht...

schrijver

Geschreven door Dora om 22:19 Reageer op dit bericht

Een gedicht van Edward Koster 1861-1937

Zij maaien stadig met gelijke slagen

Zij maaien stadig met gelijke slagen,
Drie mannen, de armen strekkend met de zeis,
De benen ver gespreid, naar vechterswijs,
In felste warmte van de zomerdagen.

Met ritmisch schomm'len gaan de bovenlijven
Al op en neer, als grof-massieve slingers,
En stoer omsluiten de geknookte vingers
De dikke stelen, die in één lijn blijven.

Zacht-snerpend gaan de zeisen door de halmen,
Die nedervallen in gebogen rijen
Met nauw'lijks hoorbaar sterven, en zij spreien
Hun door de zon ontlokte zoete walmen.

Verzamelde gedichten (1903)

schrijver

Geschreven door Dora om 16:55 Reageer op dit bericht

slag

Een gedicht van Albrecht Rodenbach 1856-1880

NA DE SLAG

De donkerende nacht betrok de wijd gesternde hemel,
      de rusteloze zee, de hoge duinen,
de bergen en de vlakte van het heilig Ilios.
      Van de ene zijde stonden d'hoge muren
der stede in 't flauwe schemeren der bevende hemellichten.
      Daarnevens legerden de kloeke Trooiers
de peerdentemmers. Van alom daar brandden rode vuren.
      Van tijd tot tijd daar zong een felle stemme
het krijgslied bij het ronken van het elpenbenen snaartuig,
      en stemmen bont en talrijk zongen achter
bij 't zegevierend klinken van de zware stalen wapens.
      Maar al de andre kant, ver aan de kimme,
daar brandde 't vuur in diepe stilte in 't donkre van de nacht.
Daar lag het kamp der goddelijke Achaiers.
Daar klonk geen blijde wapenklang, daar zong geen zegezang.
      Van tijd tot tijd slechts kloeg de droeve stemme
der meiden met hun gouden haar, bewenende de krijger
      die in de luide worsteling bezweek
door 't zweerd des grote Hektôrs met de glinsterende helm.
      Het bloedig veld doorliepen honden huilend
te midden peerdenlijken en gebroken snelle wagens
      en 't staal der wapensscherven dat alom
in 't nachtelijke dumster glom, daar waar de mannen vochten.
      Maar uit het kamp der strijdgezinde Achaiers
daar kwamen stil drie mannen en zij stapten stil en zwijgend
      door 't dumster en door 't bloedig slijk der weiden.
Doch in het nachtlijk donker glom het staal van hunne wapens,
en tegen nek en hiel sloeg beurtelings
der ronde schilden leedren rand, terwijl de mannen stapten.

schrijver

Geschreven door Dora om 19:37 Reageer op dit bericht

dagdief

Een gedicht van C.S Adama van Scheltema 1877-1924

De zingende dagdief

Over de heide zeurde ik,
Zo zonder gedachte,
Een oud liedje neurde ik,
Het zonneke lachte.

Over de hei ging ik,
- Een luierend feestje -
Uit de hemel ontving ik
Een lievenheersbeestje.

Over de hei sloofde ik,
Om mij gonsde een bietje,
Voor 'n wijfje, geloof ik,
Zong een leeuw'rik zijn liedje.

Over de hei stapte ik,
Zocht een ouderwets wijsje -
Zo arg'loos betrapte ik
Het aldermooiste meisje!

Over de hei lachte ik,
- Hoe zou ik beginnen? -
Wat is dat mooi, dacht ik: -
Twee mensen, die minnen!

Van Zon en zomer

schrijver

Geschreven door Dora om 21:16 Reageer op dit bericht

viool

Een gedicht van Frederik Schmidt-Degener 1881-1941

Vermoeide viool

Overbeladen door herinnering
torst ge, viool, langs ’t late levens-pad,
druk en geluk – heel de ervarings-schat:
hoe zwoegt ge - kreunend om vermindering!

Dat het vervlotene nog eens verzadigt,
dank zij uw klank: het lot gedoogt het niet.
Geen vol genot, of ’t weet van vol verdriet.
Geen levens-doen niet door berouw beschadigd.

Wees, snaren-klacht, ’t nijpend verleden kwijt.
Vrij zal het klinken  zonder binnen-strijd –
en o herboortenis van lente-tijd!

Dan kwaamt ge nader als verlegen kind;
of wel als dichter die toevallig vindt...
of als geruis, gedragen door de wind.

Scheppens-drang

schrijver

Geschreven door Dora om 21:43 Reageer op dit bericht

meidag

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899

Meidag

De kerzelaar zijn trouwgewaad
        heeft aangedaan:
vandage moet hij, meidag is ‘t,
        ter bruiloft gaan.

Elk taksken is een priem nu, die,
        bewonden, wit,
tot tenden, in een witte schee
        van blommen zit.

Beruwrijmd, was hij schoon, wanneer
        de winter woei:
veel duizendmaal is schoonder nu
        zijn blomgebloei.

Te winter was zijn schoonheid als
        een beeltenis
des levens; koud en ijdel, zo
        de schaduwe is.

Geen schaduwbeeld en is hij nu,
        geen schijn, maar al
dat schoon is, al dat levende, en
        dat liefgetal.

‘t Is bruiloft, en ‘t is zonneweer:
        de zomermeid
de bruidegom verwacht, die haar
        was toegezeid.


1/5/1895

Rijmsnoer

schrijver

Geschreven door Dora om 21:59 Reageer op dit bericht

Een gedicht van Cornelis Loots 1765-1813

Verlangen naar eeuwigheid

Zink neer, o grens, die nog ons scheidt
Van ’t Eeuwige, met smart verbeid!
o Tijd, versnel uw gangen,
Rol weg uw dicht, uw breed gordijn,
En laat ons oog de zonneschijn
Der Eeuwigheid ontvangen!
Wij stappen met versnelde voet
Op 't licht af van een hoger gloed.
’t Gebrekkige, dat ons omgeeft,
Zo lang wij zijn aan 't stof verkleefd,
Werpt onze vlucht ter neder;
Vernietigde onze adelstam,
En fnuikt en maakt de werkkracht stram
Van de uitgespannen veder;
zweven op, maar zinken weer,
Als drukte een loden last ons neer.
Het spoor des tijds met sprong en val
Draait meest door laag en slijkrig dal,
Op ruwe oneven gronden;
Daar volgen, in de droeve loop,
De smart de vreugd, ’t verdriet de hoop,
En ’t naberouw de zonden;
Daar tasten driften, woest van doel,
In neevlen rond, met blind gewoel.
Als niets ons verder uitzicht gaf,
Dan ’t vroeg of laat ontsloten graf,
Waartoe dan ons ontwaken
Uit stof, dat stil, bewustloos sliep?
Wat wrede stem dan, die ons riep,
Om luttel vreugd te smaken,
Gekocht voor moeite en bange strijd,
Beklemd in eng begrip van tijd?
o Eeuwigheid! gij zijt de ree,
Zo lang gezocht op ’s levens zee,
In zo veel wilde baren!
Ontsteek uw baken op de kust!
Gods lichtend Woord doe ons gerust
En juichend binnen varen!
Weg klip, weg branding die ons scheidt:
Ons land van rust is de Eeuwigheid.

Geschreven door Dora om 21:24 Reageer op dit bericht

landschap

Een gedicht van P.N. van Eyck 1887-1954

Landschap: bomen van licht

Landschap: bomen van licht, bij 't óp-stralende blaken
van zonne-vlakken, in schettren, scherp, op de daken;
en óm: de zware tocht van stromen, - wijde stromen
gekomen tot een meer als van glooiënd goud-laken.

Neer, door het goud-doorzegen blauw, geselen striemen
van schelle klaart die 't heil van open lichten lacht,
en de aureate horizon van brede pracht
schijnt in een purpren wrong de aarde óm te willen riemen.

Zie: vogels draaien gek door 't golpend zonne-zijn
dat giet zijn stralen-brand van woeste licht-orkanen.
En enkel déze vreê: de vreê der staat'ge zwanen
op 't peerlen-telend vlak van 't welig meer-gedein...

- o Lente, die daar tiert in 't vreugde-hijgend streven;
Lente, blij-flakkrend zijn van wijdse heerlijkheid;
Lente, die 't broeiend vuur van 't bremstig gloren zijt
dat ik, tot zang en daad, door hoofd en hand voel beven;

Lente, o Lente in de macht van gloed-zaaiende goden;
gierend uw wellust bij het zwoegen van uw willen:
ik, zat van nieuwe zon en vreugd-schaatrende gillen,
zinge u Hymnen van goud, gulzig-wassend als Oden!

schrijver

Geschreven door Dora om 21:40 Reageer op dit bericht

schepnet

Een gedicht van Jacob van Lennep 1802-1868

Het schepnet.

'k Zal met ijver
Uit deez' vijver,
- Lieve Jet!
Naar verlangen
Visjes vangen
In dit net.

'k Zal naar snoeken
Wel niet zoeken,
Mij te sterk.
Spichtige alen
Op te halen
Is mijn werk.

'k Vang ook blijën,
En, bij tijën,
Zelfs een baars.
Vorens mede
Hier ter stede,
Zijn niet schaars.

Zie hen woelen
En krioelen
In de plas.
Maar hun dartlen
En hun spartlen
Stoor ik ras.

Blijf maar kijken!
't Zal u blijken,
Wat ik doe.
Klaar is 't netje;
Kom nu, Jetje!
En zie toe.

Nachtegaaltje (1851)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:23 Reageer op dit bericht

arm

Een gedicht van Antoinette Kleijn-Ockerse 1762-1828

Mijn arm is jong; nog blank mijn Zwaard

Mijn arm is jong; nog blank mijn Zwaard;
Nooit zag mijn oog dit veld; -
'k Besteeg geen briesend oorlogspaard;
Mijn vuist doorsloeg geen Held.

Toch is mijn boezem fier en sterk,
Mijn hart als Batoos hart!
Vlug is mijn blik als 't morgenzwerk,
Ze vlammend als mijn hart -

Bathilde gorde mij ten slag!
Haar hand schonk mij dit paard,
'k Sla, haar ter eer, mijn eerste slag,
Dit zweer ik, bij mijn zwaard.

Mijn hart smacht, met verhitte dorst,
Naar het roemrijk oorlogsveld!
'k Omhelze nooit Bathildes borst
Dan als een Hollands Held! -

Neen nooit! vaarwel Bathilde! ik zweer
Dit zij mijn Huwlijkspand,
'k Omhelze u, als verwinnaar, weer;
Of sterf voor u en 't Land! –

Krygsliederen van Mr. J.F. Kleyn en Vrouwe A. Kleyn gebooren Ockerse

 

 

Geschreven door Dora om 21:35 Reageer op dit bericht

dodenherdenking

Stilstaan
 
We stonden stil
Bij een algemene wil
Om de gevallen doden
te herdenken
Het mocht en mag nimmer
meer gebeuren
Dat is wat je ziet
Als ze je zijn aan het verscheuren
De mens kent niet meer de ernst
De kinderen krijgen geen geschiedenis meer
En over gaat al het oude zeer
Maar als je een levenlang bent geconfronteerd
Met oorlogen in het klein en in het groot
Dan werp je veel huichelarij in de sloot
Want soms is het een gezellig samenzijn
Ook al zie je ernstige gezichten
Vele mensen zijn dagelijks de
samenleving aan het ontwrichten
Men is meer bezig met de driften
Van eigen denken
Dan een ander te gedenken!
Ja, wat zal dit alles schenken!
Waar oud en jong bij elkaar waren te gedenken
Ieder heeft zijn eigen verhaal
De één op kleine en de ander op grote schaal
Maar het is nimmer uit dat onmenselijk verhaal
Juist met speciale dagen
Voel je het weer…
De naweeën van die vreselijke dagen…
Bloemen plaatjes
 
Geschreven door Dora om 22:08 Reageer op dit bericht

ontroering

Een gedicht van J.H. Leopold 1865-1925

 Tintelende ontroering

Tintelende ontroering
zich zelf genoeg,
en met de volontloken wangen
en met de forse wrong der haren
met het hoofd aangeleund
stond zij zwaar, zwart;
rijke rozenbottels
oranje en rood,
schat bij schat,
o de (weet je nog) barstten,
bloemenknoppen des harten,
het ongekreukte bloemenblad
lag in onze hand

Schetsen en fragmenten (Verzamelde verzen 1935)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:01 Reageer op dit bericht

blijlied

Een gedicht van René de Clercq 1877-1932

BLIJLIED

Is mijn Vlaandren oud of jong?
Jong of oud?
Toen mijn hart dit blijlied zong
Hing de lucht vol goud.

Al de bomen sloegen groen,
Groen en blank,
En mijn hart, om mee te doen,
Gaf zijn beste klank.

Al de vogels schalden wild,
Wild en rein,
En mijn harte, zondoortrild,
Was een klaar fontein.

Is mijn Vlaandren jong of oud?
Allebei.
Zo wie daar aan twijflen zoud'
Twijfelt aan de Mei;

Twijfelt aan de dag die ruist,
Zwaar van licht,
Twijfelt aan de moed die bruist,
Twijfelt aan de plicht.

Vlaandren leeft, Vlaandren groeit,
Schoon door pijn;
En mijn hart, dat breekt en bloeit,
Moet in Vlaandren zijn.

De Noordhoorn (1940)

schrijver

Geschreven door Dora om 16:29 Reageer op dit bericht

le pont

Een gedicht van Dop Bles 1883-1940

Le pont de Caulaincourt.

Paardenpoten trapp'len, draven
boven graven, boven graven,
boven het vergaan verleden
stuwt en stijgt het hijgend heden,
boven het gefluisterd Amen,
vlamt de pakkende reclame,
boven 't somber R.I.P.
waarschuwt luid: ‘Si vous toussez....’

't Leven spreidt zijn vleugels wijd
boven dood en eeuwigheid,
spant in vergetrokken togen
zijn versteende brede bogen
tot een veld van koorts'ge strijd;
tussen plecht'ge marmerzerken
zuilen zwaar de zwarte werken,
die het volle leven dragen,
over doden heengeslagen.

Paardenpoten trapp'len, draven
boven graven, boven graven,
boven het Memento Mori
juicht de dag in volle glorie,
tussen zware wagenvrachten
jagen mensen, joelen, jachten,
snorren taxis, toet'ren, tett'ren,
zoemen stemmen, schreeuwen, schett'ren,
logge camions dond'ren, bonken,
monden lachen, ogen lonken,
wielen went'len, knarsen, kreunen,
autobussen dav'ren, dreunen;
in één jacht, één drift gedreven
bruist en kookt het lillend leven;
in de branding opgenomen
van één stroom en tegenstromen
van een durend af en aan
blijft de drom van mensen gaan.

Paardenpoten trapp'len, draven
boven graven, boven graven,
boven weidse sepulturen
slaat de zweepslag van de uren,
boven vroom geknielde liên,
walmt de wierook - de benzien!

O, de dood is zoet in 't g'loven
aan 't bestaan van een: hierboven,
want een ‘boven’ is gegeven,
want hierboven is het leven
vol mysterie, heil en hoop
in 'de grootste' bioscoop,
die, als eind'lijk nacht gaat dekken,
nog de doden tracht te wekken
met zijn kleurdoorvonkte banen
van elektrische reclame,
vol van zon en duizend sterren:
‘Changement de Propriétaire!’

Paardenpoten trapp'len, draven
boven graven, boven graven,
boven heil'ge eeuwigheid
lalt en bralt de nieuwe tijd,
strijdt en stuwt het kermend heden,
met zijn vloek en zijn gebeden,
met, als laatste elegie:
‘L'au-delà?’ - ‘Oui, mais Ribby....!’

Parijsche Verzen ((1923)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:15 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten